Home » Gastbijdrage

Categoriearchief: Gastbijdrage

Warmtestraling als koelingsmechanisme voor de basaltische korst tijdens de vloed – Ing. Maarten ‘t Hart sprak op Nederlands congres d.d. 26 februari 2021

Op 26 februari 2021 organiseerde ik, Jan van Meerten, namens Logos Instituut, een congres over ‘Geloof en Wetenschap’. Ing. Maarten ‘t Hart sprak over warmtestraling als koelingsmechanisme voor de basaltische korst tijdens de vloed. Deze video is, met dank aan Geloofstoerusting, opgenomen en hieronder te bekijken.

Kanttekeningen bij de bijdrage God, mens en schepping in de wetenschapsbijbel – Mr. Peter Kerstholt reageert op NBV21 Wetenschapsbijbel

Het boek Genesis vertelt ons over het begin van de schepping. Daarmee is het een enig verslag in zijn soort. Omdat het zolang geleden is geschreven en er al millennia lang geen thans levende mens bij aanwezig was, is het een geloofskwestie in hoeverre dit verslag overeenstemt met de werkelijkheid. Geloof is namelijk vertrouwen in de waarheid van iemand anders zijn verslag of verhaal.

De wetenschap in dienst van het geloof tracht de rede zoveel mogelijk aan haar kant te krijgen. De ware wetenschap zal zich op het standpunt stellen niet menen te weten wat zij niet weet. Hoe het heelal precies ontstaan is weet niemand. En hoe oud de aarde is evenmin. Een veelheid van gegevens op tal van onderzoeksgebieden leidt tot een scala aan beweringen. Maar of die beweringen uiteindelijk waar zijn of niet is een kwestie van geloof of bewijs. Vaak tracht men die beweringen in de vorm van argumenten aannemelijk te maken, soms in de vorm van complexe berekeningen, of aan te tonen aan de hand van bewijsmateriaal. Maar aannemelijk maken is niet voldoende voor wetenschap en bewijsmateriaal kan onvoldoende, eenzijdig of niet sluitend zijn. En overtuigingskracht van wetenschappelijke bevindingen sluit nog niet in wetenschappelijk legitiem bewezen. Natuurwetenschappen vertellen juist een verhaal, hoewel ook deze kennis ten dele is, dat rijmt met de Bijbel. Issues zijn vooral tijd, ruimte en snelheid van processen. Omdat het menselijk voorstellingsvermogen tekort schiet duren bepaalde ontwikkelingen in dit verband in de seculiere wetenschap vooral heel lang en gaan ze heel langzaam. Maar of deze aannamen juist zijn houdt altijd een onzekerheidsprincipe in. Zowel de Bijbel als de natuurwetenschap vertellen ons dat tijd en dus afstand en snelheid relatief zijn. Daarom kunnen ontwikkelingen heel snel gaan in een hele korte tijd.

Theïstisch Evolutionisme: Aan beide zijden mank – Chris Verhagen (MSc.) sprak op Nederlands congres d.d. 26 februari 2021

Op 26 februari 2021 organiseerde ik, Jan van Meerten, namens Logos Instituut, een congres over ‘Geloof en Wetenschap’. Geneeskundige en psychiater Chris Verhagen (MSc.) sprak over het zogenoemde theïstisch evolutionisme. In zijn lezing gaf hij aan dat dit compromis aan beide zijden mank gaat. Deze video is, met dank aan Geloofstoerusting, opgenomen en hieronder te bekijken.

Goede voorlichting belangrijk bij gebruik puberteitsremmers – Zweeds onderzoek: aanpassing geslacht leidt niet tot minder stemmings- of angststoornissen

Over de gevolgen van het gebruik van puberteitsremmers op bijvoorbeeld de ontwikkeling van de hersenen is nog veel onduidelijk, betoogt Leontien Bakermans, die het hoog tijd vindt dat apothekers zich in de discussie mengen. “Het is belangrijk om in een vroeg stadium bij het recept betrokken te zijn, zodat de risico’s met kind en ouders besproken kunnen worden.”

Puberteitsremmers zijn volop in het nieuws: ze worden voorgeschreven vanaf ongeveer 11 jaar aan kinderen met genderdysforie (onvrede met het biologisch geslacht). Kwam genderdysforie tot een jaar of tien geleden zelden voor, de laatste jaren is er een exponentiële groei en een verschuiving naar het aandeel meisjes dat zich meldt bij de genderkliniek van ongeveer driekwart.1 Voor deze toename is nog geen verklaring gevonden.

De puberteit is een periode waarin kinderen zowel lichamelijk als geestelijk een enorme ontwikkeling doormaken. Puberteitsremmers stoppen die ontwikkeling. Bedoeld om de druk te verminderen van ‘in het verkeerde lijf te zitten’ en om te kunnen nadenken of de genderdysforie blijvend is – of niet – voordat wordt gestart met cross-sekshormonen (hormonen van het ander geslacht). Althans zo wordt het voorgesteld in de richtlijnen. Maar kloppen die richtlijnen? Om dat vast te stellen heb ik de literatuur geraadpleegd.

