Home » 2021 » november

Maandelijks archief: november 2021

COLUMN: Wie was de Farao van (de) Exodus?

Wie was de Farao van (de) Exodus? Een vraag die geleerden al meer dan honderd jaar heeft beziggehouden. En nog steeds is het laatste woord er niet over gezegd. Dát de Exodus uit Egypte heeft plaats gevonden staat voor bijbelgetrouwe christenen uiteraard niet ter discussie, maar ook zij discussiëren flink over wie de wrede Farao was die de Israëlieten onderdrukte.

Afgelopen maand las ik een fictief jeugdboek over een gezin dat in Egypte allerlei avonturen beleeft. De auteur liet doorschemeren dat de Farao die beschreven wordt in het bijbelboek Exodus mogelijk Ramses II was. Geleerden zien deze farao als een van de grootste Farao’s aller tijden. Hij heeft grote bouwprojecten op zijn naam staan zoals de bekende en in de jaren ’70 verplaatste tempel Aboe Simbel. Hij overleed in 1213 voor Christus, uitgaande van de standaard Egyptische chronologie. De familie in het beschreven jeugdboek bezoekt enkele bouwprojecten van Ramses II. Was hij de Farao van de uittocht?

Ramses II

Wie een beetje thuis is in de Bijbelse tijdlijn die valt iets op: de uittocht vond plaats rond 1400 (of 1450) voor Christus. Ramses II leefde daarmee minimaal 200 jaar later. Als de jaartallen kloppen kan hij de Farao van de Exodus dus niet zijn. Wanneer je de uittocht verplaatst naar 1200 voor Christus kom je ook in de knoop met andere Bijbelse gegevens (de tempelbouw door Salomo bijvoorbeeld vond 480 jaar ná de uittocht plaats). Ramses II werd opgevolgd door Merenptah. Van Merenptah is een stele (een stuk steen) bekend met daarop een vermelding van Israël. Merenptah regeerde tot 1203 voor Christus. Stel dat de uittocht in 1213 voor Christus plaats vond, dan is het in strijd met de Bijbelse gegevens en daarom onmogelijk dat er tien jaar na de uittocht al een staat Israël bestond. Maar als Ramses II niet de farao van de Exodus was, wie dan wel?

Amenhotep II

Bijbelgetrouwe geleerden zoals dr. Petrovich denken dat de farao van de uittocht Amenhotep II is. De Studiebijbel Oude Testament (SBOT) laat van deze farao het volgende weten: ‘Hij was een sterke persoonlijkheid met grote lichamelijke kracht. Hij stond bekend om zijn wreedheid. Uit het onderzoek van zijn mummie bleek dat hij stierf in de kracht van zijn leven, op 45-jarige leeftijd. Zijn graf is in haast ingericht; er werd dus nog niet gerekend op zijn dood. Hij werd niet opgevolgd door zijn oudste zoon, maar door een jongere zoon, Thoetmoses IV’. Dit past goed bij de beschrijving die wij lezen in de Bijbel. Amenhotep II werd opgevolgd door enkele Farao’s die op zwakke wijze regeerden.

Dedumose II

Andere bijbelgetrouwe geleerden denken dat de standaard Egyptische chronologie niet klopt en dat de jaartallen in die chronologie rond de uittocht/intocht zo’n 150 jaar verschoven moeten worden. Deze geleerden opperen dat de Farao van de uittocht Dedumose II was. Volgens de bekende internetencyclopedie Wikipedia krijgt deze theorie niet veel steun van geleerden in dit vakgebied. Al met al is het lastig om de werkelijke farao van de uittocht te vinden. Uiteraard wil dit niet zeggen dat er nooit een uittocht heeft plaatsgevonden. Het ontbreken van bewijsmateriaal is niet het bewijs van het ontbreken van de Exodus. In het algemeen werd zo’n grote nederlaag als bij de Exodus niet opgeschreven en er veel is verloren gegaan of nog niet teruggevonden.

Dit artikel verscheen eerder in het gezinsblad ‘Om Sions Wil’ en is met toestemming van de redactie hier overgenomen. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2021, Wie was de Farao van (de) Exodus, Om Sions Wil 2021 (23): 27. Hier is wat meer te lezen over ‘Om Sions Wil’.

ANDERE COLUMNS UIT 'OM SIONS WIL' JAARGANG 2021

Alexander Comrie (1706-1774) en zijn proefschrift ‘De moralitatis fundamento et natura virtutis’

De theoloog Alexander Comrie, predikant te Woubrugge, studeerde in Groningen en in Leiden. Hij was een Schot van geboorte (1706), die op ongeveer 20-jarige leeftijd naar Nederland kwam. Na kort op een handelskantoor gewerkt te hebben, ging hij in Groningen theologie studeren om predikant te worden. In 1733 vertrok hij naar Leiden en volgde daar onder andere de colleges van de internationaal befaamde Willem Jacob ‘s Gravesande, die de denkbeelden van Newton in Nederland introduceerde. In 1717 begon de voormalige jurist ‘s Gravesande zijn loopbaan als hoogleraar astronomie en wiskunde, waar hij vele studenten uit binnen- en buitenland inleidde in de nieuwe experimentele natuurwetenschap in Newtoniaanse geest. Niet alleen de wiskunde en de natuurwetenschappen hadden zijn belangstelling, maar ook de ethica en de metafysica. Hij werd dan ook op 12 juli 1734 benoemd tot hoogleraar in de “gehele filosofie”. Mogelijk heeft de faam van ‘s Gravesande bij Comrie de doorslag gegeven om bij hem in de filosofie te promoveren. Dat gebeurde op 5 oktober 1734 op een dissertatie De moralitatis fundamento et natura virtutis (Over het fundament van de moraal en de natuur van de deugd). In 1735 werd Comrie bevestigd tot predikant in Woubrugge, waar hij in 1773 met emeritaat ging. Hij vertrok naar Gouda en overleed er eind 1774.

