Home » 2021 » mei

Maandelijks archief: mei 2021

Predikanten uit de Gereformeerde Gemeente en onze vroegste geschiedenis (1) – Ds. J. de Kok, Op Jezus’ school

Op Jezus’ school’. Deze titel heeft de preek van ds. J. de Kok in de Eskol Reeks meegekregen.1 De kerntekst van de preek is Johannes 1:38-40.2 We bestuderen de preek hier op verwijzingen naar onze vroegste geschiedenis van schepping, zondeval, zondvloed en spraakverwarring.

De preek heeft nauwelijks tot geen verwijzingen naar onze vroegste geschiedenis. We zien op bladzijde 8 een vermelding naar de ‘doodstaat van hun ziel’. Dit wijst op de staat van de ziel ná de zondeval.3

Voetnoten

Overlijdensakte van Aaltje Vermeer (1871-1904)

Overlijdensakte van Aaltje Vermeer (1871-1904) uit de Burgerlijke Stand van de Gemeente Kesteren.

Hierboven wordt de overlijdensakte van Aaltje Vermeer (1871-1904) weergegeven.1 Op 19 mei 1904 deed echtgenoot Andries van Meerten (1875-1909) in de Gemeente Kesteren aangifte van het overlijden van zijn vrouw. Andries was acht en twintig jaar oud en sigarenmaker van beroep. Hij woonde in Opheusden. Hij gaf aan dat zijn vrouw op 19 mei 1904 om vijf uur in de ochtend is overleden. Zij was twee en dertig jaar oud en zonder beroep. Ze is geboren in Heteren op 29 oktober 1871 en was een dochter van de wijlen echtgenoten Adrianus Vermeer en Aaltje Wien. Andries deed de aangifte samen met Teunis de Kruiff (1853-1914), vijftig jaar oud en gemeenteveldwachter van beroep. Uit de genealogische gegevens blijkt dat Aaltje op 21 september 1900 in de Gemeente Kesteren in het huwelijk getreden is met Andries.2

Voetnoten

Geboorteakte van Teuntje Wevers (1887-1967)

Geboorteakte van Teuntje Wevers (1887-1967) uit de Burgerlijke Stand van de Gemeente Kesteren.

Hierboven wordt de geboorteakte van Teuntje Wevers (1887-1967) weergegeven.1 Op 30 augustus 1887 deed Hannes Wevers (1859-1931), in de Gemeente Kesteren, aangifte van de geboorte van zijn dochter. Hij was acht en twintig jaar oud en arbeider van beroep. Hij woonde in Opheusden in het huis nummer 61. Hij gaf aan dat Teuntje op 29 augustus 1887 om vier uur in de middag is geboren uit zijn echtgenote Maria Huiberts (1864-1927). Hannes had twee getuigen meegenomen: (1) Teunis de Kruiff (1853-1914), vier en dertig jaar oud en gemeenteveldwachter van beroep, en (2) Bart van IJmeren (1861-1935), zes en twintig jaar oud en arbeider van beroep. Uit de genealogische gegevens blijkt dat Teuntje op 30 augustus 1907 in het huwelijk getreden is met Jan Willem van Meerten (1878-1944).2

Voetnoten

Predikanten uit de Gereformeerde Gemeente in Nederland en onze vroegste geschiedenis (1) – Ds. F. Mallan, Het enige redmiddel tot Israëls behoudenis

Het enige redmiddel tot Israëls behoudenis’.1 Deze titel heeft het vijftiende nummer in de Eskol Reeks meegekregen. Het is een preek van wijlen ds. F. Mallan. De preek is gehouden op een Goede Vrijdag en heeft als kerntekst Numeri 21:9.2 Hieronder kijken we vooral naar wat hij te zeggen heeft over onze vroegste geschiedenis van schepping, zondeval, zondvloed en spraakverwarring.

Zondeval

De predikant geeft aan dat de vurige slangen bij Mozes in Numeri 21 erop wijzen ‘hoe men eenmaal in het paradijs van de levende God is afgevallen’. In het paradijs zijn we door de slang gebeten. 3 Mallan: “Want de slang heeft immers Eva aangesproken. En de duivel heeft door middel van de slang twijfel gewekt aangaande het proefgebod en de dreiging des Heeren. Eva heeft naar de slang geluisterd door aan de slang gehoor te geven. De mens is de duivel toegevallen en heeft de leugen omhelsd en de waarheid verworpen. Zo zien we hier onze diep gevallen staat voor ogen gesteld.4

In het paradijs klonk ‘ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven’. In Adam zijn wij de drievoudige dood onderworpen: de tijdelijke, de geestelijke en de eeuwige dood.5 Op bladzijde 24 spreekt ds. Mallan nog een keer over ‘de geestelijke dood’ die de mens door de zonde onderworpen is.6 Dat geldt ook voor ‘de eeuwige dood’. 7