Puberteitsremmers zijn synthetische GnRH-achtige hormonen, die de werking van het natuurlijke GnRH stilleggen. Het zijn zware medicijnen die onder meer worden gebruikt om vleesbomen in de baarmoeder te verkleinen, maar ook om verkrachters chemisch te castreren. Ze zijn voor de behandeling van genderdysforie niet geregistreerd.

Door het stilleggen van het natuurlijke GnRH stopt de productie van testosteron bij jongens en oestrogeen bij meisjes. Hierdoor komen de uiterlijke geslachtskenmerken niet tot ontwikkeling. De geslachtsdelen blijven ‘bevroren’ in het stadium van puberale ontwikkeling waarin met de medicatie werd begonnen.

Gevolgen

Maar er zijn meer effecten:

Effect op botten

Hoe hoger de botdichtheid, hoe sterker de botten. In de periode voor de puberteit neemt de botdichtheid met 5% per jaar toe, tijdens de puberteit met 10% per jaar. Door het gebruik van puberteitsremmers stopt de toename en kan de botdichtheid niet z’n maximum bereiken.2 Het gevolg is een verhoogd risico op zwakke botten, botbreuken en chronische pijn. Pubers zullen minder snel groeien en minder lang worden.

Effect op vruchtbaarheid

Bij ‘transmeisjes’ stopt de ontwikkeling van de zaadballen door het testosteron verlagende effect door het gebruik van puberteitsremmers. Willen deze ‘transmeisjes’ op latere leeftijd eigen kinderen, dan kan dat alleen langs kunstmatige weg. Daartoe kunnen zaadcellen worden ingevroren. Is er nog geen zaadlozing geweest, dan moet eerst de zaadcelproductie op gang komen door de puberteitsremmers te stoppen. Maar er is geen garantie dat met de ingevroren zaadcellen ook daadwerkelijk een zwangerschap tot stand komt, als er een (draag)moeder wordt gevonden.

Bij ‘transjongens’ stopt de werking van de eierstokken. Voor een latere kinderwens zullen zij eicellen moeten laten invriezen.3 Ook wordt het bekken ‘bevroren’ in een kinderlijke configuratie. Dit bemoeilijkt een toekomstige natuurlijke bevalling.

Seksuele bevrediging

Kinderen bij wie de puberteit wordt gestopt voordat die goed en wel is begonnen, hebben vaak nog nooit een orgasme of seksuele ervaring gehad. Het wordt dan erg moeilijk om ooit nog een volwassen seksleven te hebben.4

Gevolgen voor latere geslachtsoperatie

Bij een geslachtsveranderende operatie voor ‘transmeisjes’ wordt met weefsel van de balzakken een vagina nagemaakt. Door de puberteitsremmers groeien de balzakken niet uit en is er niet genoeg materiaal voor het maken van een vagina. En moet dan ook darmweefsel worden gebruikt. Een nieuwe vagina uit balzakhuid is al een gecompliceerde operatie, maar het gebruik van darmweefsel brengt nog meer complicaties met zich mee. Een normale seksuele functie behoort helaas niet tot het resultaat.5

Effect op hersenen en psychische effecten

Studies hebben aangetoond dat het gebruik van puberteitsremmers kan leiden tot slechtere cognitieve en uitvoerende functies (zoals onthouden, plannen, redeneren, beslissen en uitvoeren van noodzakelijke acties). Bovendien is er meer kans op depressieve en emotionele (gedrags)problemen.6

Zorgvuldigheid

Genderklinieken vertellen dat deze periode is bedoeld om rustig na te denken of iemand de stap naar een leven in het andere geslacht echt wil zetten. De behandeling wordt voorgesteld als het indrukken van een simpele pauzeknop die de puberteit stilzet. En die desgewenst wordt gestopt waarna de puberteit wordt hervat. Klopt dat wel?

Theoretisch kun je natuurlijk op ieder moment stoppen met de puberteitsremmers. Maar zo natuurlijk of gemakkelijk is het helaas niet. Psychologisch zijn puberteitsremmers namelijk bijna onomkeerbaar, ze worden gezien als opstapje naar verdere transitie.7

Er is nog een groot aantal onbeantwoorde vragen. Denk bijvoorbeeld aan wat de gevolgen zijn op de psychosociale ontwikkeling van de hersenen. Maar ook aan de langetermijneffecten op de geestelijke gezondheid, kwaliteit van leven, osteoporose op latere leeftijd en cognitie.8

Omwenteling

In landen als Australië9, Finland10, Verenigd Koninkrijk11 en Zweden12 is een kentering te zien en wordt het voorschrijven van puberteitsremmers aan het begin van de puberteit als experimenteel en gevaarlijk bestempeld, mede vanwege nog onbekende langetermijneffecten. In Zweden toonde een onderzoek onder de totale bevolking aan dat geslachtsaanpassing niet leidde tot vermindering van stemmings- of angststoornissen. Dit heeft geresulteerd in meer nadruk op het belang van psychische behandeling.13

In Medisch Contact stond recent een opinieartikel over de (on)mogelijkheden van geslachtsverandering.14 Hoog tijd dat ook apothekers zich in de discussie gaan mengen, gezien de ernstige risico’s die aan de te gebruiken medicatie kleven die aan (onvolwassen) kinderen gegeven wordt.

