Home » Gastbijdrage

Categoriearchief: Gastbijdrage

De werkpaarden van de cel: Kinesinen – Intelligent Design in de biologische cel

In onze cellen gebeuren wonderlijke dingen. We zien Meesterwerken van micro-engineering. Neem bijvoorbeeld kinesinen. Dit zijn de werkpaarden van de cel. Kinesinen verplaatsen ladingen door de cel die vele malen groter zijn dan hun eigen grootte Dit vindt plaats via ‘lange’ transportbanden (microtubili). Kinesinen hebben twee ‘voeten’ die een vorm hebben van een nano-ei. Deze ‘bolvormige voeten’ kunnen ze verplaatsen en door de ene ‘voet’ voor de andere ‘voet’ te zetten ‘lopen’ ze over de microtubilus. Discovery Institute heeft hier een animatie van gemaakt. Wanneer u de Engelse taal niet machtig bent dan kunt u de Nederlandse ondertiteling aanzetten. Verwonder u over het intelligente ontwerp van onze Schepper!

Spreek als ouders eerlijk en open over seksualiteit

Kinderen en jongeren hebben recht op eerlijke seksuele voorlichting. Ouders kunnen er al vroeg mee beginnen door seksualiteit gaandeweg te bespreken in het dagelijks leven. Vertel dan wat de Heere ermee bedoelt.

“Ouders kunnen niet te vroeg beginnen met het bieden van seksuele voorlichting of opvoeding. Bij elke ontwikkelingsfase past seksuele opvoeding. Dat hoeft niet met een zwaar gesprek, maar kan stap voor stap en gedurende de jaren.” Bron: Unsplash.

In gesprek gaan met je kind over onderwerpen als seksualiteit, geslachtsgemeenschap, het voorkomen van zwangerschap en seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) blijkt voor veel christelijke ouders een brug te ver. Dat zegt 75 procent van de studenten die werden ondervraagd in een onderzoek van het Nederlands Dagblad (RD 16-5). Vorige week werd hieraan toegevoegd dat veel studenten ook aangeven porno te kijken en daar moeilijk van los kunnen komen. Dit onderzoek houdt ons als ouders een spiegel voor en roept allerlei vragen op.

Iedereen begrijpt dat dit geen gemakkelijk onderwerp is, dat je ‘zomaar’ bespreekt. Maar in deze tijd van seksuele verwarring is een goed gesprek met ons kind hard nodig. En heeft ook een jongvolwassene, nu bijvoorbeeld allerlei vormen van genderbeleving voorkomen, niet juist daar behoefte aan? Aan de keukentafel, in de auto, tijdens een wandeling, ’s avonds laat bij een vuurtje. Vaak zijn dit gouden momenten voor een diepgaand gesprek, zeker als het over seksualiteit gaat.

Kinderen en jongeren hebben recht op eerlijke seksuele voorlichting. Ouders kunnen daarmee al vroeg beginnen door seksualiteit gaandeweg te bespreken in het dagelijks leven. Kinderen vinden het niet vreemd als je, passend bij hun leeftijd en karakter, steeds iets meer aan hen vertelt over hoe de Heere ons heeft geschapen en seksualiteit bedoelt. Spreek daarbij ook over grenzen en zelfbeheersing. Benoem dat God van ons vraagt dat we onze seksuele gevoelens beheersen en bewaren voor binnen het huwelijk. Als ouders open zijn, geeft dit aan kinderen ruimte om ook open te zijn.

Vergaande vragen

Uit het ND-onderzoek blijkt dat het echt relevant is om over deze zaken in alle eerlijkheid te spreken. Dit is dus een belangrijke taak voor ouders. Maar naast deze oproep aan ouders zou aan de respondenten van het onderzoek deze vraag gesteld kunnen worden: Kan het verwijt aan ouders dat er te weinig gesproken is over seksualiteit ook een excuus zijn om grenzen te verleggen?

Volgens onderzoeker Van Dijk heeft het algemene denken onder christenen zijn intrede gedaan. Opvattingen verschuiven, zelfs wanneer het gaat over het huwelijk en het bewaren van de seksuele omgang voor binnen het huwelijk. Met seksuele omgang voor het huwelijk met een vaste partner of verloofde wordt automatisch een grens verlegd. Als de relatie verbroken wordt en een nieuwe relatie wordt aangegaan, heeft men immers ook een nieuwe bedpartner.

Het onderzoek toont verder dat jongeren vragen hebben over het voorkomen van zwangerschappen en soa’s en over hoe ouders intieme zaken beleven. Het is goed dat ouders ook hierover eerlijk spreken. Uit algemeen wetenschappelijk onderzoek blijkt namelijk dat ouders en verzorgers van invloed zijn op de latere beleving van seksualiteit van hun kinderen. Goede voorlichting leidt ertoe dat kinderen in een later stadium aan seksuele activiteiten beginnen. Openheid en eerlijkheid betekenen niet dat u zich volledig bloot hoeft te geven. Jongeren zullen begrijpen en aanvoelen dat vragen over hoe vaak u gemeenschap hebt en wat u het fijnste vindt echt privé zijn.

Onzekerheid

Laten we onze eigen waarden en normen rond seksualiteit overdragen, zoals we in onze gezinnen ook spreken over godsdienstige zaken, kledingkeuze, financiële keuzes en beroepskeuze. De bedding van de christelijke opvoeding en gewetensvorming is belangrijk voor de vorming van jongeren op het gebied van de seksuele omgang voor het huwelijk.