In het paradijs hebben we ‘eenmaal God naar kroon en troon gestaan’. “We hebben Hem daar moed-en vrijwillig de rug en de nek toegekeerd. We hebben ons van onze Maker losgescheurd.” Mallan roept het als het ware uit: “O, die vreselijke val!”8

In onze gevallen staat zijn we, volgens de predikant, haters van God en onze naaste geworden. Ds. Mallan: “Dat komt duidelijk openbaar in druk- en kruiswegen.”9

Mallan geeft aan dat hij wel op de zondeval, de bondsbreuk in ons verbondshoofd in het paradijs, moet wijzen. “Slangenvernijn is onder onze tong. En dat zullen we moeten weten weten, dat we door de slang dodelijk zijn gebeten. Als we zo de schuld eens krijgen te zien die er ligt, niet alleen de dadelijke schuld maar erfschuld, dan zal er zeker een uitzien komen naar een middel tot verlossing en tot behoudenis, in ware erkenning van de schuld.”10 De predikant vraagt zich af of we de zondeval nooit in het oog hebben gehad. “Ik moet u altijd wijzen op de noodzakelijkheid van de bevindelijke kennis daarvan. Want als ik dat fundament niet leg, dan bouw ik op hout, hooi en stoppelen.”11

Erfschuld

Mallan geeft aan dat we ‘vanwege de erfschuld (…) de dood onderworpen’ zijn, ‘van onze ontvangenis en onze geboorte af’.12 Op bladzijde 14 en 15 spreekt de predikant nog twee keer over ‘erfschuld en dadelijke schuld’.13

Waarom moest Christus de kruisdood sterven?

Op bladzijde 12 en 13 gaat ds. Mallan op deze vraag in. De predikant: “Hij moest de dood sterven vanwege de waarheid en gerechtigheid Gods. Die waarheid van Goddelijke bedreiging moest bevestigd worden: ‘Ten dage als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven’. De gerechtigheid Gods moest gehandhaafd worden, door de mens met de dood te straffen. Dat is de rechtvaardige straf op de zonde. Dat zullen we een keer moeten leren overnemen. We hebben de dood verdiend.” De kruisdood van Christus laat zien ‘dat wij ons de drievoudige dood in Adam onderworpen hebben: de tijdelijke, de geestelijke en de eeuwige dood’. De kruisdood van Christus verwijst ons naar het paradijs.14 Mallan legt nog een verband tussen de slang en de kruisdood. Hij schrijft op bladzijde 17: “De slang in het paradijs is door God vervloekt geworden. Welnu, de Middelaar hing daar aan het kruis als een vervloekte, want de kruisdood was een vervloekte dood.15

Conclusie: De zondeval neemt in de theologie van ds. F. Mallan een belangrijke plaats in. De predikant geeft aan dat hij dit fundament (van de zondeval) wel moet leggen in de gemeente. De kruisdood van Christus laat zien dat we in Adam aan de drievoudige dood onderworpen zijn en dat we daarvan verlost moeten worden.

Voetnoten

Huwelijksakte van Bernardus van Meerten (1896-1976) en Maria van Dam (1904-1975)

Huwelijksakte van Bernardus van Meerten (1896-1976) en Maria van Dam (1904-1975) uit de Burgerlijke Stand van de Gemeente Kesteren.

Hierboven wordt de huwelijksakte van Bernardus van Meerten (1896-1976) en Maria van Dam (1904-1975) weergegeven. Op 21 mei 1931 traden Bernardus en Maria in de Gemeente Kesteren in het huwelijk.

Bernardus van Meerten (1896-1976) was vier en dertig jaar oud en van beroep fruithandelaar.1 Hij woonde in Opheusden en was de meerderjarige zoon van wijlen Maartje van Meerten (1871-1906).2

Maria van Dam (1904-1976) was zeven en twintig jaar oud en zonder beroep.3 Zij was een dochter van IJzak van Dam (1859-1942), een en zeventig jaar oud en zonder beroep, en wijlen Dirkje van de Kolk (1862-1929). De vader was aanwezig bij de huwelijksplechtigheid en verklaarde dat hij zijn toestemming gaf voor dit huwelijk.

Tijdens de plechtigheid hebben Bernardus en Maria hun geboorteakten gegeven alsook de overlijdensakte van de moeder van Maria. De afkondiging tot dit huwelijk was op 9 mei 1931 en er zijn geen bezwaren tegen dit huwelijk gekomen.

Er waren twee getuigen aanwezig: (1) Albert Verwoert (1880-1978)4, zwager van de bruid, vier en vijftig jaar oud6, oom van de bruidegom, drie en vijftig jaar oud en sigarenmaker van beroep.

