Home » 2022 » januari

Maandelijks archief: januari 2022

E-mail ter uitnodiging van vrienden en bekenden voor de besloten geologiebijeenkomst van 19 november 2022 D.V.

Het kasteel van Durbuy in de Ardennen. Bron: Pixabay

Beste vrienden en bekenden,

Het lijkt erop dat de bestudering van de aardgeschiedenis door Nederlandstaligen die uitgaan van het klassieke scheppingsgeloof en catastrofisme stil ligt. Toch wordt er, ook door Nederlandstaligen, achter de schermen hard gewerkt aan de opbouw van het geologische gedeelte van het scheppingsparadigma. Zo publiceerde dr. Wim de Jong twee artikelen over het catastrofale ontstaan van de zoutlagen in Journal of Geology and Geophysics (zie hier), is drs. Hans Hoogerduijn een eind op weg met zijn boek over het Rekolonisatiemodel (zie bijvoorbeeld hier) en wordt het werk van aardwetenschappers in het buitenland die ook denken vanuit het klassieke scheppingsgeloof op de voet gevolgd (zie hier, hier en hier). Verder feliciteren we Maarten ’t Hart met zijn geofysische publicatie in Journal of Computational Physics (zie hier). Zelf bestudeer ik momenteel de zogenoemde Mesozoïsche zoogdieren en vogels (zie bijvoorbeeld hier en hier) en bereiden we, ondanks de onzekerheden rond Corona, samen met Lorens Knap een geologische excursie naar Hongarije voor.

Om een lang verhaal kort te maken: er gebeurt achter de schermen wel het een en ander. Het is daarom goed om in een besloten bijeenkomst met gelijkgestemden nog verder na te denken over het geologische deel van het scheppingsparadigma. Ik nodig u daarom uit om 19 november 2022 D.V. met ons mee te denken over de aardgeschiedenis. Er is ook kritiek van buitenaf, zo beweerde een criticus dat er vanwege diverse geologische verschijnselen geen zondvloed plaatsgevonden kan hebben in het zogenoemde Paleozoïcum. Deze kritiek moet weersproken worden, anders zal het uiteindelijk tegen ons getuigen en mensen aan het twijfelen brengen. Doet u mee op 19 november 2022 D.V.? Aanmelden voor deze besloten bijeenkomst kan via deze link.

Mocht u op die datum verhinderd zijn, maar wel mee willen denken over de genoemde thema’s dan kunt u uzelf wel aanmelden. U kunt dan in een bericht aangeven alleen mee te willen denken maar niet aanwezig te zijn. Zo ontvangt u wel alle relevante informatie om op de hoogte te blijven en mee te discussiëren. Een tip is ook om aan dit congres over ‘Geloof en Wetenschap’ op 22 oktober 2022 D.V. deel te nemen. Zie hier voor het programma van dit congres.

Hartelijke groet,

Jan van Meerten

Fundamentum

www.oorsprong.info

info@oorsprong.info

Besloten geologiebijeenkomst ‘CreaGeo’ op 19 november 2022 D.V.

Op 19 november 2022 D.V. willen we na een lange tussentijd weer een besloten geologiebijeenkomst organiseren. De bijeenkomst is bedoeld om met een aantal experts binnen de geologie of aanverwante vakgebieden na te denken over catastrofisme en zondvloedgeologie. De bijeenkomst draagt een besloten karakter. Het programma wordt wel breder bekend gemaakt, maar is vooral bedoeld om experts die uitgaan van het klassieke scheppingsgeloof uit te nodigen én te stimuleren om mee te denken in de opbouw van een scheppingsparadigma. Wilt u meedoen? Dan kunt u uzelf onderaan deze pagina aanmelden. Het bezoeken van de bijeenkomst is gratis. Wel dient u eigen vervoer te regelen en een lunchpakketje mee te nemen. Voor koffie, thee en ander drinken wordt gezorgd.

Kinkplooien in een zogenaamde multilayer bij Agios Pavlos, Kreta. Bron: Wikipedia.

Programma

  • Een presentatie van drie nieuwe Engelstalige boeken met daarin geologische argumenten vóór een jonge aarde.
  • Bestuderen en bediscussiëren van het zogenoemde Rekolonisatiemodel, o.a. naar aanleiding van het manuscript van drs. Hans Hoogerduijn.
  • Het bestuderen en bekritiseren van het e-book ‘Geen zondvloed tijdens het Paleozoïcum‘ geschreven door Willem Jan Blom. (Zie: https://willemjanblom.wordpress.com/2020/12/04/e-book-geen-zondvloed-tijdens-het-paleozoicum/.)
  • Voorstel voor gezamenlijk onderzoek naar een geologisch verschijnsel in de Ardennen.

Deze dag start om 10.00 uur en duurt tot maximaal 16.00 uur. Uiteraard kunt u ook alleen de ochtend of de middag bijwonen. Het bovenstaande programma zal ook in die volgorde worden gevolgd.

Zie de e-mail aan vrienden en bekenden ter uitnodiging van de besloten geologiebijeenkomst.

Aanmelden

Bioloog Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over het eerste Bijbelboek – De eerste tien bijbelstudies online

Genesis, hoe alles begon. Bioloog ir. Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over Genesis. De eerste tien delen staan nu ook op de website ‘Oorsprong’. Tijd voor een overzicht. Hieronder wordt doorverwezen naar alle tien de delen. Veel zegen bij het (terug)kijken.

1. Genesis deel 1: Inleiding.
2. Genesis deel 2: In het begin.
3. Genesis deel 3: Dag na dag.
4. Genesis deel 4: De schepping is af!
5. Genesis deel 5: In de Hof van Eden.
6. Genesis deel 6: Adam en Eva.
7. Genesis deel 7: De Val.
8. Genesis deel 8: Adam en Christus.
9. Genesis deel 9: Na de val.
10. Genesis deel 10: De grote vloed.

‘Wonders without Number’ – Coconino Sandstone: het ontstaan van de zandduinen van de Grand Canyon

David Rives Ministries is een groeiende creationistische organisatie in de Verenigde Staten.1 De organisatie heeft een videoserie opgestart onder de titel ‘Wonders Without Number’. In deze serie worden creationistische wetenschappers geïnterviewd over hun recente onderzoek of bevraagd over het vakgebied waarin ze actief zijn. De opnames worden op dvd uitgegeven en zijn verkrijgbaar in Creation Superstore, de webshop van David Rives Ministries.2 In één video wordt de geoloog en paleontoloog dr. John Whitmore geïnterviewd over zijn onderzoek naar het ontstaan van de Coconino Sandstone in de Grand Canyon.3

Screenshot van de talkshow met dr. John H. Whitmore (l.). Screenshot genomen door Jan van Meerten op 20 januari 2022.

Dr. John Whitmore promoveerde in 2003 aan de Loma Linda University op een proefschrift met als titel ‘Experimental Fish Taphonomy with a Comparison to Fossil Fishes’. Tijdens zijn promotieonderzoek bestudeerde Whitmore onder andere de geëxplodeerde vissen van de Green River Formation. Een populair-wetenschappelijk artikel verscheen in 2006 in Answers Magazine4 en werd in 2014 ook naar het Nederlands vertaald voor Weet Magazine.5 Momenteel is hij geologieprofessor aan Cedarville University, publiceert hij over geologische onderwerpen in vakbladen en is hij jaarlijks te horen op de conferentie van de Geological Society van Amerika. Als senior-wetenschapper is hij een rolmodel voor geologiestudenten die later ook van betekenis willen zijn voor het scheppingsparadigma. In de talkshow van David Rives Ministries sprak Whitmore over een onderwerp waar hij, met studenten, al jaren onderzoek naar doet: de Coconino Sandstone. Tijd om naar hem te gaan luisteren.

Coconino Sandstone

De aardlaag in de Grand Canyon die specifiek de interesse heeft van dr. John Whitmore is de derde laag van boven: de Coconino Sandstone. De meeste naturalisten gaan ervanuit dat deze aardlaag in een woestijn gevormd is. Dat zorgt voor creationisten voor een probleem omdat je geen gefossiliseerde woestijnzandduinen verwacht in een afzetting die gevormd is midden in de wereldwijde zondvloed. Het is niet wilde speculatie of creationistenpesten van naturalisten om deze zandduinen als woestijnafzetting te bestempelen. Ze kijken bijvoorbeeld naar de hellingshoeken van de kruisbeddingen in deze zandsteen. Whitmore heeft echter met een team diepgravend onderzoek gedaan en daardoor ligt nu de uitdaging bij de naturalisten om te verklaren waarom zij al die jaren deze zandsteen verkeerd hebben geïnterpreteerd. Whitmore heeft in de loop der jaren namelijk veel argumenten verzameld die erop wijzen dat de Coconino Sandstone onder water is afgezet.6