Het is belangrijk om in een vroeg stadium bij het recept betrokken te zijn, zodat de risico’s met kind en ouders besproken kunnen worden. Dit is des te belangrijker omdat een aantal recepten online door buitenlandse artsen zijn afgegeven.15

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Pharmaceutisch Weekblad. De bronvermelding luidt: Bakermans, L., 2022, Goede voorlichting belangrijk bij gebruik puberteitsremmers, Pharmaceutisch Weekblad 157 (29/30): 14-15 (artikel).

Het boek Job en de schepping – Prof. dr. Mart-Jan Paul sprak op Nederlands congres d.d. 26 februari 2021

Op 26 februari 2021 organiseerde ik, Jan van Meerten, namens Logos Instituut, een congres over ‘Geloof en Wetenschap’. Oudtestamenticus prof. dr. Mart-Jan Paul sprak over het boek Job. Hij legde zijn focus daarbij op de oorsprong, het wereldbeeld, het klimaat en de dieren. Deze video is, met dank aan Geloofstoerusting, opgenomen en hieronder te bekijken.

Wetenschapsbijbel miskent scheppingsorde

Gender is een hot topic vandaag. Het was te verwachten dat de pas verschenen Wetenschapsbijbel er aandacht aan zou besteden. Helaas wordt er geen recht gedaan aan de Schrift.

Er wordt een heel lemma gewijd aan de manier waarop de Bijbel over man(nelijkheid) en vrouw(elijkheid) spreekt. Volgens de auteur, dr. Anne Mareike Schol-Wetter, is gender in de Bijbel „niet zozeer een vaststaand gegeven” als wel „een ideaal waaraan individuen in meer of mindere mate kunnen voldoen”. Voor mannen gaat het dan bijvoorbeeld om eigenschappen als dapperheid en zelfbeheersing.

Wie langs deze lijnen de Bijbel leest, ontdekt geregeld dat mannen door de mand vallen (denk aan David of Ahasveros). We kunnen de auteur alleen maar bijvallen dat er niemand is die aan het Bijbelse ideaal voldoet en dat de Schrift impliciet en expliciet ons bekritiseert. So far, so good.

Essentie

Mijn moeite met dit lemma zit vooral in het feit dat de auteur de vraag naar wat man en vrouw-zijn inhoudt en wat hen onderscheidt, (bewust?) lijkt te laten liggen. Ze richt zich vrijwel uitsluitend op wat mannelijk en vrouwelijk gedrag is, de functionele kant van het man en vrouw-zijn. Dr. Schol hoopt zo „af te [kunnen] stappen van een strikte tweedeling tussen mannen en vrouwen”. Het lijkt erop dat ze zich ver wil houden van vragen over de essentie van het man en vrouw-zijn. Maar die vlieger gaat niet op. Dan doe je ook geen recht aan de Schrift. Helaas is dat het geval in deze bijdrage.

Rolverhouding

Volgens de auteur waren er in de oudheid (en dus ook in de Bijbel) „geen automatisch (biologisch) verkregen en onvervreemdbare eigenschappen”. Dat is nonsens. Allereerst onderscheiden Genesis 1 en 2 duidelijk tussen de anatomie van man en vrouw en de sociale rol (genderrol). Oudtestamenticus Michael Levevre wijst erop dat ”zakar” (mannelijk) en ”neqebah” (vrouwelijk) uit Genesis 1 verwijzen naar de mannelijke en vrouwelijke anatomie, terwijl het ”ish” (man) en ”isha” (vrouw) uit Genesis 2 gebruikt worden voor de sociale rol van man en vrouw.

Daarnaast wordt de schepping van man en vrouw in Genesis 1 in één adem verbonden met de opdracht om vruchtbaar te zijn en de aarde te vervullen. Je hoeft geen bioloog te zijn om te weten dat dit onlosmakelijk verbonden is met de biologische constitutie van de man om kinderen te verwekken en van de vrouw om kinderen te baren.

Nog bonter maakt de schrijver het als ze stelt dat er in Genesis 1 en 2 nog geen sprake is van een onderlinge hiërarchie. Dat zou pas volgen op de zondeval. De schrijver gaat dus uit van een strikt egalitaire verhouding van man en vrouw. Dat is pertinent onwaar. De rolverhouding tussen man en vrouw is niet een gevolg van de zondeval, maar ligt in de schepping van man en vrouw zelf besloten.

De tekst van Genesis 1-3 maakt op allerlei manieren zichtbaar dat de rol van de man een andere is dan die van de vrouw. Adam is eerst gemaakt, niet Eva. Eva wordt uit Adam gemaakt, niet Adam uit Eva. Het is Adam die de dieren een naam geeft, niet Eva. Het is eveneens Adam die Eva haar naam geeft. Het is Adam die in de eerste plaats verantwoordelijk is voor de zondeval, niet Eva. Daarom roept God ook eerst Adam tot verantwoording, niet Eva: „Adam, waar zijt gij…?” Het is duidelijk dat Adam de eerste in orde is, de primus inter pares (de eerste onder zijn gelijken). Dit primaat wordt in de hele Schrift gehandhaafd: de man als ”hoofd” van de vrouw (bijvoorbeeld 1 Korinthe 11:3; Efeze 5:23).