Voetnoten

Overlijdensbericht van Maria van Dam (1904-1975) in De Wachter Sions

Overlijdensbericht van Maria van Dam (1904-1975) in De Wachter Sions.

Hiernaast wordt een overlijdensbericht uit De Wachter Sions weergegeven van Maria van Dam (1904-1975).1 De Wachter Sions is het landelijke kerkblad van de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Maria is op 14 november 1975 overleden in Opheusden. Ze woonde aan de Dalwagenseweg nummer 30. Uit de advertentie blijkt dat Maria ziek was voordat zij overleed, want er staat dat zij weggenomen is ‘na een kortstondig geduldig gedragen lijden’ en vrij onverwacht. Ze was 71 jaar oud toen zij overleed2 en de echtgenote van B. van Meerten.3 De advertentie meldt dat ze twee dochters heeft: (1) de in Kootwijkerbroek wonende M. van Leeuwen-van Meerten de vrouw van G. van Leeuwen, en (2) D. Bunt-van Meerten de vrouw van T. Bunt. Maria had ook kleinkinderen. Ze is begraven op 19 november 1975 op de Algemene Begraafplaats aan de Markstraat te Opheusden.

Voetnoten

Geboorteakte van Maria van Dam (1904-1975)

Geboorteakte van Maria van Dam (1904-1975) uit de Burgerlijke Stand van de Gemeente Kesteren.

Hierboven wordt de geboorteakte van Maria van Dam (1904-1975) weergegeven.1 Op 6 mei 1904 deed IJzak van Dam (1859-1942), de vader van de geborene, aangifte van de geboorte van Maria. Hij was vier en veertig jaar oud en mandenmaker van beroep. Hij gaf aan dat Maria geboren is op 6 mei 1904 om half 7 in de ochtend in het huis nummer 299 te Opheusden. Zij is een dochter van Dirkje van de Kolk (1862-1929). Dirkje was zonder beroep en woonde eveneens in Opheusden. Als getuigen had IJzak twee personen meegenomen: (1) Jan Hendrik van Drumpt (1854-1937), negen en veertig jaar oud en smid van beroep, en (2) Albertus Heij (1862-1937), een en veertig jaar oud en schoenmaker van beroep. Beide getuigen woonden in Opheusden. Uit de genealogische gegevens blijkt dat zij op 21 mei 1931 te Opheusden in het huwelijk getreden is met Bernardus van Meerten (1896-1976).2

Voetnoten

Overlijdensbericht van Bernardus van Meerten (1896-1976) in De Wachter Sions

Overlijdensbericht van Bernardus van Meerten (1896-1976).

Hiernaast wordt een overlijdensbericht van Bernardus van Meerten (1896-1976) uit De Wachter Sions weergegeven.1 De Wachter Sions is het landelijke kerkblad van de Gereformeerde Gemeente in Nederland. Uit de advertentie blijkt dat Bernardus ziek was voor zijn overlijden, want hij is weggenomen ‘na een geduldig gedragen lijden’. Bernardus was weduwnaar van M. (Maria) van Dam.2 Hij overleed in de leeftijd van bijna 80 jaar.3 Op de advertentie zien we ook twee dochters van Bernardus: (1) de in Kootwijkerbroek wonende M. van Leeuwen-van Meerten die getrouwd is met G. van Leeuwen, en (2) de in Dodewaard wonende D. Punt-van Meerten die getrouwd is met T. Punt. De achternaam van de laatste dochter is incorrect gespeld, het moet Bunt zijn in plaats van Punt. Bernardus had ook kleinkinderen. Hij woonde in Dodewaard aan de Waalbandijk, huisnummer 48 en is op 3 juni 1976 overleden. Op 8 juni is hij begraven te Opheusden. Bernardus was lid van de Gereformeerde Gemeente in Nederland te Opheusden.

Voetnoten

Een 16e-eeuwse Gerrit van Meerten in het Reformatorisch Dagblad

In de 16e-eeuw heeft er in Kesteren een pastoor geleefd met de naam Gerrit van Meerten. Deze pastoor is met zijn gemeente overgegaan tot de Reformatie.

In een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 24 januari 2017 schrijft Jan van ‘t Hul over de Reformatie in Opheusden.1 Een lezenswaardig artikel, na te lezen op Digibron.2 De schrijver haalt daar kort een Van Meerten aan. Van ‘t Hul: “In het naburige Kesteren ging de laatste pastoor, Gerrit van Meerten, met zijn hele parochie al veel eerder (ergens tussen 1576 en 1580) tot de Reformatie over.” Over deze Gerrit van Meerten is de auteur weinig bekend.3 Ook de website van de Hervormde Kerk te Kesteren maakt melding deze overgang.4 Hier wordt aangegeven dat Gerrit van Meerten van 1567-1580 pastoor is geweest én dat het predikantenbord van de gemeente (helaas) begint in 1581.

