Home » 2021 » september

Maandelijks archief: september 2021

Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog

Nergens is het systeem om de uitstoot van stikstof te schatten zo goed op orde als in Nederland. Belangrijk, want door neerslag van stikstof vindt in de bodem onder meer verzuring plaats. Dit leidt tot een sterke afname van planten, insecten en vogels.

Stikstof houdt de gemoederen nog steeds bezig. Zo is de Eerste Kamer in maart dit jaar akkoord gegaan met de stikstofwet, die voorziet in een afname in de uitstoot van stikstof met 50 procent in 2035. Maar dat soort reducties zijn volgens Geesje Rotgers van de stichting Agrifacts (RD 12-7) gebaseerd op simplistische rekenmodellen. En die leiden tot een papieren werkelijkheid, stelt ze. Klopt die aantijging?

Recent zijn er vier stikstofrapporten uitgebracht. Op verschillende wijze geven die een nadere onderbouwing aan de vereiste reductie in stikstofuitstoot en waar die reducties het effectiefst zijn. Daarbij spelen inderdaad modellen een rol. Die modellen simplistisch noemen verraadt een enorm gebrek aan kennis, want dat zijn ze bepaald niet. Door over een papieren werkelijkheid te spreken, wekt Rotgers de suggestie gewekt dat resultaten van die modellen helemaal losstaan van metingen, maar dat is volslagen onjuist. De concentraties stikstofoxiden, met name afkomstig uit verkeer, worden elk uur op 73 plekken met geavanceerde apparatuur gemeten. Verder worden de maandgemiddelde concentraties ammoniak op meer dan 300 plekken in Nederland gemeten, waarvan ruim 80 in natuurgebieden. Modelvoorspellingen worden vergeleken met die metingen, en de overeenkomst daartussen is heel groot. Voor de statisch onderlegde lezer: een correlatiecoëfficiënt van meer dan 0,95. Daar likt elke modelleur zijn vingers bij af. En dus kun je die modellen gebruiken om schattingen te maken op plaatsen waar je niet meet. Dat moet je doen om voor heel Nederland een beeld te krijgen, ook al zou je op honderdduizend plekken meten.

Onderschat

Vanwege de kritiek op modellen heeft minister Schouten de ”Commissie meten en berekenen” ingesteld (de commissie-Hordijk). Die beoordeelde het Nederlandse meet- en rekensysteem als goed. En dat was een terughoudend oordeel. Feitelijk is het heel goed. Vrijwel nergens in de wereld is het systeem om de uitstoot te schatten, dat de invoer voor het luchtmodel vormt, zo goed op orde als in Nederland. Wel blijken de metingen voor ammoniak helaas gemiddeld wat hoger te liggen dan de modellen, wat erop wijst dat de uitstoot van ammoniak wordt onderschat. Daarom wordt er gecorrigeerd voor die klaarblijkelijk te optimistische schatting. Wel kan lokaal de onzekerheid in stikstofbelasting of in de schatting van die belasting vrij groot zijn. Maar het gemiddelde beeld is betrouwbaar, net zoals dat geldt voor een gemiddelde weervoorspelling. Met haar zogenaamde ”natuurcheck” in het Wierdense veld in Overijssel ridiculiseert Rotgers ook de effecten van stikstof op natuur. De suggestie is dat het bij stikstof alleen zou gaan om het in stand houden van kleine stukjes wensnatuur. Want zo noemt zij de circa 100 vierkante meter actief hoogveen, die zij kennelijk niet heeft kunnen ontdekken. Wellicht nuttig om te vermelden dat drie ecologen van verschillende organisaties onlangs geconstateerd hebben dat het actieve hoogveen is uitgebreid van circa 100 naar 140 vierkante meter, maar feitelijk gaat het daar niet echt om. Veel belangrijker in dit gebied de 380 hectare herstellend hoogveen.

De kern is dat het bij de schade van stikstof op de natuur om heel veel meer gaat dan om kleine stukjes veen die je wilt behouden. Door neerslag van stikstof op natuur vindt er in de bodem verzuring plaats, met als gevolg een tekort aan calcium, kalium en magnesium. Dit leidt bijvoorbeeld bij kool- en pimpelmezen tot eieren met een te dunne schaal en jongen die al in het nest hun pootjes breken.

Verder hebben het overschot aan stikstof en de verzuring negatieve effecten op de diversiteit aan plantensoorten. Veel kenmerkende soorten worden overwoekerd en daardoor kunnen insecten en vlinders ook moeilijker overleven. Met weer als gevolg dat de vogelstand terugloopt. In bossen op de hoge zandgronden zijn roofvogels zoals havik, buizerd, sperwer en boomvalk sterk achteruitgegaan. Die achteruitgang komt ook doordat het probleem al meer dan veertig jaar speelt. Het heette begin 1980 ”zure regen”. Dat ging toen ook al om de neerslag van stikstofoxiden en ammoniak uit verkeer en landbouw. Daarnaast was er ook neerslag van zwaveloxiden, maar de uitstoot daarvan is sinds 1980 met circa 90 procent gedaald.