Gelijk niveau

God geeft Eva als „hulp tegenover hem”. Ze is geschapen ter ondersteuning en completering van Adam. Adam is niet ‘af’ zonder Eva. Hij heeft haar nodig. Man en vrouw zijn niet gemaakt voor competitie, maar voor coöperatie.

”Hulp” is een militair woord dat gebruikt wordt voor een leger dat een ander leger te hulp schiet. Vrouwen zijn niet zwak, maar sterke en onmisbare hulptroepen. Het is een eretitel, een naam die God Zelf ook draagt: „Hij is onze Hulp en ons Schild”. (Psalm 33)

Dit ”hulp-zijn” betekent niet dat ze minder(waardig) is ten opzichte van de man. Ze is immers hulp tegenover hem. Niet onder hem, niet boven hem, maar tegenover. Op gelijk niveau. Ze kan hem in de ogen kijken. Maar hoewel gelijkwaardig, is ze wel anders en heeft ze ook een andere rol en roeping.

Dat is wat in de theologie bekend staat als de scheppingsorde: de man als hoofd, de vrouw als hulp. Hoewel dat tegenwoordig een vies woord lijkt en de auteur er zich verre van houdt, is dit direct af te leiden uit Genesis; het wordt bovendien in het Nieuwe Testament voluit bevestigd (2 Timotheus 2:13). Man en vrouw hebben beiden een verschillende rol en roeping – en dat is Gods gebruiksaanwijzing voor alle tijden.

Het is betreurenswaardig dat de auteur dit helemaal laat liggen. Niet alleen doen we dan ernstig tekort aan de gezonde woorden van de Schrift, we onthouden mannen en vrouwen bovendien een duidelijke, door God gewilde visie op wat het betekent om man en vrouw te zijn voor Gods aangezicht in de wereld van vandaag. En daar is niemand mee geholpen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2022, Wetenschapsbijbel miskent scheppingsorde, Reformatorisch Dagblad 52 (202): 28-29 (artikel).

Psychische gevolgen abortuspil lang onderschat

Het wetsvoorstel om de abortuspil bij de huisarts beschikbaar te krijgen, ligt nu bij de Eerste Kamer. De meningen zijn verdeeld. Nieuw Amerikaans onderzoek legt de vinger op de zere plek.

De CDC (Centers for Disease Control) melden dat in Amerika jaarlijks meer dan 1 miljoen zwangerschappen eindigen met een miskraam of doodgeboren kindje. Daarom wordt al jaren in oktober extra aandacht gegeven aan de pijn, de moeite en het verdriet van deze vrouwen met de ”Pregnancy & Infant Loss Awareness Month”.

“De studie laat zien dat een derde van de vrouwen na gebruikmaking van een medicamenteuze abortus (abortuspil) een negatief zelfbeeld hebben gekregen als gevolg van die ‘doe-het-zelf-thuisabortus'” De vrouw op de foto heeft geen relatie met het onderwerp. Bron: Pixabay.

Zelfbeeld

Uitgerekend in oktober van dit jaar verscheen er een nieuwe studie van de Amerikaanse non-profitorganisatie Support After Abortion, die mannen en vrouwen die worstelen met de gevolgen van een abortus helpt. Het is de eerste studie die uitsluitend de nadelige effecten van medicamenteuze abortussen onderzoekt. De studie laat zien dat een derde van de vrouwen na gebruikmaking van een medicamenteuze abortus (abortuspil) een negatief zelfbeeld hebben gekregen als gevolg van die ”doe-het-zelf-thuisabortus”.

Dat gaat namelijk zo. De eerste abortuspil wordt in een abortuscentrum ingenomen onder toezicht van een verpleegkundige. De tweede set abortuspillen wordt thuis toegediend door de zwangere vrouw zelf, waarna ze het kindje verliest. Hier is geen arts bij aanwezig. Deze werkwijze is in Amerika en in Nederland gelijk. Vrouwen kunnen bij de abortuspil niet boos worden op een ander die de abortus uitvoerde, maar enkel en alleen op zichzelf.

Counseling

Volgens Janine Marrone, oprichter van Support After Abortion, laat de studie ook duidelijk zien dat veel Amerikaanse vrouwen worstelen met de gevolgen van hun keuze voor abortus. Uit de nationale enquête blijkt namelijk dat 63 procent van de vrouwen na abortus hulp zocht of eigenlijk met iemand had willen praten. Slechts 18 procent van de vrouwen was zich bewust dat er zoiets als counseling na abortus bestaat.

Deze studie staat in schril contrast met hoe voorstanders en tegenstanders van abortus gewoonlijk abortusgerelateerde problemen duiden. Voorstanders in Amerika citeren vaak ”The Turnaway Study” om te kunnen beweren dat bijna geen enkele vrouw negatieve gevolgen van een abortus ervaart. Die studie heeft echter te maken met gebreken in de selectiecriteria, terwijl de nieuwe studie is gerandomiseerd in overeenstemming met demografische gegevens van het Amerikaanse CBS.

