Home » 2024 » juni

Maandelijkse archieven: juni 2024

Geleden schade door Arien van Meerten tijdens het ‘Rampjaar 1672’

Het rampjaar 1672 staat in het geheugen van de Nederlanders gegrift. Een Nederlands gezegde luidt: ‘de regering radeloos, het volk redeloos en het land reddeloos’. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden werd van alle kanten aangevallen.1 De Betuwse inwoners leden een hoop schade ten gevolge van de Franse bezetting. Komen er ook nog ‘Van Meertens’ voor onder deze inwoners?

De Fransen trekken, samen met koning Lodewijk XIV, bij Lobith de Rijn over. Geschilderd door Adam Frans van der Meulen (1632-1690). Bron: Wikipedia.

Rampjaar 1672

Op 8 mei 2023 gaf Jan Hogendoorn een lezing voor de Historische Kring Kesteren en Omstreken over het Rampjaar 1672. Ben daar zelf niet geweest, dus kan over zijn lezing niets vertellen. In de aankondiging van zijn lezing in De Baron vallen twee zaken op. Allereerst de ernst van de geleden schade. Hogendoorn schrijft: “De ellende die de Fransen in 1672-1673 over het bezette gebied brachten, stelt de Duitse bezetting in de Tweede Wereld in de schaduw.”. Ten tweede de bewaard gebleven inwonerslijst met de schade per individu of gezin. Hogendoorn schrijft: “Gelukkig zijn van verschillende dorpspolders, zoals Ingen, Maurik, Meerten en Aalst lijsten bewaard gebleven met de schade die de inwoners geleden hadden ten gevolge van de Franse bezetting.2 Laatst kwam ik deze inwonerslijsten op het spoor. In die lijsten ben ik op zoek gegaan naar ‘Van Meertens’. Hieronder wordt dat uitgewerkt.

De schade van Arien van Meerten

In het document ‘Inwonerslijsten van 20 plaatsen in de Nederbetuwe 1634-1723’ getranscribeerd door de ‘Historische en genealogische werkgroep voor de Betuwe en Bommelerwaard’ vinden we vanaf pagina 50 de lijst met inwoners en hun geleden schade vanwege het Rampjaar 1672. Het document is te raadplegen via de website ‘Ons Voorgeslacht’.3 In de ‘Lijste waar naar de naarbestaande inwoonderen ende geerfdens van Ingen hebben aangebragt haare geleden schade ende interesse als volght’ wordt Arien van Meerten genoemd. Deze Arien is een tijdje ouderling geweest in de Nederduitsch Gereformeerde Gemeente te Ingen.4 Hij werd door de Fransen gevangen gezet. Zijn rantsoen bedroeg 133 gulden, 0 stuivers en 0 penningen. Arien heeft ook veel schade geleden vanwege ‘plonderinge van peerde, beesten, schapen, varkens, verdervinge van koorn, gewasschen ende berovinge van meubels, etc.’. Van hem hebben zij aan geld meegenomen 100 gulden, 0 stuivers en 0 penningen. De Fransen hebben van Arien ‘alles genomen wat hij hadde’, een schadepost van 525 guldens, 0 stuivers en 0 penningen. Daarnaast hebben de plunderaars veel koren ‘afgemayt’, bij elkaar een bedrag van 150 guldens, 0 stuivers en 0 penningen. Bij elkaar dus 775 guldens, 0 stuivers en 0 penningen. Testor Van Westrhenen heeft deze geleden schade in kaart gebracht en de lijst op 11 juli 1672 ondertekend.

Arbeider Jan van Meerten

De genoemde bron bevat nog één Van Meerten. Deze inwonerslijst heeft niets met de Franse bezetting van de Betuwe te maken. Voor de volledigheid wordt hij toch weergegeven. In de inwonerslijst van de ‘Heerlickheijt Lienden en Buerschappen Meerthen ende Aelst’ van 30 maart 1693 komt arbeider Jan van Meerten voor. Vermoedelijk was dit dezelfde als degene die getrouwd was met Marritje van ’t Hoof. Samen hadden ze ten minste vier kinderen: Klaas, Jan, Anneke en Engel. Mogelijk komen er meer ‘Van Meertens’ voor, maar omdat veel namen weergegeven zijn als ‘Claes Jansz.’ o.i.d. is dat nog niet duidelijk.

Voetnoten

Woensdag 26 juni 2024 D.V. conferentie ‘Zelfaanbidding als nieuwe religie’ in Lunteren

In Lunteren organiseert ‘Bijbels Beraad M/V’ aanstaande woensdag (26 juni 2024 D.V.) de conferentie ‘Zelfaanbidding als nieuwe religie’. Sprekers zijn onder andere dr. Sharon James, Päivi Räsänen en dr. Carl Trueman. De conferentie wordt georganiseerd in de Hersteld Hervormde Kerk te Lunteren (De Haverkamp 1, Lunteren). De Engelstalige lezingen worden in het Nederlands vertaald.1

De inloop is vanaf 09:30 uur en het programma start om 10:00 uur. Het programma gaat als volgt, er worden geen tijden gegeven.2 Daarom heb ik de bijdragen genummerd.

  1. Ds. A.J. van Wingerden (OGGiN) – Opening ochtendprogramma.
  2. Dr. C.R. Trueman – ‘Understanding the Strange New World’.
  3. Dr. B.A. Zuiddam – Reflectie en Q&A.
  4. Dr. S. James – ‘War of the Worldviews’.
  5. Ds. M. van Reenen (HHK) – Sluiting ochtendprogramma.
  6. Lunch.
  7. Dr. H.J. Agteresch (GG) – Opening middagprogramma.
  8. Dr. C.R. Trueman – ‘Living in the Strange New World’.
  9. Dr. M. Klaassen – Reflectie en Q&A.
  10. P. Räsänen – ‘The right and need to speak and believe’.
  11. Ds. O. Lohuis (Goed Nieuws Bediening) – Sluiting middagprogramma.

Avond van Geloofstoerusting

Dr. Carl R. Trueman is de volgende dag, donderdag 27 juni 2024 D.V., te gast op een jongerenavond van Geloofstoerusting. De avond vindt plaats in De Bron te Hardinxveld-Giessendam (Maasstraat 1). Titel van de lezing is dezelfde als die van zijn boek: ‘Leven in een vreemde nieuwe wereld’.3 Inloop is vanaf 19:15 uur. De avond zelf begint om 19:45 uur. De stichting geeft aan dat de komst van Trueman ook een aantal uitdagingen geeft. Want hoe volgen jongeren deze Engelstalige spreker? ‘De vertaling van de boodschap van Carl zal live beschikbaar komen als tekst op de beamer.’ Dat werkt volgens de woordvoerder van de stichting beter dan simultaan vertalen, voor diegene die het Engels wel begrijpt ‘is simultaan vertaling op het podium zelfs een beetje hinderlijk’.

Voetnoten

‘Mijn standpunten wijken niet af van het klassieke christendom’ – Speech van Päivi Räsänen te Gouda

De Helsinki Kathedraal in Helsinki (Finland). Bron: Pixabay.

Dames en heren,

Het is een groot genoegen en een eer om vandaag voor u te spreken.

Vrijheid is nooit meer dan één generatie verwijderd van uitsterven. We hebben het niet via de bloedbaan aan onze kinderen doorgegeven. We moeten ervoor vechten, het beschermen en het doorgeven zodat zij hetzelfde kunnen doen.

Deze wijze uitspraak werd ooit gedaan door de heer Ronald Reagan, een van de voormalige presidenten van de Verenigde Staten. Het betekent feitelijk dat de vrijheid kwetsbaar is. Als we onze vrijheden niet gebruiken, als we nu geen gebruik maken van ons recht om vrijuit te spreken, zal de ruimte om onze fundamentele rechten te gebruiken uiteindelijk nog kleiner worden.

Ik ben arts en ben al 29 jaar lid van het Finse parlement. Van 2004 tot 2015 was ik voorzitter van de Finse christen-democraten. Van 2011 tot 2015 was ik minister van Binnenlandse Zaken van Finland en tevens verantwoordelijk voor kerkelijke zaken. Daarnaast ben ik lid van de gemeenteraad, provincieraad en kerkenraad. Mijn man, die hier vandaag bij mij is, is doctor in de theologie en directeur van het Finse Lutheran Mission Bible College. In 2021 heeft de procureur-generaal van Finland drie afzonderlijke aanklachten tegen mij ingediend. Dit proces begon met een tweet die ik in juni 2019 maakte, waarin ik een vraag richtte aan de Evangelisch-Lutherse Kerk van Finland, die zich had aangemeld om officieel een Pride-evenement te steunen. De belangrijkste inhoud van mijn bericht was een foto van de verzen 24-27 van Romeinen hoofdstuk 1 van het Nieuwe Testament, waar apostel Paulus leert dat homoseksuele relaties zondig zijn. De andere aanklacht gaat over een oud pamflet dat een standpunt inneemt over seksualiteit en huwelijk vanuit christelijk perspectief, geschreven al in 2004. Ook werd bisschop Juhana Pohjola vervolgd omdat hij verantwoordelijk is voor het publiceren en beschikbaar stellen van het pamflet. Het voelde absurd om getuige te zijn van een bisschop die met een groot kruis om zijn nek werd vervolgd in de rechtszaal. De derde aanklacht gaat over mijn bijbelse opvattingen, gepresenteerd in een humoristisch radio-interview.

De standpunten waarvan ik ben beschuldigd wijken niet af van het zogenaamde klassieke christendom, noch wijkt mijn visie op het huwelijk af van het officiële beleid van de Evangelisch-Lutherse Kerk van Finland. Het indienen van de aanklacht werd voorafgegaan door anderhalf jaar politieonderzoek en verschillende lange politieverhoren, in totaal 13 uur. De situatie voelde onwerkelijk. Nog maar een paar jaar geleden had ik als minister van Binnenlandse Zaken de leiding over de politie en toen zat ik op het politiebureau ondervraagd te worden, met de Bijbel op tafel. Op sociale media was er een grap dat Päivi Räsänen opnieuw een bijbelstudie gaat houden op het politiebureau. De politie vroeg of ik ermee akkoord ging mijn geschriften binnen twee weken te verwijderen. Ik antwoordde nee, en dat ik achter deze leringen van de Bijbel sta, wat de gevolgen ook zijn.

De mogelijke straf voor het misdrijf etnische agitatie zou maximaal twee jaar gevangenisstraf of een boete zijn geweest. Volgens de Finse wet valt dit onder de sectie ‘oorlogsmisdaden’ van het wetboek van strafrecht. De wet was bedoeld om uitingen te voorkomen die tot etnisch geweld of zelfs genocide zouden kunnen leiden. Maar nu wordt de wet gebruikt om mijn toespraak te vervolgen. Een gevaarlijk probleem zou censuur zijn: een bevel om updates van sociale media te verwijderen of een verbod op posten. Die zin zou de sluizen openen voor een verbod op soortgelijke publicaties en de dreiging van moderne boekverbrandingen.