Argumenten

Whitmore bespreekt in de talkshow zeven claims die door naturalisten gemaakt worden als het gaat om de Coconino Sandstone. Hier op een rij: (1) De kruisbeddingen hebben steile hellingshoeken, (2) het zand is mooi afgerond en netjes gesorteerd, (3) we vinden veelvuldig fossiele regendruppelafdrukken, (4) de verwrongen uitziende zandbeddingen zijn ineengezakte zandduinen net zoals we in een woestijn waarnemen, (5) het mineraal dolomiet7 wordt niet aanwezig geacht, (6) het mineraal mica wordt ook niet aanwezig geacht, en (7) de structuur van de Coconino Sandstone kan niet onder water ontstaan zijn. Deze zeven zaken zouden we verwachten als de Coconino Sandstone in een woestijnomgeving (eolisch) is afgezet. Whitmore en zijn team zijn het veld in gegaan en kwamen erachter dat deze claims onjuist zijn. De paleontoloog keek eerst naar hoe steil de hellingshoeken van de kruisbeddingen waren. Ze verzamelde meer dan 200 samples (n=214) en kwamen erachter dat de hellingshoeken helemaal niet zo steil waren als vaak werd beweerd. Het gemiddelde (21,0) bleek zelfs laag voor een woestijnafzetting, maar goed passend bij een onder water afzetting. Het onderzoeksteam deed ook veldwaarnemingen in huidige woestijnen. Deze veldwaarnemingen kwamen niet overeen met de Coconino Sandstone. Het tweede dat het onderzoeksteam ontdekte was dat de zandkorrels zowel niet goed afgerond als niet zo goed gesorteerd waren. De derde claim die Whitmore onderzocht was de fossiele afdrukken van regendruppels. Degene die in de Coconino Sandstone zijn gevonden komen niet overeen met moderne afdrukken van regendruppels. Wat de waargenomen verschijnselen dan wel zijn kan Whitmore niet goed zeggen. Het vierde wat het onderzoeksteam vond is dat er zogenoemde parabolic recumbent folds (PRF’s) zijn in de Coconino Sandstone. Het gaat om plooien in het sediment in de vorm van een op z’n kant liggende parabool. Wanneer de stroming onder water zo sterk is kan de kruisbedding zelfs omgedraaid (dubbel klappen) worden en zo een parabool vormen. Volgens Whitmore past dit verschijnsel sowieso niet bij een woestijnafzetting. Ten vijfde werd er door het onderzoeksteam wel degelijk dolomiet gevonden in de Coconino Sandstone. En dat niet op één plaats maar talloze plaatsen. Als zesde punt noemt Whitmore dat het onderzoeksteam het mineraal mica gevonden heeft in de Coconino Sandstone. Ze vonden muscoviet een heel zacht mineraal dat in een woestijnafzetting snel verdwenen zou zijn. Deze mineralen werden door de hele Coconino Sandstone heen gevonden. Als zevende wijst Whitmore er nog op dat er grote zandverplaatsingen onder water plaatsvinden en dat dit vergelijkbaar is met de Coconino Sandstone. Whitmore verwijst daarbij naar een baai bij de stad San Francisco in Amerika en zandduinen voor Long Island (VS). We zien deze verschijnselen wereldwijd op het continentale plat.

Screenshot van een dia uit de presentatie van dr. John H. Whitmore. De foto’s op de dia laten zien dat zandduinen onder water gevormd kunnen worden. Screenshot genomen door Jan van Meerten op 20 januari 2022.

Feiten

Aan het einde van zijn betoog keerde Whitmore de claims van naturalisten om. Hij noemt deze claims ‘mythen’ en komt als creationist met zeven feiten. (1) De hellingshoek van de kruisbeddingen heeft een gemiddelde van 20 graden, (2) het zand is niet goed afgerond en middelmatig gesorteerd, (3) afdrukken van regendruppels zijn afwezig, (4) de verwrongen uitziende zandduinen zijn PRF’s passend bij een ontstaan onder water, (5) het mineraal dolomiet is veelvuldig aanwezig, (6) dat geldt ook voor het mineraal mica, en (7) de structuren die we zien in de Coconino Sandstone lijken op die van zandduinvorming onder water. Volgens dr. John Whitmore past dit onderzoek goed bij de geschiedenis van de zondvloed zoals we daarover lezen in Genesis 7-9.8

Voetnoten

Geboorteakte van Bartus van Meerten (1905-1970)

Geboorteakte van Bartus van Meerten (1905-1970) uit de Burgerlijke Stand van de Gemeente Lienden.

Hierboven wordt de geboorteakte van Bartus van Meerten (1905-1970) weergegeven.1 Op 25 januari 1905 deed Bartus de Wit (1848-1925) voor de Burgerlijke Stand van de Gemeente Lienden aangifte van de geboorte van Bartus. Bartus de Wit was aanwezig geweest bij de bevalling, zes en vijftig jaar oud2 en arbeider van beroep. Hij woonde te Ingen. Hij gaf aan dat zijn dochter, Gerritje Anna de Wit (1883-1956), ongehuwd en zonder beroep een zoon heeft gekregen die de naam Bartus kreeg. Gerritje Anna woonde tijdens de geboorte van Bartus te Ingen in het huis nummer twee honderd negen en vijftig. Bartus is op 24 januari 1905 om drie uur in de middag geboren. De akte werd opgemaakt met twee getuigen: (1) Johan Adriaan Verbrugh (1851-1923), vier en zestig jaar oud en burgemeester van beroep, en (2) Jacobus Philip van der Ros (1867-1931), zeven en dertig jaar oud en ambtenaar ter secretarie.

In de kantlijn zien we nog vermeldt dat Bartus op 21 december 1906 als kind bij akte is erkend door Peter Marinus van Meerten (1874-1959) en Gerritje Anna de Wit.3 En ingeschreven in de Burgerlijke Stand door Johannes van Kalkeren. Dit bijschrift is te Tiel ondertekend op 21 December 1906 door de griffier van de arrondissementsrechtbank. Uit de genealogische gegevens weten we dat Bartus op 23 april 1927 te Lienden in het huwelijk is getreden met Christina van Zetten (1902-?). Bartus overleed in augustus 1970 te Amsterdam.4

Voetnoten

Erkenningsakte van Bartus van Meerten (1905-1970)

Erkenningsakte van Bartus van Meerten (1905-?) uit de Burgerlijke Stand van de Gemeente Lienden.

Hierboven wordt de erkenningsakte van Bartus van Meerten (1905-1970) weergegeven.1 Op 21 december 1906 verschenen Peter Marinus van Meerten (1874-1959) en Gerritje Anna de Wit (1883-1956) voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te Lienden. Peter Marinus was twee en dertig jaar oud, arbeider van beroep en wonende te Ingen. Gerrit Anna was een en twintig jaar oud, zonder beroep en wonende te Ingen. Ze verklaarden beiden dat zij Bartus erkennen als wettig kind. Bartus is volgende de akte geboren te Ingen op 24 januari 1905 en ingeschreven in het geboorteregister van de gemeente Lienden.2 Bij geboorte werd hij ingeschreven als zoon van Gerritje Anna de Wit. Uit de genealogische gegevens weten we dat Bartus op 23 april 1927 te Lienden in het huwelijk trad met Christina van Zetten (1902-?). Bartus overleed in augustus 1970 te Amsterdam.

Voetnoten

Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (3): Over de mens en evolutie

In dit derde deel van het vijfluik waarin het boek Onderzoek alle dingen – Bijbelstudies over geloof en wetenschap1 van Gijsbert van den Brink wordt besproken, ga ik in op het vijfde en zesde hoofdstuk ervan. Een wat langer artikel dit keer, want er is in deze twee hoofdstukken wat mij betreft sprake van veel dwalingen.

De boetsering van de mens

Op pagina 70 stelt Van den Brink de grote vraag of Adam en Eva wel bestaan hebben. De hedendaagse wetenschap lijkt, zo stelt hij, immers “onverenigbaar met het verhaal van Genesis 2” (p. 70). Ik zou willen stellen dat dit niet alleen zo lijkt, maar zo ís. Althans, als het gaat om het gedeelte van de hedendaagse wetenschap dat interpretaties aangaande onze ontstaansgeschiedenis betreft. Maar, zoals Van den Brink in dezelfde alinea schrijft: “Laten we kijken waar de Bijbeltekst ons brengt.”

De Bijbeltekst in kwestie is Genesis 2:4-25. Na lezing hiervan vangt Van den Brink aan met het bekende idee van ‘twee scheppingsberichten’. Hij stelt op pagina 71 dat het “een gangbare gedachte” is dat Genesis 2 als het ware inzoomt op de in Genesis 1:27 genoemde schepping van de mens. Zo legt bijvoorbeeld ook Mart-Jan Paul dit uit in zijn in een eerder deel van deze artikelenreeks al genoemde boek Oorspronkelijk – Overwegingen bij schepping en evolutie.2 Van den Brink pleit er echter voor dat deze opvatting onjuist is, en dat dit bij goed lezen duidelijk wordt. “Dan zie je namelijk dat volgens Genesis 2 de mens geschapen werd voordat de flora (vs. 4-5) en de fauna (vs. 19) geschapen werden. Volgens Genesis 1 was het juist andersom: op de derde dag werd het plantenrijk geschapen, op de vijfde en zesde dag het dierenrijk, en pas aan het einde van de zesde dag de mens.” (p. 71)

Welnu, laten we eens goed lezen. Allereerst blijkt nergens te staan dat de mens pas “aan het eind van de zesde dag” geschapen werd. Maar er is meer. De flora waarvan Van den Brink spreekt, is in Genesis 2 niet dezelfde als die in Genesis 1. Genesis 1 spreekt van zaad- en vruchtdragende gewassen, in Genesis 2 gaat het om “struik des velds” en “kruid des velds” (SV). Specifieke planten dus, die gecultiveerd moeten worden. In vers 8 lezen we bovendien dat God de hof van Eden gemaakt had en dat daarin de mens geplaatst wordt, waarna in vers 9 staat dat God al het geboomte “had” doen “uitspruiten” (SV).3 Anderzijds schrijft de NBV21 dat het gaat om “allerlei” (niet: alle) bomen. In hetzelfde vers wordt hoe dan ook gesproken van de situatie in de tuin. De context noopt derhalve tot de duiding dat deze bomen in de tuin opkomen; het gaat dus niet zozeer om alle gewassen op de gehele aarde, maar om het te cultiveren deel in de hof van Eden. In The Genesis Account – A theological historical and scientific commentary on Genesis 1-11 legt Jonathan Sarfati dit alles aan de hand van het gebruikte Hebreeuws uitgebreid uit: in Genesis 2 wordt de toevoeging ha-sadeh gegeven, die de betekenis ‘van het veld (de akker)’ heeft.4