Voetnoten

Minister Van ’t Wout heeft Kamervragen over zoutvloei beantwoord

Op 21 januari 2021 schreef ing. Stef Heerema in het Reformatorisch Dagblad een artikel over het uitblijven van het terugveren van de Friese bodem.1 Naar aanleiding van dit artikel stelde politicus drs. Henk Nijboer (Partij van de Arbeid) Kamervragen aan de minister van Economische Zaken en Klimaat, Bas van ’t Wout.2 Afgelopen week beantwoordde de minister deze vragen.3

Een pot met zoutkristallen.

Antwoord

Bas van ’t Wout, minister van Economische Zaken en Klimaat, heeft antwoord gegeven op Kamervragen van drs. Henk Nijboer van Partij van de Arbeid.4 De minister geeft aan dat hij bekend is met het artikel in het Reformatorisch Dagblad aangaande zoutvloei. Op de vraag of hier verkeerde aannames werden gedaan antwoordde de minister:

“Het klopt niet dat er van een verkeerde aanname is uitgegaan. Het staat vast dat in de diepe ondergrond aanwezig zout –vanwege zijn natuurlijke ‘stroperige’ eigenschappen- vanzelf stroomt in de richting van de holtes (cavernes), die door de oplosmijnbouw zijn gecreëerd. Dat dit in de praktijk ook is gebeurd, blijkt uit het feit dat het totale volume van het aan de ondergrond onttrokken zout veel groter is dan het volume van de ondergrondse caverne.

Het verschil tussen het volume van het gewonnen zout en het volume van de holte wordt het convergentievolume genoemd. Dit volume manifesteert zich aan het oppervlak als bodemdaling. Zolang de winning voortduurt, blijft de bodemdaling toenemen. Zodra de winning wordt gestaakt en de druk in de cavernes wordt verhoogd, stopt de bodemdaling. Dit is ook waargenomen met de GPS-meting op de Barradeel I locatie alwaar de winning is gestopt.

Mogelijk zal het centrum van de bodemdalingskom na enige tijd iets omhoog komen. Of dit ook daadwerkelijk zal gebeuren – en in welk tempo – is onderwerp van voortgaande analyse van de monitoring gegevens. Dit mogelijke ‘terugveer’- effect is geen onderdeel van de in de vergunning gestelde eisen omtrent de maximale bodemdaling. Dat betekent dat er bij de berekening van de maximaal toegestane bodemdaling geen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de bodem terugveert en de bodemdaling daardoor op termijn zou kunnen verminderen.”

Op de vraag of de minister door ‘deze nieuwe inzichten’ van plan is om de zoutwinning in dit gebied te heroverwegen gaf de minister het volgende antwoord:

“Nee, de berichtgeving geeft mij geen nieuw inzicht en ook geen aanleiding voor een heroverweging. De conclusies in het bericht komen niet overeen met het wetenschappelijke feit dat zout in de diepe ondergrond (onder invloed van druk en temperatuur) vloeit.”

Welke gevolgen de bodemdaling heeft voor de inwoners van Friesland en of hier een vergoeding tegenover staat zijn ook nog te lezen in de vraagbeantwoording. De minister wil in ieder geval niet ‘dat de bewoners blijven zitten met schade ten gevolge van bodembeweging door mijnbouw’ en de Commissie Mijnbouwschade zal op korte termijn ‘meldingen over schade door zoutwinning gaan behandelen’.5

Discussie

Het artikel van Heerema leidde in het Reformatorisch Dagblad ook tot discussie. Volgens geologiestudent Willem Jan Blom, structureel geoloog Nico Hardebol en mijnbouwkundige Jan van Herk zou ontkenning van zoutvloei het debat over geloof en wetenschap niet verder helpen.6 Daarop reageerde Stef Heerema weer dat hij zoutvloei niet wil ontkennen, maar dat dit alleen tijdens de zondvloed voorkwam, daarna is het steenzout ‘keihard’ geworden. Volgens Heerema ondermijnen ‘deze [d.w.z. die van zoutvloei-accepterende geologen, JvM] geologische denkbeelden de fundamenten van de samenleving’.7 In de rubriek ‘Opgemerkt’ reageerden Blom, Hardebol en Van Herk tenslotte met de opmerking dat een andere visie op zoutvloei niet ‘de autoriteit van Gods Woord’ ondermijnt.8 Hiermee is de discussie in de krant afgesloten. Naast deze discussie in de krant schreef Blom nog een artikel waarin hij de argumentatie van Heerema onder de loep neemt9 en reageerde Heerema op Family710 en op het Logoscongres11 op de discussie.

Dit artikel werd eerder geplaatst op de website Hongarije Geologie. Het originele artikel is hier te vinden.