Samenvattend verklaarde de aanklager dat iedereen mag geloven wat hij wil en was het ermee eens dat het citeren van de Bijbel toegestaan is, maar er werd ook gezegd dat de vrijheid van meningsuiting beperkt moet worden in de uiterlijke uiting van religie. Daarom beweren ze dat het publiceren van mijn overtuigingen crimineel is. Ditzelfde soort beperkte begrip van godsdienstvrijheid kwam ik tegen toen ik als minister verantwoordelijk was voor kerkelijke zaken en een gesprek had met de Chinese minister die verantwoordelijk was voor religieuze zaken. Hij zei dat je in China wat dan ook voor jezelf kunt geloven, maar dat het noodzakelijk is om de vrijheid om je geloof te uiten te beperken als dit de spanningen in de samenleving vergroot.

In het openbaar heeft de procureur-generaal verklaard dat “hoewel Räsänen werd veroordeeld, dit niet betekent dat de bijbels uit de bibliotheken moeten worden verwijderd. Je kunt verwijzen naar de Bijbel, Koran of Mein Kampf, want het is niet verboden om over historische teksten te discussiëren. Maar wat essentieel is, is dat u het ermee eens bent.”De aanklager heeft de kernleer van het christelijk geloof als een offensief beschouwd. De aanklager accepteerde niet de Bijbelse visie op de mens dat de leer van de zonde de waardigheid van de mens niet aantast. Ieder mens is even waardevol, maar ook zondig en heeft de genade van Jezus nodig.

De rechtbank van Helsinki sprak unaniem en duidelijk vrij en sprak mij in 2022 vrij van alle drie de aanklachten. De uitspraak was wat ik had verwacht. Ik had gehoopt dat de aanklager genoegen zou nemen met deze uitspraak, maar de aanklager ging tegen de uitspraak in beroep bij het Hof van Beroep. Afgelopen november oordeelde het Hof van Beroep van Helsinki unaniem dat alle aanklachten tegen mij opnieuw waren afgewezen. De centrale punten van de duidelijke en beknopte uitspraak waren: de bedoeling van mijn geschriften en communicatie was niet om iemand te belasteren of zwart te maken, en ze bevatten ook niets illegaals. Dit was een overwinning voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst.

Opnieuw had ik gehoopt dat de aanklager tevreden was met de uitspraak van het Hof van Beroep. De procureur-generaal maakte echter bekend dat hij het Hooggerechtshof om toestemming zou vragen om in beroep te gaan tegen de unanieme vrijspraak van het Hof van Beroep. Deze beslissing heeft mij totaal verrast. In april, slechts een paar weken geleden, verleende het Hooggerechtshof de aanklager toestemming om in beroep te gaan. We weten nog niet wanneer het derde proces over mijn verklaring zal plaatsvinden.

Maar ik ben zelfverzekerd en kalm. Ik ben bereid om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid te blijven verdedigen, ook voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, omdat de kans bestaat dat de zaak daar uiteindelijk terecht zal komen.

In totaal vonden zes rechters van twee rechtbanken niets illegaals in mijn teksten, maar nu zal ik blijven strijden voor de vrijheid van meningsuiting voor het Hooggerechtshof. Ik kan dit alles alleen begrijpen vanuit het standpunt dat deze zaak een precedent is. Deze rechtszaak is historisch voor de vrijheid van meningsuiting en religie. Centraal in het proces staat de vraag of het toegestaan is de leer van de Bijbel te delen en er publiekelijk mee in te stemmen.

De vrijspraak door het Hooggerechtshof zou een sterker juridisch precedent scheppen op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en godsdienst vergeleken met de uitspraken van de lagere rechtbanken. Dit zou als juridische leidraad kunnen dienen voor eventuele soortgelijke zaken in de toekomst. De uitspraak van het Hooggerechtshof zou een aanzienlijke impact hebben op de wetgeving in Europa. Het zou ook de vrijheid van christenen om over de Bijbelse leringen te spreken sterker waarborgen.

Lieve vrienden,

De grote internationale belangstelling voor mijn rechtszaak komt voort uit de zorg dat als dit soort ter discussie stellen van de vrijheid van meningsuiting mogelijk is in een land als Finland, dat lange wortels heeft in de christelijke cultuur en waarden en internationaal een goede reputatie heeft op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, hetzelfde overal mogelijk is. Het Finse strafrechtsysteem en de wetten tegen opruiing zijn vergelijkbaar met die van de meeste andere landen in Europa.

De meeste Europese landen streven actief naar meer censuur. Tegenwoordig is het politiek incorrect om iets negatiefs te zeggen over bijvoorbeeld genderideologie of om de mensenrechten van ongeboren baby’s te verdedigen. Ondanks dat ze geen basis hebben in het internationaal recht, hebben alle lidstaten van de Europese Unie vage en subjectieve ‘haatzaaiings’-wetten. Deze wetten kunnen, met de juiste politie en aanklager, gemakkelijk worden ingezet tegen vrijwel iedere persoon en iedere vorm van meningsuiting. De verkiezingen voor het Europees Parlement komen nu dichterbij en het is belangrijk dat we de vrijheid van meningsuiting op Europees niveau verdedigen.

George Orwell, die tijdens de Spaanse Burgeroorlog de kant van de communisten koos, raakte gedesillusioneerd en werd vervolgens een hartstochtelijk criticus van het communisme. Orwell gebruikte de term ‘Newspeak’ in zijn dystopische roman ‘1984’ voor communistische taalbeheersing. Newspeak in ‘1984’ was voor de partij een manier om controle te krijgen over de mensen in het fictieve ‘Oceanië’. Kort gezegd was ‘Nieuwspraak’ de taal die door de partij werd geëist en in de samenleving werd ingeprent. Het voorkwam dat Oceaniërs enige ‘gedachtemisdaad’ tegen de partij zouden begaan. Mensen hadden geen woorden om te beschrijven hoe ze denken of voelen en werden daarom gecontroleerd.

Het loutere feit dat er een proces gaande is, zelfs zonder veroordeling, heeft een beperkend effect op de vrijheid van meningsuiting. Maar te midden van al deze uitdagingen waarmee we worden geconfronteerd, moeten we begrijpen dat het internationale recht een robuust raamwerk biedt voor de vrijheid van meningsuiting en aan onze kant staat.

De kernwaarden van de Bijbel en de christelijke kijk op de mens worden momenteel in onze samenlevingen sterk in twijfel getrokken. De verschuiving van een samenleving die het bidden waardeert en het christendom omarmt naar een meer liberale en seculiere samenleving heeft in relatief korte tijd plaatsgevonden. De breuk met het christelijke wereldbeeld is zichtbaar, of we nu denken aan de bescherming van het leven aan het begin of aan het einde van het leven, of aan de verdediging van het huwelijk als een verbintenis tussen man en vrouw. Als we een stukje terug in de tijd gaan, had ik niet kunnen bedenken dat ik op een dag in een rechtszaal zou moeten staan om mijn geloof te verdedigen op basis van de Bijbel. Als iemand had gevraagd hoeveel geslachten er bestaan op het moment dat ik mijn carrière als parlementslid begon, zouden mensen de vraagsteller behoorlijk dom hebben gevonden.

De vrijheid van meningsuiting is een van de meest fundamentele vrijheden en is prominent aanwezig in alle belangrijke mensenrechtenverdragen en nationale grondwetten. De bescherming van deze fundamentele vrijheid vindt zijn oorsprong in artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten beschermt eveneens de vrijheid van meningsuiting. En op regionaal niveau beschermt artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht op vrijheid van meningsuiting, net als artikel 11 van het EU-Handvest.

In het Hof heb ik een beroep gedaan op de grondwet van Finland en op deze internationale verdragen die de vrijheid van meningsuiting en religie garanderen. Deze rechten worden bedreigd als mensen er geen gebruik meer van maken. Het bestaan en het belang van mensenrechten wordt breed onderschreven in de westerse samenlevingen. Er wordt aangenomen dat deze rechten universeel zijn, wat betekent dat ze aan ieder mens toebehoren.

Zogenaamde wetten tegen haatzaaien verkleinen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en creëren een huiveringwekkend effect op een verscheidenheid aan belangrijke gesprekken. Het criminaliseren van uitlatingen door middel van ‘haatzaaiende wetten’ legt belangrijke publieke debatten stil en vormt een ernstige bedreiging voor onze democratieën. We moeten het oneens kunnen zijn en omgaan met uitspraken die onze gevoelens beledigt. Veel vragen zijn zo discutabel en tegenstrijdig dat we de mogelijkheid moeten hebben om erover te discussiëren.

Wij christenen moeten de mogelijkheid en het recht hebben om het met de Bijbel eens te zijn en ons geloof publiekelijk te belijden. Ik heb ook benadrukt dat u het niet met mijn standpunten eens hoeft te zijn om de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst te verdedigen. Juist als we het niet eens zijn, hebben we vrijheid van meningsuiting nodig. Ik wil u aanmoedigen om uw fundamentele vrijheden en rechten in het openbaar te gebruiken.

Ik heb het als een voorrecht en een eer beschouwd om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen, wat een fundamenteel recht is in een democratische staat. Tijdens deze beproeving heb ik gedurende deze tijd heel concreet de kracht van het gebed namens mij en Finland gevoeld. Ik ben bemoedigd door de duizenden berichten die ik heb ontvangen uit Finland en het buitenland, waarin mensen vertelden hoe God hen door deze zaak heeft aangemoedigd om te bidden en op Gods woord te vertrouwen. Ik vertrouw erop dat het hele proces in Gods handen ligt en dat dit allemaal een doel heeft. Dit heeft een prachtige gelegenheid geopend om de boodschap van het Evangelie in de rechtszaal te brengen.

Ik wil in het bijzonder mijn dank uitspreken voor de duizenden bemoedigingen die ik van het Nederlandse volk heb ontvangen. Henk Jan van Schothorst van Christian Council International vloog helemaal van Nederland naar Helsinki om mij de namen te overhandigen van alle lieve mensen die mij steunden tijdens mijn proces. Ik ben door dit alles diep geraakt en ben dankbaar voor de steun.

Hartelijk dank voor uw aandacht en God zegene u allen!

Deze lezing werd op 3 mei 2024 te Gouda gehouden door Päivi Räsänen gehouden. Haar speech werd door Christian Council International vertaald in het Nederlands. Dit was een avond van Christian Council International in samenwerking met de SGP. Deze avond is hier terug te kijken.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van Christian Council International. Het originele artikel is hier te vinden.