Zelfs als het echter wél om dezelfde planten zou gaan, dan hoeft er geen tegenspraak te zijn, zo laat Mart-Jan Paul met een mogelijke vertaling zien: “Vanuit de veronderstelling dat toch dezelfde planten bedoeld zijn, is het mogelijk op de volgende manier te vertalen (zonder tegenspraak met het eerste hoofdstuk): ‘Toen er nog geen veldgewas op aarde was, en geen akkergewas opgekomen was [dus voor de derde dag], omdat de HEERE God het nog niet had laten regenen op de aarde, en er geen mensen waren om de akker te bebouwen, (6) toen stegen stromen op uit de aarde en drenkten de hele oppervlakte van de aarde [zodat de vegetatie kon opkomen], (7) en de HEERE God vormde [daarna, later] de mens, stof van de aardbodem, en blies in zijn neus de levensadem, en de mens werd tot een levend wezen.’ Op deze wijze vormt vers 7 een vervolg van de gebeurtenissen op de zesde scheppingsdag.”5

Van den Brink maakt verder een punt van de vertaling van vers 9 in de “oude” Statenvertaling in de voltooid verleden tijd: “Want als [= nadat] de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds (…) gemaakt had, zo bracht Hij die [later die dag?] tot [de inmiddels ook geschapen] Adam.” (p. 71-72) Hij noemt dit een vage constructie die “taalkundig wat gekunsteld” is. Taalkundig is hier echter juist sprake van een logische situatie: bij woorden die zowel in de onvoltooide als de voltooide tijd kunnen worden vertaald, zoals het geval is met het hier gebruikte werkwoord, dient een vertaler deze keuze op de context te baseren. In het Hebreeuws bepaalt de context bij een werkwoord per definitie de keuze. Dat is geen afwijking van de Statenvertalers; de Engelstalige New International Version (NIV) vertaalt vers 19 bijvoorbeeld ook zo. Waarom dit “gekunsteld” zou zijn, vertelt Van den Brink niet. Daar komt bij dat dit alles nog los staat van de mogelijkheid dat het in Genesis 2 slechts gaat om in de hof van Eden geschapen dieren.

Een derde reden die Van den Brink geeft voor de vermeende tegenstelling tussen Genesis 1 en 2 is het gebruik van de benaming van God. In Genesis 1 is die ‘God’, in Genesis 2 meestal ‘HE(E)RE’. In de grondtaal staat hier respectievelijk ‘Elohim’ en ‘JHWH’. Zoals Mart-Jan Paul uitlegt, gaat het hier om een verschil in nadruk tussen God als majesteit en schepper in Genesis 1 en de God van het verbond, die een relatie aangaat met de mens, in Genesis 2. Van het aan de zogenaamde ‘documentairehypothese’6 ontleende idee van een ‘Elohist’ of ‘Priestercodex’ in Genesis 1 en een ‘Jahwist’ in Genesis 2 en 3, en dus van twee verschillende scheppingsberichten (en twee verschillende goden!), is geen sprake.

Het lijkt erop dat Van den Brink hier echter graag voor pleit, omdat hij ernaartoe wil dat Genesis geen historie biedt: “De gang van zaken onderstreept nog weer eens dat we zowel Genesis 1 als Genesis 2 niet zozeer moeten lezen vanuit de historische vraag ‘Wat gebeurde er als eerste en wat deed God toen?’ (want dan lopen we vast), maar veel meer vanuit de theologische vraag ‘Wat wordt ons hier gezegd over de verhouding tussen goed, mens en wereld?’” (p. 72) Maar als we goed lezen, dan zien we dat wat er “als eerste” gebeurde en wat God “toen” deed, juist precies is wat er verteld wordt, getuige alleen al de duiding van het verloop van de scheppingsdagen met een avond en een morgen (en dat niet alleen – denk bijvoorbeeld aan de besproken werkwoordtijden, die per definitie een tijdverloop aangeven). Iets anders ervan maken is geen exegese (uitlegkunde), maar eisegese (inlegkunde). Gedegen hermeneutiek gaat uit van wat de tekst zelf wil zeggen, niet van wat wij deze graag willen laten zeggen.

Het probleem waar Van den Brink tegenaan loopt is dat als Genesis 1 en 2 geen geschiedenis weergeven, er ook geen theologische inzichten op gebaseerd kunnen worden, zoals Jason Lisle uitlegt in zijn kritische bespreking van het recent verschenen boek The Historical Adam van William Lane Craig: “It would be absurd to attempt to explain a present reality on the basis of fiction. And yet this is exactly what William Lane Craig has been attempting to do with Genesis. There can be no doubt that the events recorded in Genesis form the foundational basis of the biblical worldview held by Old Testament believers and New Testament Christians. Even Craig admits this when he says, “The primaeval history of Genesis 1–11, including the stories of Adam and Eve, functions as Israel’s foundational myth, laying the basis of Israel’s worldview.” Yet, Craig also insists that the events in Genesis are myth, and did not literally happen. If he were correct, then the biblical worldview would be wrong since truth cannot be based on falsehood. Craig professes to be a Christian. And yet, he rejects the foundational truths of Genesis upon which the Christian worldview is based! Such thinking is dreadfully inconsistent.7 Hetgeen Lisle over Craig schrijft, geldt uiteraard evenzeer voor Van den Brink.

Dan schrijft Van den Brink op pagina 73 iets wonderlijks: “Historisch gezien is het goed om te weten dat de strikt-letterlijke benadering van de eerste hoofdstukken van de Bijbel pas van recente datum is.” Een bevreemdende uitspraak, want ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen dat iemand van het kaliber van Van den Brink niet op de hoogte zou zijn van de geschiedenis van de duiding van de eerste hoofdstukken van Genesis.8 Wellicht bedoelt hij iets anders dan wat ik eruit opmaak, want het lijkt me niet dat hij bewust pertinente onwaarheden in zijn boek op zou nemen. Mijns inziens is het een algemeen bekend gegeven dat zeker in de periode van de Reformatie tot de Verlichting, maar ook bij de vroege kerkvaders, een “strikt-letterlijke benadering van de eerste hoofdstukken van Genesis” gangbaar was, maar laat ik dit vooral nog even kort onderbouwen.

William VanDoodewaard schrijft in zijn boek The Quest for the Historical Adam – Genesis, Hermeneutics, and Human Origins over de vroege kerkvaders: “Despite the movement of the Alexandrian School of interpretation to both allegorize the six days of creation and hold a special, temporally immediate creation of Adam and Eve, many patristic writers continued to hold the latter in the context of a literal interpretation of the early chapters of Genesis as historical narrative.9 Over de Reformatie schrijft hij onder meer: “The Reformation recovery of a literal hermeneutic brought with it a literal exegesis of Genesis 1 and 2 and texts describing the special creation of Adam from the dust and Eve from Adam’s rib. It was also key to the broader Reformation recovery of and growth in scriptural doctrine.10 Voornoemde auteur laat in zijn boek zien dat dit de lijn is die de boventoon heeft gevoerd tot en met de post-Reformatie, ondersteund met talloze voorbeelden en citaten. Natuurlijk was deze benadering niet de enige, maar “pas van recente datum” is hij aantoonbaar niet.

Een andere opvallende uitspraak die Van den Brink doet is deze: “Voor het eerst ging men [aan het begin van de twintigste eeuw] wetenschappelijke betekenis toekennen aan de zondvloed (Gen. 7-8), als verklaringsbron voor de inmiddels talloze aangetroffen fossielen.” (p. 73) Ook dit is aantoonbaar onjuist, zoals blijkt uit bijvoorbeeld het boek The Great Turning Point van geologiehistoricus Terry Mortenson,11 waarin hij de historische ontwikkeling van de geologie beschrijft en inzoomt op enkele wat hij wel noemt “scriptual geologists”: Granville Penn (1761-1844), George Bugg (1769-1851), Andrew Ure (1778-1857), George Fairholme (1789-1846), John Murray (1786?-1851), George Young (1777-1848) en William Rhind (1797-1874). Ver daarvoor kende bijvoorbeeld Nicolaus Steno (1638-1686), bekend van zijn geologische ‘wetten’ of ‘principes’,12 al “wetenschappelijke betekenis” toe aan de zondvloed.

Literatuurhistoricus Tess Somervell schrijft in haar Studies of Romanticism (2019): “The seventeenth-century European proto-geologists who developed the discipline of Earth history did so whilst maintaining their implicit belief that the Deluge as recorded in the Book of Genesis had really occurred. The Deluge offered a fitting explanation for some of the most perplexing features of the Earth: notably the marine fossils found in inland, upland areas, even on mountaintops; and erratic boulders, huge rocks in peculiar locations which were frequently accounted for as diluvial relics that had been carried and left by the floodwater.13 Niet voor niets wilde Charles Lyell “de wetenschap bevrijden van Mozes”.14

Onder het kopje ‘Preadamieten?’ borduurt Van den Brink voort op de suggestie van twee verschillende scheppingsverhalen in Genesis 1 en 2, en spreekt hij van “het verband” ertussen en de vraag hoe “degenen die het boek Genesis samenstelden [dat] nu precies willen leggen” (p. 73). Wat mij betreft vooral suggestieve woorden: alsof er onbestemde personen (anders dan Mozes dus kennelijk) waren die op eigen houtje (en dus niet geleid door de Geest) hebben geprobeerd twee verhalen in elkaar te knutselen. Die indruk wekt de tekst van Van den Brink hier bij mij althans.