Prof. dr. J. Waterink geeft in zijn boekje ”Aan moeders hand tot Jezus” (blz. 103) hierover het volgende aan: „Arme ouders, die pogen over godsdienstige dingen met hun kind te spreken, terwijl het kind van dag tot dag sterker bevroedt en met groter zekerheid gaat weten dat vader en moeder hem over seksuele dingen leugentjes vertellen. (…) Juist de onzekerheid waarin de kinderen komen ten gevolge van het seksuele ontwaken, is zo dikwijls een basis voor religieuze twijfel. Stap daarom omwille van onze kinderen over eigen gêne heen, het ongemak voorbij.”

Dilemma’s

Bij gesprekken over seksualiteit kunnen ouders dilemma’s ervaren:

1. Is mijn kind niet te jong voor seksuele voorlichting?

Ouders kunnen niet te vroeg beginnen met het bieden van seksuele voorlichting of opvoeding. Bij elke ontwikkelingsfase past seksuele opvoeding. Dat hoeft niet met een zwaar gesprek, maar kan stap voor stap en gedurende de jaren. Daarbij helpt het als je als ouder jouw kennis over de seksuele ontwikkeling vergroot.

2. Breng ik mijn kind met voorlichting niet op slechte ideeën?

Ouders zijn dikwijls bang om slapende honden wakker te maken („als je erover praat gaan ze het juist doen”). Uit onderzoek blijkt echter dat deze angsten onnodig zijn. Kinderen die opgroeien in een warm gezin waarin seksualiteit een plek in de opvoeding heeft, zijn later beter in staat de juiste keuzes te maken. Bovendien krijgen zij minder te maken met seksueel grensoverschrijdend gedrag.

Wanneer er meer openheid is, leren kinderen en jongeren duidelijker hun grenzen aan te geven binnen en buiten het gezin. Hopelijk voorkomt dit (het lang voortduren van) misbruik (incest).

3. Mijn kind stelt geen vragen.

Niet alle kinderen stellen vragen over seksualiteit. Sommige kinderen vragen sowieso weinig. Maar zou dat dan mogen betekenen dat zij ook minder antwoorden krijgen? Er zijn ook kinderen die wel vragen hebben over seksualiteit maar deze niet durven te stellen, omdat ze voelen dat het onderwerp taboe is. Zelf het initiatief nemen om over seksualiteit te praten, kan dit taboe doorbreken.

4. Wat als ik me er ongemakkelijk bij voel?

Kinderen voelen het goed aan als ouders liever niet over seksualiteit praten. Om die reden vragen ze dan maar niets meer. Geef eerlijk toe dat u het lastig vindt. Of vertel dat u niet gewend bent om erover te spreken. Houd het luchtig. Het hoeft niet altijd een heel gesprek te zijn; gewone opmerkingen, al dan niet met een vleugje humor, kunnen al betekenisvol zijn. Door ervaring op te doen, zal uw zelfvertrouwen groeien.

5. Op school krijgt mijn kind toch seksuele voorlichting?

De Reformatorische Oudervereniging (ROV) merkt steeds vaker dat ouders de voorlichting aan de school overlaten. Elke school bespreekt zeker onderwerpen rond seksualiteit. Sterker nog: scholen zijn het verplicht; er zijn kerndoelen voor geformuleerd. Het mooie is dat op het voortgezet onderwijs, wanneer de omstandigheden veilig genoeg zijn, de leerlingen er dan ook met elkaar of de docent over durven te spreken. Toch zullen ook daar vragen onbesproken blijven die jongeren wel hebben.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Lassche-van Grol, G., 2022, Spreek als ouders eerlijk en open over seksualiteit, Reformatorisch Dagblad 52 (50): 28-29 (artikel).

Q&A n.a.v. Wetenschappelijke argumenten voor het bestaan van God – Theoloog Tom van Hoogstraten (MA) sprak voor ‘De Verbinding’

Op vrijdag 8 april 2022 organiseerde Baptistengemeente ‘De Verbinding’ te Amsterdam een avond over geloof en wetenschap. Theoloog Tom van Hoogstraten (MA) hield een lezing met als titel ‘Wetenschappelijke argumenten voor het bestaan van God’. Deze lezing is hier te bekijken en te beluisteren. Na afloop van de lezing kreeg het publiek de gelegenheid om vragen te stellen en vertelde Van Hoogstraten ook nog iets over de evolutietheorie.

Je geslacht zomaar veranderen, moet dat kunnen? – Video van de Nederlandse Patiëntenvereniging (NPV)

In de nieuwsbrief van de Nederlandse Patiëntenvereniging (NPV) werd een informatieve video geplaatst over geslachtsverandering en waarom het onverstandig is om mee te gaan in de iniatieftransgenderwet. Hieronder is de video gedeeld. Veel zegen bij het kijken en luisteren.

In de politiek wordt gewerkt aan een wetsvoorstel om een geslachtsverandering nog makkelijker te maken. Volgens dat voorstel zou er geen diagnose van een arts meer nodig zijn en geldt ook niet meer de leeftijdsgrens van 16 jaar en ouder. Op dit moment moet nog wel aan die voorwaarden worden voldaan. Dus: je moet ouder zijn dan 16 jaar, én je hebt een verklaring nodig van een arts of psycholoog.

Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar

Op 10 juni 2022 presenteerde minister Van der Wal haar startnotitie ”Nationaal Programma Landelijk Gebied”, met daarin ”richtinggevende emissie- reductiedoelstellingen”. Bij de boeren sloeg de notitie in als een bom.

De kabinetsplannen leiden tot veel commotie en de vraag of het allemaal wel nodig is. Daarbij wordt de onderbouwing ervan sterk betwijfeld. En dat onder het motto: ”Het gaat om metingen en feiten en niet om theoretische modellen.” Een motto van niet alleen boeren maar ook van een deel van de politieke partijen, zoals blijkt uit de nipt aangenomen VVD-motie op dit punt. Hieronder mijn reactie op de onderbouwing van de kabinetsplannen in vijf vragen en antwoorden.

1. Is een gemiddelde emissie- reductie van 50 procent nodig voor de natuur?

Vanuit de natuur gezien is dat zeker zo. Ammoniak en stikstofoxiden vermesten en verzuren de natuur al meer dan veertig jaar. De diversiteit aan plantensoorten neemt af door een onbalans in voedingsstoffen, enerzijds een tekort aan calcium, kalium en magnesium en anderzijds een overschot aan stikstof. Dat heeft negatieve effecten op de insecten-, vlinder- en vogelstand. Landelijk gezien gaat de biodiversiteit al decennia meetbaar achteruit door de uitstoot van stikstof boven de zogeheten ”kritische depositiewaarde”. Emissie- reductie zorgt wel voor herstel maar door jarenlange overbelasting slechts in beperkte mate. Bij de achteruitgang van de natuur speelt er uiteraard meer dan alleen stikstofdepositie, maar de verstoring van het ecosysteem door stikstof staat buiten kijf en is op vele gegevens en metingen gebaseerd.

2. Zijn die berekende overschrijdingen van kritische depositiewaarden wel realistisch als ze niet zijn gemeten?

Gemiddeld zeker wel. Modellen staan niet tegenover metingen, maar worden ermee gecombineerd. Modellen worden gebruikt om vragen te beantwoorden die je met metingen alleen niet kunt beantwoorden. Bijvoorbeeld het vaststellen van de bijdrage van landbouw, verkeer, industrie en buitenland aan de belasting van ammoniak en stikstofoxiden op natuur. Want je kunt die stikstofconcentraties wel meten, maar deze metingen vertellen je niet precies welke sector er verantwoordelijk voor is.

Modellen zijn pas bruikbaar als de modelresultaten goed overeenkomen met de metingen. Wat betreft stikstof is dit op landelijke en provinciale schaal het geval. Die conclusie volgt uit de gemiddeld goede overeenstemming tussen modelberekeningen en metingen op honderden plekken. De metingen liggen veelal zelfs iets hoger. Mede op basis daarvan zijn emissieschattingen ook bijgesteld. Wel is het waar dat in de berekende depositie en ook in de (overschrijding van de) kritische depositie er lokaal grote afwijkingen mogelijk zijn. Meer metingen veranderen echter weinig tot niets aan het landelijke beeld.

3. Is de variatie in emissie- reductiedoelstellingen goed onderbouwd?

Nee, wat mij betreft niet. Het kaartje met ”richtinggevende emissiereductiedoelstellingen” dat de commotie veroorzaakt, bevat precieze getallen van 12, 47, 58, 70 en 95 procent. De waarden tot 58 procent zijn gebaseerd op het halen van bepaalde ammoniakreductiedoelen; die van 70 en 95 procent op heel hoge reductie in de buurt van Natura 2000-gebieden. De effectiviteit van die aanpak is nergens onderbouwd.

Het principe om per gebied een reductiepercentage vast te stellen, is een begrijpelijk uitgangspunt. Het kabinetsbeleid is om in 2030 bijna driekwart van de natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde te hebben. Bij een gelijke emissiereductie over heel Nederland kom je dan op 50 procent. Maar dat kan natuurlijk efficiënter door meer reductie te bewerkstelligen in gebieden waar de uitstoot hoog is en waar boerderijen vlak bij gevoelige natuurgebieden liggen. Dan is het niet vreemd dat je gebieden aanwijst met een reductie die hoger dan wel lager is dan het gemiddelde van 50 procent.

Maar een benadering met minder grote verschillen in reductiepercentages (bijvoorbeeld in vier klassen van 20 tot 70 procent) in grotere deelgebieden is om meerdere redenen verstandiger dan de huidige aanpak van zeer precieze reducties in veel deelgebieden met grote verschillen op heel korte afstand. De ondergrens van 20 procent is met relatief eenvoudige en betaalbare maatregelen te halen zonder het inkrimpen van de veestapel. De hogere percentages komen dan in gebieden met een toenemende opgave.

Minder klassen en grotere gebieden zijn ook logisch gezien de grote opgaves die er liggen op het gebied van klimaat, wat veel minder een regionale opgave is. Ten slotte zal het ook juridisch tot minder hoofdbrekens leiden. Ook bij deze aanpak is het overigens onvermijdelijk dat de boerensector in gebieden met de hoogste reductiedoelstelling moet inkrimpen. Want innovatie en techniek alleen zijn niet voldoende.