Hoe kregen wij de Bijbel? – Bespreking van ‘Scribes and Scripture’

John D. Meade en Peter J. Gurry, die beide verbonden zijn aan het ‘Text and Canon Institute’ van Phoenix Seminary, schreven een studie over de Bijbel met drie aandachtsgebieden: het schrijven en kopiëren van de Bijbel, de canonisering van de Bijbel en de vertaling van de Bijbel. De auteurs doen echt recht aan alle drie de genoemde aspecten en laten zien dat wie vanuit de Bijbelvertaling die hij leest, een antwoord zoekt op de vraag naar het ontstaan van de Bijbel, geconfronteerd wordt met een geschiedenis die tal van aspecten heeft. Liberale theologen hebben deze complexiteit aangegrepen om de betrouwbaarheid van de Schrift ter discussie te stellen. Meade en Gurry laten overtuigend zien dat daarvoor geen reden is, maar dat wij wel voor een simplistische voorstelling van zaken bewaard moeten blijven.

De tekst van het Oude en het Nieuwe Testament

De boeken van het Oude Testament werden aanvankelijk in paleo-Hebreeuws schrift overgeschreven. Al een aantal eeuwen vóór Chr. ging men over op het kwadraatschrift. Heel belangrijk is ongetwijfeld de tempelbibliotheek geweest. In de tempel werden niet alleen offers gebracht maar ook (bijbel)boeken overgeschreven. Boeken konden óf op de letter nauwkeurig worden overgeschreven óf er konden aanpassingen in bijvoorbeeld spelling worden gedaan. Na de val van de Tweede Tempel zien we dat alleen de eerste wijze van overschrijven, werd gehandhaafd.

De vondst van de Dode-Zeerollen bevestigde hoezeer de zogenaamde Masoretische tektst nauwkeurig was overgeschreven, al geven die in een enkel geval ook aanleiding tot correctie. De bewuste vondst maakte ook duidelijk dat er naast de pro-masoretische tekst van het Oude Testament, ook tekstoverleveringen waren die daarvan afweken.

De onderling verschillen tussen de handschriften van het Nieuwe Testament zijn groter dan die van het Oude Testament. Dat heeft mede te maken dat de christelijke kerk geen centrale instantie had als de Tweede Tempel. De verschillen tussen de handschriften moeten wel in de juiste proporties worden gezien. Al die verschillen hoeven nergens tot twijfel over de boodschap van het Nieuwe Testament te leiden. Welk handschrift je ook volgt – ook als het gebreken vertoont – je wordt met dezelfde boodschap van zaligheid in Christus als enige Zaligmaker Die God bleef en mens werd, geconfronteerd.

De canon van het Oude Testament

Meade en Gurry laten zien dat er alle reden is aan te nemen dat het Jodendom al rond het begin van de christelijke jaartelling een gesloten canon had. Al vóór het begin van de christelijke jaartelling waren de boeken van het Oude Testament al in het Grieks vertaald. Deze vertaling staat bekend als de Septuaginta. In de codices van de Septuaginta die vanaf de tweede eeuw na Chr. binnen de christelijke kerk werden overgeschreven, werden buiten de boeken die wij als de canonieke boeken van het Oude Testament kennen, ook andere boeken opgenomen. Boeken die de protestanten kennen als de apocriefe boeken en rooms-katholieken als deutero-canonieke boeken.

Terecht stellen Meade en Gurry dat uit het feit dat deze boeken in één handschrift voorkwamen met boeken die wij als canoniek kennen, op zich nog niet tot de conclusie mag leiden dat de lezers van dit handschrift niet wisten van een verschil in gezag.

In de vierde eeuw na Christus heeft de kerkvader Athanasius in zijn paasbrief van 361 de canonieke Bijbelboeken onderscheiden van boeken die dat niet zijn, al kunnen zij tot stichting worden gelezen. Tot deze categorie rekent hij de boeken die wij als apocrief kennen en ook het Bijbelboek Esther, dat voor hem dus niet voluit canoniek is. Athanasius kent nog een derde categorie en daarvoor gebruikt hij het woord apocrief. Hij geeft dan geen uitdrukkelijke opsomming maar duidelijk is dat hij gedacht heeft aan boeken als 1 Henoch en de testamenten van de patriarchen. Tegenover deze boeken neemt hij een gereserveerde houding aan.

Onder de kerkvaders maakte Augustinus feitelijk geen verschil tussen de canonieke en apocriefe boeken. Hiëronymus deed dat juist wel heel nadrukkelijk. Het concilie van Trente koos hier nadrukkelijk voor Augustinus en de Reformatie volgde de lijn van Hiëronymus. In de zestiende eeuw gebruikte de rooms-katholieke theoloog Sixtus van Siena voor het eerst het woord deutero-canoniek.

Met ‘deutero’ wordt bedoeld, zo gaf hij aan, dat deze boeken pas na de andere als canoniek werden gezien. Hun gezag is er niet minder om. Tegenwoordig vullen rooms-katholieke theologen deutero-canoniek veelal zo in dat deze boeken alleen in afgeleide zin canoniek zijn. Dus niet puur een tijdsvolgorde van erkenning maar ook een rangorde.

Wel kwamen aanvankelijk ook in de protestantse Bijbelvertalingen de apocriefe Bijbelboeken voor. Deze werden of na de canonieke boeken van het Oude Testament geplaatst of, zoals in de Statenvertaling, na de boeken van het Nieuwe Testament. Aangegeven werd dat deze boeken niet van hetzelfde gehalte waren als de canonieke Bijbelboeken maar toch met stichting gelezen konden worden.

De gewoonte om de apocriefe Bijbelboeken op te nemen in een Bijbelvertaling is in het protestantisme verdwenen. Drukkers gingen uitgaven van vertalingen drukken zonder de apocriefe boeken. Trouwens, terwijl de Nederlandse Geloofsbelijdenis nog een opsomming geeft van de apocriefe boeken, schenkt de Westminster Confession of Faith aan deze boeken geen enkele aandacht.

De canon van het Nieuwe Testament

Als het gaat om de canon van het Nieuwe Testament laten Meade en Gurry zien dat de contouren ervan al in de tweede eeuw zichtbaar werden. Nooit heeft de kerk minder dan vier evangeliën als canoniek aanvaard en nooit meer dan vier. Dat laatste wordt betwijfeld in de door David Brown geschreven roman De Da Vinci Code. Oorspronkelijk zouden evangeliën die wij als apocriefe evangeliën kennen ook een plaats hebben gehad in de kerk. Echter, het is duidelijk dat deze evangeliën zowel een volstrekt ander karakter hebben dan de vier canonieke evangeliën en ook van veel latere datum zijn.

Een boek als de Herder van Hermas werd in grote delen van de Vroege Kerk minstens zo intensief overgeschreven en ook gelezen als de nieuwtestamentische Bijbelboeken. Dat het niet in de canon kwam, had vooral als reden dat het boek zelf geen apostolische oorsprong claimde en aangaf van later tijd te zijn.

Over een aantal boeken die tenslotte in de canon kwamen, bestond lange tijd geen algemene eenstemmigheid. Dat gold 2 en 3 Johannes, 2 Petrus, Judas, Jacobus, Hebreeën en Openbaring. Luther en ook Tyndale plaatsten in hun vertaling Hebreeën, Judas, Jacobus en Openbaring na de andere boeken van het Nieuwe Testament. Zij wilden daarmee aangeven dat deze boeken ondergeschikt waren aan andere Bijbelboeken. Overigens heeft deze zienswijze zich niet doorgezet in het protestantisme. De Oosterse Kerk heeft altijd een zekere reserve gehouden ten opzichte van het boek Openbaring, ook al erkende zij het als canoniek. Het kreeg geen plaats onder de Schriftlezingen in de liturgie.

Bijbelvertalingen in de Vroege Kerk en de Middeleeuwen

Naast de Septuaginta verschenen al vroeg andere Bijbelvertalingen en dan niet alleen van het Oude Testament maar ook van het Nieuwe Testament. De oude Latijnse vertaling gebruikte voor het Oude Testament de Septuaginta als uitgangspunt. Hiëronymus vertaalde vanuit het Hebreeuws. Zijn Bijbelvertaling werd bekend als de Vulgata.

In de Middeleeuwen werden in ieder geval delen uit de Bijbel – en dan moeten we vooral aan de evangeliën en de Psalmen denken – in de landstalen vertaald. Wycliffe en zijn medewerkers vertaalde de gehele Bijbel vanuit het Latijn in het Engels. Dat de kerkelijke leiding in Engeland deze Bijbelvertaling afkeurde stond niet los van de kritiek van Wycliffe op de kerk en op de paus. Hij betwistte het pauselijk gezag over de kerk.

Onjuist is de gedachte die wel binnen het protestantisme leeft, dat Rome categorisch het vertalen van de Bijbel in de landstalen en het lezen ervan door leken afwees. Hoe dan ook werden vertalingen die niet kerkelijk waren goedgekeurd afgewezen.

De geschiedenis van de Engelse Bijbelvertalingen

Meade en Gurry gaan ook in op de geschiedenis van de Engelse Bijbelvertalingen. Een geschiedenis die zijn verleden had in Bijbelvertalingen voorafgaand aan de King James Version en Bijbelvertalingen die erop zijn gevolgd. Zeker is dat de King James Version een positie heeft onder de Engelse Bijbelvertalingen die alle andere vertalingen overtreft. Geen vertaling zal zich daarmee ooit kunnen meten. Nog altijd behoort de King James Version tot de Bijbelvertalingen die het meest worden gelezen.

William Tyndale vertaalde als eerste de Bijbel vanuit de brontalen in het Engels. Nog voordat hij zijn werk had voltooid, vond hij de marteldood. Anderen zetten zijn werk voort, maar niet altijd met de brontekst als uitgangspunt. De Geneva-Bible was de eerste Bjibelvertaling die geheel uit de brontekst was vertaald. Ook na de publicatie van de King James Version bleef deze vertaling nog vele decennia onder puriteinen populair.

Zo’n tachtig procent van de vertaling van Tyndale kwam terug in latere vertalingen waaronder de King James Version. Meade en Gurry wijzen erop dat het woord ‘atonement’ een woord is dat Tyndale heeft bedacht. Welbewust vertaalde hij ‘ecclesia’ met ‘congregation’ en ‘agapè’ met ‘love’. Hier volgt de King James Version Tyndale niet. De vertalers werden ertoe verplicht ‘ecclesia’ met ‘church’ te vertalen en ‘agapè’ met ‘charity’.

Vanaf de negentiende eeuw zien we een veelheid van Bijbelvertalingen ontstaan. Dat had te maken met de ontwikkeling van de taal als met het feit dat men voor het Nieuwe Testament andere handschriften wilde gebruiken dan tot dusver het geval was geweest. De aard van de vertalingen verschilt. Er zijn heel letterlijke vertalingen tot vertalingen die vooral de zin van wat is geschreven willen weergeven. Terecht benadrukken Meade en Gurry dat een Bijbelvertaling moet weergeven wat er in de brontekst staat en men niet omdat dit schuurt met eigen opvattingen gaat weergeven op een wijze die geen recht doet aan het origineel.