Boerenbedrog

Sindsdien 1990 is ook de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak meer dan gehalveerd. Desondanks komt op ongeveer driekwart van de Nederlandse natuur nog steeds te veel stikstof terecht. Want destijds was de belasting torenhoog. En daardoor gaat de natuur er nog steeds niet op vooruit. Door het probleem te bagatelliseren bewijs je boeren geen dienst en pleeg je boerenbedrog.

Daarbij moet ook bedacht worden dat stikstofgebruik in de landbouw niet alleen tot uitstoot van ammoniak leidt, maar ook van het broeikasgas lachgas en tot verliezen van nitraat naar grond- en oppervlaktewater. En ook die verliezen moeten minder vanwege effecten op het klimaat en de waterkwaliteit. We staan naar mijn vaste mening dan ook op de drempel van een transitie in ons voedselsysteem. Ik begrijp de frustratie van de boeren goed als het gaat om hun gevoel dat zij tegen marginale prijzen voedsel moeten produceren en dat ook nog eens milieuvriendelijk. De kosten van die transitie moeten we niet afwentelen op de boeren, maar we dienen hun meer te betalen voor ons voedsel en hen ook te belonen voor schone lucht, schoon water en behoud van de natuur.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Vries, W. de, 2021, Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog, Reformatorisch Dagblad 51 (96): 34-35 (artikel).

In het begin – Luisteren naar Genesis 1 en 2

De openingshoofdstukken van het boek Genesis leveren in onze tijd veel discussie op. Cornelis Van Dam, emeritus hoogleraar Oude Testament van het Canadian Reformed Theological Seminary in Hamilton, stelt de vraag of deze hoofdstukken geschiedenis beschrijven. Hij merkt dat steeds meer theologen die vraag negatief beantwoorden en daarmee afwijken van vroegere opvattingen. Voor hem is de vraag een aangelegen punt en het antwoord betreft zelfs de fundering waarop het evangelie rust.

In het boek beperkt Van Dam zich grotendeels tot de eerste twee hoofdstukken van Genesis, zonder de lezer duidelijk te maken waarom hij het derde hoofdstuk niet behandelt. Het doel van de auteur is niet zozeer een veelzijdig commentaar of een verklaring van elk vers in deze hoofdstukken te geven. Zijn onderzoeksvraag is vooral wat God ons openbaart over de historiciteit van Genesis 1 en 2. In de bespreking blijkt welke visie Van Dam heeft op deze openbaring: God was de enige die aanwezig was bij de schepping van alle dingen en Hij heeft ons bekendgemaakt wat we nodig hebben om te weten over deze gebeurtenissen in het begin van de tijd. Tevens is de ‘helderheid’ van de Schrift van belang: de lezer van Genesis is niet afhankelijk van hedendaagse geleerden om de basisbetekenis te begrijpen. Van Dam verzet zich tegen de uitleggers die menen dat het doel van deze hoofdstukken slechts is om theologische waarheden door te geven.

De auteur staat stil bij buiten-Bijbelse verhalen en hun betekenis voor de uitleg van de Bijbel. Hij geeft daarbij speciale aandacht aan de ‘speech act theory’. Terwijl het belangrijkste front van het boek de opvattingen zijn die verbonden zijn met het theïstische evolutionisme, ziet Van Dam ook problemen in creationistische kring. Die betreffen vooral de visie dat Genesis 1-3 een wetenschappelijk verslag zou bieden en dat de scheppingsdagen precies 24 uur geduurd hebben. De schepping vond volgens hem plaats in werkdagen van God, met een avond en een morgen. Ze zijn te vergelijken met onze dagen, en niet met perioden, maar de lengte wordt niet meegedeeld. Op basis van de structuur van het boek Genesis en de gehanteerde stijl in de eerste hoofdstukken beschouwt Van Dam deze gedeelten als historisch. De duisternis in 1:2 is ‘goed’ en heeft nog niet het onheilspellende karakter dat in diverse latere teksten naar voren komt. Van Dam geeft speciale aandacht aan het karakter van de zevende dag. Hij bespreekt ook de relatie tussen Genesis 1 en 2. Het veldgewas dat in 2:5 genoemd wordt, is gewas dat pas na de verdrijving uit de hof groeit, niet het groen dat op de derde dag geschapen werd. Hoewel tegenwoordig de hof van Eden vaak met een tempel vergeleken wordt, zijn er erg weinig overeenkomsten.

De auteur komt oorspronkelijk uit Nederland en hij citeert veel van ‘onze’ auteurs. Dat betreft vooral Bavinck, maar ook namen als Aalders, Berkouwer, Dooyeweerd, Noordtzij, Ridderbos en Versteeg komen langs, en uit later tijd Douma, Huijgen en Van den Brink.