4. Is dan nog het middel niet erger dan de kwaal?

Bedenk bij de beantwoording van die vraag: het probleem is breder. Ten eerste is stikstof- emissie niet alleen een probleem voor de natuur maar ook voor onze gezondheid. Stikstofoxiden en ammoniak leveren beide een hoge bijdrage aan fijnstof, in Nederland circa 40 procent. Fijnstof is zeer schadelijk voor onze gezondheid. Volgens schattingen draagt fijnstof voor 21 procent bij aan alle bronchitisklachten, voor 11 procent aan longkankersterfte en voor 1 tot 2 procent aan luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. Stikstof- oxiden in de atmosfeer zijn daarbij overigens extra schadelijk voor onze gezondheid mede ook door de vorming van ozon.

Verder leidt de huidige vorm van landbouw ook tot problemen met de waterkwaliteit. Ook draagt die significant bij aan het klimaatprobleem. Minister Van der Wal spreekt dan ook steeds over natuur én water én klimaat. Behalve aan uitstoot aan ammoniak draagt de veestapel in sterke mate ook bij aan de uitstoot van de broeikasgassen lachgas en methaan. Verder spoelt stikstof, met name in de vorm van nitraat, uit naar grondwater en oppervlaktewater. Samen met de uitspoeling van fosfaat leidt dit tot een afname van de waterkwaliteit, waardoor de diversiteit en aantallen aan waterplanten, macrofauna en vissen afneemt.

Kortom, het is van belang om integraal te denken en bij maatregelen niet louter naar het effect op de stikstofdepositie te kijken. Wie al die doelstellingen samen beziet, kan niet anders dan concluderen dat naast innovatie ook een reductie van de veestapel noodzakelijk is.

5. En waarom vooral de boerensector?

Omdat de bijdrage van die sector veruit het grootst is, ook omdat ammoniak dichter bij de bron neerslaat dan stikstofoxiden, die voor het grootste deel de grens overgaan. Maar er moet zeker meer aandacht komen voor het evenredig verdelen van de pijn. Want daar steekt het bij de boeren. Het gevoel dat men gewoon kan blijven vliegen en rijden, terwijl zij alle pijn lijden. Hoewel het waar is dat de bijdrage van de industrie en het verkeer aan de stikstofdepositie circa vier maal zo laag is als die vanuit de landbouw, is het bij elkaar wel de helft. Niet bepaald verwaarloosbaar. En de effecten van de uitstoot van stikstofoxiden op de gezondheid, die ernstiger zijn dan die van de uitstoot van ammoniak, zouden ook zwaarder moeten meetellen. Inderdaad is de bijdrage van vliegverkeer maar een beperkt deel van de totale verkeersbijdrage en onvergelijkbaar met de bijdrage van de landbouw. Maar de klimaateffecten van vliegen zijn wel heel significant.

Ook hier geldt dat we het niet alleen van techniek moeten verwachten, zoals schonere auto’s en vliegtuigen, maar dat er ook een gedragsverandering moet komen. Meer de fiets en het openbaar vervoer, minder de auto en het vliegtuig. Naast veestapelreductie ook transportreductie. Ook de industrie moet bijdragen. Alleen dan dragen we het in solidariteit.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2022, Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar, Reformatorisch Dagblad 52 (66): 20-21 (artikel).

Van prof. De Vries verschenen al eerder twee artikelen over het stikstofprobleem op deze website, zie hier en hier.

Gedrag niet volledig gestuurd door hersenstructuren

Het functioneren van iemands hersenen op een bepaald moment hangt samen met diens aanleg, maar vormt óók de neerslag van een hele ontwikkeling van die persoon, dus inclusief diens keuzes in het omgaan met de eigen aanleg.

In een recente bijeenkomst over gendergelijkheid en transgenders (RD 24-5) riep ik de vraag op of genderdysforie (gevoel van onbehagen over je biologische geslacht) vergelijkbaar is met anorexia nervosa (eetstoornis). Volgens prof. Martin den Heijer, expert wat betreft genderdysforie, zijn die twee niet goed vergelijkbaar, omdat genderdysforie gepaard gaat met specifieke hersenstructuren en daarmee als het ware verankerd ligt in de hersenen. Genderdysforie is dus niet maar een psychische beleving, maar heeft een lichamelijke basis. Dit laatste zal waar zijn. Overigens geldt ook voor anorexia nervosa dat die gepaard gaat met bepaalde ongebruikelijke hersenactiviteiten.

Maar wat zegt dat over de onvermijdelijkheid van bepaald gedrag? Bepalen de hersenstructuren (hoe dan ook ontstaan) het gedrag van mensen? Dan zouden bepaalde gedragingen eigenlijk niet of nauwelijks nog een keuze van die persoon zijn. Erkennend dat er een nauwe relatie is tussen hersenen en gedrag, denk ik dat die visie in haar algemeenheid te simpel en daarmee onjuist is. De relatie is minder deterministisch dan in een directe oorzakelijke relatie het geval zou zijn.

Verantwoordelijkheid

Dit wordt geïllustreerd door het voorbeeld dat ik onlangs las van een Amerikaans-Joodse forensisch psychiater, James Fallon.1 Deze geleerde was ook expert in het lezen van hersenscans. Hij had veel studie gemaakt van de hersenen van psychopathische mensen zoals seriemoordenaars en had voor rechtbanken getuigd dat die mensen niet (volledig) verantwoordelijk waren voor hun afwijkende gedrag. (Een psychopaat is iemand met antisociaal of crimineel gedrag.)