Hun boek eindigt met een pleidooi de Bijbel niet ongelezen te laten. Zij vertellen van een predikant die als jongen te arm was een Bijbel te kopen. Losse pagina’s van de Bijbel die hij in handen kreeg, leerde hij uit zijn hoofd en lijmde hij aan elkaar. Twee jaar na zijn bekering kreeg hij voor het eerst een complete Bijbel.

Meade en Gurry wijzen op Gods voorzienige leiding in het ontstaan van de Bijbel en de bewaring ervan de eeuwen door. Ook het feit dat de Bijbel vertaalt wordt in talen die mensen dagelijks gebruiken, mogen we als een teken van Gods goedheid zien. God wil dat iedereen in zijn eigen taal Zijn Woorden kan horen en lezen.
Er waren wel geestelijken die afwijzend stonden tegen Bijbelvertalingen in de landstalen en het lezen ervan door leken. Dat gold onder andere voor de kardinaal Robertus Bellemarminus. Een van zijn argumenten was dat als men ertoe overging de Bijbel in de landstalen te vertalen, er om de zoveel tijd nieuwe vertalingen moesten worden gemaakt. Omdat levende talen zich ontwikkelen. Daarom wilde hij het houden bij de Vulgata. Het Latijn als kerktaal kende immers geen echte ontwikkeling meer.

Het concilie van Trente wees niet het vertalen van de Bijbel van de hand. Wel kreeg de Vulgata het primaat. Men ging niet mee met de Reformatoren dat de brontekst primair was. In de twintigste eeuw kwamen er ook met goedkeuring van Rome Bijbelvertalingen die de brontekst als uitgangspunt hadden. Hier is het verschil tussen Rome en de Reformatie verdwenen.

N.a.v.: John D. Meade en Peter J. Gurry, Scribes and Scripture: The Amazing Story of How We Got the Bible (Wheaton: Crossway Books, 2022).

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

‘Als er geen eerbied is voor God en Zijn Woord gaat het wezenlijk mis’ – Schriftgezag en Schriftbeschouwing op het CGK-convent van 20 april 2024

Vandaag zal de eerste zitting van de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken plaatsvinden. Verschillende mensen kijken met enige spanning naar deze synode, vanwege belangrijke kwesties die er besproken worden. Omdat de kwestie ‘vrouw in het ambt’ een kerkelijke en ambtelijke zaak is, laat ik dat hier over het algemeen rusten. Wel wil ik kijken naar het Schriftgezag en de Schriftbeschouwing binnen de CGK. Daarvoor vat ik een recent panelgesprek over dit thema hieronder samen. Dit panelgesprek vond plaats op het CGK-convent. Deelnemers waren drs. F.W. (Florimco) van der Rhee, dr. B.A.T. (Arjan) Witzier, dr. C.P. (Pieter) de Boer en prof. dr. H.G.L. (Eric) Peels. Het panelgesprek stond onder leiding van drs. S.P. (Peter) Roosendaal. Hieronder een uitgebreide weergave van de paneldiscussie, met in de voetnoten enkele annotaties van mijn hand.1

Donkere wolken pakken zich samen boven de CGK. In de paneldiscussie willen ze de Schrift hooghouden. Over het ‘hoe’ daarvan verschilt men van inzicht. Bron: Pixabay.

De discussieleider, drs. S.P. (Peter) Roosendaal geeft aan dat het goed is om elkaar in deze setting te ontmoeten. Roosendaal heet ook de panelleden van harte welkom. De predikant van Lelystad geeft aan dat vanuit de Bijbel de Stem van de Levende God ons tegemoetkomt. Met het woord Schriftgezag bedoelen we, in de woorden van de discussieleider, ‘dat de Bijbel van kaft-tot-kaft zeggenschap heeft, autoriteit heeft, heerschappij heeft over ons leven. Dat we ons daaraan gewonnen geven.’2 In de huidige discussie rond thema’s die verdeeldheid geven klinkt het verwijt dat degene die wat rekkelijker is met deze thema’s ‘morrelt aan het Schriftgezag’.

Morrelen aan het Schriftgezag

Roosendaal vraagt aan dr. C.P. (Pieter) de Boer of er binnen de CGK een Bijbelgetrouw en een Bijbelongetrouw deel is. De Boer memoreert allereerst dat hij leerling is (geweest) van prof. Peels. Deze discussie was toen (in 1995) ook al aan de gang. In die tijd werd De Boer ook onderwezen in het verstaan en het uitleggen van de Schrift. Prof. Peels hield toen een lezing over de ‘Vrouw in het Ambt’ en gaf toen (in 1996) aan dat er op grond van exegese van de Schriften geen ruimte is voor vrouwelijke ambtsdragers. De hoogleraar gaf toen aan dat hij zou blijven bij deze visie totdat het tegendeel uit de Schrift zou blijken. De normativiteit van de apostolische uitspraken is gegrond en het is zeer belangrijk dat de Schriftgegevens worden verdisconteerd. De Boer constateert dat er in die dertig jaar tijd, die we nu verder zijn, het nodige is veranderd. ‘In ieder geval in het verstaan en het uitleggen van de Schrift’. Het raakt niet alleen vrouw in het ambt, maar ook andere thema’s. In de ogen van De Boer zijn dat ‘fundamentele thema’s. In de huidige discussie zijn de kwalificaties van Bijbelgetrouw of Bijbelongetrouw ‘te goedkoop’, zo geeft De Boer aan. De intentie van De Boer is veeleer: ‘hoe krijgen we elkaar weer bij de Schrift’. De predikant van Renswoude geeft aan dat wanneer er met dergelijke termen wordt gestrooid, men elkaar al kwijt is.

Intenser lezen

Roosendaal vraagt aan prof. dr H.G.L. (Eric) Peels, die al sprekende is ingevoerd, of hij op dit punt de Schrift anders is gaan verstaan of dat de Schrift minder helder is dan altijd gedacht. Peels geeft aan dat hij ten tijde van het houden van de lezing net drie jaar hoogleraar was. Gekscherend: ‘Ik moest nog veel leren, toen’. De hoogleraar gaf aan dat hij voor, datgene wat De Boer voorlas, toen wel degelijk stond. Op basis van hoe hij toen de Schrift las, meende hij te kunnen zeggen wat er toen gezegd is. Peels meent ook dat er hele goede redenen zijn voor de klassieke ambten. Maar… na 1996 ging het leven verder en heeft Peels zijn hele verdere leven steeds nauwkeuriger en langer proberen te luisteren naar wat de Schrift te zeggen heeft. In dat ‘traject’ zijn sommige dingen de hoogleraar steeds duidelijker geworden, andere zaken, waar de hoogleraar eerst een duidelijke mening over had, leerde hij te nuanceren. Peels ziet het niet als de Bijbel anders lezen, maar de Bijbel intenser en eerlijker lezen. Daar hoort bij dat Bijbelteksten niet overvraagd moeten worden. Zijn mening is daarom op dit punt bijgesteld. Peels memoreert aan de synode van 1998, waar het minderheidsrapport inzake de vrouw in het ambt veroordeeld dreigde te worden als Schriftontrouw of Schriftkritisch. De hoogleraren vanuit de TUA hebben toen de synode geadviseerd om te luisteren (in de zin van ‘volgen van’) naar de argumenten van de meerderheidscommissie, maar het minderheidsrapport niet als Schriftkritisch te bestempelen. Peels zou de lezing van toen pertinent niet meer zó verwoorden, maar blijft wel respect hebben voor diegenen die een dergelijk standpunt wél huldigen. Dat respect geldt ook voor mensen die een tegengesteld standpunt hebben.3

De helderheid van de Schrift

Vanuit de Reformatie wordt de helderheid (claritas) van de Schrift beleden. Drs. Roosendaal, de panelleider, vraagt aan dr. B.A.T. (Arjan) Witzier4 of de Schrift, nu er zoveel vragen liggen, juist niet onhelder is (geworden). Witzier geeft aan dat christenen aan de helderheid van de Schrift moeten blijven vasthouden. Zeker als het om het fundament van het christelijk geloof gaat: de Heere Jezus Christus. De Bijbel is echter niet op alle onderdelen, voor iedereen, gelijk te verstaan. ‘We hebben niet voor niets hele boekenkasten vol met commentaren’. Er moet, volgens de predikant uit Apeldoorn, rekening gehouden worden met de verschillende leeswijzen van en connecties tussen gedeelten in de Bijbel. De Bijbel is helder als het gaat om de soteriologie, maar op veel punten vraagt het soms wat méér studie. Bij die zoektocht naar de betekenis voor vandaag hebben we, volgens Witzier, elkaar nodig. Dat de Heilige Geest Zijn verlichting geeft gaat niet alleen rechtstreeks, maar ook door middel van anderen. Roosendaal wijst op de verschillende leesbrillen en vraagt Witzier hoe het zit met de verhouding is tussen die leesbrillen én het werk van de Heilige Geest. Witzier signaleert dat onze bril behoorlijk vertroebelt is5, en dat we de verlichting van de Heilige Geest nodig hebben. De Geest heeft niet één manier van werking. ‘Hij verlicht mensen, ieder in zijn eigen plaats, tijd en cultuur, en dat heeft invloed op het verstaan’. Daardoor krijgt de Schriftuitleg op verschillende plaatsen andere accenten en nuances.

“Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet, Mijn pad ten licht, om ‘t donker op te klaren.” (Psalm 119:53, ber. 1773) Volgens dr. Arjan Witzier geeft de Heilige Geest Zijn verlichting niet alleen rechtstreeks, maar ook door middel van anderen. Bron: Pixabay.

Eerbied

Roosendaal bevraagt daarna drs. F.W. (Florimco) van der Rhee op liturgie en prediking. De predikant uit Veenendaal geeft aan dat de betrouwbaarheid van Gods Woord zich bewijst in een gelovige omgeving. ‘Als er geen eerbied is voor het Woord en voor de God van het Woord dan gaat het wezenlijk mis’ Prof. Peels wordt eveneens bevraagd op liturgie en prediking binnen de CGK. Hij geeft aan dat als het Woord opengaat de verschillen vaak wegvallen. Daarna wordt de zaal erbij geroepen en worden de deelnemers gevraagd om te reageren op de stelling: ‘In elke CGK is de prediking Bijbelgetrouw’.