Voor de uitleg van Genesis 1 en 2 zijn de goddelijke verklaringen in Exodus 20:11 en 31:17 normatief. Datzelfde geldt voor uitspraken van Jezus en Paulus. Daarmee staat Van Dam in de klassieke christelijke lijn en hij voert veel argumenten aan voor die uitleg. Op allerlei plaatsen neemt hij stelling tegen hedendaagse auteurs als John H. Walton en Paul H. Seely. Hun belangrijkste argumenten worden zorgvuldig besproken en van tegenargumenten voorzien.

De bespreking van een andere Schriftbeschouwing, waarbij het boek Genesis in later tijd ontstaan is en daarmee vooral de opvattingen van de Israëlieten in de tijd van de koningen weerspiegelt, komt minder uit de verf. Die opvatting blijkt bijvoorbeeld in het recente boek van Henk G. Geertsema, Bijbel en evolutie. Die auteur ziet in de Bijbel een ‘verrassende ruimte’ voor een evolutieproces. Voor Van Dam is het duidelijk dat dergelijke opvattingen zich niet verdragen met het klassieke belijden van de kerk. Het betekent wel dat de discussie doorgaat, niet slechts over de uitlegkundige details, maar ook over de voorvragen. In die discussie is het de winst van dit boek dat Van Dam heel expliciet ingaat op veel hedendaagse herinterpretaties en daarbij wil laten zien dat die in exegetisch opzicht problematisch zijn. Wat mij betreft doet hij dit overtuigend. Zijn boek bevat een schat aan gegevens voor de verdediging van de klassieke uitleg van Genesis 1-2.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Theologia Reformata. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Paul, M.J., 2021, Boekbespreking, Theologia Reformata 64 (3): 292-293.

Adam of Aap? – Aflevering 4: De stenen spreken

In 1977 van de vorige eeuw zond de Evangelische Omroep de serie Adam of aap? uit. Er verscheen in hetzelfde jaar ook een boekje met de gebundelde teksten van de uitzending. De serie werd uitgezonden onder leiding van de onlangs overleden drs. Koos van Delden. In dankbare herinnering aan hem delen wij de komende periode iedere zaterdag een aflevering van Adam of aap? Vandaag deel 4: De stenen spreken. In deze vierde aflevering gaat het over de ouderdom van de aarde. Is de aarde miljarden jaren oud of duizenden jaren jong?

Carnotaurus had schubben geen veren – Nieuw onderzoek naar de huid van deze theropode

We weten heel veel over dinosauriërs. Ondertussen weten we ook dat sommige beesten die wij dinosauriërs noemen veren hadden. Veel wetenschappers die uitgaan van de historische betrouwbaarheid van de Bijbel erkennen dit ook.1 Bij sommige paleontologen, ‘fossielkundigen’, bestaat echter de neiging om op zo veel mogelijk dinosauriërs veren te plakken. Zeker de beesten die in de vermeende afstammingslijn van de moderne vogels zitten. Nieuw onderzoek wijst uit dat we hiermee voorzichtig moeten zijn. Zo werd recent ontdekt dat volwassen Tyrannosauriërs en Allosauriërs geen veren hadden.2 Sinds vorige maand kunnen we ook de Carnotaurus aan dit rijtje toevoegen.

Screenshot van de Carnotaurus uit de speelfilm ‘Jurrassic World: Fallen Kingdom’ (2018).

Carnotaurus

Carnotaurus behoort tot de onderorde Theropoda. Een groep vleesetende dinosauriërs waaronder ook de bekende Tyrannosaurus en Spinosaurus behoren. In 1984 werd een uitzonderlijk compleet skelet van de Carnotaurus sastrei gevonden in Patagonië (Argentinië). De theropode is te herkennen aan zijn hele korte voorpootjes en het heeft hoorns op zijn kop. Na zevenendertig jaar is dit nog steeds het enige skelet van het beest dat gevonden is. Het fossiel is gevonden in de Zuid-Amerikaanse Krijtlagen. De meeste creationisten denken daarom dat de Carnotaurus vóór de zondvloed leefde en tijdens de zondvloed is omgekomen.3 Op de Nederlandstalige Wikipedia staat een uitgebreide (naturalistische) beschrijving van het beest.4