Bij een onderzoek van zijn eigen familie kreeg hij een geanonimiseerde scan te zien. Hij concludeerde dat de desbetreffende persoon een potentieel gevaarlijke antisociale persoonlijkheidsstoornis had. Later bleek die scan zijn eigen hersenen te tonen. Door deze schokkende bevinding ging hij de relatie tussen hersenen en genetische aanleg enerzijds en gedrag anderzijds nader onderzoeken. Hoe kwam het dat hij zich met de hersenen van een psychopaat had ontwikkeld tot de sociale en toegewijde man die hij was?

Als Jood zocht hij ook in de Talmoed. Zo ontdekte hij dat de beroemde rabbijn Maimonides erkent dat mensen van de Schepper aanleg meekrijgen voor bepaalde competenties en gedrag. Maar hij spreekt tegen dat de aanleg bepaald gedrag zou veróórzaken. Ieder mens houdt een eigen verantwoordelijkheid als persoon. Hoe kunnen we dat in onze tijd onder woorden brengen?

Hersenen zijn geen zelfstandig onderdeel van een mens. Het brein veroorzaakt geen gedrag, ook al kan in bepaalde situaties een bepaald functioneren van hersenen een sterke neiging bevatten tot bepaald gedrag, bijvoorbeeld bij ernstige verslaving. Maar hoe komt het dat hersenen op een bepaald moment zo functioneren? Daaraan gaan vele interacties vooraf tussen genen, omgevingsinvloeden, de ontwikkeling van de hersenen én keuzes die iemand maakt. Het functioneren van hersenen op een bepaald moment vormt óók de neerslag van een hele ontwikkeling van die persoon, dus inclusief diens keuzes in het omgaan met de eigen aanleg.

Ik wil dit verduidelijken met een beeld. Ons leven is als varen in een roeiboot. De kenmerken van het bootje en de riemen zijn de aanleg, onder andere in de genen en de hersenontwikkeling. Die beïnvloeden sterk hoe zwaar en hoe snel het roeien gaat. Met gemankeerde riemen is het slecht roeien. Maar ze bepalen niet de richting die je gaat.

Meer filosofisch gezegd: onze hersenen zijn een noodzákelijke voorwaarde voor normaal functioneren maar ze zijn niet de óórzaak van menselijke vermogens en gedrag. Dat we voor ons denken, ons willen, ons moreel besef en onze religieuze ervaring van goed functionerende hersenen afhankelijk zijn, wil nog niet zeggen dat de hersenen ook de inhoud van dat denken, dat willen, die moraal en die religieuze ervaring bepalen!

Gemeenschap der heiligen

Vooral in de fase waarin de hersenen zich nog ontwikkelen –tot omstreeks 22 jaar– zal gedrag dat uitgaat van opvoeding, moraal, aangewende disciplines en eigen overtuiging mede vormgeven aan de verder hersenontwikkeling. Afhankelijk van de uitgangssituatie zal dat meer of minder moeilijk zijn. Maar er is geen volledige sturing van gedrag door de hersenstructuren, ongeacht de omgeving en de eigen wil en keuze.

Discussies over genen, hersenen en gedrag geven niet zelden te weinig aandacht aan het eigen ik van de persoon. En al helemaal niet aan wat God kan doen in het leven van gelovigen, in „de gemeenschap der heiligen” levend. Dit kan te gemakkelijk gezegd worden, maar we moeten dit niet vergeten.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Jochemsen, H., 2022, Gedrag niet volledig gestuurd door hersenstructuren, Reformatorisch Dagblad 52 (56): 26-27 (artikel).

Neuropsycholoog prof. dr. André Aleman heeft ook geschreven en gesproken over neurowetenschappen en de vrije wil. Bijvoorbeeld bij zijn boekpresentatie hier.

‘Het boek bevat een aanzet tot doordenking van dit thema vanuit diverse invalshoeken’ – Bespreking van ‘Transgenderisme in Bijbels perspectief’

Onlangs ontvingen wij het verzoek van de voorzitter van Bijbels Beraad M/V of wij aandacht wilden schenken aan hun nieuwe publicatie Transgenderisme in Bijbels perspectief: Doordenking voor thuis, op school en in de kerk. Graag voldoen we aan dit verzoek. Het boek bevat een aanzet tot doordenking van dit thema vanuit diverse invalshoeken: maatschappelijk, filosofisch-historisch, medisch-ethisch en Bijbels.1

Inhoud

Transgender is een term voor mensen die zich niet eenduidig met hun geboortegeslacht wensen te identificeren (pag. 21). De meeste bijdragen in dit boek zijn van de redacteur dr. B.A. Zuiddam (hoofdstuk 1: als transgenderisme uw wereld binnenkomt). De Bijbelse bezinning in hoofdstuk 3 ‘wereldbeeld en Bijbeluitleg’ is afkomstig van hem. Eén bijdrage heeft hij samen met ds. C. Sonnevelt geschreven: hoofdstuk 5: ‘wat zegt de Bijbel?’. Twee ervaringsverhalen van de ex-transgender Laura Perry (hoofdstuk 2) en een anonieme vader van een transgender (hoofdstuk 8) maken concreet wat het fenomeen in de praktijk betekent.