Hoe dan ook, waar de auteur naartoe wil is dat er in Genesis 1 sprake is van de schepping van de mensheid in zijn algemeenheid, en in Genesis 2 van die van Adam en Eva. Dat zou dan op een of andere manier niet gaan “om ‘preadamieten’, mensen of mensachtigen die voorafgaand aan Adam en Eva geschapen werden naar Gods beeld” (p. 74), maar wel om “veel meer mensen” dan Adam en Eva. Dit idee zou worden gestaafd door dat we “in Genesis nogal wat aanwijzingen [vinden] voor het bestaan van tijdgenoten van Adam en Eva die toch geen nakomelingen van hen lijken te zijn.” (p. 75)

Het bekende voorbeeld dat Van den Brink geeft is Kaïn. Met de vrij gebruikelijke uitleg dat het bij diens vrouw zal zijn gegaan om zijn zuster (iets wat pas veel later verboden werd, zo lezen we in Leviticus 18:10) is Van den Brink niet tevreden, want “dan moet je wel enorm veel invullen wat er niet staat.” (p. 75). Hier lijkt mij de bekende uitdrukking over de pot en de ketel van toepassing, want het is toch Van den Brink die de gehele evolutietheorie in de tekst wil schuiven!

Ook het feit dat Genesis 4:14 impliceert dat er meerdere mensen op de aarde zijn en dat Kaïn volgens vers 17 een ‘stad’ bouwt, een term die volgens Van den Brink “alleen maar [kan] slaan op een nederzetting met aardig wat inwoners” (p. 75) – terwijl de gebruikte Hebreeuwse term ir evengoed een eenvoudig kampement kan aanduiden –, dragen eraan bij dat de auteur concludeert: “Kortom, in de tekst van Genesis 2-4 wordt niet erg gehecht aan het idee dat alle latere mensen van Adam en Eva zouden afstammen, al is de tekst naderhand wel vaak zo gelezen.” (p. 75) Maar het punt is nu juist dat de tekst “naderhand wel vaak zo gelezen” is omdat dit precies is wat de tekst wél impliceert. De lezing wordt pas absurd wanneer men bijvoorbeeld zou uitgaan van een wereldbevolking die zich al talloze jaren voortplant, terwijl God ineens besluit een man te creëren uit de aarde en diens vrouw uit zijn rib (of, zoals Van den Brink meent, wellicht zijde – wat in tegenstelling tot hetgeen hij beweert echter een incorrecte vertaling is),15 waarna het nageslacht van die speciaal geschapenen zich vervolgens voortplant met de niet naar Gods beeld geschapen mensen (die we dan toch maar ‘preadamieten’ zullen moeten noemen), waarbij Jezus Christus dan aan het kruis gestorven zou zijn voor de gehele groep, zowel voor hen die vóór Adams zondeval leefden als voor hen erna – want Adam representeert slechts de mensheid, maar is niet werkelijk de eerste mens, aldus kennelijk Van den Brink.

Terug naar Kaïn, want als enige voorbeeld van de “nogal wat aanwijzingen voor het bestaan van tijdgenoten van Adam en Eva die toch geen nakomelingen van hen lijken te zijn” is dit waarmee we het als lezer zullen moeten stellen. Nu wil het geval – en het lijkt mij dat Van den Brink hier toch op de hoogte van zou moeten zijn als auteur van boeken die zo focussen op de controverse tussen schepping en evolutie – dat hier uiteraard al lang en breed over geschreven en gediscussieerd is. Zo gaat Robert Carter van Creation Ministries International in zijn artikel How old was Cain when he killed Abel?16 uit 2014 uitgebreid in op de door Van den Brink ingebrachte punten. Nog veel uitvoeriger wordt er op de kwestie ingegaan in het boek Hoe bestaat het! – 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (2010), geschreven door Don Batten, Jonathan Sarfati, Carl Wieland en David Catchpoole.17 Het voert te ver om wat daar staat hier allemaal te herhalen, maar wie hier meer van wil weten leze vooral hoofdstuk 8 van dat boek.18

Uit het artikel van Carter blijkt dat het helemaal niet gezegd is dat Seth pas het derde kind van Adam en Eva was; hij wordt slechts als derde naam genoemd, maar we lezen ook dat Adam andere zonen en dochters kreeg (Genesis 5:4). Adam was al 130 jaar toen hij Seth kreeg (Genesis 5:3), en gezien de opdracht tot vermenigvuldiging die in Genesis 1:28 gegeven wordt, mogen we aannemen dat er niet pas om de 43 jaar een kind geboren werd bij Adam en Eva. De situatie rond de ‘stedenbouw’ van Kaïn valt goed te plaatsen in de tijd dat Seth geboren werd, dus het nageslacht van Adam en Eva kan zich dan al heel wat decennia hebben voortgeplant en verspreid. Bovendien moeten we, wanneer we Van den Brink volgen, aannemen dat de opdracht tot vermenigvuldiging en om te heersen over de aarde zoals beschreven in Genesis 1:28 aan ‘preadamieten’ gegeven is! En dit terwijl die conform diens uitleg niet toerekeningsvatbaar waren tot er 45.000 jaar geleden een zogenaamde ‘culturele oerknal’ zou hebben plaatsgehad.

Van den Brink schrijft op pagina 78: “Wetenschappelijk gezien is het bijvoorbeeld onmogelijk dat de hele mensheid uit slechts één enkel paar voorouders afkomstig is.” Even later, op pagina 79, voegt hij hier aan toe: “Wat opvallend genoeg wetenschappelijk gezien wel mogelijk lijkt, is dat alle huidige mensen van Adam en Eva afstammen.” Het punt met de eerste uitspraak is, dat het een argument is dat alleen maar opgaat wanneer uit wordt gegaan van de evolutietheorie, en daarmee is het gebruik ervan hier een voorbeeld van circulair redeneren, zoals Elizabeth Mitchell duidelijk maakt in haar artikel Did We All Come from Adam and Eve? (2013): “The claim that human genetic diversity could not have arisen from only two original people is actually not new at all. This assertion comes from mathematical simulations done in the 1990s. These simulations assume evolution happened in order to prove evolution is true. The reasoning is entirely circular and therefore invalid.19 Wanneer we echter uitgaan van geschapen genetische diversiteit, vervalt het eerste punt, terwijl het tweede overeind blijft, zoals Nathaniel Jeanson laat zien in zijn artikel Getting Enough Genetic Diversity (2016)20 en nog veel uitgebreider en zijn boek Replacing Darwin – The New Origin of Species (2017).21

Van den Brink meent ook dat het feit dat Christus in 1 Korintiërs 15:45 de ‘laatste Adam/Mens’ genoemd wordt, terwijl er na Christus nog vele andere mensen geboren zijn, een argument vormt voor de veronderstelling dat Adam niet de eerste mens was (p. 76). Een non sequitur,22 want in Christus komt Gods werk tot voltooiing, dat met Adam begonnen is. Dát is waarom Paulus deze vergelijking maakt. Theologische inzichten worden dus door Van den Brink als het kind met het badwater weggegooid, om maar te kunnen bepleiten dat de evolutietheorie niet in tegenspraak met de Bijbel is.

Onder het kopje ‘Het wetenschappelijke verhaal’ stelt Van den Brink “dat we de resultaten van de huidige wetenschap niet moeten terug willen lezen in de Bijbel. Dat is telkens weer een grote verleiding. Daarom zijn we hierboven bewust bij de Bijbel begonnen zonder nog naar de wetenschap te kijken.” (p. 76) Terecht noemt hij niettemin even verderop al wel de “opkomende Bijbelwetenschap” als factor die meespeelt. Ook vermeldt hij dat de opvatting van twee scheppingsverhalen in Genesis 1 en 2 al teruggaat tot het midden van de zeventiende eeuw. Hier doelt de auteur op de door hem op pagina 74 al even besproken Joodse calvinist Isaac La Peyrère en wat die bepleit in zijn boek Prae-Adamitae (in het Engels uitgebracht als Men before Adam), dat in 1655 in Amsterdam voor het eerst werd uitgegeven. Het punt hiermee is echter dat La Peyrère met deze door de rest van Europa als schokkend ervaren inzichten kwam onder de invloed van occult Judaïsme. Hij gebruikte het idee van twee scheppingsverhalen als het centrale argument voor de veronderstelling dat Genesis 1 de schepping van de niet-Joden beschrijft, en Genesis 2 de schepping van de Joden, met als gevolg een afglijdende schaal van andere inzichten (zondige mensen vóór Adam, een lokale zondvloed en het verwerpen van Mozes’ auteurschap van de Pentateuch).23

Ondanks de relativerende woorden waarmee hij de hier besproken paragraaf van Onderzoek alle dingen begint, trapt Van den Brink in dezelfde valkuil als La Peyrère ooit deed, alleen is het idee van een apart geschapen Joodse lijn bij hem vervangen door het idee van evolutie. Het gevolg is ook bij Van den Brink een vergelijkbare afglijdende schaal van andere inzichten omtrent de Bijbel. Op pagina 77 bespreekt hij vervolgens het door hem zo genoemde ‘kleurenpalet’ waarmee Genesis 2 “een schets van een belangrijke fase uit de oergeschiedenis van de mensheid” beschrijft. Dat zou een landbouwcultuur laten doorschemeren, waaraan echter een cultuur van jagers-verzamelaars vooraf zou zijn gegaan. Ironisch genoeg vervolgt hij dit met de uitspraak: “Kortom, als je puur naar de tekst zelf kijkt (dus helemaal los van de evolutietheorie) en je wilt daar exegetisch verantwoord mee omgaan [verantwoord ten opzichte van wie?], dan blijkt eigenlijk al dat je haar niet letterlijk moet lezen, zoals veel creationisten voorstaan.” (p. 77) Het ironische is, dat het idee van een opvolging van jagers-verzamelaars door landbouwers ontleend is aan het aspect van de geschiedenis waarbij de evolutionaire ontwikkeling van de mens centraal staat.

Dit “hedendaagse wetenschappelijke verhaal over de oorsprong van de Homo sapiens” (p. 77) is dan ook waar Van den Brink direct op overgaat. Natuurlijk is dat “vele malen complexer […] dan het bericht in Genesis 2”, maar volgens Van den Brink gaat het zo “wel vaker in de Bijbel. […] De Bijbelschrijvers legden nu eenmaal accenten. Omdat ze bepaalde dingen helder wilden belichten, lieten ze allerlei andere dingen weg.” (p. 77) Met andere woorden: het scheppingsverhaal in Genesis 2 is een accent uit de evolutietheorie? Moeten de lezers van Onderzoek alle dingen dit serieus nemen?

