Home » Scheppingsparadigma

Categoriearchief: Scheppingsparadigma

In het begin – Luisteren naar Genesis 1 en 2

De openingshoofdstukken van het boek Genesis leveren in onze tijd veel discussie op. Cornelis Van Dam, emeritus hoogleraar Oude Testament van het Canadian Reformed Theological Seminary in Hamilton, stelt de vraag of deze hoofdstukken geschiedenis beschrijven. Hij merkt dat steeds meer theologen die vraag negatief beantwoorden en daarmee afwijken van vroegere opvattingen. Voor hem is de vraag een aangelegen punt en het antwoord betreft zelfs de fundering waarop het evangelie rust.

In het boek beperkt Van Dam zich grotendeels tot de eerste twee hoofdstukken van Genesis, zonder de lezer duidelijk te maken waarom hij het derde hoofdstuk niet behandelt. Het doel van de auteur is niet zozeer een veelzijdig commentaar of een verklaring van elk vers in deze hoofdstukken te geven. Zijn onderzoeksvraag is vooral wat God ons openbaart over de historiciteit van Genesis 1 en 2. In de bespreking blijkt welke visie Van Dam heeft op deze openbaring: God was de enige die aanwezig was bij de schepping van alle dingen en Hij heeft ons bekendgemaakt wat we nodig hebben om te weten over deze gebeurtenissen in het begin van de tijd. Tevens is de ‘helderheid’ van de Schrift van belang: de lezer van Genesis is niet afhankelijk van hedendaagse geleerden om de basisbetekenis te begrijpen. Van Dam verzet zich tegen de uitleggers die menen dat het doel van deze hoofdstukken slechts is om theologische waarheden door te geven.

De auteur staat stil bij buiten-Bijbelse verhalen en hun betekenis voor de uitleg van de Bijbel. Hij geeft daarbij speciale aandacht aan de ‘speech act theory’. Terwijl het belangrijkste front van het boek de opvattingen zijn die verbonden zijn met het theïstische evolutionisme, ziet Van Dam ook problemen in creationistische kring. Die betreffen vooral de visie dat Genesis 1-3 een wetenschappelijk verslag zou bieden en dat de scheppingsdagen precies 24 uur geduurd hebben. De schepping vond volgens hem plaats in werkdagen van God, met een avond en een morgen. Ze zijn te vergelijken met onze dagen, en niet met perioden, maar de lengte wordt niet meegedeeld. Op basis van de structuur van het boek Genesis en de gehanteerde stijl in de eerste hoofdstukken beschouwt Van Dam deze gedeelten als historisch. De duisternis in 1:2 is ‘goed’ en heeft nog niet het onheilspellende karakter dat in diverse latere teksten naar voren komt. Van Dam geeft speciale aandacht aan het karakter van de zevende dag. Hij bespreekt ook de relatie tussen Genesis 1 en 2. Het veldgewas dat in 2:5 genoemd wordt, is gewas dat pas na de verdrijving uit de hof groeit, niet het groen dat op de derde dag geschapen werd. Hoewel tegenwoordig de hof van Eden vaak met een tempel vergeleken wordt, zijn er erg weinig overeenkomsten.

De auteur komt oorspronkelijk uit Nederland en hij citeert veel van ‘onze’ auteurs. Dat betreft vooral Bavinck, maar ook namen als Aalders, Berkouwer, Dooyeweerd, Noordtzij, Ridderbos en Versteeg komen langs, en uit later tijd Douma, Huijgen en Van den Brink.

Voor de uitleg van Genesis 1 en 2 zijn de goddelijke verklaringen in Exodus 20:11 en 31:17 normatief. Datzelfde geldt voor uitspraken van Jezus en Paulus. Daarmee staat Van Dam in de klassieke christelijke lijn en hij voert veel argumenten aan voor die uitleg. Op allerlei plaatsen neemt hij stelling tegen hedendaagse auteurs als John H. Walton en Paul H. Seely. Hun belangrijkste argumenten worden zorgvuldig besproken en van tegenargumenten voorzien.

De bespreking van een andere Schriftbeschouwing, waarbij het boek Genesis in later tijd ontstaan is en daarmee vooral de opvattingen van de Israëlieten in de tijd van de koningen weerspiegelt, komt minder uit de verf. Die opvatting blijkt bijvoorbeeld in het recente boek van Henk G. Geertsema, Bijbel en evolutie. Die auteur ziet in de Bijbel een ‘verrassende ruimte’ voor een evolutieproces. Voor Van Dam is het duidelijk dat dergelijke opvattingen zich niet verdragen met het klassieke belijden van de kerk. Het betekent wel dat de discussie doorgaat, niet slechts over de uitlegkundige details, maar ook over de voorvragen. In die discussie is het de winst van dit boek dat Van Dam heel expliciet ingaat op veel hedendaagse herinterpretaties en daarbij wil laten zien dat die in exegetisch opzicht problematisch zijn. Wat mij betreft doet hij dit overtuigend. Zijn boek bevat een schat aan gegevens voor de verdediging van de klassieke uitleg van Genesis 1-2.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Theologia Reformata. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Paul, M.J., 2021, Boekbespreking, Theologia Reformata 64 (3): 292-293.