Voertuig

De Bijbel komt allereerst tot ons, maar wij gaan ook met onze vragen naar de Bijbel toe. Panelvoorzitter Roosendaal vraagt aan dr. C.P. (Pieter) de Boer of de Heilige Geest de cultuur kan gebruiken ‘als voertuig om onze aandacht te richten op delen van de Schrift die we eerder niet zo gezien hebben’. De Boer geeft aan dat dit zeker kan, en ook in de kerkgeschiedenis tot op het heden zien we dat gebeuren. De predikant van Renswoude wil de vraag dichter bij huis halen. Hij memoreert aan een kerkdienst van tien jaar geleden, in zijn eigen gemeente (Urk-Maranatha). In die gemeente gaat de ene dienst de eigen predikant voor en in de andere dienst een gastpredikant. Dat was tien jaar geleden ook zo, en als gastpredikant was prof. dr. H.G.L. (Eric) Peels uitgenodigd. Hoewel De Boer niet aanwezig was, zou hij die preek nooit meer vergeten. Het leverde namelijk een hermeneutische discussie op Urk op. Het ging over tutoyeren, maar het Urker dialect kent helemaal geen ‘u’. Een grotere hermeneutische discussie leverde het verschijnen van de studie ‘En God zag dat het goed was’ op. In 2019 verscheen deze studie over de discussie schepping en evolutie. In het boek werden forse uitspraken gedaan. In het Reformatorisch Dagblad verscheen recensie van de hand van prof. dr. Marc de Vries.6 Een aantal CGK’ers hebben aan deze studie een bijdrage geleverd, het doel is het lezen en verstaan van Genesis.7 Volgens De Boer is dit óók een van de punten die onder deze dag liggen. In het artikel, van Peels, wordt een brug geslagen tussen het lezen van Genesis 1 als Woord van God en het evolutionisme8, zoals deze ‘op dit moment in onze cultuur domineert’. Er wordt ook door de andere CGK-auteurs gezocht naar een integratie tussen die twee. De Boer meent zelf dat hier de cultuur gebruikt wordt als een tegenover van de Schrift. De predikant wijst erop dat we op dit moment in de Westerse wetenschap een dominerend denken zien vanuit het evolutionisme.9 Dit heeft, volgens De Boer, de kerken ‘meer dan ooit heeft bewust gemaakt hoe belangrijk het is om vanuit de Schrift en ook in de lijn met de confessie (Zondag 9 en 10 van de Heidelberger Catechismus, artikel 14 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis) kerk te zijn in rapport met deze tijd.’10 In Genesis 1 en 2 gaat het ook om de lijnen man en vrouw. Genesis 2 is in de huidige discussie van enorm belang (niet alleen vrouw-in-het-ambt maar ook rond LHBTI+). De Boer: ‘Fundamentele Schriftgegevens aanlevert om in deze tijd vorm te geven aan onze Christelijke identiteit. Niet alleen in de kerk, en de regering van de kerk (de ambten), maar ook als we spreken over het huwelijk, seksuele oriëntatie en identiteit. Op het moment dat je Genesis 1 en 2 zo gaat lezen dat die hoofdstukken wel gelezen worden als een essentie, waar in essentie beschreven wordt hoe God de wereld tot stand heeft gebracht, maar niet meer gelezen wordt als een historisch chronologisch verslag van de schepping dan lees je de Schrift anders dan dat die tot voor kort in de breedte van onze kerken gelezen werd.’

Wezenlijke zaken

Eeuwenlang zijn de eerste hoofdstukken van Genesis op een bepaalde manier verstaan. Ook Paulus citeert uit deze hoofdstukken als hij het heeft over mannelijk en vrouwelijk. Drs. Roosendaal bevraagt prof. dr. H.G.L. (Eric) Peels hierop. De hoogleraar reageert, voordat hij op dit punt ingaat, eerst op wat De Boer zei. Hij geeft gekscherend aan dat De Boer op een bepaalde manier altijd zijn leerling is gebleven, want kennelijk volgt de Renswoudense predikant hem op de voet. Peels vraagt hem dan wel nauwkeurig te lezen wat er geschreven wordt. De hoogleraar wil pertinent niet een brug slaan tussen de tekst van Genesis en het evolutionisme.11 In het artikel wilde Peels juist aangeven dat ‘het biblicisme en het creationisme het niet houden tegenover de wetenschap van de evolutieleer en dat wij een weg nodig hebben om ons tegen dat evolutionisme te verzetten en ondertussen de Schriften te lezen zoals zij zich presenteren.’12 Peels: ‘Dat is totaal iets anders dan een harmoniseren van ons Schriftlezen met een evolutionistische wetenschap’. Peels ziet betreffende de man-vrouw-verhoudingen ontzettend veel rijkdom in Genesis. In Genesis staan daar ‘uitermate wezenlijke zaken over’. Echter, volgens Peels, moeten wij wat er staat in Genesis ‘niet onder een stolp zetten van een obligaat letterlijk historisch chronologisch lezen. Want dat is dan wel een leesbril die je aan de Bijbel oplegt’.13 Volgens de hoogleraar moeten wij de Bijbel lezen zoals deze zich presenteert. Met vragen zoals ‘Wat is dit voor een soort tekst?’ en ‘Wat wordt ons hier gezegd?’ De geleerde geeft aan dat Genesis 1 allerlei signalen geeft dat die tekst zo ‘oneindig veel meer wil zeggen dan historisch-chronologisch’. ‘Dat past in ons modern post-Verlichtingsdenken prima, maar de Bijbel zegt ons zo oneindeloos14 veel meer.15 Dat geldt voor de hoogleraar ook inzake de man-vrouw-verhouding. Roosendaal geeft aan dat het sinds de jaren ’60 wel heel hard gaat in onze opvattingen over seksualiteit en alles wat daarmee samenhangt. De panelleider vraagt zich af of we niet het gevaar lopen dat we de Bijbel willen laten zeggen wat ons goed uitkomt. ‘Het gevaar dat de cultuur onze exegese compleet gaat bepalen’. Peels begrijpt dat en geeft aan dat je dat risico in alle culturen loopt. De hoogleraar waarschuwt er wel voor dat de cultuur niet hetzelfde is als de tijdgeest. Binnen een cultuur heb je goede en minder goede aspecten. De geleerde ziet slechte zaken in onze cultuur, zoals ‘het doorgeslagen gelijkheiddenken’, ‘het hyperindividualisme’ en ‘het consumentisme’. ‘We dreigen zomaar de Bijbel daaraan te muilkorven, maar dat is niet de bedoeling.’ Het kan zo zijn, beaamt de hoogleraar, dat bepaalde zaken uit onze cultuur ons dwingen om de Schrift opnieuw te lezen.

Drs. Peter Roosendaal vraagt tijdens de paneldiscussie aan dr. Arjan Witzier op welke manier de Heilige Geest ons bij de hand wil nemen in het Schriftverstaan. Bron: Pixabay.

Bij de hand nemen

Roosendaal geeft aan dat wij tot over onze oren in de cultuur zitten. Hij vraagt aan dr. B.A.T. (Arjan) Witzier op welke manier de Heilige Geest ons bij de hand wil nemen. Witzier: ‘De Geest doet dat op verschillende manieren. De cultuur kan een gevaar zijn, de cultuur kan ons helpen om de Schrift op een nieuwe manier te lezen en nieuwe lijnen erin te ontdekken die er eerder niet in gezien zijn.’ Er is ook een keerzijde, namelijk dat de cultuur ons op het verkeerde been zet. ‘De Schrift blijft Gods Woord voor ons nu’. De oren laten hangen naar de cultuur kan voorkomen worden door de Schrift écht te laten spreken en te onderzoeken. Met de leesbril die je op hebt en biddend om de leiding van de Heilige Geest. Witzier wijst erop dat dit gedaan moet worden met elkaar en met de veel bredere kerk. ‘Luisteren naar wat die cultuur aan vragen geeft naar die tekst toe, maar ook vanuit die Schrift luisterend zo van: ja, maar moet die cultuur niet ook tegengesproken worden. En daar is niet zomaar één recept voor te geven: als je het zo doet dan komt de wil van de Geest eruit. De betekenis van de Geest.’ De zaal wordt er opnieuw bij betrokken. De voorzitter leest de tweede stelling voor: ‘De Heilige Geest kan ook de cultuur gebruiken om de kerk in alle waarheid te leiden’. Na deze stelling bevraagt Roosendaal drs. F.W. (Florimco) van Rhee specifiek op een praktische vraag inzake de vrouw in het ambt. Volgens van Rhee is het lastig om onderscheid te maken tussen de cultuur en de tijdgeest. Deze begrippen zijn volgens de predikant sterk aan elkaar verbonden. ‘De cultuur ademt de tijdgeest.’ Op dit moment is de tijdgeest zeer sterk gericht op het bagatelliseren van de verschillen tussen mannelijk en vrouwelijk. De kerk is daarom op dit punt geroepen een ander geluid te laten horen.

Missionaire kracht

De Boer geeft aan dat de missionaire kracht van de kerk ligt in de zinsnede dat, als we met ons gezicht naar het kruis staan, we met onze rug naar de wereld staan. Je keert dan uiteraard mensen die naar de kerk komen (vanuit de wereld) niet letterlijk de rug toe. Maar het gevolg is wel dat, wanneer we luisteren naar Gods stem, je op de schouders kunt worden getikt en dat mensen aan je vragen waarom christenen anders in het leven staan dan de wereld. De uitdaging van de kerk is om eerlijk te blijven. ‘De boodschap eerlijk en transparant uitdragen. En inderdaad dan breng je woorden die prikkelend zijn. Zoals het woord ‘onderdanig’. Maar dat prikkelt mij ook.’ Hoe laten we ook bij ongemak de Schriften klinken? Niet door woorden weg te poetsen. ‘Het feit dat Schriftwoorden mij triggeren, dwingt mij om geconcentreerd te gaan luisteren naar de Schrift zelf. En dan heb je een machtige boodschap te brengen in deze tijd.’ Peels wil daarbij aansluiten, maar hij wil deze vorm van de door Paulus genoemde onderdanigheid (in Efeze) wel duiden binnen de Grieks-Romeinse cultuur. Hier had deze onderdanigheid een duidelijke plaats en functie. Als prediker dient hij dit te vertalen en te vertolken naar de huidige cultuur. Het brengt Peels terug bij de vraag hoe we Genesis 2, waarbij de man als eerst verantwoordelijk gesteld wordt, vertolken naar de dag van vandaag en in deze cultuur. Peels wil niet met alle geweld vasthouden aan een woord als ‘onderdanig’. Je zou dit woord namelijk volgens de hoogleraar ook anders kunnen vertalen. Bij ‘onderdanig’ moeten we volgens Peels niet vervallen in het eeuwenlange patriarchale denken. De man-vrouw-verhouding uit Genesis moeten wij vandaag de dag zien door te vertalen. Volgens De Boer gaat het té snel. In tegenstelling tot Peels, geeft De Boer aan dat hij het op dit punt juist niet eens is met de hoogleraar. ‘Anders zaten wij hier vanmorgen niet.’ Dr. De Boer geeft aan dat, hij en hoogleraar Peels, de Schriften anders lezen en anders verstaan. ‘Anders hadden wij een dag als deze niet nodig’.