De auteur herhaalt dan in een notendop het seculiere verhaal over het ontstaan van de mens. “Daarbij stammen wij weliswaar niet ‘van de apen af’, maar hebben we wel gemeenschappelijke voorouders met hen.” (p. 77) Het klinkt allemaal heel erudiet (en het wordt maar al te vaak verkondigd),24 maar volgens recente ‘wetenschappelijke inzichten’ was die geheimzinnige voorouder waarschijnlijk ook gewoon een aap.25 “Zo’n 6 à 7 miljoen jaar geleden zou de tak die uitmondde in de mens afgesplitst zijn van de tak die leidde tot de chimpansee, het dier dat van alle bestaande soorten het meest met ons gemeen heeft,” weet Van den Brink zijn lezers op dezelfde pagina te vermelden.

Tegen dit idee zijn ernstige wetenschappelijke bezwaren in te brengen. Geneticus Jeffrey Tomkins beschrijft ze uitvoerig in zijn recent verschenen boek Chimps and Humans – A Geneticist Discovers DNA Evidence That Challenges Evolution (2021).26 Om te beginnen komen mensen en chimpansees niet, zoals vaak beweerd wordt, rond de 98 procent overeen wat betreft hun DNA, maar slechts zo’n 84 procent. Eerdere analyses waren gebaseerd op ‘vermenselijkte’ DNA-sequenties, maar recente vergelijkingen (zowel van Tomkins zelf als vanuit de evolutiebiologie) komen uit op een veel groter verschil dan doorgaans wordt vermeld in de populaire media, namelijk ongeveer 16 procent.27 Een verschil dat veel te groot is om via neodarwinistische mechanismen te bereiken binnen het vermeende tijdsbestek van “6 à 7 miljoen jaar”.

En zo beschrijft Tomkins nog enkele grote problemen voor de notie van een gemeenschappelijke voorouder met de chimpansee. Problemen met een vermeende fusie van chromosoom 2A en 2B als ‘bewijs’ voor gemeenschappelijke afstamming, het feit dat het zeer stabiele (niet gevoelig voor mutaties zijnde) Y-chromosoom enorme verschillen vertoont tussen mensen en chimpansees, de aanwezigheid van vele mens-specifieke genen, vermeende ‘pseudogenen’ die zouden duiden op gemeenschappelijke afstamming maar die helemaal geen ‘pseudogenen’ blijken, het fenomeen Incomplete Lineage Sorting (verschillen tussen vermeende afstammingslijnen en DNA-overeenkomsten), verschillende functies van genen in mensen en chimpansees, epigenetische verschillen (verschillen in erfelijke veranderingen die de DNA-sequentie intact laten) en het grote, hierboven al aangehaalde probleem dat het verschil tussen mens en chimpansee er nooit via neodarwinistische wegen gekomen kan zijn binnen de aangenomen zes tot zeven miljoen jaar sinds de vermeende afsplitsing van een gemeenschappelijke voorouder.

Dit laatste probleem wordt wel het Waiting Time Problem genoemd. Geneticus John Sanford publiceerde er samen met enkele anderen in 2015 een onderzoek over dat vergaande implicaties heeft (of in elk geval zou moeten hebben) voor het door Van den Brink aangehangen idee van een gemeenschappelijke voorouder.28 Daarnaast zijn er ook de nodige (onoverkomelijke) problemen met de door Van den Brink op pagina 78 omschreven Out of Africa-hypothese, zoals paleontoloog Günter Bechly laat zien in zijn artikel Human Origins: Out of Africa, or Out of Germany? (2017). 29 Hoewel Van den Brink beweert dat “deze [door hem in het hier besproken hoofdstuk opgesomde] hoofdlijnen wetenschappelijk gezien tamelijk sterk [staan]” (p. 78), valt er dus het nodige op af te dingen. Alleen lijkt de auteur daarvan geen notie te hebben, of alle bezwaren bewust achterwege te laten.

In de paragraaf ‘Gods bijzondere zorg voor de mens’ schrijft Van den Brink dat het belangrijk is “dat we de tekst van Genesis 2 op zijn eigen merites lezen, los van de wetenschap dus, net zoals bij Genesis 1 tastend naar wat de Heilige Geest ons erdoorheen wil zeggen.” (p. 80) Dat het “op zijn eigen merites lezen” hier een illusie betreft, blijkt alleen al uit het woordje ‘erdoorheen’. Wanneer je de tekst werkelijk “op zijn eigen merites” leest, ga je er namelijk van uit dat wat er staat ook als werkelijke geschiedenis bedoeld is. De bedoeling van de schrijver is dan niet het weergeven van een niet-gebeurde gang van zaken waar wél een boodschap uit te destilleren valt.

Op pagina 80 en 81 bespreekt de auteur het scheppen van Adam uit de aardbodem, wat volgens hem niet per se rechtstreeks hoeft te zijn gegaan, maar heel goed via de dieren gegaan kan zijn. Dit is volgens hem evenwel “hier niet het springende punt”: waar het om gaat is “de diepe verbondenheid van de mens met de aardbodem”. Niettemin is het niet-springende punt mijns inziens weer een staaltje inlegkunde dat erbij wordt gesleept om de evolutietheorie toch weer aannemelijk te maken. Maar Van den Brink wijkt daarvan af wanneer het zo uitkomt, zo blijkt op pagina 82. Hier schrijft hij namelijk: “Niet alleen ons lichaam is door God tot stand gebracht, maar Hij heeft ook zorggedragen voor onze geest en die op een bijzondere manier aan ons lichaam verbonden, zodat een gebalanceerde twee-eenheid van lichaam en geest ontstond. Ook als we ons het ontstaan van de mens langs evolutionaire lijnen indenken, is het van belang dat we recht doen aan de specifieke rol van de menselijke geest of ziel.” Dit terwijl de ‘hedendaagse wetenschappelijke inzichten’ toch echt zijn dat ook onze ‘geest of ziel’ via deze evolutionaire lijnen ontstaan is, en niet apart. Hoe moeten we dit zien?

De suggestie die Van den Brink doet is deze: “Ook toevallige mutaties gaan op de een of andere manier niet buiten Gods leiding om.” (p. 82) Een contradictio in terminis, want ‘toeval’ is per definitie onvoorzien. Wat voor ons mensen toevallig lijkt, is dat voor God niet, zal de strekking hier echter zijn. Alleen: moeten we dan niet aannemen dat God álle mutaties stuurt; dat ook de overgrote hoeveelheid mutaties die schadelijk is – waardoor ziekten als kanker veroorzaakt worden – door Hem zo geleid zijn?30 De ‘laatste vijand’ die gebruikt wordt als middel voor de ‘zeer goede’ schepping? Tot dergelijke absurditeiten leiden dit soort inzichten helaas.

Van den Brink eindigt dit hoofdstuk met de bespreking van het scheppen van Eva uit de rib van Adam, wat volgens hem niet werkelijk gebeurd is, maar een visioen betreft. We kunnen ons wat hem betreft dus “beter meteen op de boodschap richten: God heeft mannen en vrouwen voor elkaar bestemd in een levenslange verbintenis.” (p. 84) Dat een dergelijke manier van lezen leidt tot problemen met de tekst zelf blijkt uit bijvoorbeeld Genesis 2:23, waarin Adam (conform de NBV21) uitroept: “Dit is ze! Mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees en bloed. Vrouw wordt zij genoemd, genomen uit een man.” Is dit dan geen boodschap die belangrijk is? Wanneer Eva niet werkelijk uit de rib van Adam gemaakt is, maar er slechts sprake is geweest van een visioen, is er namelijk geen enkele grond voor. Helaas is dit de tendens van het hier besproken hoofdstuk van Onderzoek alle dingen: boodschappen die moeten worden gehaald uit niet gebeurde zaken. Maar op dingen die niet gebeurd zijn, valt niets te baseren dat er in de werkelijkheid toe doet.

De evolutie van zonde en dood

Voor hoofdstuk 6 van Onderzoek alle dingen staat Romeinen 5:12-21 op het leesprogramma, waarin Paulus handelt over de genade van Jezus Christus die groter is dan het gevolg van de zonde van één mens. Die ene mens is Adam. Van den Brink spreekt van “het ingewikkelde stuk uit Romeinen 5” (p. 86). Maar waarom ‘ingewikkeld’? In feite zegt Paulus iets heel eenvoudigs: door de kruisdood van Jezus Christus is aan allen de genade geschonken, zowel hen die onder de ‘wet’ gezondigd hebben (sinds Mozes) als aan hen die daarvoor al zondigden, na de zondeval van Adam. De dood is de straf die allen verdienen, maar die Jezus door Zijn sterven op Zich heeft genomen, waardoor zij uiteindelijk eeuwig leven aangereikt hebben gekregen.

De reden waarom Van den Brink het stuk ‘ingewikkeld’ noemt, zal er vermoed ik mee te maken hebben dat het stuk ingewikkeld wórdt wanneer je, zoals Van den Brink, uitgaat van miljoenen jaren lijden en sterven vóór Adams zondeval. Wat er dan vaak gedaan wordt, is de door Paulus hier besproken dood beperken tot slechts een ‘geestelijke’ dood. Van den Brink bespreekt deze mogelijkheid, maar terecht schrijft hij hierover op pagina 95: “Ook in Romeinen 5 is overduidelijk de lichamelijke dood aan de orde. Paulus heeft immers net gesproken over de dood van Christus (vs. 8-10), en daarmee bedoelde hij toch echt diens uiterst pijnlijke lichamelijke dood aan het kruis. Het is dan gekunsteld om te doen alsof hij twee verzen later ineens een heel andere dood op het oog heeft. We zullen bij de uitleg van Romeinen 5:12 dus een andere kant uit moeten denken, en wel één die helemaal in lijn is met wat ons in Genesis 2 en 3 verteld wordt.”