Huid

Naast botten zijn er in Patagonië ook stukjes huid gevonden van deze Carnotaurus. Afgelopen jaar werden deze stukjes huid voor het eerst in detail onderzocht. Vorige maand werden de resultaten van dit onderzoek gepubliceerd in Cretaceous Research onder de titel ‘The scaly skin of the abelisaurid Carnotaurus sastrei (Theropoda: Ceratosauria) from the Upper Cretaceous of Patagonia’. De onderzoekers zijn dr. Christophe Hendrickx van de Unidad Ejecutora Lillo en dr. Phil Bell van de University of England.5 Het is een zeldzaam verschijnsel dat naast een vrijwel compleet skelet ook veel stukjes huid gevonden zijn van een individu. De huid bestaat uit middelgrote tot grote schubben (diameter van 20-65 mm) omgeven door een netwerk van kleine schubben (kleiner dan 14 mm). Deze dinohuid was meer gevarieerd dan eerder gedacht. De onderzoekers denken dat dit beest een actieve levensstijl had en snel kon lopen.6 Ze speculeren daarom dat de huid een onmisbare rol speelde in de thermoregulatie (warmte afvoer). De paper bevat veel details en prachtige foto’s over de huid en de rol van deze beschermlaag in het leven van de Carnotaurus. Wil je meer weten dan is het beslist de moeite waard de hele paper te lezen.

Geen veren

Uit deze studie blijkt dat de Carnotaurus geen veren heeft gehad. Dat wil niet zeggen dat alle theropode dinosauriërs géén veren hadden. Bij de in China gevonden Yutyrannus zijn veerresten bij de staart gevonden. Het laat wel zien dat we voorzichtig moeten zijn met het opplakken van veren op theropode dinosauriërs. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen welke theropode dinosauriërs wel veren hadden en welke niet. We kunnen in ieder geval de Carnotaurus toevoegen aan het rijtje van veerloze dinosauriërs.7

Voetnoten

Een spannend tienerboek over ‘Het hunebed’

“Dan voelt Sander hoe hij stevig wordt vastgegrepen. Hij wil gillen, maar een onbekende duwt een prop papier in zijn mond en doet er een doek voor. Sander trappelt, maar de man duwt hem tegen de grond, terwijl een ander zijn handen met een touw vastbindt. Het duurt allemaal maar een paar seconden. De mannen trekken hem overeind. Even krijgt hij de gelegenheid om zijn belagers aan te kijken. Er gaat een schok door hem heen. Die mannen heeft hij deze vakantie al veel te vaak gezien.”

Johan Leeflang heeft weer een spannend tienerboek geschreven. Voor mij ligt het zevende deel van de serie ‘Campers’. Het boek heeft als titel ‘Het Hunebed’ en is uitgegeven door ‘Uitgeverij De Banier’. Het boek is geschreven voor jongens en meiden vanaf 10 jaar. Omdat er niet zoveel tienerboeken zijn die de bekende hunebedden in een Bijbelse context plaatsen is dit een welkome aanvulling voor de boekenkast van een gezin die het klassieke scheppingsgeloof willen uitdragen. Het biedt naast een spannend verhaal ook interessante informatie over het Drentse landschap en het Drentse verleden.

Verhaal

De familie Van Dijk trekt er, samen met vriend Michiel Nieuwenhuis, vaak op uit met hun super-de-luxe camper. Ze worden daarom ook wel ‘Campers’ genoemd. Dit keer zijn ze in Drenthe. Door drukte op het werk kunnen vader en moeder alleen de Camper neerzetten bij een oom en tante en moeten ze daarna weer terug naar huis. Sander, Rhodé en hun vriend Michiel blijven echter wel. Het huisje van ome Jan en tante Gerda staat dichtbij een landhuis van de schatrijke Charles Landman, eigenaar van een modeketen. De tieners Sander Rhodé en Michiel trekken veel met de kinderen Landman, John en Kitty op. Bijzonder is dat John wel lijkt op Sander en Kitty wel op Rhodé. In het verleden heeft Landman een man (Ferdinand) in dienst gehad die ontslagen werd omdat hij beschuldigd werd van fraude. Dit was een valse beschuldiging maar had verregaande gevolgen voor de reputatie en het privéleven van Ferdinand. Ferdinand zint daarom op wraak en besluit de zoon van familie Landman, John, te ontvoeren. Echter verwart Ferdinand John met Sander. Sander wordt ontvoerd en dit leidt tot een spannend avontuur met hoogte en dieptepunten. Dit ga ik niet allemaal verklappen, daarvoor moet je het boek zelf maar lezen.