De eigenlijke tekst van Comrie’s proefschrift beslaat 17 bladzijden. Daarna volgen er, naast een lofdicht, onder het kopje Annexa, 25 stellingen over diverse filosofische onderwerpen. De stellingen 15-23 zijn gewijd aan de natuurwetenschappen. In stelling 20 komen we de naam van Newton tegen en stelling 15 verwoordt de eerste “regula philosophandi” uit Newtons Philosophiae naturalis principia mathematica. Voorafgaand aan de tekst van Comrie’s proefschrift vinden we de opdracht aan zijn weldoeners en aan de “wijd vermaarde, zeer kundige en scherpzinnige” ‘s Gravesande, zijn “allervoortreffelijkste promotor”, gevolgd door een stoet Leidse en Groningse hoogleraren. De tekst van de dissertatie bestaat uit de capita “De Moralitatis Fundamento” (p.1-9) en “De Natura Virtutis” (p.9-17). Elk hoofdstuk is onderverdeeld in twee secties (resp. pag.1-5, 5-9, 9-15, 15-17). Elke sectie bestaat uit een serie vrij korte paragrafen. Een groot aantal namen van filosofen uit de Oudheid en van eigentijdse wijsgeren passeren de revue. Opvallend is de afwezigheid van Middeleeuwse denkers.

In hoofdstuk I stelt Comrie dat hij eerst wil laten zien dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen goed en kwaad. Hij bestrijdt oude en moderne filosofen (van Plato tot Hobbes) die deugd en ondeugd koppelen aan veranderlijke wetten en regels waarin door mensen is vastgelegd wat al dan niet moreel aanvaardbaar is. Ruime aandacht krijgt de opvatting van Descartes dat goed en kwaad, orde of wet niet in de natuur gefundeerd zijn, maar uitsluitend van Gods wil afhangen. Comrie waardeert het in de Franse filosoof dat hij de moraal niet aan menselijke wetten maar aan God bindt, maar diens theologisch voluntarisme wijst hij af. Als goed en kwaad van Gods wil afhangen, zou God buiten het bestaan van de wereld om geen voorkeur hebben voor wat moreel goed is boven wat moreel verwerpelijk is. Je kunt niet alles tot Gods wil herleiden. Ook Descartes zelf herleidt immers het bestaan van God niet tot Zijn wil om te bestaan. God heeft niets willen scheppen zonder er wezenlijke eigenschappen aan te geven. De essenties van de dingen zijn dan ook eeuwig en onveranderlijk.

In hoofdstuk II definieert Comrie de deugd als het streven van een redelijk wezen om zo te handelen dat hij niet tegen ware uitspraken ingaat, die het wezen van een ding en het morele karakter van de in het ding vervatte betrekkingen uitdrukken. Liefde dient altijd de drijfveer van ons moreel handelen te zijn en dat handelen dient dan ook beoordeeld te worden naar de intentie van degene die handelt. Wanneer niet tot moreel handelen wordt overgegaan, terwijl dat wel vereist wordt, is er is sprake van zonde. Het goede en het ware zijn voor Comrie in feite synoniem. Hij levert kritiek op filosofen die deugd definiëren als betamelijkheid of als liefde tot het juiste inzicht (Geulincx). Wie met Plato de deugd omschrijft als dat wat met God overeenkomt, zal middelen moeten aanreiken om die overeenstemming te realiseren. In de laatste paragraaf ontmoeten we de theoloog-in-spe: Het komt er uiteindelijk op aan dat we in al onze levensuitingen God eren. Hem vragen we ons krachten te verlenen om te volharden in de beoefening van de deugd.

‘Wat is de mens?’ (1) – Introductie videoserie prof. dr. Edgar Andrews

In 2018 was prof. dr. Edgar Andrews te gast op ‘De Bronckhorsthoeve’ in het Gelderse Brummen. Hij sprak daar over zijn verschenen boek ‘Wat is de mens?’. Voorafgaande aan de boekpresentatie werden hem een zevental vragen voorgelegd. Dit is op video opgenomen door Geloofstoerusting. Vandaag het eerste deel. Veel zegen bij het kijken en luisteren.

Mart-Jan Paul en Jan Hoek schrijven een boek over betekenis van Gods spreken voor Schriftgezag en Schriftuitleg

Uit de Bijbel weten we dat God spreekt tot mensen. Maar hoe kunnen wij Gods stem verstaan en welke middelen gebruikt Hij daarvoor? Daarover gaat het onlangs verschenen boek ‘Een stem uit de hemel’ van oudtestamenticus prof. dr. Mart-Jan Paul en systematisch theoloog prof. dr. Jan Hoek. Een waardevolle studie over het spreken van God in/en de Bijbel.

Vorige maand verscheen bij uitgeverij De Banier het boek ‘Een stem uit de hemel – Gods spreken in de Bijbel en in onze tijd’. De auteurs zijn Mart-Jan Paul en Jan Hoek.1 Het betreft een grondige studie naar de betekenis van Gods spreken voor Schriftgezag en Schriftuitleg. Na een inleiding gaat het in de hoofdstukken twee tot en met acht over het spreken van God in zowel OT als NT. Er is veel aandacht voor het eerste bijbelboek, Genesis. Uit de omschrijving kunnen we opmaken dat de geleerden Genesis lezen vanuit het klassieke scheppingsgeloof. Het boek gaat onder andere verder met een hoofdstuk over Gods spreken in zowel de Schrift als in de schepping (hoofdstuk 10). Er wordt stilgestaan bij moderne wetenschappelijke verklaringen (zoals neurofysiologische verklaringen) én er is aandacht voor het oude Midden-Oosten, de context waarin het Oude Testament ontstaan is. Om niet meer te noemen: er wordt stilgestaan bij verschillende inspiratietheorieën en over de plaats van de hermeneutiek. In een tijd waarin ook minder- of niet-Schriftgetrouwe boeken verschijnen over het spreken van God is het goed dat de auteurs het thema opgepakt en dit uitgewerkt hebben in een boek van ruim 400 pagina’s. Dat de auteurs daarbij niet over een nacht ijs gegaan zijn blijkt wel uit het aantal geraadpleegde bronnen.