Met deze uitspraak ben ik het roerend eens, maar tegelijk zit hier nu juist het probleem dat Van den Brink mijns inziens heeft: datgene “wat ons in Genesis 2 en 3 verteld wordt” is, wanneer je uitgaat van de juistheid van de evolutietheorie en aanverwante ontstaansideeën, helemaal niet zo gebeurd! Als de hooflijnen van het verhaal van ‘de hedendaagse wetenschap’, zoals Van den Brink schrijft, inderdaad “wetenschappelijk gezien tamelijk sterk [staan]” (p. 78), dan is er helemaal geen apart geschapen Adam geweest met een vrouw tegen wie een slang gesproken heeft en die vervolgens van een boom van goed en kwaad gegeten heeft. En dan is het relaas van Paulus niets meer dan een op door een oud oosters wereldbeeld ingegeven mythe gebaseerd misverstand.

De auteur lijkt dit zelf anders te zien. Op pagina 90 schrijft hij: “De vraag waar we nu voor staan is of dit laatste – dat Adam de dood in de wereld bracht – niet in strijd is met wat we wetenschappelijk vandaag weten, of in elk geval denken te weten.” Dit leidt vervolgens tot de gekunstelde poging de zondeval van Adam en de intrede van de dood te rijmen met de hedendaagse evolutietheorie, die in essentie nu juist in het leven geroepen is om het leven te verklaren zónder goddelijke bemoeienis. De goedkope (en onjuiste) oplossing van de ‘geestelijke’ dood is niet de weg die Van den Brink daarmee gaat, maar hij focust in plaats daarvan op het soort lichamelijke dood waarover Paulus het in dit Bijbelgedeelte heeft, met daarbij de vraag: betreft deze al het leven, of alleen de mens?

Onder het kopje ‘Zonder dood geen leven’ schetst de auteur de uit 1992 stammende tijdlijn waarop één jaar wordt vergeleken met de 13,8 miljard jaar die sinds de vermeende oerknal zou zijn verstreken. Hierbij komt de mens pas “op 31 december om 22:30 uur” (p. 90) ten tonele (waarbij de kanttekening gegeven wordt dat deze vergelijking weliswaar wat verouderd kan zijn, maar op hoofdlijnen nog steeds zal gelden). Een idee dat in schril contrast staat met wat Jezus zegt in Marcus 10:6: “Maar van het begin der schepping heeft Hij hen als man en vrouw gemaakt” (NBG51). Willen we, zoals Van den Brink kennelijk zelf ook voorstaat, niet te veel “invullen wat er niet staat” (p. 75), dan bedoelt Jezus hier de schepping in zijn algemeenheid, en niet slechts die van Adam en Eva. Anders stond er wel “hun schepping” in plaats van “de schepping”, maar die vertaling ben ik nog nooit ergens tegengekomen.

Niettemin schrijft Van den Brink op pagina 91: “Hoe je het ook wendt of keert, de conclusie dat de aarde heel oud is en het heelal nog vele malen ouder, valt moeilijk te ontkomen. Ook jongeaardecreationisten geven doorgaans toe dat als we de empirische gegevens eerlijk op ons in laten werken, alles wijst op een oude aarde waarop zich al vele miljoenen jaren levende wezens bevinden (de redenen waarom ze dat dan toch niet geloven, hangen uitsluitend samen met hun Bijbeluitleg).” Welke jongeaardecreationisten “doorgaans” toegeven dat “alles” hierop wijst weet ik niet, maar de bekende organisaties die voorstaan wat Van den Brink ‘jongeaardecreationisme’ noemt beweren zelf iets beduidend anders. Zo schrijft Don Batten van Creation Ministries International in zijn artikel Age of the earth – 101 evidences for a young age of the earth and the universe (2009)31:

“Ages of millions of years are all calculated by assuming the rates of change of processes in the past were the same as we observe today—called the principle of uniformitarianism. If the age calculated from such assumptions disagrees with what they think the age should be, they conclude that their assumptions did not apply in this case, and adjust them accordingly. If the calculated result gives an acceptable age, the investigators publish it.

Examples of young ages listed here are also obtained by applying the same principle of uniformitarianism. Long-age proponents will dismiss this sort of evidence for a young age of the earth by arguing that the assumptions about the past do not apply in these cases. In other words, age is not really a matter of scientific observation but an argument about our assumptions about the unobserved past.

The assumptions behind the evidences presented here cannot be proved, but the fact that such a wide range of different phenomena all suggest much younger ages than are currently generally accepted, provides a strong case for questioning the accepted ages.”

De lijst met 101 aanwijzingen voor een niet-zo-oude aarde en heelal in dit artikel vertelt een heel ander verhaal dan Van den Brinks bewering dat “alles” volgens jongeaardecreationisten “wijst op een oude aarde waarop zich al vele miljoenen jaren levende wezens bevinden.” En natuurlijk is ouderdom hier relatief, want in vergelijking met 13,8 miljard jaar is zesduizend jaar inderdaad jong, maar als dat werkelijk alle verstreken tijd is sinds het begin van de schepping, is het de langste tijdsperiode die we kennen. Dit maar even los van de discussie over een ouderdom van de aarde van zesduizend jaar, meer richting achtduizend jaar of wellicht nog een veel groter aantal jaren, die ook binnen het zogenoemde ‘jongeaardecreationisme’ wel gevoerd wordt.32 Hier moet bovendien in acht worden genomen dat dergelijke discussies inderdaad gestoeld zijn op “hun Bijbeluitleg”, maar dat de in het artikel van Batten gegeven wetenschappelijk vastgestelde parameters die begrenzingen van de ouderdom van aarde en heelal aangeven, van een andere orde zijn. Empirische gegevens zeggen per definitie niets over het verstrijken van voorbije tijd in het verre verleden; het zijn slechts parameters die met een bepaalde interpretatie ervan daarvoor gebruikt kunnen worden. Een interpretatie die in essentie niet is ingegeven door deze gegevens zelf, maar door een bepaalde wereldbeschouwing, die in het ‘wetenschappelijke’ verhaal van Van den Brink allesbehalve Bijbels is.33

Terug naar de dood. Van den Brink geeft het voorbeeld van autotrofe bacteriën (bacteriën die zichzelf voeden door gebruik te maken van ander organisch materiaal). Deze moeten wel op enig moment zijn doodgegaan, omdat er anders geen ander leven op aarde mogelijk was geweest. Dit is een typisch voorbeeld van het projecteren van hedendaagse condities op de wereld van vóór de zondeval, bovendien een voorbeeld dat er feitelijk niet toe doet binnen de context van de dood waar het hier om gaat. Bacteriën worden namelijk Bijbels gezien niet in dezelfde zin als ‘levend’ beschouwd als de mens en de dieren waarin volgens Genesis 1:30 ‘leven’ (Hebreeuws: nèfèsj) is.

Hoe dan ook, de oplossing die Van den Brink biedt voor het probleem met de dood in Romeinen 5:12-21 is dat de hier besproken dood slechts mensen geldt, en niet dieren. Ook binnen het door Van den Brink zo genoemde ‘jongeaardecreationisme’ zijn er stemmen die hiervoor opgaan. Zo schrijft Jeff Miller voor Apologetics Press in zijn artikel Could There Have Been Any Death Before The Fall? (2016): “The implication of the text seems clear on the matter: animals throughout the Earth, not made in the image of God, were never intended to live forever. They always had the ability to die, from the beginning. They were designed to die. Like plants, they were not made in the image of God. Their deaths are not in the same category of importance as that of humans. No wonder God, Himself, killed animals in order to clothe Adam and Eve properly (Genesis 3:21), even though there is no indication that those animals did anything to deserve death. It seems that animal death, like the “death” of a plant, is not a moral evil, but rather is part of God’s plan for animals. Notice God’s words to Noah and his sons after the Flood. After sanctioning the killing of animals as food for humans, God highlighted an important distinction: “Whoever sheds man’s blood, by man his blood shall be shed; >for [i.e., because] in the image of God He made man” (Genesis 9:6, emp. added). Human death is said to be significant, because we, unlike animals, are like God.”34

Anderzijds zijn er die pleiten voor de onsterfelijkheid van dieren voor de zondeval, zoals Paul Price in diens op de website van Creation Ministries International verschenen artikel Animal death before the Fall – Cruelty to animals is contrary to God’s nature (2020).35 Wat betreft de tekst van Paulus, lijkt het mijns inziens beide kanten op te kunnen, al neig ik naar de laatstgenoemde uitleg. Wat bovendien opvalt, is dat Paulus in Romeinen 5:12 schrijft: “Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en de dood voor ieder mens is gekomen omdat ieder mens heeft gezondigd …” (NBV21, nadruk van mij). Het dikgedrukte gedeelte lijkt overbodig als het alleen om de menselijke dood zou gaan; dan zou Paulus immers hebben kunnen volstaan met: “Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen […] en de dood voor ieder mens is gekomen omdat ieder mens heeft gezondigd …” Als dit inderdaad het geval is, dan zou dat erop kunnen duiden dat het in vers 12 hierboven vetgemaakte tekstgedeelte de dood in zijn algemeenheid betreft (dus ook die van de dieren), waarna Paulus deze toespitst op de mens.