Hunebed

In het verhaal komen hunebedden voor. Hunebedden zijn grafmonumenten van de vroege bewoners van Nederland. Ze bestaan uit grote zwerfstenen. Hoe zijn die stenen in Nederland gekomen? Wetenschappers denken in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (van 240.000 tot 130.000 naturalistische jaren geleden). Gelukkig denkt auteur, en vele creationistische wetenschappers met hem, er anders over. Volgens de auteur, in de uitleg van Charles Landman, hebben mensen de zwerfstenen waar de hunebedden van gemaakt zijn ‘ongeveer vierduizend jaar geleden hierheen gesleept op boomstammetjes en door schuine hellingen te maken hebben ze die stenen op elkaar gelegd’. Rhodé vraagt aan de heer Landman: ‘Maar hoe kwamen die stenen hier?’ De auteur laat de heer Landman het volgende antwoorden:

Die stenen zijn tijdens een ijstijd door ijs uit Scandinavië hierheen gekomen. Veel mensen beweren dat er vanaf 2,5 miljoen jaar geleden meerdere ijstijden achter elkaar zijn geweest. Deze stenen zouden dan in de voorlaatste ijstijd hier terecht zijn gekomen. (…) Als je de Bijbel volgt, bestaat de wereld ongeveer 6000 jaar. Andere christenen zeggen 10.000 jaar. Misschien is dat ook wel zo. Maar langer in elk geval niet. Dus als die stenen vele duizenden jaren geleden hierheen zouden zijn gekomen, zou dat ruim voor de schepping zijn geweest. (…) Wetenschappers die geloven in de schepping, geloven dat er na de zondvloed een ijstijd is geweest die ervoor zorgde dat de stenen hier terechtkwamen. Vandaar dat we hier al die grote stenen hebben.

Charles vertelt verder:

Het is wel heel triest dat mensen niet geloven dat God de wereld heeft gemaakt. Ze geloven dat de wereld heel oud is en dat het leven door evolutie is ontstaan. (…) Helaas zijn er ook veel christenen die denken dat de wereld heel oud is en dat de aarde niet in zes dagen is gemaakt. (…) God is almachtig. Voor Hem was het heel eenvoudig om een prachtige schepping in zes dagen te maken. Dat veel mensen dat niet geloven, daar snap ik niks van.

Rhodé stipt in het gesprek ook nog de schepping en de zondeval aan:

Eigenlijk hebben die hunebedden best wel te maken met de schepping. Vooral met de tijd erna. (…) De mensen wilde toch niet naar God luisteren? En toen is de zonde en de dood in de wereld gekomen. En daardoor hadden mensen weer graven nodig om hun doden in te leggen. Dus die hunebedden laten eigenlijk zien dat de mensen niet naar God wilden luisteren.

Charles Landman is naast een verhalenverteller een echte verzamelaar. Hij heeft bijvoorbeeld materialen en potscherven in de vitrine liggen die in de buurt van de hunebedden zijn gevonden (blz. 36). In het boek worden nog meer weetjes genoemd over de hunebedden. Zo leren de tieners dat een hunebed de ‘Papeloze kerk’ werd genoemd, omdat in de tijd van de hagepreken de hunebedden als preekgestoelte werden gebruikt (blz. 28). Maar ook dat hunebed D53 is verplaatst omdat de Duitsers ten tijde van de Tweede Wereldoorlog op de oorspronkelijke plaats een landingsbaan voor vliegtuigen wilden bouwen (dit staat in de extra informatie). We lezen in het boek ook over de reuzen Ellert en Brammert (blz. 44) en over radiotelescopen die het heelal afspeuren (blz. 55).

Conclusie

Johan Leeflang heeft zoals gezegd een spannend tienerboek geschreven. Heel goed dat de auteur de tieners wijst op de geschiedenis van schepping, zondeval en zondvloed. In veel boeken krijgen tieners naturalistische informatie over de natuur en geschiedenis van de aarde voorgelegd. Het is dan ook een welkome aanvulling als een auteur daar anders over schrijft. Het boek wordt warm aanbevolen.

Dit boek wordt binnenkort te koop aangeboden in onze webshop.

Deze bespreking is onderdeel van het project ‘Onderwijzen en opvoeden voor de toekomst – Leren over onze vroegste geschiedenis in 2021’. In de komende maanden zal dit project verder uitgekristalliseerd worden. Een dergelijk Opvoedings- en onderwijsproject zal ook onderdeel zijn van het meerjarenplan ‘Fundamentum 2022-2027’, met uiteraard ieder jaar een ander jaartal.

PERSBERICHT: Cursussen stichting Godsvrucht en Wetenschap

In eerdere berichten is meegedeeld dat dr. P. de Vries met ingang van het jaar 2021/2022 (vanaf sep-tember) cursussen voor de St. Godsvrucht en wetenschap gaat verzorgen.

Het gaat om de volgende cursussen waarvoor u zich nog kunt aanmelden, zie hieronder:

  • Close reading van Ezechiël
  • Hermeneutiek (voor dit seizoen volgeboekt)
  • Geloofsverantwoording in het voetspoor van Augustinus
  • Inleiding in de Bijbelse theologie
  • Thema’s uit de geloofsleer

Er blijkt goede belangstelling te zijn voor de cursussen. De cursussen worden gegeven te Gouda. De cursus ‘Close reading van Ezechiël’ die een wat meer specialistisch karakter heeft, is gesplitst en wordt behalve in Gouda ook in Nunspeet gegeven. Op beide locaties zijn nog open plaatsen.

