In het boek “Geestspraak: hoe we de Bijbel kunnen verstaan” legt prof. Van den Belt op heldere wijze uit hoe het orthodox gereformeerde standpunt uitgaat van het zelfgetuigenis van de Schrift, dat gefundeerd is in de werking van de Heilige Geest. De Heilige Geest inspireerde niet alleen de eerste Bijbelschrijvers maar was ook betrokken bij de redactie, het tot stand komen van de canon en de acceptatie daarvan door de algemene christelijke kerk.

Deze waardevolle overwegingen worden ondermijnd door één specifiek hoofdstuk in het boek dat gaat over het werk van de Heilige Geest in de schepping en de geschiedenis. Van den Belt schrijft dat dit hoofdstuk hem veel moeite gekost heeft. En dat is begrijpelijk. Enerzijds noemt Van den Belt allerlei argumenten waarom we kritisch moeten staan ten opzichte van modern-wetenschappelijke claims, anderzijds gaat hij toch in een belangrijke claim mee, namelijk dat het leven op aarde miljarden jaren oud is.
Botten neanderthaler in de grond gestopt?
Van den Belt maakt het zichzelf moeilijk doordat hij verschillende oplossingen voor de discrepantie tussen de Bijbel en seculiere wetenschap afwijst. Zo suggereert hij dat jongeaardecreationisten geloven dat God fossielen van neanderthalers en dinosauriërs Zelf in de grond gestopt heeft. Ook wil hij niet uitgaan van wonderen in de oergeschiedenis, want dat zou leiden tot blind fideïsme. Daarnaast wil hij niet de weg gaan van geleerde onwetendheid.
Zo stelt hij:
“De potentiele spanning met de Bijbelteksten spitst zich vaak toe op de oergeschiedenis.” “Om een paar inzichten te noemen: Fossiele brandstoffen zijn resten van dieren en planten. Krijtrotsen bestaan uit ontelbare lagen van microscopische kalkskeletjes van algen, er zijn ooit dinosaurussen geweest, er zijn primaten geweest die lijken op en toch afwijken van de Homo sapiens, bijvoorbeeld de neanderthalers. Het DNA-onderzoek wijst op genetische verwantschap tussen de mens en deze primaten.”
Serieus probleem
In het boek “Geestspraak” is het inzicht dat een neanderthaler een primaat en geen mens het sterkst uitgewerkte bewijs dat leven op aarde heel oud is. Wanneer dat zo is dan heeft de auteur wel een serieus probleem, want dát inzicht heeft belangrijke implicaties voor wie wij zelf zijn. Feit is namelijk, dat we allemaal deels van de neanderthaler afstammen. We dragen 1 tot 5% van hun DNA in ons mee. Vijf procent is evenveel verwantschap als dat één van onze betovergrootmoeders een neanderthaler zou zijn. Wij dragen zoveel DNA van neanderthalers met ons mee, dat men zou kunnen stellen dat er nog nooit zo veel neanderthalers op aarde hebben geleefd als in onze tijd. We zijn meer genetisch verwant met neanderthalers dan Joden met Abraham. Volgens Van den Belt zijn wij dus geen geschapen mensen, maar voortbrengsels van bestialiteiten, geslachtsverkeer tussen mensen en primaten. Deels mens, deels dier. Is Adam dan wel ons verbondshoofd? Hebben wij wel een ziel? Of geldt hier de wet van de percentages? Hoe zit dat dan met onze eerste voorouder die half mens half primaat was?
Neanderthalers
Wat weten we van neanderthalers? Wel, als je ze eigentijds gekleed door het dorp zou zien lopen, zou je niet omkijken. Ze hebben in onze contreien geleefd in een tijd dat het leven hard en woest was. Ze hadden een wat zwaardere bouw dan de gemiddelde westerse mens, een wat zwaardere wenkbouwboog en een grotere herseninhoud. Het waren geduchte mammoetjagers die een nomadisch bestaan leidden. Het bejagen van mammoeten vereiste niet alleen moed, maar ook efficiënte communicatie en uitgekiende jachttechnieken. De neanderthalers beschikten niet over ijzer, maar hun stenen en benen gereedschap deed qua afwerking en effectiviteit niet onder voor die van andere mensen uit die tijd. Neanderthalers woonden in georganiseerde kampementen met tenten van dierenvellen, maakten vuur, begroeven hun doden met daarbij behorende begrafenisrituelen, hadden waarschijnlijk een religie, kleedden zich, maakten fluiten om muziek te maken, gebruikten sieraden zoals halskettingen en maakten kunstzinnige grottekeningen. De wetenschappelijke conclusies zijn, dat de cognitieve capaciteiten van neanderthalers niet onderdeden van die van andere mensen. Het is opmerkelijk dat mannelijke neanderthalers een modern-menselijk Y-chromosoom hadden; het chromosoom dat uitsluitend van vader op zoon wordt overgegeven en dat de mannen onder ons dus allemaal van Noach hebben geërfd. Uiteindelijk hebben ze zich met de veel grotere groep andere mensen zodanig vermengd dat ze als afzonderlijke bevolkingsgroep hebben opgehouden te bestaan. Als iemand in onze tijd in een verlaten gebied wezens zouden aantreffen met dezelfde eigenschappen als neanderthalers en zou beweren dat het geen mensen zijn, wat zouden we dan van zo’n bewering vinden?
Ik zou er voor willen pleiten, dat theologen terughoudend zijn in het overnemen van semi-wetenschappelijke denkbeelden uit de huidige cultuur. Maar al te snel schiet men uit de bocht. En daar heeft niemand baat bij.
Op deze website verscheen ook een drieluik naar aanleiding van “Geestspraak”, geschreven door drs. Jan van Mourik (deel 1, deel 2 en deel 3). Drs. Sjaco van Gurp reageerde, in een interview met het Reformatorisch Dagblad, op het hierboven besproken hoofdstuk.