Belijdenis normatief?

Na deze discussie volgt opnieuw interactie met de zaal. Er kunnen vragen gesteld worden. De eerste vraag gaat over de normativiteit van de belijdenisgeschriften. Drs. F.W. (Florimco) van Rhee ziet de belijdenisgeschriften als uitermate belangrijk en de kerk van alle tijden wijst ons daarin duidelijk richting (bijvoorbeeld artikel 2 tot en met 7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis). In de NGB wordt volgens de Veenendaalse predikant op een hele nuchtere en heldere manier verwoord hoe wij het Woord van God ontvangen.16 Het gaat niet specifiek over vrouwelijke ambtsdragers, ‘maar het gaat wel over hoe wij die Schriften lezen’. Onze houding moet, volgens Van Rhee, zijn dat je op een zo goed mogelijke manier naar die Schriften wil luisteren, vanuit één ‘voorgegevenheid’17, namelijk dat die Schriften de Weg tot de zaligheid wijzen. Wij zullen ons moeten verhouden tot dat Woord van God. We kunnen afhankelijk van het woord soms kiezen voor een andere vertaling van dat woord en in sommige gevallen zou dat ook kunnen. Van Rhee zou dat echter bij het woord ‘onderdanig’ juist niet willen doen. Dit woord moet gezien worden in de context van de voorafgaande tekst. ‘Ik denk dat juist die onderdanigheid iets aangeeft, van hoe wij ook de Schrift zelf tot ons moeten nemen.’ Witzier geeft samen met Roosendaal aan dat wij de Schriften niet voor het eerst lezen, maar met de kerk van alle eeuwen. Daarom dienen we vooral de oren te luisteren te leggen richting de traditie waarin we staan. De gereformeerde traditie zegt dat boven alles wat door mensen beleden wordt, de Schrift staat. Witzier kan een heel eind met de ‘Verklaring van gevoelen’ van het CGBeraad meekomen18, zeker als er staat dat geen enkel menselijk of synodebesluit staat boven de Schrift. Waar Witzier over valt is dat aan het einde van die verklaring wel een ‘verplichte leessleutel’ van de Schrift wordt geboden. Witzier: ‘Dan denk ik van: Pas op! Uiteindelijk moeten we opassen dat we mensen laten bepalen, vanuit welk standpunt ze dat ook doen, en om welke reden ook, om te zeggen: en dit zegt de Schrift en als je het niet met mij eens bent dan lees je de Schrift verkeerd.

De visie dat God hemel en aarde uit niet geschapen heeft blijft voor dr. Pieter de Boer leidend in het debat. Bron: Pixabay.

Een hele spannende vraag

De tweede vraag is een hele spannende vraag, volgens Roosendaal. De vraag is of een verschil in Schriftbeschouwing, zoals door een bezoeker van het convent gesignaleerd bij De Boer en Peels, aangaande Genesis kerk scheidend moet werken. Volgens De Boer legt het stellen van deze vraag de situatie binnen de CGK bloot. De Boer verwijst naar de beknopte dogmatiek van Van Genderen en Velema. In deze dogmatiek wordt dit standpunt, van prof. Peels, afgewezen. ‘Dat brengt verwarring in de kerk. En ik denk als we deze discussie laten lopen, dat we, als we na vandaag uit elkaar gaan en weer als schepen in de nacht aan elkaar voorbijgaan, dat we elkaar dan echt kwijt zijn.19 De Boer geeft aan dat dit het hem niet waard is. Ook op dit punt moet duidelijke taal gesproken worden. Zondag 9 en zondag 10 zijn, zoals eerder genoemd, leidend voor dr. De Boer. Namelijk dat God hemel en aarde uit niet heeft geschapen. De andere visie is dat achter Genesis 1 een wereld van miljarden jaren schuilgaat. ‘Waar wij geen idee van hebben.’ Door de regels van de genoemde bundel ‘En God zag dat het goed was’ heen klonk (gelukkig niet in alle bijdragen20) dat mensapen en mensen van een en dezelfde voorouder afstammen. ‘Op dat moment kleur je buiten de lijnen van de Schrift en de confessie.’ Peels wil zich focussen op Genesis 1. Wanneer mensen geplaatst worden voor het dilemma van óf historisch-chronologisch letterlijk lezen óf een poëtische belijdenis, dan zorgt dan volgens de hoogleraar voor een vastloper. Peels geeft aan dat het voor hem altijd bepalend is dat de Schrift het zelf mag zeggen. ‘Gods Woord heeft het laatste woord, ver boven mijn denkkaders, mijn frames, waar ik ze ook vandaan haal.’ Hoe presenteert de Schrift zich? Wat wil de Heilige Geest hier zeggen? Wat voor een literair genre staat daar? Wat voor een consequenties heeft dat? Dat zijn vragen die voor de hoogleraar spelen bij de uitleg van Genesis 1. Hij ziet dat waar een mens biddend, luisterend naar het totaal van de Schrift, biddend om de leiding van de Geest, hier naar zoekt, het nooit kerk scheidend kan zijn. ‘En als wij zeggen het is wel kerk scheidend, dan zouden we ook iemand als Augustinus de kerk uit moeten zetten, die ook een bepaalde visie op Genesis 1 had. En dan hadden we tal van gereformeerde exegeten en geleerden allemaal de kerk uit moeten zetten. Wij moeten ons niet laten vangen in dat dilemmatische óf strak letterlijk, noem het biblicistisch, óf libertinistisch, vrij liberaal, van je zoekt het maar uit en de wereld mag het zeggen. Daarin moeten wij ons niet laten vangen. Wij moeten een Gereformeerde (…) hermeneutiek samen21 ontwikkelen. Dat betekent een ultieme fijngevoeligheid van wat de Schrift ons in een eigenheid, tegen die achtergrond, vandaag wil zeggen’.22 Roosendaal komt na dit pleidooi van Peels tot de derde stelling: ‘Ik kan Avondmaal vieren in een kerk waar men vrouwelijke ambtsdragers heeft’.

Hellend vlak

Roosendaal memoreert aan de woorden van dr. De Boer, namelijk als je het ene laat gaan, dan staat het volgende op de stoep. Is het hellend-vlak-argument alleen maar een angstargument? Volgens dr. Witzier is en blijft het een angstargument, ‘maar dat wil niet zeggen dat nooit reden is voor angst’. Volgens Witzier haast zich te zeggen dat ‘bezorgdheid’ een beter woord hiervoor is dan ‘angst’. Hij verwijst naar het spreekwoord van een gestrand schip als baken in zee. We moeten daar ook hier rekening mee houden, en ‘dat is iets wat bij het lezen van de Schrift gebeurd’. Luisteren naar Gods Woord gaat, volgens de geleerde, samen met alles wat er meespeelt. Wat in de traditie met ons meekomt, wat de belijdenisgeschriften zeggen en wat je in gesprek met anderen tegenkomt. ‘En dan hoor je ook bepaalde zorgen die er zijn. (…) En daar zul je rekening mee moeten houden.’ Die zorgen helpen Witzier om nog weer scherper te luisteren naar de Schrift. Witzier vindt dat het argument van een hellend vlak veel te snel gaat en dat dit óók onterecht is. Vaak worden er zaken bij elkaar gebracht, die niet met elkaar te maken hebben. Bij ethische thema’s wil je echter óók luisteren naar wat de Schriften te zeggen hebben. We moeten, volgens de predikant uit Apeldoorn, geen lijstjes van onderwerpen maken waarover de Schrift wél of niet iets zou mogen zeggen. Wanneer er vrouwen in het ambt bevestigd worden, wordt een kerk dan vrijzinnig? Bij drs. Van Rhee ligt er wel vrees, niet perse op het vraagstuk van vrouw in het ambt, maar wel de visie die daarachter schuilgaat. Van Rhee geeft wel aan dat hij een hellend-vlak-argument nooit zo’n sterk argument vindt, deze kan namelijk heel gemakkelijk als drogreden worden gebruikt. Zo van: wanneer je ‘A’ doet je uiteindelijk wel bij ‘Z’ moet uitkomen. De Veenendaalse predikant geeft aan dat we wel om ons heen moeten kijken. Dan zien we dat het op het punt van Schriftgezag in het verleden nogal is misgegaan. Voordat Van Rhee hierop verder kan gaan, onderbreekt Roosendaal hem voor de vierde stelling. Die luidt: ‘Wie in de Bijbel ruimte ziet voor vrouwelijke ambtsdragers, die is bezig om vrijzinnig te worden’. Van Rhee vervolgt zijn betoog. Hij refereert naar de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken synodaal.23Er zijn meerdere voorbeelden beschikbaar, ook in het buitenland’. Deze kerken hadden ‘al meer een instantie nodig buiten de Schrift zelf, die voor ons bepaalt of die Schrift gezaghebbend is of niet’. Dit veroorzaakte bij het gewone kerkgangers onzekerheid, want als zij de Bijbel in handen hadden, dan wisten zij niet meer of zij nog wel op dat Woord konden vertrouwen. Voor Van Rhee ligt daar ook vandaag de dag een zorg. Uiteraard wil de predikant hier niet mee zeggen dat je automatisch biblicistisch moet worden, door te zeggen dat de inspiratie van het Woord op de punten en de komma’s is.24 De Reformatoren hebben dat zó, volgens Van Rhee, ook niet gezegd. Die Reformatoren namen voortdurend het uitgangspunt in ‘dat gelovig lezen van de Schrift’. De predikant ziet daar wel een cirkelredenering in. Vandaag de dag wordt dat niet meer zo geaccepteerd. ‘Als het geloof in de Schrift uiteindelijk bepaald wordt door die gelovige omgang met de Schrift, Ja, waar begint het dan? De Schrift zelf is namelijk ook die instantie die dat geloof bewerkt onder leiding van de Heilige Geest.’ Volgens Van Rhee ligt hier een belangrijk punt. ‘Dat zie ik als het wonder van de Heilige Geest dat het geloof in het hart van de zondaar werkt.’ Als de Schrift met die houding gelezen wordt, dan zal er een andere houding komen dan in de Gereformeerde Kerken synodaal. De predikant uit Veenendaal geeft aan dat dáár nog veel meer over te zeggen is, maar hij voelt de drang van de voorzitter om dit panel af te sluiten.