Deze week ontvingen we van de uitgever een recensie-exemplaar. Begin volgend jaar hopen we een recensie te schrijven voor deze website. We hopen natuurlijk dat u dit boek voor die tijd al zelf gelezen heeft. Het boek zal ook te koop worden aangeboden in de nog op te richten webshop van Fundamentum. Tot die tijd verwijzen wij u, voor de aanschaf van het boek, graag door naar de website van De Banier.2

Voetnoten

NASA wil met DART asteroïde van baan veranderen en zo de aarde redden

Double Asteroid Redirection Test (DART). Zo heet de nieuwe ruimtemissie van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. Met deze missie wil NASA kijken of ze te aarde kunnen beschermen tegen kosmisch ruimtepuin. NASA wil een asteroïde, die momenteel geen gevaar vormt voor de aarde, van baan kunnen laten veranderen. Als dit lukt is het een huzarenstukje!

Een infographic over de DART-missie van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA. Bron: NASA.

Didymos en Dimorphos

Op 24 november 2021 om 7.20 uur Nederlandse tijd werd een raket gelanceerd met aan boord de ruimtesonde DART (zie de video onderaan deze pagina). DART gaat op missie naar de binaire asteroïden Didymos en Dimorphos. In dit binaire asteroïdestelsel draait Dimorfos als ‘maan’ om Didymos heen. Didymos heeft een diameter van 780 meter terwijl Dimorphos een diameter van 170 meter heeft. Dimorphos is het kleinste object in de ruimte dat een permanente naam heeft gekregen. Deze binaire asteroïden kruisen af en toe de baan van de aarde, maar vormen (voorlopig) geen bedreiging voor de mensheid. Deze missie is eigenlijk een zelfmoordmissie want DART zal zich te pletter vliegen op de ‘maan’ Dimorphos.1

Zelfmoordmissie

Met de missie wil NASA kijken of het mogelijk is om een asteroïde van baan te laten veranderen door een ander object er met hoge snelheid tegenaan te laten vliegen. NASA verwacht dat ze daarmee de omlooptijd van Dimorphos rond Didymos met ongeveer 10 minuten kunnen verkorten.2 De crash zal vermoedelijk volgend jaar eind september of begin oktober plaatsvinden.3 Daarna hoopt de Europese ruimtevaartorganisatie ESA met de Hera-missie de gevolgen van de crash en de krater die gemaakt is te bestuderen.4

Huzarenstukje

In het verleden zijn er veel brokstukken uit de ruimte op aarde neergeslagen. Veel creationisten denken dat het grootste deel tijdens de zondvloed op aarde is terechtgekomen en dat niet alleen de aarde in beroering was maar ons hele zonnestelsel. Sommige creationisten denken zelfs dat een groot bombardement van kosmisch ruimtepuin de natuurlijke oorzaak is geweest van de zondvloed.5 Uiteraard is God de Grote Veroorzaker van de zondvloedramp als straf op de zonde van de eerste wereld, maar Hij kan daarvoor natuurlijke middelen gebruikt hebben. Ook naturalisten geven binnen de standaard geologie een rol aan kosmisch ruimtepuin. Zo zouden de dinosauriërs uitgestorven zijn door (de gevolgen van) een meteorietinslag bij het huidige Mexico.6 De mensheid wil voorkomen dat er opnieuw grote objecten op aarde neerslaan. Daar zijn verschillende Science Fiction-films over gemaakt. Nu gaat NASA echt proberen om een asteroïde van baan te laten veranderen. Het lijkt weinig om de omlooptijd 10 minuten te verkorten, maar in de ruimte met kosmische afstanden kan dit net het verschil maken. Een huzarenstukje van NASA! Helaas wordt het met de nodige Amerikaanse poeha gebracht, zodat we de indruk krijgen dat het naast een huzarenstukje ook het bouwen aan een tweede spreekwoordelijke Toren van Babel is.

Voetnoten

Genesis deel 9: Na de val – Bioloog Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over het eerste Bijbelboek

Genesis, hoe alles begon. Bioloog ir. Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over Genesis. Vandaag het negende deel: Na de val. De video duurt ruim 23 minuten. Volgende week vrijdag het tiende deel. Veel zegen bij het kijken!

Dierenleed past niet binnen goede schepping

Er ligt wel degelijk een probleem als men lijden van dieren wil inpassen in een goede schepping. Houd daarbij rekening met het gegeven dat onze visie op dierenleed in de loop der eeuwen sterk is veranderd.

“Proefdiergebruik moet aan zeer strenge voorwaarden voldoen en is in veler ogen op zich al een kwalijke zaak.” Bron: Pixabay.

Vorige week promoveerde prof. dr. Slootweg op een proefschrift waarin de visie van een aantal theologen op dierenleed werd beschreven (RD 17-11, zie ook hier). De vraag was of dierenleed volgens theologen van vroeger tijden kon samengaan met een goede schepping. Volgens de promovendus was het antwoord regelmatig positief. Hierbij zijn kritische vragen te stellen maar die laat ik in dit artikel liggen. In plaats daarvan richt ik me op de ernst van dierenleed als zodanig, en laat ik zien dat er wel degelijk een probleem ligt als men lijden van dieren wil inpassen in een goede schepping. Dit probleem is nijpend, omdat onze visie op dierenleed zeer sterk is veranderd ten opzichte van vroeger.