Ter verdediging van het standpunt dat er al wel dierlijk lijden en sterven was vóór de zondeval vermeldt Van den Brink op pagina 92 Psalm 104:21, waar staat: “De jonge leeuwen brullen om een prooi en verlangen van God hun voedsel.” (HSV) De twee volgende verzen luiden echter: “22 Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug en leggen zich neer in hun holen. 23 De mens gaat dan naar zijn werk, naar zijn dienstwerk, tot de avond toe.” Hoewel een gedeelte van deze psalm de schepping lijkt te betreffen, noopt de context van de verzen 21-23 ertoe dat het daar gaat om de huidige wereld; die van ná de zondeval.

Een andere tekst die de auteur op dezelfde pagina aanhaalt is Numeri 14:7, waar staat: “[…] Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een bijzonder goed land.” (HSV) Volgens Van den Brink staat hier letterlijk “zeer zeer goed” (Hebreeuws: meᶦôd meᶦôd ţôbe) en valt dat te vergelijken met het “zeer goed” (Hebreeuws: meᶦôd ţôbe) van Genesis 1:31. Van den Brink schrijft hierover: “De uitdrukking betekent [in Numeri 14:7] duidelijk dat het land in potentie enorm goed was. Het liet zich zo bewerken dat het helemaal tot bloei kon komen en iedereen kon voeden. Precies dat lijkt ook de gedachte in Genesis 1. Wat God geschapen heeft, kan gaan functioneren zoals God het bedoeld heeft. De aarde is een huis waarin de mens zal kunnen floreren. Dat planten en dieren op hun tijd sterven, staat daar los van.” (p. 92)

Wat mij betreft is dat hier echter niet het eigenlijke punt. Waar het vooral om gaat, is het feit dat Van den Brinks interpretatie inhoudt dat er al ver vóór Adams zondeval vele mensen gestorven zijn aan een dood die volgens Paulus pas zijn intrede doet vanwege Adams zondeval. Iets wat Van den Brink zelf ook erkent op pagina 93. De oplossing vindt hij in het nog niet bewust zijn van goed en kwaad bij deze mensen, waardoor ze ontoerekeningsvatbaar zijn: “Zulk bewustzijn (bijvoorbeeld van een regel als ‘ik mag niet doden’) is er niet bij de dieren – ook niet bij de ‘hogere’ diersoorten. Het kan er eigenlijk ook nog niet eens geweest zijn bij de eerste generaties van de Homo sapiens. Die hadden wel onze lichaamsbouw, maar hun bewustzijn was nog lang niet zover ontwikkeld dat ze kennis konden hebben van goed en kwaad.” (p. 97)

De vraag is welke evolutiebioloog of paleoantropoloog iets zou kunnen met het idee dat de mens tijdens diens vermeende evolutionaire ontwikkeling van de ene op de andere generatie ineens een bewustzijn ontwikkeld heeft dat schuldbewust en toerekeningsvatbaar is. Dit is een allesbehalve wetenschappelijke notie, die in totale tegenspraak is met welk evolutiescenario dan ook. Ga je met het evolutionaire verhaal mee, dan moeten er heel wat ‘zelfbewuste’ en ‘toerekeningsvatbare’ mensen vóór Adam en Eva zijn geweest, maar dan raakt de Bijbelse tekst (zowel die van Genesis als die van Romeinen 5) kant noch wal. Hier blijkt de volstrekte inconsequentie van de Bijbelinterpretatie zoals Van den Brink die geeft in Onderzoek alle dingen.

Ruimte voor een weerwoord nodig

Deze bespreking van de hoofdstukken 5 en 6 uit Onderzoek alle dingen is langer geworden dan de voorgaande twee delen van het vijfluik over dit boek, omdat hier mijns inziens heel veel misvattingen te berde worden gebracht door Van den Brink. Zonder op elke slak zout te willen leggen, zijn er nu eenmaal veel punten die naar mijn idee toch besproken moeten worden. Op de nietsvermoedende lezer kan wat Van den Brink schrijft waarachtig overkomen, en zeker waar het zijn verslag van ‘hedendaagse wetenschappelijke inzichten’ betreft voor de Bijbelgetrouwe lezer misschien zelfs intimiderend. Ik hoop dat deze bespreking de lezers van genoemd werk in elk geval een ruimer inzicht en stof tot nadenken geeft, waarbij ieder zijn of haar eigen afweging kan maken op een bredere basis dan slechts de Bijbelinterpretatie die hem of haar door Van den Brink wordt voorgeschoteld.

Voetnoten

Proefschrift over Franciscus Ridderus (1620-1683) en het debat over onze vroegste geschiedenis

27 november 2008 was een heugelijke dag voor dr. Gijsbert Schaap. Om drie uur in de middag verdedigde hij aan de Theologische Universiteit Apeldoorn zijn proefschrift over Franciscus Ridderus (1620-1683).1 De theoloog deed onderzoek naar de theologie en de bronnen van deze zeventiende eeuwse geleerde en onderzocht ook zijn plaats binnen de Nadere Reformatie.2 Hieronder willen we het proefschrift bestuderen op Schriftgezag en onze vroegste geschiedenis.3

Franciscus Ridderus (1620-1683)

Wie was Franciscus Ridderus (1620-1683)? We weten niet precies wanneer en waar Franciscus Ridderus is geboren. Vermoedelijk in de maand januari 1620 in Leiden of Middelharnis. Over de jonge jaren van Ridderus weten we niet veel, wel werd hij ingeschreven als student filosofie aan de universiteit te Leiden. Op 22 oktober 1642 rondde hij zijn studie af met een verdediging van een aantal stellingen. Er is discussie over de vraag of hij gepromoveerd is of niet. Wel ontving Ridderus een eredoctoraat van de Universiteit Utrecht voor zijn wetenschappelijke werk. Hij werd predikant in de gereformeerde kerk en in 1643 beroepbaar. Van 1644 tot 1648 diende hij de gemeente van Schermerhorn. Op 19 januari 1649 werd hij verbonden aan de kerkelijke gemeente Brielle. Op 30 april 1656 preekte hij afscheid in Brielle vanwege zijn vertrek naar Rotterdam. Ridderus is tot aan zijn dood in Rotterdam gebleven. Ridderus is drie keer getrouwd geweest. Op 3 februari 1649 trouwde hij te Delft met Sara van der Mast (1620-1649). Acht maanden later verloor hij zijn vrouw. Hij hertrouwde te Brielle met Alida van Ophoven (?-±1656).Op 2 december 1659 trouwde Ridderus voor de derde maal, dit keer te Rotterdam met Anna Jansdr. van Loo (?-1710). Zij was eerder getrouwd geweest met Hendricus Goeree, predikant te Botersloot. Franciscus kreeg met die laatste vrouw drie kinderen: Anna, Johannes (die op achttienjarige leeftijd overleed) en Jacobus (die al in de kinderjaren overleden is). Franciscus overleed op 11 januari 1683.

De Bijbel en Schriftgezag

Dr. Schaap weet op bladzijde 15 te vermelden dat Franciscus Ridderus ‘altijd bijbelteksten citeert in de Statenvertaling en hoogst zelden van de uitleg van de kanttekeningen afwijkt‘.4

Ingeschapen Godskennis

In het hoofdstuk over ‘De gemeenschap met Christus‘ beschrijft dr. Schaap christelijke deugden en plichten zoals die te vinden zijn bij Ridderus. Volgens Ridderus hadden heidenvolken ook deugden. Deze deugden hebben ze uit de natuur en niet uit de genade van God. “Veel heidenen stonden in religieus en ethisch opzicht zeer hoog. Dat is, volgens Ridderus, een gevolg van het feit dat van het beeld van God in de mens nog enkele overblijfselen aanwezig zijn. Zo is het mogelijk dat onder veel volkeren dingen gezegd en gedaan zijn die verwant zijn aan het christendom, terwijl die volken nog nooit het evangelie gehoord hadden..”5 Wie zijn die heidenenvolken? Dr. Schaap legt het uit in voetnoot 34: “Ridderus bedoelt met heidenen de volken die uit Noachs drie zonen voortgekomen zijn en tot afgoderij vervallen zijn. Ze waren zonder rechte kennis van God en dus ook zonder de ware religie en hadden slechts een natuurreligie en ‘dwaze’ inzettingen van hun voorouders.” Schaap noemt het echter een raadsel hoe het mogelijk is dat deze volkeren, zoals we hierboven zien, in religieus en ethisch opzicht bijna even hoog stonden als de christenen. Schaap: “Ridderus vermoedt dat ze behalve uit de schepping, ook lering hebben weten te trekken uit hun kennis en zo hun wetten en ‘Zedenkonst’ hebben ontwikkeld. (…) Ridderus laat de mogelijkheid open dat enige tradities van de ware religie door Noach en zijn zonen aan de nakomelingen zijn overgeleverd, zodat ze onder hun nazaten nog bekend zijn. Ook is het niet onmogelijk dat verstrooide Joden weetgierige heidenen op de hoogte hebben gebracht of dat nu en dan predikanten [Leeraren] onder hen geweest zijn en hen met de ware religie hebben bekendgemaakt.” Als bron voor het bovenstaande gebruikt dr. Schaap ‘De Beschaemde Christen’ en dan het voorwoord ‘Onderrichtinge Aen den Leser‘.

Ook de hartstochten zijn de mens ingeschapen. Ridderus spreekt dan over affecten, verlangens en emoties waarbij ook de wil betrokken is. Door de zonde zijn dit verdorven lusten geworden, maar in de wedergeboorte worden de hartstochten vernieuwd.6

Winterlandschap met ijsvermaak. Geschilderd door Hendrick Avercamp, ‘de Stomme van Kampen’, rond 1608. Bron: Wikipedia.