Geschiedenis

Het is een goed leesbaar boek geworden, waarbij er bij twee stukken wat meer achtergrond nodig is om een en ander goed te kunnen plaatsen. Het betreft in de eerste plaats de filosofisch-historische bijdrage in hoofdstuk 4 van de, volgens de gereformeerde redactie, roomse auteur prof. dr. A.A.M. Kinneging. Deze auteur gaat van het transgenderisme terug tot de Verlichting en de Franse Revolutie, maar hij noemt ook de Romantiek als een beweging die vanuit hetzelfde uitgangspunt vertrekt: vrijheid en gelijkheid. Ondanks de geleerde en fraaie analyse, riep de volgende typisch roomse opmerking bij mij wel vervreemding op, namelijk dat als men voor de troon van God staat en verantwoording moet afleggen het er om gaat “dat men kan laten zien serieus geprobeerd te hebben een goed mens te zijn” (pag. 84).

Financiering transgenderbeweging

In de tweede plaats gaat het om de medisch-ethische reflectie van drs. Elise van Hoek–Burgerhart. Dit zevende hoofdstuk is een leerzaam informatief stuk. Zo legt zij bloot hoe de jongeren ideologisch beïnvloed worden via sociale media, activisten, overheidssubsidies, lesmateriaal en onderwijs. Politieke belangenorganisaties maken zich internationaal sterk. Man en paard worden genoemd. Drie Amerikaanse miljardairs hebben de transgenderbeweging gefinancierd: Jennifer Pritzker, Jon Stryker en George Soros (pag. 143). Tegenstanders van deze beweging krijgen te maken met agressie en bedreiging (p. 147–148). Zij concludeert ondermeer: “Ook de geldstromen en vormen van beïnvloeding moeten bespreekbaar gemaakt worden. Kinderen maken via door de overheid gesubsidieerde voorlichting of via verplichte schoolboeken kennis met nieuwe ideologische opvattingen over geslacht en gender waarbij een biologische, feitelijke basis ontbreekt. Onderzoek en gesprek moeten openlijk kunnen worden uitgevoerd, zonder kritiek of vormen van dreigen.” (pag. 149).

Bijbelse bezinning

Wij moeten een boek beoordelen om wat het is, en niet om wat het niet is. Toch zou ik Bijbels Beraad M/V op willen roepen om juist de Bijbelse bezinning op dit thema verder te ontwikkelen. Hoewel het hier een aanzet betreft tot Bijbelse bezinning op dit thema merk ik op dat deze bezinning tot nog toe veel te summier is gebleven. De bronnen van Godskennis, namelijk natuur en Schriftuur worden genoemd, maar een bijdrage met bezinning over de leer van de zonde, waaronder de erfzonde en erfsmet, ontbreken. Het moge waar zijn dat de Bijbel niet uitgebreid ingaat op het moderne onderwerp transgenderisme (wel op travestie), maar over het onnatuurlijk afwijken van Gods scheppingsordinantiën is in het kader van de zonde wel meer te zeggen.

Het boekje is prima geschikt als een introductie voor ouders, leerkrachten of ambtsdragers die nog weinig van dit onderwerp weten en zich hierover vanuit een Bijbels gereformeerd perspectief willen laten informeren.

© Gereformeerd Venster. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de digitale nieuwsbrief Gereformeerd Venster. Abonneren kan via info@gereformeerdvenster.nl of www.gereformeerdvenster.nl. Een abonnee op deze nieuwsbrief is gratis!

Voetnoten

Wetenschappelijke argumenten voor het bestaan van God – Theoloog Tom van Hoogstraten (MA) sprak voor ‘De Verbinding’

Op vrijdag 8 april 2022 organiseerde Baptistengemeente ‘De Verbinding’ te Amsterdam een avond over geloof en wetenschap. Theoloog Tom van Hoogstraten (MA) hield een lezing met als titel ‘Wetenschappelijke argumenten voor het bestaan van God’. Tom studeerde onder andere af aan de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) op een variant op het teleologische argument, geformuleerd door de bekende godsdienstfilosoof Richard Swinburne. Met dank aan ‘De Verbinding’ is deze lezing opgenomen en kunnen wij deze hieronder delen.

Waarom is de SGP wel voor de doodstraf en niet voor abortus? – Verdediging van mr. Diederik van Dijk

Afgelopen week was er in de Eerste Kamer een debat over de afschaffing van het beraadtermijn. Mr. Diederik van Dijk verzorgde ook een inleiding (hier te lezen). Na zijn inleiding reageerde mr. Boris Dittrich (D66) en drs. Roel van Gurp (GroenLinks) op Van Dijk. Hieronder wordt dit debat weergegeven.

‘Het niveau van een beschaving is onder andere af te meten aan de wijze waarop zij omgaat met mensen en met menselijk leven’- Van Dijk over beraadtermijn abortus

Lees hier de bijdrage van SGP-Senator mr. Diederik van Dijk aan het debat over het wetsvoorstel van Jan Paternotte (D66), Attje Kuiken (PvdA), Corinne Ellemeet (GroenLinks) en Jeroen van Wijngaarden (VVD) over de afschaffing van de verplichte beraadtermijn bij abortus.

“Daarnaast is de vaste beraadtermijn bij uitstek gericht op vrouwen in een kwetsbare positie. In paniek kunnen zij kiezen voor een uiterst korte beraadtermijn en komen tot een keuze die later leidt tot spijt.” De vrouw op de foto heeft geen relatie tot het onderwerp. Bron: Pixabay.

Cultuur van leven

Een debat over de beraadtermijn voor abortus spitst zich al snel toe op de autonomie van de individuele vrouw of op de bescherming van het ongeboren meisje of jongetje. Daar ga ik het ook over hebben, maar eerst het grotere plaatje.