Zoals verwacht kon worden, is vooral voor de cursus ‘Hermeneutiek’ veel belangstelling. Hier komen de vragen naar voren of en hoe wij ons op de Schrift mogen beroepen en of God wel rechtstreeks door de Schrift tot ons spreekt. Deze cursus inmiddels vol geboekt. Bij voldoende belangstelling (minimaal tien aanmeldingen) wordt de cursus D.V. volgend seizoen op een doordeweekse morgen opnieuw aangeboden. Inmiddels hebben zich daarvoor al een aantal belangstellenden gemeld.

Voor alle cursussen is genoeg belangstelling om aangeboden te kunnen worden. Wel is nog voldoende ruimte om zich aan te melden. Dan gaat het om de cursussen ‘Close reading van Ezechiël’, ‘Geloofsverantwoording in het voetspoor van Augustinus’, ‘Inleiding in de Bijbelse theologie’ en ‘Thema’s uit de geloofsleer’. De laatste cursus wordt volgend jaar op een viertal avonden in april en mei gegeven en is nadrukkelijk bedoeld voor elk geïnteresseerd gemeentelid.

De cursus ‘Inleiding in de Bijbelse theologie’ is in de eerste plaats bedoeld voor predikanten en leraren in het middelbare onderwijs die nageschoold willen worden. Anderen zijn overigens ook van harte welkom. Deze cursus wordt op donderdagmorgen gehouden. De eerste keer is D.V. donderdag 3 februari 2022.

Over drie seizoenen verspreid worden er elk jaar nieuwe cursussen aangeboden. Er is tot op zekere hoogte sprake van een lint, maar in principe is elke cursus een afzonderlijk geheel. Zonder een eerdere cursus gevolgd te hebben kan men aan cursussen die een volgend seizoen worden aangeboden met vrucht deelnemen.

Meer informatie is te vinden op de website: godsvruchtenweteschap.nl. Wie belangstelling heeft voor een van de cursussen of meer informatie wil, kan zich via de email dspdevries@solcon.nl wenden tot dr. P. de Vries. Inmiddels zijn er meerdere donaties ontvangen. Omdat de kosten de baten zullen overstijgen, zijn donaties – groot of klein – nog altijd van harte welkom. Het bankrekening nummer kunt u vinden op onze website http://www.godsvruchtenwetenschap.nl.

Het bestuur en dr. P. de Vries spreken de wens uit dat het werk van de stichting Godsvrucht en wetenschap tot zegen zal zijn. Dit in de overtuiging dat de Bijbel de stem is van de drie-enige God Die als de God van volkomen zaligheid is te belijden.

Genesis deel 1: Inleiding – Bioloog Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over het eerste Bijbelboek

Genesis, hoe alles begon. Bioloog ir. Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over Genesis. Vandaag het eerste deel: Inleiding. De video duurt 18 minuten. Volgende week donderdag het tweede deel. Veel zegen bij het kijken!

Is er leven op Mars? – Jan van Meerten te gast bij ‘Uitgelicht!’

Eind 2016 was ik te gast bij het programma ‘Uitgelicht!’ van Family7. Deze uitzending is opgenomen en op het YouTube-kanaal van Family7 geplaatst. Hieronder is de uitzending te bekijken.

Wie is de vrouw van Kaïn? – Een antwoord van Jan Rein de Wit

In 2014 nam Geloofstoerusting in samenwerking met de Reformatorische Omroep een serie video’s op over zaken die raken aan het scheppingsparadigma. Vandaag een video met voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit, over de bekende vraag wie de vrouw van Kaïn was. Veel zegen bij het kijken!

Ethische theologie in de praktijk van het kerkelijke leven

In mijn vorige bijdrage over de ethische theologie kwam in verband met ‘ethisch’ aan de orde dat er bij het concept ‘ethisch’ sprake is van het samengaan van wetenschap en geloof.1 Is daar dan geen sprake van een zekere tegenstelling? Ja dat is er, maar wetenschap en geloof, verstand en geloof, worden elk op een ander vlak gezien. In de roomse theologie en bij het neocalvinisme (van Abraham Kuyper en navolgers) is er sprake van overeenstemming tussen wetenschap en geloof, verstand en geloof. In beide gevallen is er instroom van wetenschap in het geloof of hoe men over het geloof denkt. Twee voorbeelden volgen nu om de zaak iets te verhelderen.

Van kerk naar universiteit: Lebram

17e-eeuws portret van Jacobus Arminius (1560-1609). Bron: Wikipedia.