Oude en nieuwe schatten

Roosendaal stelt voordat hij het panel Schriftgezag en Schriftbeschouwing afsluit nog één afrondende vraag. Hij vraagt of de panelleden op dit punt uitgestudeerd zijn. Prof. Peels: ‘Hoe zou ik als emeritus-hoogleraar ooit kunnen zeggen: wij zijn uitgestudeerd’. De hoogleraar pleit ervoor om voor ogen te houden dat de Schrift zo rijk en zó diep is. ‘Een diamant met duizend kanten, waar je voortdurend weer verwonderd bij staat en nieuwe tijden dat er weer nieuwe schatten, oude en nieuwe schatten uit die Schrift naar voren komen.’ De vragen die binnen de CGK spelen, zijn volgens de hoogleraar, vragen die de kerken wereldwijd verdelen. Hij ziet bij de beantwoording van die vragen, dat niet alleen libertinisme of verstarring een rol spelen, maar ook de Boze. ‘Die broeders en zusters tegen elkaar opzet, op punten die (…) perifere kwesties betreffen.’ Het zijn volgens Peels niet direct perifere kwesties, maar het zijn ook geen zaken ‘die behoren bij het kloppend hart van het algemeen ongetwijfeld Christelijk geloof.’

Voetnoten

Deïsme ondermijnt zowel geloof als wetenschap

Deïsme is de doodssteek voor het christelijk geloof en voor de wetenschap, maar gelukkig is er geen reden vanuit geloof of wetenschap om het deïsme serieus te nemen.

De column met als kop ”Wonderwetenschap” van Ries van Maldegem (RD 14-6) begint met een prachtig betoog over het christendom als broedplek van de natuurwetenschap, maar eindigt met een pleidooi voor methodologisch atheïsme, het weren van God uit ons wetenschappelijke wereldbeeld, wat een vorm van deïsme is. Het gaat daarbij om het idee van God als Klokkenmaker, die Zich niet meer met Zijn werk bemoeit. Van Maldegem geeft hiervoor enkele argumenten:

  1. Met het voortschrijden van de natuurwetenschap zou steeds zijn gebleken dat verschijnselen waarvan eerder werd gedacht dat ze bovennatuurlijk waren uiteindelijk gewoon natuurverschijnselen waren.
  2. Een compleet verklarend logisch model voor de waarneembare werkelijkheid is niet realiseerbaar maar zou het ultieme godsbewijs zijn.
  3. Het geloof dat God in zes dagen hemel en aarde schiep wordt gezien als blasfemisch.
  4. Intelligent design, de overtuiging dat in de natuur sporen van bovennatuurlijk handelen van God aanwezig zijn, wordt gezien als blasfemisch.
  5. Wonderen zouden geen bovennatuurlijke verschijnselen zijn, maar slechts natuurverschijnselen waarvan wij het mechanisme nog niet doorgronden.
  6. Er wordt gepleit voor methodologisch atheïsme. Dit betekent dat men moet denken dat God in onze fysieke werkelijkheid niet op bovennatuurlijke wijze heeft gehandeld.

Geen bovennatuurlijke daden
Hiertegen wil ik in stelling brengen dat deïsme zowel het christelijk geloof als de wetenschap ondermijnt en slechte papieren heeft:

  1. Als het deïsme waar is, dan is mensengedrag uitputtend te verklaren uit natuurlijke oorzaken. De mens hoeft zijn gedrag niet voor God te verantwoorden. De mens is dan net zo verantwoordelijk voor zijn gedrag als een steen voor het feit dat hij van een berg af rolt.
  2. Als deïsme waar is, dan is de tekstinhoud van de Bijbel uitputtend uit natuurlijke oorzaken te verklaren. De Bijbel is dan niet het gezaghebbende Woord van God, want dat impliceert een bovennatuurlijke oorsprong. We hoeven ons dus niets aan de Bijbel gelegen te laten liggen.
  3. Is deïsme waar, dan zijn de Persoon en het handelen van Jezus uitputtend uit natuurlijke oorzaken te verklaren. Dan is Hij niet de eeuwige Zoon van God en zijn Zijn daden geen bovennatuurlijke daden die van Zijn Godheid getuigen. Zijn wonderen waren gewoon natuurlijke handelingen.
  4. Is deïsme waar, dan is de werking van het menselijk brein uitputtend uit natuurlijke oorzaken te verklaren. Dan is er aanleiding om te denken dat ons denken functioneel is voor de overleving van onze soort, maar niet om te denken dat ons verstand ware overtuigingen kan voortbrengen. Er is dan geen basis voor de gedachte dat de mens geschapen is naar Gods beeld of voor het bedrijven van wetenschap. Want wetenschap is gericht op het verkrijgen van ware overtuigingen.

Epicurus

Van Maldegems argumenten voor het deïsme zijn echter zwak. Het is niet zo dat, met het voortschrijden van de wetenschap, verschijnselen die door christenen voorheen als bovennatuurlijk werden beschouwd uiteindelijk natuurlijk bleken te zijn. Christenen geloven niet in Donar. Daarnaast is creationisme gebaseerd op de overtuiging dat hemel en aarde enkele duizenden jaren geleden door het Woord van God uit niets zijn voortgebracht. Deze overtuiging is al duizenden jaren aangehangen door miljoenen gelovigen van wie we geloven dat die nu zalig zijn. Dat blasfemisch noemen is een volledige omkering van zaken.

Van intelligent design kan gesteld worden dat dit niet meer is dan een weergave van de overtuiging die verwoord wordt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) art. 2: „Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste, door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld: overmits deze voor onze ogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, grote en kleine, gelijk als letteren zijn, die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid.”

Uiteindelijk wordt het deïsme dat wordt bepleit door de NGB aan Epicurus verbonden en in ronde bewoordingen afgewezen: „En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureën, dewelke zeggen, dat Zich God nergens mede bemoeit, en alle dingen bij geval laat geschieden.” De NGB is hierin niet de eerste. Ook Augustinus bestrijdt, in zijn werk ”De stad van God” (boek 8), de Epicureën en hun zienswijze dat leven door levenloze materie is voortgebracht.

Louis Pasteur

Bij de wetenschappers die Van Maldegem noemt, zien we dat ze het methodologisch atheïsme niet hanteerden. Voor deze uitzonderlijke wetenschappers was hun persoonlijk geloof zeer behulpzaam bij hun wetenschapsbeoefening. Zowel I. Newton, de bekende ontdekker van de wetten van de zwaartekracht, als J.C. Maxwell, de grondlegger van de moderne wetenschap met betrekking tot magnetisme, elektriciteit en straling, was diepgelovig. Beiden gaven uiting aan hun afhankelijkheid van en geloof in God en zagen Zijn werk in de natuur. Newton had zelfs meer belangstelling voor theologie dan voor natuurkunde. Maxwell heeft intelligent design-argumenten in stelling gebracht tegen het naturalisme.

Ook een uitmuntende geleerde als Louis Pasteur was zeer gelovig. Hij wist zich van God afhankelijk. Zijn uitvinding van pasteurisatie en vaccinatie heeft miljoenen het leven gered. Ook hij stond kritisch tegenover het naturalisme zoals dat in zijn tijd werd verkondigd. Deze voorbeelden laten zien dat vitaal christendom en wetenschap een vruchtbare combinatie zijn.

God aanwezig

Als we ten slotte zelf de natuur bestuderen zonder een atheïstisch keurslijf, dan is daarin de hand van de Schepper en haar bovennatuurlijke oorsprong duidelijk op te merken. Wat voor een kleuter eenvoudig lijkt, daarvan weet een volwassene dat het ingewikkeld ligt. Zo is het ook in de biologie. Hoe verder de biologie voortschrijdt en hoe meer inzicht men verkrijgt in biologische processen, des te duidelijker wordt het dat men zelfs voor het ontstaan van iets simpels als een haar nog geen acceptabele beschrijving kan geven. Laat staan als het over werkelijk ingewikkelde zaken gaat, zoals het ontstaan van leven, het bewustzijn, de ratio of de moraal. Dan wordt men zelf klein en wordt God groot. Dan is God aanwezig.

Deïsme is de doodssteek voor het christelijk geloof en voor de wetenschap, maar gelukkig is er geen reden vanuit geloof of wetenschap om het deïsme serieus te nemen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Engelen, E. van, 2024, Deïsme ondermijnt zowel geloof als wetenschap, Reformatorisch Dagblad 54 (66): 26-27 (artikel).

De ‘Daar-zit-die-niet’ zanger

Veel vogelsoorten hebben het moeilijk in ons land. Zo niet de Cetti’s zanger. Het gaat de soort wel door zachte winters. Vanaf 2005 komt deze eens uiterst zeldzame soort steeds meer voor in ons land, met in 2023 al zo’n 6000 broedparen! Zijn geluid is niet te missen. De luid explosief klinkende zang is onmiskenbaar.

Geweldig hoe deze zangvogel zingend kan knetteren! Is nu bij ons ook regelmatig te horen. Bijvoorbeeld langs de Rijnbandijk tussen Kesteren en Lienden en onderlangs de Grebbeberg. De vogel komt altijd in de buurt van water voor. Is een echte struikzanger. Verkiest dichte vegetaties, daardoor moeilijk te fotograferen. Bijgevoegde foto is dan ook van elders. Op 21 mei liepen een familielid en mijn persoon over de oude zeedijk van polder Arkemheen (niet ver van Putten) vogels te spotten. We noteerden ook de Cetti’s zanger.

De vogel liet zich zelfs vanaf een dorre braamstengel een tijdje bewonderen. Ongekend. Niet voor niets sprak recent op een avond met vogelvrienden een vogelaar van de ‘Daar-zit-die-niet-zanger’. Je hoort zijn zang, je wacht geduldig tot je de vogel te zien krijgt, en ineens hoor je de explosieve klanken iets verder op.

De foto toont een middelgrote, vrij compacte (‘dikke’) bruine zangvogel met korte hals en brede staart (vaak opgewipt, nu niet), opvallend koppatroon met lichte wenkbrauwstreep en twee witte halve maantjes onder en boven het oog. Zijn naam ontleent de vogel aan zijn zang: “(ti) CET-ti CET-ti, CET-ti”. Knap de persoon die dit heeft opgeschreven!

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Het GemeenteNieuws. De volledige bronvermelding luidt: Kooij, H. van der, 2024, De ‘Daar-zit-die-niet’ zanger, Het GemeenteNieuws 23 (24): 7.

Dr. Gerdien de Jong positief over lezing gevederde dinosauriërs van dr. Marcus Ross

Evolutiebiologe dr. Gerdien de Jong heeft een website waarop zij creationistisch materiaal bespreekt.1 Recent besprak zij de lezing van dr. Marcus Ross die hij hield op de ISBH-conferentie.2 Dr. De Jong is in haar artikel opvallend positief over de lezing van dr. Ross. Hieronder bespreken we kort haar artikel. Het is goed dat De Jong af en toe een creationistisch artikel bespreekt. Immers, ijzer scherpt ijzer.3

Een artist’s impression van Wulong bohaiensis, de kleuren zijn afgeleid van de gevonden pigmenten melanine. Bron: Wikipedia.