Het niveau van een beschaving, van een cultuur, is onder andere af te meten aan de wijze waarop zij omgaat met mensen en met menselijk leven. Geldt het recht van de sterkste of heb je als samenleving hart en oog voor het leven dat zichzelf niet kan redden? Is er oog, niet in de laatste plaats, voor gebutst of kwetsbaar leven? Voor leven dat zelf nog geen stem heeft, of geen stem meer heeft. Denk aan het ongeboren leven, aan verstandelijk of fysiek beperkten, aan hen die psychisch lijden of dementeren. Hoe gaan wij om met de sprakelozen? Zijn zij niet de kanarie in de kolenmijn?

Volgens mij zijn alle fracties in dit huis het er min of meer over eens dat we mededogen moeten hebben met de ander, zorg voor diegenen die geen helper hebben en die zichzelf niet kunnen redden. Juist de linkse, progressieve fracties worden niet moe dit te beklemtonen en dit zijn goede noties. Zou het dan niet echt progressief zijn om abortus op zoveel mogelijk manieren te voorkomen en tegen te gaan? En te erkennen dat het volstrekt achterhaald is om het afbreken van een zwangerschap, van nieuw leven, als oplossing te zien in een beschaafde samenleving?

Juist in het licht hiervan vraag ik de indieners hoe de drijfveren achter hun wetsvoorstel zich hiertoe verhouden. Het wetsvoorstel beoogt abortus nog toegankelijker, eenvoudiger en laagdrempeliger te maken. Ieder obstakel voor een abortus, hier in de vorm van een vaste beraadtermijn, lijkt te moeten worden weggenomen. De vrouwen die abortus overwegen bevinden zich echter in een door hen ervaren noodsituatie. Zij hebben hulp nodig en niet alleen keuzevrijheid. Hoe kijken de indieners aan tegen deze stelling?

In ons land is abortus toegankelijk en relatief eenvoudig te realiseren. Ruim 31.000 abortussen per jaar, mogelijk tot 24 weken zwangerschap. Nergens in de EU is er zolang ruimte om de toekomst van een mensenleventje door te knippen. En we weten dat abortus om vrijwel iedere denkbare reden gepleegd wordt, vooral sociale redenen. Vanwege financiën, een compleet gezin, vanwege huisvesting, een verbroken relatie, vanwege studie, een handicap, etc.

Het begrip ‘noodsituatie’ is ver uitgehold. Hoe past dit in een cultuur waarin men streeft naar hulp voor een ieder die het niet alleen redt in het leven? ‘Laat iedereen vrij, maar niemand vallen’, zo stelt een politieke partij. Is abortus niet te veel genormaliseerd geworden?

Ik denk, met verdriet, aan beelden van juichende Kamerleden op het moment dat wetten worden aanvaard die abortus simpeler maken, met teksten die je eerder op geboortekaartjes verwacht. Wat voor cultuur scheppen wij als we er niet van opkijken dat abortus zo’n gangbare optie is geworden en we verdere verruiming van de abortuswetgeving vieren?

Hoe zien wij een cultuur waarin het ongeboren leven op zo weinig bescherming kan rekenen? We zijn vandaag erg druk met het samenleven met heel verschillende mensen. Daarom maken we een speerpunt van het tegengaan van discriminatie, geweld of racisme. Dat doen we op basis van de intrinsieke waardigheid die ieder mens bezit, door God gegeven.

Maar wat leren we elkaar en wat geven we jongeren mee als we het zo eenvoudig maken om menselijk leven te kunnen doden? Het wetsvoorstel kiest níet haar vertrekpunt in de beschermwaardigheid van het leven. Erkennen de indieners dat vergroten van de keuzevrijheid hier ten koste gaat van nieuw leven?

Ik moet denken aan het volgende citaat van de Amerikaanse pro-choice cultuurcriticus Maggie Nelson, in een recent Volkskrant-artikel. Zij zegt: “Feministen zullen nooit bumperstickers maken met een tekst als ‘Het is zowel een keuze als een kind’. ‘Maar daar komt het natuurlijk wel op neer, en dat weten we allemaal.” Ze besluit: ‘We zijn niet gek; we begrijpen heel goed wat er op het spel staat. Soms kiezen wij voor de dood.

Ik zou het winst vinden als het debat op dit principiële niveau plaatsvindt. De keerzijde van het bejubelde recht op zelfbeschikking is het mogen doden van een ander mensenleven. Voor meer dan 30.000 kinderen per jaar eindigt het leven voordat het goed en wel begonnen is.

Wat doet dit met het respect voor een mensenleven dat zo essentieel is voor een samenleving? Hoe kunnen we jongeren leren dat ze met respect met anderen moeten omgaan als zelfs het meest kwetsbare leven op zo weinig bescherming kan rekenen?

Ik hoor graag een reflectie van de indieners en de minister hierop. Het zou zoveel mooier zijn als we met z’n allen zouden gaan voor een cultuur van léven waar iedereen er mag zijn. Vanzelfsprekend appelleert zo’n cultuur ook voluit aan de verantwoordelijkheid van vaders. En biedt zo’n cultuur de allerbeste, liefdevolle hulp aan vrouwen in nood.