Men heeft een aantal jaren terug een groot aantal hondenskeletten opgegraven uit de Romeinse tijd. Deze dieren bleken opmerkelijk veel genezen botbreuken te hebben gehad. Men ging niet zachtzinnig met deze dieren om. Honden en paarden sleten hun leven in een draaimolen. Zeehondjes werden doodgeknuppeld. Hanengevechten waren normaal. Ganstrekken was zelfs volksvermaak. Vroeger werden er serieus discussies gevoerd of dieren überhaupt wel pijn konden lijden. Descartes zag dieren als machines en dacht dat er van lijden geen sprake kon zijn. Men deed ingrijpende experimenten met dieren waarbij blijvende misvormingen werden aangebracht. Elke os voor de ploeg was eens zonder verdoving gecastreerd. Tot voor kort was er de walvisvaart, een jachtmethode die gepaard kon gaan met een lange doodstrijd.

Onacceptabel

Momenteel liggen de zaken compleet anders. Onder andere kennis heeft hieraan bijgedragen. Neurologisch en fysiologisch blijken dieren en mensen zeer sterk vergelijkbaar te zijn. Pijnbanen bij zoogdieren en mensen werken op dezelfde wijze. De gedragsreacties van dieren en mensen op pijnprikkels hebben grote parallellen. Als we pijnuitingen van dieren zien, roept dat bij ons herkenning op. Dieren lijden echt. Er is wetgeving gekomen ter bescherming van de dieren. Dat is nog geen 150 jaar geleden en sindsdien zijn de grenzen voor wat we acceptabel achten voor dieren steeds verder opgeschoven. Enkele jaren geleden werd er nog gediscussieerd over de vraag of vissen pijn lijden. Nu zien we serieuze discussies over de vraag of insecten kunnen lijden en of insectenhouderij wel ethisch verantwoord is.

Het is opvallend dat de faculteit diergeneeskunde nog relatief kort bestaat, terwijl er al heel lang een academische opleiding in de geneeskunde was. De faculteit werd in eerste instantie vooral opgericht voor dieren die instrumentele waarde voor de mens hadden, zoals paarden en vee. Pas veel later kwam de geneeskunde van gezelschapsdieren in beeld. Momenteel is een dierenarts verplicht om een dier in nood te helpen. Dierenleed is kennelijk een kwaad dat geweerd moet worden. Dit blijkt ook uit discussies in de media. Denk bijvoorbeeld aan de Oostvaardersplassen. Het is een probleem als daar grote grazers verhongeren.

Heckrunderen in natuurgebied ‘Oostvaardersplassen’. Bron: Wikipedia.

Dierproeven

Proefdiergebruik moet aan zeer strenge voorwaarden voldoen en is in veler ogen op zich al een kwalijke zaak. De normen voor proefdiergebruik zijn zeer hoog. Bij het insteken van een naald en alles wat meer leed veroorzaakt dan dat, moet er een onderbouwde afweging worden gemaakt of dit wel opweegt tegen het doel dat wordt nagestreefd. Gebeurt dit niet correct, dan is dat een misdrijf. Mensapen mogen sinds een aantal jaren bij wet al helemaal niet meer gebruikt worden voor dierproeven. Er bestaat kennelijk geen doel dat zo nobel is, dat dit het lijden van deze dieren rechtvaardigt.

Met de evolutietheorie heeft de gedachte, die al veel eerder leefde, dat we dieren zijn onder de dieren stevig voet aan de grond gekregen. Er is geen wezenlijk onderscheid meer tussen mens en dier. Bij de NOS propageerde kortgeleden een rechtsfilosoof dat dierenrechten, net zoals mensenrechten, moeten worden verankerd in de Grondwet. In een bepaald opzicht is dierenleed zelfs erger dan mensenleed. Mensen kunnen mentaal met leed leren omgaan, er betekenis aan geven, dieren kunnen dat waarschijnlijk niet.

In de huidige ethiek geldt dat voor een dier lijden erger is dan de dood. Als voor proefdieren erg lijden onvermijdelijk dreigt te worden, is men verplicht het dier te doden. Dit is ook het geval met gezelschapsdieren: als een hond of kat onherstelbaar lijdt, is het onze morele plicht om dit dier in te laten slapen.

Gezien al de hiervoor beschreven facetten kan men niet zeggen dat dierenleed samen kan gaan met een goede schepping. Dierenleed is geen onvolkomenheid. Dierenleed is een groot kwaad. Is er in de natuur buiten de mens een groter kwaad denkbaar dan dierenleed?

Volgens het theïstisch evolutionisme zou God de schepsels geschapen hebben gedurende een honderden miljoenen jaren durende opeenvolging van planten- en diersoorten. Hierbij is na een eindeloos lijkende worsteling op leven en dood de mens ontstaan. Volgens de evolutietheorie hebben miljarden keer miljarden dieren geleden op alle mogelijk denkbare manieren. Daaronder bevonden zich zoogdieren waaronder mensapen en aapmensen.

Het contrast tussen hoe wij vinden dat dieren behandeld moeten worden, en hoe dieren behandeld zijn volgens het theïstisch evolutionisme is zeer groot. Als elk doelloos vermijdbaar leed van elk individueel dier niet te rechtvaardigen is, hoe zou een miljoenen jaren durende alomvattende dierlijke lijdensweg door God goed kunnen worden genoemd? Theïstisch evolutionisten hebben dan ook een probleem. Enerzijds denkt prof. Slootweg dit probleem te neutraliseren, door aan ”goed” de uitleg te geven, dat God het zo heeft bedoeld. Dat vermindert het probleem bepaald niet.