Eén van de boeiendste colleges die ik in Leiden heb gevolgd, was dat van dr. J.C.H. Lebram (1920–2004), een Duitse wetenschapper van grote geleerdheid, die later hoogleraar judaïca werd. Judaïca gaat over joodse zaken. Hij bestudeerde het laatste tijdvak van het Oude Testament tot aan het Nieuwe Testament. In zijn colleges viel geen enkele lijn te ontdekken. Men kon er dus ook niet de draad kwijtraken. Hij vertelde drie kwartier lang interessante zaken. Dat boeide mij zeer. Prof. Lebram was ook heel eerlijk. Hij vertelde eens dat hij zo blij was aan de Leidse universiteit wetenschap te kunnen bedrijven. Vόόr die tijd was hij predikant. Hij moest toen de mensen dingen vertellen, die niet waar waren, zo zei hij. Als voorbeeld noemde hij de geschiedenis van lijden, sterven en opstanding van de Heere Jezus. Die geschiedenis was volgens hem in elkaar gezet.

Prof. Lebram was lid van de Evangelische Kirche in Deutschland (EKD). In dat kerkgenootschap mag men vrijzinnig zijn, maar men heeft als predikant ook met een gemeente te maken, die bepaalde verwachtingen heeft. Zo wil men toch iets van een opstandingsevangelie horen. Doet de predikant dat niet, dan wordt de verhouding met de gemeente moeizaam.

Er is dus duidelijk een zekere relatie tussen universitaire wetenschap en kerkelijke gemeente. Aan de universiteit is men volstrekt vrij. In de EKD is men dat ook, hoewel men moeilijkheden zou ondervinden als men op authentieke wijze gereformeerd zou zijn. Toch is er in de EKD een praktijk waarbij het ongewenst is om een universitair standpunt te vertolken. Men zou dan kunnen zeggen: ‘de wal keert het schip.’ Hoewel er aan de universiteit en in de kerk veel vrijheid is, is er toch een relatie, omdat ook de verwachting van een kerkelijke gemeente een rol speelt.

Van universiteit naar kerk: Arminius

Nu ga ik naar de Nederlandse situatie. De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) kent de geloofsbelijdenis niet als grondslag of fundament. In de aanloop naar het ontstaan van de PKN in 2004 zijn onderdelen van de kerkorde van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk weggelaten, bijvoorbeeld de werkorde en de toelichting daarop. De PKN heeft zich uitdrukkelijk aangesloten bij het Reglement 1816/1852: een predikant is vrij in welke leer hij verkondigt. Er is dus een zeer ruime bandbreedte. Maar ook hier heeft een predikant met de gemeente te maken. Een predikant die schreef dat hij Christus slechts als God en niet als mens zag, werd onaanvaardbaar voor zijn gemeente. Dit, hoewel hij nergens schuld aan had volgens de kerkelijke regels.

Er zijn ook kerken die de gereformeerde geloofsbelijdenis als grondslag of fundament hebben. Genoemd moet worden in het verband van dit stukje: de Christelijke Gereformeerde Kerken. De gereformeerde belijdenis is bepalend voor geheel het kerkelijk leven. Het kerkverband wordt door de belijdenis bijeengehouden. Die belijdenis is ook het uitgangspunt voor tucht op leer en leven. De belijdenis is de achtergrond van de prediking. Een preek kan verder nooit alleen maar over een bepaalde tekst gaan. De hele Schrift moet mee-ademen, dus ook de hele belijdenis. Zo moeten bijvoorbeeld zonde en rechtvaardiging van de zondaar altijd aan de orde komen. Naast de verwachting van de kerkelijke gemeente is er in een kerk met een belijdenisgrondslag voor die belijdenis een normerende rol weggelegd. Dit is de theorie. De praktijk kan dus anders zijn zoals blijkt uit deze artikelenserie.

Jacobus Arminius (1560–1609)[1] zou hoogleraar in Leiden worden, maar er waren bezwaren daartegen in het land. Franciscus Gomarus (1563–1641) ging daarom met Arminius praten en was overtuigd van diens rechtzinnigheid. Gomarus verleende Arminius ook nog de doctorstitel. Arminius had overigens ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis ondertekend. Toen Arminius eenmaal hoogleraar was, ging hij ongevraagd een college van Gomarus geven. Ook liet zijn onderwijs afwijkingen van de gereformeerde leer zien. Dat was bepaald niet naar de zin van Gomarus, die dan ook met Arminius in onmin raakte. Arminius bleek aalglad te kunnen spreken. Hij had zich gereformeerd voorgedaan, wat hij niet was.

Een belangrijk punt waar het misging was de vrije wil. Dit punt heeft invloed op de leer van de verkiezing en verwerping, maar ook op de leer van de rechtvaardiging en de genade. Arminius maakte gebruik van een gedachte die was gebaseerd op Gods noodzakelijke kennis van toekomstige gebeurtenissen. God kon dan zien wat een bepaald mens zou doen. Men noemt dit ook wel de midden- of middelkennis. Het is dus een soort gedachte die tussen God en mens in staat. Deze gedachte is afkomstig van de Spaanse jezuïet Luis de Molina (1535–1600). Gereformeerden wijzen deze middenkennis af. Men kan dit bijvoorbeeld naslaan in de Theoretisch-praktische godgeleerdheid van P. van Mastricht (1630–1706) of in De gereformeerde dogmatiek van ds. G.H. Kersten (1882–1948). Er is dus sprake van een vrije wil bij Arminius. Dat erkende bijvoorbeeld ook de ethische hoogleraar H. Berkhof (1914–1995), die zelfs vrijzinnig kan worden genoemd.