Aspecten

Dan de verschillende aspecten van het wetsvoorstel, waarvan al veel in de Tweede Kamer is besproken. De indieners weten wel dat hun wetsvoorstel echt niet rechtstreeks voortvloeit uit de gedane evaluaties van de abortuswet. De betreffende onderzoekers geven zelf ook sterk de beperkingen van hun onderzoek aan, zowel methodologisch als wat betreft representativiteit. Hoe zien de indieners deze beperkte scope?

Er zijn maar weinig hulpverleners en vrouwen ondervraagd voor de evaluatie en de visie van vrouwen zelf op de beraadtermijn is al helemaal niet uitvoerig onderzocht. Of de voordelen van de beraadtermijn opwegen tegen de nadelen is ook niet onderzocht, terwijl de onderzoekers van de laatste evaluatie juist daartoe opriepen.

De onderzoekers zeggen zelf: “Gelet op de lage respons en de wijze van selectie lenen de resultaten zich er niet voor om een representatief beeld te schetsen van de ervaringen en opvattingen van vrouwen die een abortusbehandeling hebben ondergaan. De resultaten moeten daarom met grote voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.” Waarom nemen de indieners die waarschuwingen tot behoedzaamheid niet serieuzer?

De indieners kunnen op grond van de evaluatie immers niet uitsluiten dat een flexibele termijn ertoe kan leiden dat beslissingen wel impulsiever worden genomen of dat aandacht voor alternatieven minder ruimte krijgt, met levenslange gevolgen voor de betreffende vrouw en het kind.

De tweede evaluatie Wafz (Wet afbreking zwangerschap) toont allerminst aan dat de vaste beraadtermijn een onnodige barrière zou zijn. De betreffende aanbeveling is veeleer opiniërend dan gestoeld op passend onderzoek. Wat drijft de indieners als het niet de bescherming van het ongeboren leven is, ook niet de duidelijke wens van de professionals, en ook niet de onderzochte wens van onbedoeld zwangere vrouwen om dit wetsvoorstel door te zetten?

Daarnaast is de vaste beraadtermijn bij uitstek gericht op vrouwen in een kwetsbare positie. In paniek kunnen zij kiezen voor een uiterst korte beraadtermijn en komen tot een keuze die later leidt tot spijt. Ik denk aan jonge meiden, aan vrouwen die door hun omstandigheden abortus als de enige uitweg zien, maar ook aan vrouwen die tot abortus komen vanwege druk uit de omgeving.

Het is dan goed om rustig na te denken nádat er een gesprek met een professional is geweest van wie je alle informatie hebt gehad. De indieners jubelen over de hoge kwaliteit van de abortuszorg en de gespreksvoering. Die informatie moet dan toch ook verwerkt kunnen worden?

Uit de laatste evaluatie van de abortuswet blijkt dat ruim tweederde van de hulpverleners in klinieken en ziekenhuizen overwegend positief zijn over de beraadtermijn. Een meerderheid geeft aan dat die impulsieve beslissingen kan voorkomen.

Evenals de overheid lijden de initiatiefnemers aan overschatting van de zelfredzaamheid van de gemiddelde burger. Het wetsvoorstel gaat uit van de autonome, zelfbeschikkende vrouw die alle informatie op een rijtje heeft, zelfs voordat zij naar een dokter of kliniek stapt. Het denkproces over abortus zou dan al eerder begonnen zijn en daarom zou een vaste beraadtermijn overbodig zijn. Voor kwetsbare vrouwen kan dit heel anders zijn. Het schrappen van de vaste beraadtermijn doet bij hen juist geen recht aan de vrije en zelfstandige keuze.

Een meerderheid van de zorgverleners, zo blijkt uit de laatste evaluatie, is het niet eens met de stelling dat de beraadtermijn overbodig is, omdat het denkproces al eerder is begonnen. Er is onder de zorgverleners ook geen meerderheid die zegt dat de huidige beraadtermijn te rigide is. Hoe kunnen de indieners deze argumenten dan zo zwaar aanzetten?

De praktijk van voorlichting rond COVID-vaccinatie, maar ook rond de Donorwet, heeft laten zien dat lang niet alle Nederlanders toegang hebben tot gezondheidsinformatie. Hoe geven de indieners zich hier rekenschap van? De werkelijkheid is dat vrouwen nu al vaak niet de informatie krijgen waar ze op grond van de wet recht op hebben. Zie de evaluaties. Laten we eerst waarborgen dat alle vrouwen goede en eerlijke informatie krijgen over abortus en alternatieven. Dat is logischer dan te beginnen bij afschaffing van de vaste beraadtermijn.

Abortus is onomkeerbaar. We weten uit onderzoek dat veel vrouwen kunnen twijfelen over abortus, maar dat niet altijd laten merken aan de arts. Een vaste bedenktijd schept duidelijkheid voor de vrouw en voor de arts. Is dit ook niet juridisch van belang? Hoe kan het toetsen en handhaven van een onbepaalde norm nu goed doenlijk zijn?

Tot slot vraag ik de minister hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het kabinetsbeleid om te komen tot minder abortussen. Trekken de verschillende initiatiefwetten het coalitieakkoord niet uit balans?

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van de website van de Staatkundige Gereformeerde Partij (SGP). Het originele artikel is hier te vinden.

Over de afschaffing van het beraadtermijn zijn op deze website nog vier andere artikelen verschenen. Zie hier (ir. Chris Stoffer), hier (Tineke Huizinga), hier (drs. Edward Groenenboom en drs. Aart van Wolfswinkel) en hier (mr. Diederik van Dijk).