De aanleiding van haar schrijven vormt een artikel van ir. Gert-Jan van Heugten in Weet Magazine 83.4 Achter het officiële artikel over gevederde dinosauriërs, geschreven door Van Heugten, verscheen ook een interview met de hierboven genoemde paleontoloog dr. Marcus Ross. Dr. Gerdien de Jong heeft verder gekeken op YouTube en kwam de hierboven genoemde lezing tegen. Het eerste deel van de lezing noemt De Jong ‘een recht-toe-recht-aan’ paleontologielezing. Volgens de evolutiebiologe zou elke evolutiebioloog hetzelfde vertellen. De Jong ontwaart weinig creationistische informatie. Ross gebruikt in zijn lezing alleen voor het woord ‘derived’, ‘defined’ of ‘diagnosed’. De Jong geeft aan dat dit inhoudelijk op hetzelfde neerkomt, maar dat evolutionair ‘derived’ begrijpelijker is. Ook op het tweede gedeelte heeft De Jong weinig commentaar. De geleerde vindt het bijzonder dat Ross ‘de anatomische basis waarop evolutie gebaseerd is onderschrijft’. Ze vraagt zich af of Ross Archaeopteryx als een vogel ziet of niet. Tenslotte ziet ze, in het tweede deel, dat Ross Onder-Krijt als stratigrafische benaming gebruikt, en niet het naturalistisch gebruikelijke Vroeg-Krijt.

Als het gaat om het derde deel van de video valt De Jong over het woordje ‘geloof’. Volgens haar is het geen geloof ‘dat vogels uit Theropoden evolueerden’, maar is het een ‘voor de hand liggende gevolgtrekking uit ‘birds have similar characteristics of dinosaurs generally and they have more characteristics in common with the group of meat eating dinosaurs than with any of the other groups’.’ De Jong ziet bij 18:45 en 26:55 het eerste ‘creationisme’ voorbij komen als Ross verwijst naar de schepping en de zondvloed. De evolutiebiologe heeft hier verder geen commentaar op. Het vierde deel van de lezing van Ross gaat over de creationistische implicaties van de onderzoeksresultaten. De Jong constateert terecht dat er creationisten zijn die gevederde dinosauriërs verwerpen, omdat dino’s landdieren zijn, geschapen op de zesde dag, terwijl vogels op de vijfde dag zijn geschapen. Ross vindt dat geen geldig argument, want ook vleermuizen bijvoorbeeld zijn zoogdieren en vliegende dieren. Volgens Ross zijn niet alle gevederde dinosauriërs ook vogels, maar moet de conclusie getrokken worden dat er beesten met veren zijn die geen vogel zijn. De Jong vraagt zich af hoe het moet met de slotzinnen van Ross. Zijn sommige dinosauriërs nu wel of niet op de vijfde dag geschapen? Als sommige van deze beesten ook konden vliegen, dan moet dat wel. Maar dat is dan weer in strijd met de eerdere beweringen van Ross. Zelf denk ik dat deze vraag moeilijk te beantwoorden is, omdat wij vanuit deze werkelijkheid door de sluiers van de tijd, de zondvloed en de zondvloed naar de schepping kijken. Daardoor wordt het zeer wazig en onduidelijk welke soorten de Heere exact schiep op de vijfde en de zesde dag.

Dr. De Jong sluit haar artikel af met de constatering dat dr. Ross goede data geeft, geen argumenten tegen ‘evolutie’ heeft en vanuit een ‘vooroordeel’ denkt over geschapen groepen (baramins). Dat lijkt mij een correcte weergave van deze lezing. De Jong heeft gelijk dat polyfylie (en ook monofylie, JvM) vooronderstellingen, uitgangspunten of basisovertuigingen zijn.5 Zowel monofylie als polyfylie volgen niet direct uit de data. Voor monofylie is er te veel discontinuïteit6, voor polyfylie is er te veel onzekerheid welke soorten de Heere precies wanneer heeft geschapen (de Bijbel geeft een globaal kader, dat is niet vreemd want de Genesistekst is niet bedoeld als taxonomisch handboek).

Voetnoten

‘Topoisomerases: Catalysis and Regulation’ – Dr. Joe Deweese sprak opnieuw voor de livestream van Logos Research Associates

Dr. Joe Deweese is de biochemicus en assistent professor aan het Lipscomb University College of Pharmacy. Hij heeft door de tijd heen veel biochemische publicaties in naturalistisch-wetenschappelijke tijdschriften op zijn naam staan. Vorige week was hij te gast in de livestream van Logos Research Associates om daar te spreken over het intelligente ontwerp van moleculaire machines. Dit keer over zijn promotieonderzoek: DNA Topoisomerases.1

Onder de video staat een uitgebreide beschrijving (in het Engels):

“While we often think of DNA as an information storage molecule, it is also a polymer of vast length on a cellular scale. The chromosomes of one human cell stretched to full length and placed end to end would be about 2 meters long. How do our cells keep that polymer from becoming entangled? One major player in this story are the enzymes we know as DNA topoisomerases. In this presentation, Joe Deweese PhD, Professor of Biochemistry at Freed-Hardeman University, will focus on the DNA untangler: topoisomerase II and explore the structure, function, and regulation of these amazing molecular machines.”

Eerder verscheen op deze website een animatievideo over dit onderwerp, gemaakt door ‘Discovery Institute’.

Voetnoten

Gereformeerde leer en slavernij

De gereformeerde theologie van de zeventiende en achttiende eeuw droeg bij aan de conflictueuze en gewelddadige samenleving van die tijd en vormde een legitimatie voor de slavernij. Aldus Ben Ipenburg die promoveert op een onderzoek naar de relatie tussen christelijk geloof en slavernij.

De Noordmonsterkerk of Sint-Pieterskerk te Middelburg. Smijtegelt deed hier intrede als predikant en werd ook begraven in deze kerk. In 1834 werd de kerk gesloopt. Bron: Wikipedia.

In het Reformatorisch Dagblad van 30 mei wordt zijn dissertatie beschreven. Daaruit blijkt dat de promovendus van mening is dat het wreed behandelen van slaven ook met godsdienst te maken had. Ipenburg zoekt in zijn studie naar antwoorden op de vraag hoe het mogelijk was dat het christelijk geloof de slavernij in de tijd van de Republiek niet afkeurde. Hij spreekt van de waarheidsclaim van de gereformeerde theologie. ‘De zelfverzekerdheid de enige en exclusieve christelijke waarheid te vertegenwoordigen gaf ruimte voor de soms ‘genadeloze’ bestrijding van de ‘andersgelovige’ en in bredere zin ‘de ander”. Als specifieke basis voor de slavernij noemt Ipenburg ook de Cham-theorie (Gen. 9:25). De vervloeking van Cham was volgens hem lange tijd een legitimatie voor de slavernij van zwarte mensen. Om zijn standpunt te onderbouwen noemt hij onder andere de predikant J.E.J. Capitein (ca. 1717-1747), die – ondanks dat hij zelf slaaf was geweest – op Bijbelse, rechtskundige en politieke gronden vond dat de slavernij niet strijdig was met de christelijke vrijheid.

Afkeuring

Dat er ook andere geluiden waren, ontkent de promovendus niet. Die waren volgens hem echter ver in de minderheid en incidenteel. Daar is wel het nodige op af te dingen. Niet ontkend kan worden dat iemand als Godefridus Udemans ruimte bood voor de slavernij. Onder bepaalde omstandigheden was die volgens hem toegestaan, maar als slaven christen werden, moesten zij op den duur de vrijheid krijgen. De Coevordense predikant Johannes Picardt stelde dat de slavernij geoorloofd was en beriep zich daarbij op de Cham-theorie. Veel predikanten uit die tijd keerden zich wel tegen de slavernij en wezen die uit principe af. Idenburg ontkent dat niet. Hij noemt theologen als Van Poudroyen (een leerling van Voetuis), Hondius, De Mey, Smijtegelt, De Raad en Koelman. Zij waren, zegt hij, kritisch op (aspecten) van de slavernij.

Opvallend is dat de auteur speciaal ingaat op Zeeland, waar de Middelburgse Commercie Maatschappij vanaf half achttiende eeuw voornamelijk handelde in slaven. Opvallend, omdat juist vanuit Zeeland principiële Bijbelse bezwaren tegen de slavernij klonken. Ik noem allen maar Bernardus Smijtegelt en Jacobus Koelman. Maar niet alleen uit Zeeland werden die bezwaren geuit. Ook andere theologen van de Nadere Reformatie keerden zich tegen de slavenhandel, zoals Wilhelmus a Brakel, Carolus Tuinman en Johannes Beukelman.

Exodus 21:16

Zij beriepen zich voor hun bezwaren op Exodus 21:16: ‘Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekelijk gedood worden’, en op 1 Timótheüs 1:10 waar Paulus ‘mensendieven’ noemt als degenen voor wie de wet is gesteld. Daarover zegt Tuinman in zijn Catechismusverklaring (1739): ‘Die mensen, hetzij vrijgeborenen, hetzij slaven van andere wegvoert, verkoopt (…) wordt een mensendief genaamd. Dit is nog evenzoveel zwaarder dan veedieverij als een mens waardiger is dan een beest’. Smijtegelt schrijft bij de verklaring van het achtste gebod als een van de eerste vormen van dieverij: ‘Eerst. Kunnen wij grove dieverij begaan met een mens te stelen. Dit soort van dieverij wordt begaan in de slavenhandel; die een mens steelt, zegt God, zal zekelijk gedood worden. Is dat niet droevig, daar hebben de christenen een handel van gemaakt. Ach! mochten de mensen, die zo verkocht, vervoerd en dikwijls daarom vermoord worden, eens spreken, zouden ze niet zeggen als eertijds Jozef: Ik ben diefelijk ontstolen uit mijn land? (Gen. 49:15)’. Bij Wilhelmus a Brakel lezen we in de Redelijke Godsdienst dezelfde bezwaren.

In het debat over racisme wordt gesteld dat de Amsterdamse kerken gefinancierd zijn met de opbrengsten van de slavenhandel. In zijn boek ‘Geschiedenis van de WIC’ (1994) heeft prof. H. den Heijer aangetoond dat de gereformeerde kerk destijds niet in de slavenhandel geïnteresseerd was. Dat tegen de slavenhandel niet of niet genoegzaam door predikanten van die kerk zou zijn geprotesteerd, kan evenmin staande worden gehouden. Het is overigens gemakkelijk om met de bril van de 21e eeuw een oordeel te vellen over de geschiedenis van toen.

Dit artikel is met toestemming van de redactie overgenomen uit De Saambinder. De originele bronvermelding luidt: Silfhout, W., 2024, Gereformeerde leer en slavernij, De Saambinder 102 (24): 11.