‘Kleine IJstijd’

Bij de bespreking van staatkundige en maatschappelijke ontwikkelingen in de tijd waarin Ridderus leefde noemt dr. Schaap ook de ‘kleine ijstijd’. Volgens de theoloog was deze tijd niet alleen de Gouden eeuw, maar ook een koude eeuw. “Deze eeuw viel midden in de “Kleine ijstijd” (ca. 1430-ca. 1860). Bekend is dat overstromingen en zware stormen het land teisterden. De winters waren streng, vergezeld van veel sneeuw, en duurden tot in maart. In het midden van deze eeuw waren de winters nog relatief zacht te noemen, daarbuiten waren ze extremer. Dat betekent dat het binnenlandse scheepvaartverkeer stil lag. Velen leden onder de koude, hadden gebrek aan brandstoffen en voedsel.7 Schaap beschrijft ook andere rampen zoals pestuitbraken in steden en in dorpen. De levensverwachting, die in onze ogen al lager was, lag in dergelijke tijden nog lager. Volgens Schaap was het onder andere de slechte hygiëne die een rol speelde bij de verspreiding van ziekten.8

‘Noort-sterre’

Voor Ridderus zijn God en Zijn beloften het voorwerp van de hoop. De zeventiende eeuwse geleerde gebruikt hiervoor in het boek ‘Trappen en hinderpalen‘ een beeld uit de sterrenkunde. “Onze ziel is als de naald van het kompas die niet stilstaat dan wanneer ze de ‘Noort-sterre’ heeft gevonden.” In voetnoot 90 legt dr. Schaap uit dat dit beeld ontleend is aan de zeevaartkunde: “Men gebruikte het kompas om zich te oriënteren op het noorden, met name op de noordster.9 Door Ridderus wordt deze ster toegepast op God: “De gelovigen zoeken in hun grote benauwdheid hun rustpunt door naar de hemel te zien waar God is, zoals de trillende naald van het kompas op het noorden ziet“.10

Polaris of de poolster. Bron: Wikipedia.

Voetnoten

Uitgelicht Analyse over het Leven 5 – Kwetsbaar Leven

Family7 heeft een programma dat heet ‘Uitgelicht Analyse‘. In de maand november zijn er via dit programma een zevental uitzendingen uitgezonden die handelen over medisch-ethische dilemma’s. Family7 heeft deze afleveringen ook op haar YouTube-kanaal geplaatst. De afleveringen zijn de moeite waard en daarom delen wij deze afleveringen, met dank aan de makers, graag op onze website. De vierde aflevering gaat over ‘kwetsbaar leven’. Is leven met een beperking nog mogelijk? De uitzending gaat over medische ethiek en kwetsbaar leven. Aan tafel zitten Astrid Bokhorst, manager advies & toerusting bij de NPV en Carina van Lobenstein, beleidsadviseur Profila Zorg.

Komt de ‘creationistische’ Schriftvisie uit de twintigste eeuw?

Vrijdag 29 november 2019 was er een studiedag rondom het nieuwe boek En God zag dat het goed was, over theologie en evolutie. Filosoof en theoloog Rik Peels gaf op deze studiedag aan dat de ‘creationistische’ lezing van de Schrift pas in de twintigste eeuw opkwam (RD 30-11-2019). Marcel Sarot, katholiek hoogleraar systematische theologie, deed in zijn lezing overeenkomstige uitspraken. Dit soort uitspraken zijn vaker te vinden in de theïstisch evolutionistische literatuur, bijvoorbeeld in de cursus Test of Faith. Het is prima om na te denken over de verhouding tussen theologie en de evolutietheorie, maar deze weergave schetst een onjuist beeld van de geschiedenis. De klassieke bijbeluitleg die mede het uitgangspunt vormt van de creationistische beweging is al eeuwenoud.

“De klassieke bijbeluitleg die mede het uitgangspunt vormt van de creationistische beweging is al eeuwenoud.” Bron: Pixabay.

Klassieke bijbeluitleg

Wat is die klassieke bijbeluitleg? Het geloof dat God hemel en aarde schiep in zes dagen, op de zevende dag rustte (Gen. 1, Ex. 20:11 en Ex. 31:17) en dat Hij zag dat alles wat Hij gemaakt had zeer goed was (Gen. 1:31). Deze schepping vond duizenden jaren geleden plaats (gewoonlijk noemt men 6.000-10.000 jaar). Helaas is deze schepping is niet ‘zeer goed’ gebleven, want het eerste mensenpaar viel in zonde en haalde zo een vloek over de hele schepping (Gen. 3, Rom. 8). Na verloop van honderden jaren werd de zonde van de mensheid zelfs zo erg dat God besloot deze eerste wereld te laten vergaan door een wereldwijde zondvloed (Gen. 6-9). Hij begon opnieuw met Noach en zijn gezin. Vanuit deze acht mensen is de huidige mensheid ontstaan (Gen. 10) en is uiteindelijk ook de Heere Jezus Christus, de laatste Adam, geboren.

Modern?

Ontstaat dit theologische uitgangspunt in de twintigste eeuw? Zelf ben ik opgegroeid binnen de Gereformeerde Gemeenten. In dit kerkverband heeft ds. G.H. Kersten (1882-1948) een belangrijke rol gehad. In zijn Gereformeerde Dogmatiek staat over de schepping: “God schiep in één oogenblik hemel en aarde en Hij ordende, al scheppend, in zes dagen, terwijl Hij den zevenden dag rustte. (…) De Schrift spreekt van zes dagen, waarin God alle dingen geschapen heeft (Ex. 20:11) en het betaamt niemand om zelfs ook maar één poging te wagen door het inleggen van onze gedachten in Gods Woord, de Heilige Schrift aan te passen aan de z.g.n. resultaten van de geologie, waarmede velen de waarheid Gods trachten te logenstraffen.1 Is deze visie van ds. Kersten nieuw? Nee, zeker niet! Zijn hoofdstuk over de schepping bevat verwijzingen naar vooraanstaande theologen uit de 16e tot de 19e eeuw, bijvoorbeeld naar Van Mastricht. Petrus van Mastricht (1630-1706) schrijft over de schepping: “Wij zeggen dat deze wereld geschapen is in de tijd van zes dagen. (…) De ogenblikken van dat bevel (iedere afzonderlijke dag, JvM) hebben gedurende de tijd van 24 uren van elkaar afgestaan.2 Deze scheppingsvisie komt bijvoorbeeld ook voor bij Hieremias Bastingius (1551-1595)3, Theodorus van der Groe (1705-1784)4, Petrus van der Hagen (1641-1671)5, Matthew Henry (1662-1714)6, Johannes van der Kemp (1664-1718)7, Franciscus Ridderus (1620-1683)8, Justus Vermeer (1696-1745)9 en in de belijdenis van Westminster (1647)10. We zien dat ook Johannes Calvijn (1509-1564) vast wil houden aan een zesdaagse schepping. Hij noemt het zelfs een ‘gewelddadige spotternij’ om te zeggen dat Mozes omwille van zijn verhaal de schepping in zes dagen verdeelde in plaats van aan te geven, zoals sommige kerkvaders deden, dat God de wereld in één ogenblik schiep. Calvijn schrijft dat God niet in één ogenblik de wereld schiep, maar “veeleer heeft God zelf, willende Zijne werken regelen naar de bevatting der menschen, een tijdvak van zes dagen voor zich genomen. De oneindige heerlijkheid Gods, die zich hierin ten toon spreidt, zien wij zoo licht voorbij”.11 Volgens de kanttekeningen bij de Statenvertaling (1657) was een scheppingsdag een normale dag van 24 uur. Over de leeftijd van de aarde zijn veel oudvaders ook duidelijk. Wilhelmus á Brakel (1635-1711) leefde naar eigen zeggen ongeveer 5750 jaar na de schepping.12 Franciscus Ridderus laat weten dat de schepping ‘zo omtrent vijf duizend en zeven honderd jaar’ geleden plaatsvond.13 Justus Vermeer zegt: “In het gemeen kan men zeggen, naar de rekening van de allervoornaamste godgeleerden en chronologisten, dat de wereld geschapen is, weinig onder of over de 3950 jaren voor Christus’ geboorte; daarbij dan gerekend na de geboorte van Christus 1736 jaren, zo zou de wereld geschapen zijn, omtrent 5686 jaren geleden.14 Bekend is ook de chronologie van James Ussher (1581-1656). We kunnen vanuit deze visie op de schepping van de (Nadere) Reformatie lijnen trekken naar de vroegere theologie van de middeleeuwen en van de kerkvaders.15 Ook de leer van een historische zondeval met gevolgen voor de schepping en een wereldwijde zondvloed is veel en veel ouder dan de twintigste eeuw. We kunnen deze ‘creationistische’ lezing dus met recht een klassiek scheppingsgeloof noemen.15

Theologische bezinning?

Het is schadelijk voor het voortgaande gesprek als de geschiedenis verkeerd wordt voorgesteld. De klassieke bijbeluitleg vormt het uitgangspunt van de creationistische beweging, maar is op zichzelf al eeuwenoud. Rik Peels roept op tot een theologische bezinning (RD 4-11-2019). Maar juist dan zijn onjuiste uitspraken over het verleden ongewenst. Volgens Pieter Rouwendal zou het boek ‘En God zag dat het goed was’ de gereformeerde gezindte moeten helpen bij de bezinning rondom de evolutietheorie (RD 5-10-2019). In het verleden heeft men al uitgebreid nagedacht over de combinatie theologie en evolutietheorie. We zien dat herhaalde pogingen, of ze nu ingegeven zijn door de evolutietheorie of niet, om Genesis anders te lezen uiteindelijk leiden tot een niet meer orthodoxe theologie. Te denken valt bijvoorbeeld aan de gnostiek, Isaac La Peyrère, de moderne theologie en Harry Kuitert. Laten we van deze geschiedenis leren. Schrijver-filosoof George Santayana (1863-1952) stelt: ‘Wie zijn geschiedenis niet kent, is genoodzaakt haar te herhalen’.

Dit stuk is als opiniestuk aangeboden aan het Reformatorisch Dagblad, maar daar niet geplaatst vanwege de ‘overload’ aan opiniestukken die gaan over het thema ‘schepping en evolutie’.

Voetnoten