In Nederland wordt vaak het onderzoek van Jenneke Ditzhuizen onder 325 vrouwen aangehaald, om te onderbouwen dat vrouwen die psychische problemen krijgen na een abortus al psychische problemen hadden vóórdat de abortus plaatsvond. Echter, een veel groter Duits onderzoek uit 2019 onder 35.162 (!) vrouwen toonde juist het tegenovergestelde aan. Die studie wordt in Nederland genegeerd.

Trauma

Tegenstanders van abortus erkennen al lang dat abortusgerelateerde trauma’s bestaan; hun succesvolle behandelingsaanpak bestaat vaak uit persoonlijke, op geloof gebaseerde counseling en ondersteuning.

Volgens Lisa Rowe, CEO van Support After Abortion, leidt trauma vaak tot trauma: „Dit kan verklaren waarom 50 procent van de abortussen wordt ondergaan door vrouwen die al een eerdere abortus hebben ondergaan.” De erkende klinisch-maatschappelijk werker met een decennialange ervaring in het helpen van mensen die getraumatiseerd zijn door misbruik, verslaving en seksueel geweld zegt dat de campagne deze maand net zo goed bedoeld is voor vrouwen met problemen na abortus als voor vrouwen die worstelen na een miskraam of ander verlies. De methodiek, vragen, conclusies en gerelateerde documenten van deze studie zijn openbaar op de website van Support After Abortion.

In Nederland wil men huisartsen de mogelijkheid bieden om de abortuspil te verstrekken. Veel huisartsen blijken hieraan helemaal niet te willen meewerken. Ze vrezen, net als abortuscentra, dat dit een verslechtering van de procedure is.

Juist de stappen die in Nederland gezet zijn om de abortuspil eenvoudiger verkrijgbaar te maken (bovendien hoef je niet meer vijf dagen daarover na te denken), samen met de petitie om abortus uit het wetboek van strafrecht te halen, zetten vrouwen op het verkeerde been. Alsof een abortus een onschuldige ingreep zou zijn, te vergelijken met het nemen van een paracetamolletje. Dit onderzoek toont duidelijk het tegendeel aan. Het is tijd voor een pas op de plaats in ons land.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Helden, K. van, 2022, Psychische gevolgen abortuspil lang onderschat, Reformatorisch Dagblad 52 (166): 28-29 (artikel).

Over breinen en botten: konden oermensen praten? – Klaas Roos (MA) sprak op Nederlands congres d.d. 26 februari 2021

Op 26 februari 2021 organiseerde ik, Jan van Meerten, namens Logos Instituut, een congres over ‘Geloof en Wetenschap’. Taalkundige Klaas Roos (MA) sprak over taalwetenschap en paleoantropologie in een lezing met als titel ‘Over breinen en botten: konden oermensen praten?’ Deze video is, met dank aan Geloofstoerusting, opgenomen en hieronder te bekijken.

Sprookjesboek – Bespreking ‘Vuur dat nooit dooft’

René Erwich, hoogleraar praktische theologie, en Almatine Leene, predikant in de GKv, vatten een paar jaar geleden het plan op om de kerken te dienen bij het nadenken over gender en seksualiteit. Dat resulteerde onlangs in de uitgave van het boek Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit & theologie in gesprek. Helpt dit boek de kerken verder?

Opvallend is dat de beide auteurs niet uitgaan van het bestaan van twee geslachten, man en vrouw, maar kiezen voor een zogenoemde fluïde (vloeibare) benadering van gender en seksualiteit (p.31). ‘Gender zit tussen je oren en niet tussen je benen’, zeggen ze (p.72), waarbij hun taalgebruik wel iets zegt over hun sociaal-maatschappelijke oriëntatie.

De auteurs menen dat alle transgender zelfidentificatie (= zelf bepalen of je man, vrouw of iets anders bent) een vorm van geslachtsvariatie is, punt. Pluriforme genderidentiteit (het bestaan van allerlei genders) leidt volgens hen tot een prachtige theologische verdieping, waarbij al het mannelijke en vrouwelijke in iedereen uiteindelijk zijn bestemming vindt in Christus. (p.240)

Eros

Het gaat in dit boek ten diepste om eros, seksueel verlangen met een onlosmakelijke lichamelijke component. Volgens Erwich en Leene heeft dit verlangen een normatieve functie: ze zien de mens met zijn gevoelens als normatieve genderidentiteit en dat bepaalt uiteindelijk wat ethisch gewenst is. Dat de Bijbel ook spreekt over liefde in brede zin (het verlossende agape voor een gevallen wereld, ook in seksueel opzicht), over Adam als het mannelijke verbondshoofd en over een ordening van de samenleving volgens de schepping – dat is voor de auteurs niet van belang. Waar de Schrift in deze patriarchale termen spreekt, beoordelen ze dat negatief en als cultureel bepaald. (p.159) ‘Feitelijk is dit een vorm van seksisme, het bevoorrechten van een geslacht boven een ander geslacht en dat heeft veel invloed gehad en heeft dat nog steeds.’ (p.38) Zowel de Bijbel als de christelijke liturgieën en liederen staan hier schuldig voor het aangezicht van de auteurs.