In 2008 kreeg W.A. den Boer zijn doctorstitel aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA). Op grond van zijn onderzoek van het begrip ‘gerechtigheid’ concludeerde Den Boer dat Arminius gereformeerd was.

Ik zeg niets kwaads over de bij onderzoek en promotie betrokken personen, het wetenschappelijke niveau etc., zoals ik al vaker heb aangegeven. Maar hoe kan het dat er bij iemand die aan een christelijk gereformeerde universiteit is verbonden, tijdens het onderzoek geen bel gaat rinkelen over de conclusie dat Arminius gereformeerd zou zijn? Ten minste twee zaken moet men zich dan afvragen. Ten eerste: bezit de gebruikte methode wel voldoende onderscheidend vermogen? En ten tweede: hoe zit het met de strijdigheid van de conclusie van Den Boer ten opzichte van de gereformeerde belijdenis?

Een kerkelijk probleem

Het viel te verwachten dat er uit de Christelijke Gereformeerde Kerken vragen en bezwaren hiermee zouden komen. Het curatorium, de toezichthouder van de TUA, moest zich over de zaak uitspreken. De dissertatie van Den Boer zou een historische studie zijn, waaruit zou volgen dat Arminius niet altijd recht is gedaan. Het gaat om een ‘historische constatering’ en niet om een ‘confessioneel-dogmatisch oordeel.’ Dr. Den Boer voegde er zelf aan toe dat hij duidelijk had moeten maken wat in zijn studie onder gereformeerd moest worden verstaan. De uitkomsten van de dissertatie betekenen niet dat Den Boer de standpunten van Arminius deelt. Opgemerkt wordt nog dat de remonstranten zich zeker tot in de negentiende eeuw gereformeerd noemden.

Ethisch

Nu ga ik terug naar het stukje over professor Lebram. Deze hoogleraar heeft de evangeliën onderzocht en is tot de wetenschappelijke conclusie gekomen, dat de verhalen over het lijden, sterven en opstanding van de Heere Jezus een geconstrueerd geheel zijn en niet werkelijk zo zijn gebeurd. Lebram staat achter zijn conclusies. En zo voelt hij zich als predikant ongelukkig in zijn gemeente, omdat hij daar iets moet preken wat volgens hem niet waar is. Lebram is vrijzinnig, maar wel consequent.

Nu neem ik even aan dat Lebram een wetenschappelijke studie heeft afgeleverd, waarin duidelijk wordt gemaakt dat het verhaal van het lijden, sterven en opstanding van de Heere Jezus historisch niet zo is gebeurd, volgens hem dus niet waar is. Maar, zegt deze hoogleraar dan: ik geloof wel in het lijden, sterven en de opstanding van de Heere Jezus. Dát is nu ethisch: wetenschap en geloof, als het ware op twee vlakken.

Dit is nu precies wat het curatorium — waarschijnlijk onbedoeld — doet in het geval van 2008. Het proefschrift is een ‘historische constatering’, geen ‘dogmatisch oordeel.’ Dr. Den Boer zou het ook niet eens (kunnen) zijn met zijn historische conclusie. Maar waarom publiceert hij het boek dan?

Op de synode van Dordrecht heeft in 1619 de gehele toenmalige gereformeerde wereld — behalve de Franse delegatie, die geen toestemming van de koning had om de synode bij te wonen — de leer van Arminius verworpen. En zou dat nú, op grond van een enkel criterium, de gerechtigheid, niet meer waar zijn? Is dat niet een beetje, wat de Grieken noemden ‘hubris’, overmoed jegens de heidense goden?

Nu neem ik aan dat elke medewerker van de TUA de Beknopte gereformeerde dogmatiek van de hoogleraren J. van Genderen en W.H. Velema heeft gelezen. Dan weet je toch van de gereformeerde hoed en de rand? Het is jammer dat genoemde dogmatiek niet in de literatuurlijst van de dissertatie van Den Boer is te vinden.

En verder

Het is duidelijk dat de ethische theologie meer om zich heen grijpt dan wordt gedacht. Men maakt zich er onwillekeurig schuldig aan. Meer daarover in een volgende bijdrage.

© Gereformeerd Venster. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de digitale nieuwsbrief Gereformeerd Venster. Abonneren kan via info@gereformeerdvenster.nl of www.gereformeerdvenster.nl. Een abonnee op deze nieuwsbrief is gratis!

Voetnoten