Zondvloed

Ook probeert hij het probleem te pareren door de bal terug te spelen naar de creationisten. Hiermee erkent hij impliciet dat hij geen goed antwoord op dit morele probleem heeft. Vervolgens zijn er vragen te stellen bij de manier waarop hij het probleem bij de creationisten legt. Volgens hem is het onrechtvaardig als dierenleed het gevolg is van de zonde(val) van de mens, maar niet als dierenleed ‘gewoon’ hoort bij Gods goede schepping. Als hij dit werkelijk denkt, is het de vraag wat zijn visie is op de zondvloed. Als in de ogen van Slootweg bij de zondvloed geen dieren door God zijn omgebracht als gevolg van de zonden van de mens, is het interessant om te vernemen wat er wel is gebeurd.

Ik sluit af met de oproep om met betrekking tot gesprekken over de oorsprong van het leven het aspect dierenleed even serieus te nemen als we tegenwoordig gewend zijn te doen met de dieren die aan onze zorgen zijn toevertrouwd.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Engelen, E. van, 2021, Dierenleed past niet binnen goede schepping, Reformatorisch Dagblad 51 (201): 28-29 (artikel).

Opmars van het theïstisch evolutionisme in Nederland – Voorwoord nieuwsbrief d.d. 24-11-2021

De vorige nieuwsbrief is erg goed ontvangen. Veel mensen reageerden positief, waaronder twee biologen (zie hier). De afgelopen maand waren er ook (grote) zorgen. Sommigen van ons zagen geliefden ontvallen (zoals ook dr. René van den Berg). Anderen maakten zich zorgen om de steeds maar toenemende (beperkende) coronamaatregelen. Zorgelijk is ook de opmars van het zogenoemde theïstisch evolutionisme in kerken en op christelijke scholen! De zesdaagse schepping wordt bekritiseerd of verworpen en de historische zondeval komt in de beklaagdenbank. Gelukkig wordt er internationaal door creationisten aan de weg getimmerd. Verschillende (onderzoeks)initiatieven worden gelanceerd. Want Gods Woord is (ook historisch) betrouwbaar en dat mag gezegd worden!

Theïstisch evolutionisme

Al zeker sinds 2015 wordt er in Nederland stevig aan de weg getimmerd door theïstisch evolutionisten. Toegegeven: Dat gebeurt zeer strategisch! Zo verschijnen er diverse academische publicaties. Onlangs bijvoorbeeld promoveerde prof. dr. Piet Slootweg op de vraag naar dierlijk lijden in een goede schepping (zie hier voor een kort artikel en hier voor een uitgebreid verslag van de promotieplechtigheid). Morgen verschijnt op de website ‘Oorsprong’ een reactie van een bioloog op de verslaglegging van deze promotieceremonie. (NB: Ondertussen hier verschenen.) Ook voor leken verschijnen er boeken (zoals het bekende boek ‘OER‘ en het kinderboek ‘Het geheime logboek van topnerd Tycho‘). In tv-programma’s worden wetenschappers geïnterviewd die min of meer het theïstische evolutionisme aanhangen én er verschijnen boeken waarin een breed scala aan theïstisch evolutionistische wetenschappers aan het woord komen. Alsof het niet genoeg is, is er ook een boek met bijbelstudies vanuit deze hoek verschenen. Veel mensen zijn onder de indruk en dit gedachtengoed verslaat haar duizenden. Laten wij als Nederlandstalige creationisten het maar over ons heenkomen of komen we met argumenten in het verweer? Zijn we de moed verloren of gaan we aan het werk met wetenschappelijke alternatieven? God heeft hemel en aarde toch in zes dagen geschapen en niet door een evolutieproces van miljarden jaren?

Internationaal creationisme

Nederlandstalige creationisten kunnen veel leren van medecreationisten wereldwijd. Er verschijnt veel creationistisch-wetenschappelijk onderzoek. Onderzoek dat ook in Nederland bruikbaar is tot opbouw van een creationistisch-wetenschappelijk wereldbeeld. Zo berichtten wij op onze website over publicaties in journals, presentaties van onderzoek op bekende wetenschappelijke congressen (dit artikel op onze website werd zelfs besproken op een Amerikaans YouTube-kanaal) en publicaties van creationistisch werk in populair-wetenschappelijke tijdschriften. Het zou mooi zijn als we in Nederland ook eigen onderzoek zouden kunnen doen. Fundamentum zet zich in om dit soort creationistisch-wetenschappelijk onderzoek van de grond te krijgen, maar er is daarvoor nog een lange weg te gaan. Als voorbeeldorganisatie noemen we het Duitse Wort und Wissen (website) die verschillende wetenschappers in dienst heeft, die wetenschappelijk onderzoek doen en wetenschappelijke congressen beleggen. Wanneer we dat in Nederland voor elkaar zouden krijgen dan kunnen we eigen onderzoek doen, dit onderzoek publiceren in gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften en dit onderzoek in semi-wetenschappelijke creationistische artikelen uitwerken voor onze website. Wetenschapsjournalisten en educators zouden dit dan weer verder kunnen verspreiden en daarmee leken én jongeren bereiken. Het zou de robuustheid van het scheppingsparadigma in Nederland vergroten. Gods Woord (de Bijbel) en Gods Vinger (de werkelijkheid) zijn niet met elkaar in tegenspraak en dat mag (nogmaals) gezegd worden. Andere (kleinere) organisaties die we als ook voorbeelden zien zijn Biblical Creation Trust (website) en CORE Academy of Science (website). Uiteraard dienen we wel in acht te nemen dat de arbeiders tevergeefs bouwen als God Zijn hulp aan het bouwen ontzegt (Psalm 127). Daarom dienen we het bovenstaande uit te voeren met veel gebed. Het verwachtende van de Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft. We hopen Fundamentum op dezelfde wijze op te bouwen als de bovengenoemde organisaties en we verwachten het van de Heere (Psalm 121). We zijn ervan overtuigd dat een robuust scheppingsparadigma ook de theïstisch evolutionistische opmars een halt toe kan roepen. Denkt en bouwt u mee? Tips en ideeën zijn van harte welkom via info@oorsprong.info. 