Geslachtsblindheid

Het boek volgt kritiekloos de theorie van Thomas Laqueur.1 De auteurs menen dat mannelijk en vrouwelijk slechts principes zijn en geen seksen (p.51). Het verschil zou gradueel zijn: ‘er is één geslacht en dat is mannelijk. Pas rond 1800 veranderde deze gedachte’. Dit is wel een zeer verwarde kijk op de opvattingen van vroegere geslachten.

Het principiële probleem dat ook hier terugkeert is dat de auteurs de theologische notie van het verbond niet verdisconteren. Ook hun taalkundig geheugen is kort. Tot in de twintigste eeuw beschouwde men het vrouwelijke als bij het mannelijke inbegrepen. Er is in de Schrift en de Westerse traditie weliswaar sprake van één menselijk geslacht (of bloed, vgl. Hand. 17:26), maar zowel theologisch, biologisch als sociaal werd dit altijd strikt gescheiden in mannelijk en vrouwelijk.

Het menselijk denken, ons kijken naar de werkelijkheid en de taalkundige uitdrukking ervan, verloopt al duizenden jaren in termen van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Dat de wereld vanaf de Franse Revolutie de man niet meer ziet als verbondshoofd van de schepping, die verantwoording aan God schuldig is, moge duidelijk zijn. Maar dat betekent geenszins dat de westerse samenleving pas rond 1800 begon te denken in termen van mannelijk en vrouwelijk. Wie dat zegt, heeft nooit echt Grieks, Latijn, Frans of oudere vormen van Nederlands gestudeerd. Daarbij: alleen al de middeleeuwse kerkelijke regels over intersekse (hoogst uitzonderlijke gevallen waarbij iemand met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken ter wereld komt) laten zien dat het denken in twee geslachten – mannelijk en vrouwelijk – ook voor 1800 voluit normatief was. Na de puberteit moest men zich conformeren aan zijn/haar biologische geslacht en daarbij blijven.

Vaagheid

Naar duidelijke seksuele moraal en normativiteit zoekt de lezer in dit boek tevergeefs. De hoofdregel is dat er geen sprake mag zijn van misbruik of ongewenstheid. De theologie heeft als gesprekspartner slechts te zeggen dat wederkerigheid van seksueel verlangen als lichamelijke expressie belangrijk is (p.201). Zou iemand die onbevangen het Nieuwe Testament leest ook tot die conclusie komen?

Een seksueel actieve Jezus is in dit boek kennelijk een optie. De auteurs spreken van ‘een al dan niet gehuwde Christus’ en ‘Christus als huwelijkspartner vooral in metaforische zin’ (p.151). Daarbij geven ze de indruk zich te distantiëren van de vroege kerk. De superioriteit van het celibatair leven zoals bepaalde kerkvaders dit voorstonden, was ‘gebaseerd op hun overtuiging dat Jezus niet getrouwd was’ (p.151).

Schriftgebruik

Het boek kenmerkt zich door situatie-ethiek, dat wil zeggen dat er geen vaste waarheid of normatieve ethische handelwijze is die overal voor alle mensen geldt. Het benadert de Schrift exegetisch niet als eenheid, als Godspraak van de Geest. Veel wat de auteurs niet uitkomt, verwerpen ze als achterhaald of cultureel bepaald. Paulus’ veroordeling van homoseksualiteit op grond van Gods natuurlijke openbaring (Rom. 1) wordt bij Erwich en Leene: ‘Paulus richt zich tegen homoseksuele activiteit waarin sprake is van misbruik en exploitatie’ (p.166). Natuurlijk doet de apostel dit impliciet ook, maar de tekst verwerpt homoseksueel gedrag van mannen en vrouwen expliciet op grond van Gods scheppingsbedoeling.

Een tekst die de auteurs past, ontvangt daarentegen de hoogste lof zonder dat de tekstuele context verrekend wordt. Zo wordt 1 Korintiërs 7:4 (‘ook de man beschikt niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw’) geprezen als zeer revolutionair, want in de Romeinse wereld zou seksualiteit een uitdrukking van macht zijn geweest ‘van mannen naar vrouwen’ (p.159). Ten diepste is dit een biblicistische benadering, een vorm van liberaal buikspreken die teksten losmaakt uit het denken van de Schrift en integreert in een andere levens- en wereldbeschouwing.

Historisch brongebruik

De selectieve omgang met primaire bronnen beperkt zich niet tot de Bijbel. De auteurs menen blijkbaar dat ze op deze wijze ook mogen omgaan met de kerkgeschiedenis. Ik geef een aantal voorbeelden van wat de auteurs zeggen en vergelijk dat met de werkelijkheid zoals die uit de kerkelijke bronnen blijkt.

Geen echtelijk verkeer voor geestelijken?

‘In 303 werd al geëist dat zowel bisschoppen, priesters en diakenen, alsook geestelijken die aan het altaar dienen zich
onthielden van echtelijk verkeer en moesten ophouden met het verwekken van kinderen’ (p.53).