De volgende nieuwsbrief verschijnt op vrijdag 24 december 2021 D.V. Aanmelden voor deze nieuwsbrief kan hier.

Historiciteit van de Bijbel onder druk in Huijgens boek ‘Lezen en laten lezen’ (2)

Dit artikel is een vervolg op het onlangs verschenen eerste deel.

Wat is waarheid?

In hoofdstuk 4.3 schrijft Huijgen over de stemming en afstemming van het hart, die nodig zijn om de Bijbel te lezen. Zijn boek wil ons daarin een hulpmiddel zijn, maar het is de vraag of dit mensen werkelijk tot de Christus der Schriften brengt. Hij vergelijkt de ziel met een klankkast waarin de waarheid van de Schrift moet resoneren. “Het hart dient afgestemd te worden op de waarheid, dat is op het hart van God. Waarheid is, zoals eerder duidelijk werd, niet zozeer een overeenstemming van een mentale voorstelling met een feitelijke stand van zaken. Waarheid gaat niet over overeenstemming en ze vraagt niet om intellectuele toestemming, maar ze draait om afstemming en vraagt om instemming.”1

Het gaat volgens Huijgen dus niet om het waarheidsgehalte van feiten in de Bijbel, maar om waarheid in het binnenste. Die laatste woorden klinken ons heel bekend, maar betekenen niet hetzelfde als die uitdrukking gebruikt wordt in kringen waar de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking voorgestaan wordt. Blijkbaar moet het woord nog waarheid worden in het hart.

Als we de Bijbel onderzoeken moet het hart worden afgestemd, maar moeten we ook samenstemmen met de kerk.2 Bij het lezen van Lezen en laten lezen vraag ik mij als lezer af of de schrijver nog instemt met de Vroege Kerk en de kerk van de Reformatie. De Vroege Kerk en de kerk van de Reformatie heeft de historische betrouwbaarheid van de Schrift niet gerelativeerd. Hoewel Huijgen met de kerk van de Reformatie de focus op Christus als het midden van de Schrift wil hebben bij het Bijbellezen, ontstaat er toch een groot verschil in de waardering van de Schrift.

De schrijver van Lezen en laten lezen meent te moeten zeggen dat het gezag niet aan de Schrift moet worden opgedrongen en dat de Schrift haar eigen gezag moet definiëren. Volgens hem zou in het Chicago Statement te weinig beleden worden met betrekking tot het gezag van de Schrift. Niets is minder waar. Het Chicago Statement is juist ontstaan, omdat God voor de totstandkoming van de Schrift heeft gezorgd door de Heilige Geest en dat de Schrift daarom met gezag bekleed is. De beschuldiging van Huijgen ten aanzien van dit geschrift is een valse voorstelling van zaken.3

Bonhoeffer en Noordmans

Bij het lezen moeten we volgens Huijgen samenstemmen met de kerk. In hoofdstuk 6 blijkt welk meerstemmig lied van andere theologen mee resoneert in het hart van professor Huijgen. Graag laat Huijgen iets zien van de hermeneutiek van Bonhoeffer en Noordmans. Dat kan soms leerzaam zijn. Bonhoeffer leest de Bijbel in het licht van Christus en met de kerk.4 De Bijbel is het boek van de kerk. Blijkbaar is de Bijbel niet het boek van de Heilige Geest. Volgens Huijgen verzet Bonhoeffer zich tegen de leer van de verbale inspiratie. “Hij ziet die leer als een poging om het geheim van Gods openbaring in de vingers te krijgen. De Bijbel zou als boek heilig worden verklaard ten koste van de heiligheid van God. Dat is een te eenzijdige kijk van Bonhoeffer op deze leer, maar hij maakt in ieder geval duidelijk hoe belangrijk hij het vindt dat wij mensen geen macht uitoefenen over het Woord van God. Wij zijn ontvangers, meer niet.”5

Ook hier worden zaken omgedraaid en wordt het orthodox christendom beschuldigd van machtsoefening over de Schrift. Een absolute verdraaiing van zaken. Immers, omdat de Schrift macht over ons uitoefent door de werking van de Heilige Geest, erkennen wij het gezag waarmee de Schrift van Godswege bekleed is. Daarom durven wij van het Woord Gods niets af te doen en wensen wij niet te behoren bij de sadduceeën die het bestaan van engelen ontkennen en niet geloven in de opstanding uit de doden, daar hun Bijbel er duidelijk van getuigt. Voor hen was het gezag van de Schrift duidelijk niet door de Schrift zelf vooraf gedefinieerd, maar meenden zij zelf te kunnen bepalen wat in de Schrift wel en wat in de Schrift geen gezag had.

Het lijkt erop dat professor A. Huijgen zich in datzelfde voetspoor van de sadduceeën begeeft. Van Noordmans geldt, net als van Bonhoeffer, dat hij de Schrift leest met het oog op Christus. “Pas als Christus de tekst gaat hanteren, gaat de tekst helemaal open”, zo leert Noordmans.[6] Noordmans wilde ook verder gaan in het spoor van de allegorese, maar niet met loslating van de letterlijke tekst. Dat allegorisch lezen dient dan ook trinitarisch te geschieden.[7] Bij Noordmans ligt het accent sterk op de leer van de Heilige Geest.[8] “Kennelijk helpt een leer van Gods Drie-eenheid, die er mee rekent dat Christus door Zijn Geest nog altijd aanwezig is, om existentieel en bloedwarm met de Schrift om te gaan.”

Deze benadering van Noordmans lijkt zeer schoon. Er is grote waardering voor een geestelijke leeswijze van de Bijbel. De grote vraag blijft echter of de Schrift objectief gezag toegeschreven mag worden. Krijgt de Schrift pas gezag door het lezen met behulp van de Geest of heeft de Schrift gezag, omdat de Geest de Bijbelschrijvers heeft gedreven?

Petrus leert ons het volgende over de gehele Schrift: “En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten. Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken” (2 Pet. 1:19–21).

Heel duidelijk leert Petrus dat de Geest heilige mensen Gods gedreven heeft om te spreken en te schrijven. De woorden van Paulus in 2 Tim. 3:16 krijgen zijdelings aandacht, maar de woorden van Petrus krijgen in het geheel geen aandacht in Lezen en laten lezen.

De teneur van het boek is dat God in Christus spreken moet, wil het Woord als waarheid ervaren kunnen worden. Dat kan echter inhouden dat bepaalde historische gedeelten in de Bijbel alleen waar zijn voor wat hun boodschap betreft in voorbijgaan van het feitelijk gehalte. Bijna nergens zegt Huijgen dat God gesproken heeft in de Schrift. Steeds schrijft hij dat God spreekt, maar weinig dat God gesproken heeft. De nadruk valt met Noordmans helemaal op de ervaring van de mens.

Slechts tweemaal wordt in Lezen en laten lezen verwezen naar de Schriftopvatting van Karl Barth. Ook Karl Barth bracht het gewicht van het geschreven Woord in mindering op het geheel van de openbaring van Jezus Christus.6 De tweede keer dat Huijgen Karl Barth ter sprake brengt, doet hij dat indirect. Op pagina 157 onderstreept hij een uitdrukking die bij Barth vandaan komt, namelijk dat de Bijbel geen papieren paus is. Volgens Karl Barth is niet alles in de Bijbel Gods Woord. Alleen datgene van de Bijbel is Gods Woord als God dat aan je openbaart.

Professor A. Huijgen belijdt niet dat Gods Woord van begin tot het einde historisch betrouwbaar is, maar beweert ten diepste met Barth en Noordmans dat een bijzondere openbaring van God door de Geest noodzakelijk is om Gods Woord als waarheid te ervaren. Het werk van de Geest in het Woord is blijkbaar niet betrouwbaar en genoegzaam.

Hoewel professor Huijgen aan de historiciteit van de maagdelijke geboorte van Christus, Zijn kruisiging en opstanding wil vasthouden, geeft hij de lezer helaas geen vastigheid in de belijdenis zoals deze is verwoord in de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Nederlandse Geloofsbelijdenis

“Wij geloven dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomenlijk vervat, en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de gehele wijze van den dienst dien God van ons eist, aldaar in het lange beschreven is, zo is het den mensen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriften; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, zo blijkt daaruit wel dat de leer daarvan zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is.

Men mag ook gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve.

Daarom verwerpen wij van ganser harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten of zij uit God zijn. Insgelijks: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis” (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7).

Karl Barth aanvaardde niet alles van de Bijbel als het Woord van God. Blijkbaar had het Woord van God zo weinig gezag voor hem dat hij naast zijn wettige vrouw zijn secretaresse als zijn ‘liefste’ vrouw beminde. Het zevende gebod was wellicht waar voor hem, maar niet zo loodrecht uit de hemel dat het hem deed breken met deze zonde tegen het zevende gebod.

De ‘vrome’ leeswijze van Huijgen kan leiden tot een geheel andere visie op homoseksualiteit en de vrouw in het ambt, wat in de praktijk helaas gebeurt. Hoewel er leerzame gedeelten te vinden zijn in Lezen en laten lezen, zou ik het lezen ervan alleen aanbevelen aan mensen die theologisch voldoende onderlegd zijn en enige onderscheidingsgaven hebben.

De HEERE geve ons allen hartstocht voor Zijn heerlijk en heilig Woord.

© Gereformeerd Venster. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de digitale nieuwsbrief Gereformeerd Venster. Abonneren kan via info@gereformeerdvenster.nl of www.gereformeerdvenster.nl. Een abonnee op deze nieuwsbrief is gratis!

Een bijbels geluid over huwelijk en seksualiteit – Bespreking van ‘Christian Ethics’

Met John Piper is Wayne Grudem één van de geestelijk vaders van Biblical Council on Manhood and Womanhood, een organisatie die bekend is door de Denver Statement over de verhouding van man en vrouw en de Nashville Statement over huwelijk en seksualiteit. Grudem is al jaren werkzaam als onderzoekhoogleraar theologie en Bijbelwetenschap aan Pnoenix Seminary in Scottdale, Arizona en schreef een dogmatiek die in de Engelssprekende wereld breed wordt gebruikt. In 2018 verscheen als een soort tweelingwerk van zijn dogmatiek een uitgebreid handboek over de christelijke ethiek, namelijk Christian Ethics: An Introduction to Biblical Moral Reasoning1. De hoofdstukken 28 t/m 33 zijn gewijd aan huwelijk en seksualiteit en de daarmee verbonden vragen.

Aan de orde komen niet alleen huwelijk en voorplanting, maar ook hoe men moet omgaan met onvruchtbaarheid en wat de bijbelse gronden zijn om in principe positief over adoptie te denken. In onderscheid met Grudem zou ik willen stellen dat een christelijk huwelijk in principe de bereidheid vooronderstelt van meet af aan kinderen te ontvangen. Dat was destijds ook de lijn van prof. dr. W.H. Velema die als ethicus zoveel heeft betekend voor de gereformeerde gezindte. Zonder gewetens te binden meen ik evenals Velema dat de kinderzegen met de lichamelijke omgang tussen man en vrouw verbonden moet blijven. Anders dan Grudem zou ik daarom altijd IVF afraden.