De werkelijkheid: de vroege kerk kende geen algemeen verbod op seks voor geestelijken. Erwich en Leene zeggen niet wie of welke vergadering dit eiste, maar bedoelen waarschijnlijk de synode van Elvira (al dateren ze die elders in 306). Veel geleerden plaatsen de synode niet in 306 maar tussen 300 en 303, voor de grote vervolging onder keizer Diocletianus.) Het gaat hier hoe dan ook om een regionale kerkelijke wet die ingegeven was door een specifieke historische situatie waarin men het onverantwoord vond om zijn vrouw zwanger te maken. De inhoud van canon (regel) 33 is een logisch uitvloeisel van Mattheus 24:19 (‘Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen’) en 1 Korintiërs 7:29 (‘Laten zij die vrouwen hebben, voortaan zijn alsof ze die niet hebben’). Zelfs het middeleeuwse canonrecht (bijv. Hostiensis, Lectura X 3.34.7) behandelt echtelijk verkeer binnen het huwelijk als een verplichting die ook aan de vrouw verschuldigd is. Wel kwam er uit hygiënische overwegingen een verbod op seksuele omgang van geestelijken voorafgaand aan de eucharistiebediening.

Geen seks in het decanaat?

‘Op het concilie van Elvira in 306 werd besloten dat hogere geestelijken (paus, dekens en bisschoppen) zich moesten onthouden van seks’ (p.53).

De werkelijkheid: Elvira was een regionale synode in Spanje die geen besluiten nam voor de hele kerk. Het besluit waarvan de auteurs hier spreken is overigens niet terug te vinden in de canones van Elvira. Bovendien: de paus bestond in 306 nog niet, alle metropolieten werden ‘paus’ genoemd. Ook dekens bestonden in 306 niet. Het decanaat is een organisatievorm die pas in de negende eeuw in Frankrijk ontstond en zich daarna over de westerse kerk verbreidde. Dat er getrouwde bisschoppen waren, is goed gedocumenteerd. De Westerse Kerk telde tot ver in de middeleeuwen pausen die getrouwd waren: Adrianus II (867–872) leefde met zijn vrouw in het Lateraanse paleis, Johannes XVII (1003) trouwde voordat hij gekozen werd tot bisschop van Rome. Dat een bisschop ‘de man van één vrouw’ moet zijn (1 Tim. 3:2) werd door de kerk niet in twijfel getrokken.

Zelfverminking Origenes?

‘Bijvoorbeeld de kerkvader Origenes (184-253) die zichzelf castreerde. Daar kreeg hij later spijt van, want
zo hoefde hij het gevecht met seksuele begeerten niet meer aan te gaan’ (p.54).

De werkelijkheid: In zijn late werk over het gebed (De Oratione XX.1) schrijft Origenes dat iemand die gecastreerd is niet in de kerk mag komen. Dit maakt zijn zelfcastratie historisch onwaarschijnlijk. Dat hij er later spijt van kreeg omdat hij graag de strijd aan wilde gaan tegen seksuele begeerten is een psychologisch inzicht van Erwich en Leene dat niet te herleiden is tot het werk van Origenes.

Zelfcastratie wenselijk?

‘De gedachte dat Jezus snel zou terugkomen had vooral aan het begin van de kerkgeschiedenis grote invloed. Het krijgen van kinderen was dan immers minder belangrijk. Het huwelijk bevolkt de aarde, maagdelijkheid de hemel en die hemel was voor veel mensen de belangrijkste prioriteit. Zelfcastratie was daarom wenselijk’ (p.55).

De werkelijkheid: wie aan zelfcastratie deed kwam onder tucht en mocht geen priester worden (canon 1 van Nicea 325). Kerkvaders als Chrysostomos spraken in dit verband van ‘moordenaars van Gods schepping’.

Transitie door onthouding?

‘Seksuele onthouding bood mensen met een lage status (vrouwen, armen en ongeschoolden) de mogelijkheid om een held te worden. Deze maagden hadden volgens Clemens hun seksualiteit overwonnen en daardoor konden zij mannelijke functies bekleden in de kerk. Ze werden niet langer als vrouwen gezien, maar als leden van een derde gender’ (p.56).

De werkelijkheid: Een derde gender dat toelating geeft tot de kerkelijke ambten is niet terug te vinden bij Clemens van Alexandrië, maar is een radicale feministische (her)interpretatie van zijn werk door de historicus April DeConick. De vroegkerkelijke schrijvers zijn eenduidig: de kerkelijke ambten zijn voorbehouden aan mannen die aan de voorwaarden voldoen. Er is geen derde sekse van vrouwen die een transitie tot man hebben ondergaan.

De vrouw een mislukte man?

‘De gedachte dat vrouwen eigenlijk mislukte mannen waren, zoals men in de oudheid al dacht, vind je dus terug in de vroege kerkgeschiedenis’ (p.56).

De werkelijkheid: Hiëronymus schreef aan een moeder die de maagdelijkheid van haar dochters wilde beschermen. Daarvoor geeft hij praktische tips. Het vrouwenlichaam is zo uiterst mooi en aantrekkelijk dat het tot zonde of een legitiem huwelijk kan verleiden. Wie maagd wil blijven, moet zich daarvan bewust zijn en ingetogen optreden uit zelfbescherming.

Prostitutie noodzakelijk?

‘De visie van de kerkvaders had ervoor gezorgd dat het huwelijk in de Middeleeuwen lange tijd werd veracht… Prostitutie was soms noodzakelijk omdat men niet wilde dat het zaad van een man verspild werd…’ (p.57).