In Christian Ethics zijn ook hoofdstukken gewijd aan pornografie, echtscheiding en hertrouw. Dat pornografie sinds internet een probleem is van geweldige omgang kan niemand ontkennen. Grudem wijst erop dat pornoverslaving altijd tot blijvende schade leidt. Er is altijd een weg terug en bij de Heere is vergeving, maar de wetenschap dat de gevolgen de geest blijvend beschadigen mag en moet als argument gebruikt worden om zich niet aan deze verslaving over te geven.

Meerdere Amerikaanse christenen zijn van mening dat na echtscheiding ook voor de onschuldige partij hertrouw niet geoorloofd is zolang de man of vrouw van wie men is gescheiden, nog leeft. Terecht meen ik dat Grudem twee gronden niet alleen voor echtscheiding maar ook voor hertrouw geeft, namelijk overspel en het feit dat een van de gehuwden in het huwelijk in contact komt met het christelijk geloof en daarvoor gewonnen wordt en de andere partij dat niet accepteert.

In hoofdstuk 33 worden homoseksualiteit en transgendergevoelens aan de orde gesteld. Grudem wijst erop dat niemand kan ontkennen dat de eeuwen door het bijbelse getuigenis door alle stromen binnen de christelijke kerk zo is verstaan dat er geen enkele ruimte is voor homoseksueel gedrag en homoseksuele relaties. Dat stabiele homoseksuele relaties hierop een uitzondering vormen is in het licht van de geschiedenis van de kerk der eeuwen een zeer recente gedachte.

Terecht stelt Grudem dat men alleen ruimte kan maken voor stabiele homoseksuele relaties door het de reikwijdte van de bijbelse notie dat God de mens mannelijk en vrouwelijk schiep te ontkrachten. Grudem wijst ook op de oudtestamentische en nieuwtestamentische Bijbelteksten die homoseksueel niet alleen afwijzen maar ook op de ernst van dit gedrag wijzen. Het feit dat het aantal teksten gering is, heeft eenvoudig te maken met het feit dat in de Schrift er telkens weer vanuit wordt gegaan dat seksualiteit alleen een plaats behoord te hebben binnen het huwelijk tussen man en vrouw. Seksualiteit buiten het huwelijk valt hoe dan ook onder Gods oordeel.

Grudem bestrijdt dat homoseksuele gevoelens neutraal zijn. Wel wijst hij erop dat gevoelens van een andere orde zijn dan gedrag. Elke christen moet immers strijden met gevoelens die niet in overeenstemming zijn met Gods bedoeling. Die gevoelens zijn geen verhindering om zalig te worden, wel het nalaten er telkens weer tegen te strijden in een waarachtig geloof. Ik kan Grudem alleen maar bijvallen dat wij in het licht van het bijbelse getuigenis het bijwonen van een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht – hoe na die ons ook staan – niet kunnen verantwoorden. Het gaat om een verbintenis die weliswaar door de overheid als huwelijk wordt gedefinieerd, maar het bijbels gezien niet is. Het bijwonen ervan zal altijd als een vorm van erkenning worden uitgelegd.

Met betrekking tot transgendergevoelens wijst Grudem erop dat de Schrift telkens weer in het licht van Gods scheppingsbedoeling met de mens man en vrouw van elkaar onderscheidt. Hij noemt ook het belang van Deut. 22:5. Daar wordt duidelijk gesteld dat het onderscheid tussen man en vrouw ook in kleding tot uiting behoort te komen. Daarbij verdisconteert hij wel dat de kledingstijlen van man en vrouw in de loop van de tijden veranderen en dat kleding die door een vroegere generatie als specifiek mannelijk of vrouwelijk werd gezien dat later niet meer is. Ook van cultuur tot cultuur zijn er verschillen, maar het beginsel van onderscheid in kleding blijft gehandhaafd.

Grudem wijst erop dat transitie van een man geen vrouw maakt en van een vrouw geen man. Biologisch blijft een man ook na transitie een man en een vrouw en vrouw. De aanpassing is alleen uiterlijk. De auteur noemt ook de maatschappelijke problemen die op allerlei terreinen zullen komen als het biologische geslacht niet als uitgangspunt wordt genomen. Grudem pleit er ook voor om iemand van wie je weet dat hij biologisch een man is met hij aan te spreken en wie biologisch een vrouw is met zij. Ik val hem daarin bij.

Dit voluit bijbelse geluid sluit voor Gudem niet uit dat wij niet mogen neerzien om hen die worstelen met transgendergevoelens. We moeten hen oproepen en opstaan om vertrouwend op Christus te doen wat Hij vraagt. Ook zij die een transitie ondergingen zijn welkom in de kerk en kunnen als zij berouw over hun keuze tonen ook aanvaard worden als lid. Dat geldt ook voor hen die worstelen met homoseksuele gevoelens. Dat is trouwens een van de spitsen van de Nashville Statement. Zij die worstelen met homoseksuele gevoelens, maar celibatair leven horen een volstrekt volwaardige plaats te hebben in de christelijke gemeente.

Samenvattend: Grudem is geen diep maar wel een zeer helder denken. Heel overzichtelijk en toegankelijk stelt hij de bijbelse gegevens aan de orde. Dat geldt ook voor de andere hoofdstukken van zijn boek. Elk hoofdstuk besluit met een uitgebreide opgave van literatuur voor verdere studie. Dat maakt Christian Ethics extra waardevol.