De werkelijkheid: Hoewel de overheid dikwijls een tolerant beleid voerde, veroordeelden de middeleeuwse kerkelijke
canonregels seks buiten het huwelijk; seks met een prostituee gold als verzwarende omstandigheid.2 De canonregels eisten overigens zwaardere straffen voor bezoekers van prostituées en eigenaren van hoerenhuizen dan voor de betrokken vrouwen.

Conclusie

Vuur dat nooit dooft schept eigen waarheden in zijn omgang met de Schrift en de kerkgeschiedenis. Wie serieus beweert: dat de Kerk zelfcastratie wenselijk achtte, prostitutie noodzakelijk vond om geen zaad te verspillen, en vrouwen beschouwde als mislukte mannen die via seksuele onthouding konden uitstijgen tot een derde gender – doet niet aan wetenschap maar schrijft een sprookjesboek. Daarmee zijn de kerken niet gediend. Het boek wil helpen het open gesprek over seksualiteit serieus te voeren, ook als er verschil van inzicht blijft bestaan (p.249). Deze recensie bewijst dat het in ieder geval in dat opzicht geslaagd is.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Nader Bekeken. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2022, Sprookjesboek, Nader Bekeken 29 (9): 304-308.

Boek ‘Vuur dat nooit dooft’ vermijdt echt theologische discussie

Er is een zeer sterke neiging zichtbaar om mensen die zich rekenen tot de lhbtiq+-gemeenschap ook vanuit de kerkelijke wereld met compassie en meeleven te bejegenen. Maar mag de Schrift daarbij zijn eigen zeggingskracht behouden?

Het boek ‘Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit en theologie in gesprek’ van prof. dr. René Erwich en dr. Almatine Leene (RD 24-6 en 8-8) heb ik kort na de verschijning van voor naar achter gelezen. Opvallend is dat het boek bijna geheel is gewijd aan de genderproblematiek, terwijl de titel is ontleend aan Hooglied 8:7 en 8, dat één grote ode is aan de liefde tussen man en vrouw (M en V).

Het is mij duidelijk geworden dat de auteurs van ‘Vuur dat nooit dooft’ ruimte zoeken voor alle mogelijke genderuitingsvormen. Een woordvoerder van de organisatie van de Canal Pride in Amsterdam verklaarde op tv dat nu alle letters van het alfabet bij deze manifestatie wel zo’n beetje vertegenwoordigd waren. Het is voor mij echter de vraag of deze ‘rek’ aanwezig is in het Hooglied. Maar de titel van het boek is daar wel aan ontleend!

Maar één conclusie

Het boek is één grote hoeveelheid citaten van vele auteurs. Het toont een enorme belezenheid, die breed wordt uitgestald. Veel mensen zullen erdoor geïmponeerd raken, om niet te zeggen overweldigd. Ik las al ergens dat iemand het boek een ”must have” had genoemd.

Ik begreep dat bij de presentatie nadruk werd gelegd op het niet innemen van standpunten. Dat bevreemdt mij, want de opbouw van het boek is van dien aard dat mensen op grond van het aangedragen materiaal eigenlijk maar één conclusie kunnen trekken: er moet in kerk en samenleving ruimte komen voor alle lhbtiq+-ers en men zou in de kerkelijke wereld niet al bij voorbaat een anti-houding moeten aannemen.

Hermeneutische sleutel

Mij echter overtuigde het boek eigenlijk niet. Ik kwam erachter dat de conclusies ervan al van tevoren vaststonden. De schrijvers kozen voor „het narratief van verlangen” dat in de Bijbel verankerd zou liggen. Dat is hun hermeneutische sleutel. Daarmee hopen ze dat alles wat ze schrijven plausibiliteit krijgt.

In de aanvulling van de auteurs (RD 8-8) op het verslag van de boekpresentatie (RD 24-6) wordt gesteld dat de normativiteit van de Schrift in gesprek moet worden gebracht met inzichten uit andere wetenschappen. Dat lijkt me een goed uitgangspunt, maar hoe voorkomen we dat de Bijbel meteen wordt weggeblazen? Mag de Schrift zijn eigen zeggingskracht behouden?

Onoverkomelijk

Een werkelijk theologische discussie gaan de schrijvers naar mijn opvatting uit de weg. Serieuze tegenspraak komt niet in het boek voor. Ik ben benieuwd naar wat het voor de auteurs betekent dat „zulke mensen (onder anderen mannen die met mannen slapen) het Koninkrijk van God niet zullen beërven” (1 Korinthe 6:10).

Feitelijk is dit een tuchtuitspraak. Ik kan mij niet voorstellen dat andere wetenschappelijke disciplines het gesprek willen en kunnen aangaan over deze uitspraak van Paulus, die niet getuigt van enige acceptatie. In het Bijbels-theologische hoofdstuk geven de schrijvers geen bevredigend antwoord op dit punt, dat voor velen wél onoverkomelijk is in zo’n genderdiscussie.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Horjus, Y., 2022, Boek ”Vuur dat nooit dooft” vermijdt echt theologische discussie, Reformatorisch Dagblad 52 (112): 25 (artikel).