Carnotaurus had schubben geen veren – Nieuw onderzoek naar de huid van deze theropode

We weten heel veel over dinosauriërs. Ondertussen weten we ook dat sommige beesten die wij dinosauriërs noemen veren hadden. Veel wetenschappers die uitgaan van de historische betrouwbaarheid van de Bijbel erkennen dit ook.1 Bij sommige paleontologen, ‘fossielkundigen’, bestaat echter de neiging om op zo veel mogelijk dinosauriërs veren te plakken. Zeker de beesten die in de vermeende afstammingslijn van de moderne vogels zitten. Nieuw onderzoek wijst uit dat we hiermee voorzichtig moeten zijn. Zo werd recent ontdekt dat volwassen Tyrannosauriërs en Allosauriërs geen veren hadden.2 Sinds vorige maand kunnen we ook de Carnotaurus aan dit rijtje toevoegen.

Screenshot van de Carnotaurus uit de speelfilm ‘Jurrassic World: Fallen Kingdom’ (2018).

Carnotaurus

Carnotaurus behoort tot de onderorde Theropoda. Een groep vleesetende dinosauriërs waaronder ook de bekende Tyrannosaurus en Spinosaurus behoren. In 1984 werd een uitzonderlijk compleet skelet van de Carnotaurus sastrei gevonden in Patagonië (Argentinië). De theropode is te herkennen aan zijn hele korte voorpootjes en het heeft hoorns op zijn kop. Na zevenendertig jaar is dit nog steeds het enige skelet van het beest dat gevonden is. Het fossiel is gevonden in de Zuid-Amerikaanse Krijtlagen. De meeste creationisten denken daarom dat de Carnotaurus vóór de zondvloed leefde en tijdens de zondvloed is omgekomen.3 Op de Nederlandstalige Wikipedia staat een uitgebreide (naturalistische) beschrijving van het beest.4

Huid

Naast botten zijn er in Patagonië ook stukjes huid gevonden van deze Carnotaurus. Afgelopen jaar werden deze stukjes huid voor het eerst in detail onderzocht. Vorige maand werden de resultaten van dit onderzoek gepubliceerd in Cretaceous Research onder de titel ‘The scaly skin of the abelisaurid Carnotaurus sastrei (Theropoda: Ceratosauria) from the Upper Cretaceous of Patagonia’. De onderzoekers zijn dr. Christophe Hendrickx van de Unidad Ejecutora Lillo en dr. Phil Bell van de University of England.5 Het is een zeldzaam verschijnsel dat naast een vrijwel compleet skelet ook veel stukjes huid gevonden zijn van een individu. De huid bestaat uit middelgrote tot grote schubben (diameter van 20-65 mm) omgeven door een netwerk van kleine schubben (kleiner dan 14 mm). Deze dinohuid was meer gevarieerd dan eerder gedacht. De onderzoekers denken dat dit beest een actieve levensstijl had en snel kon lopen.6 Ze speculeren daarom dat de huid een onmisbare rol speelde in de thermoregulatie (warmte afvoer). De paper bevat veel details en prachtige foto’s over de huid en de rol van deze beschermlaag in het leven van de Carnotaurus. Wil je meer weten dan is het beslist de moeite waard de hele paper te lezen.

Geen veren

Uit deze studie blijkt dat de Carnotaurus geen veren heeft gehad. Dat wil niet zeggen dat alle theropode dinosauriërs géén veren hadden. Bij de in China gevonden Yutyrannus zijn veerresten bij de staart gevonden. Het laat wel zien dat we voorzichtig moeten zijn met het opplakken van veren op theropode dinosauriërs. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen welke theropode dinosauriërs wel veren hadden en welke niet. We kunnen in ieder geval de Carnotaurus toevoegen aan het rijtje van veerloze dinosauriërs.7

Voetnoten

Genesis deel 1: Inleiding – Bioloog Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over het eerste Bijbelboek

Genesis, hoe alles begon. Bioloog ir. Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over Genesis. Vandaag het eerste deel: Inleiding. De video duurt 18 minuten. Volgende week donderdag het tweede deel. Veel zegen bij het kijken!

Wie is de vrouw van Kaïn? – Een antwoord van Jan Rein de Wit

In 2014 nam Geloofstoerusting in samenwerking met de Reformatorische Omroep een serie video’s op over zaken die raken aan het scheppingsparadigma. Vandaag een video met voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit, over de bekende vraag wie de vrouw van Kaïn was. Veel zegen bij het kijken!

Het icoon van de ID-beweging bekeken door de ogen van een ingenieur – Drie nieuwe papers over het flagel

Het zweepstaartje (flagellum of flagel), het voortbewegingsorganel van een eencellig organisme, is een bekend organel en verheven tot icoon van de ID-beweging.1 Het is een niet-reduceerbaar complex organel en vormt daarmee een belangrijk argument voor Intelligent Design (ID) en tegen de standaard evolutietheorie. Uiteraard wordt hierover gediscussieerd tussen voor- en tegenstanders van ID.2

Campylobacter, een geslacht van darmbacteriën met een unipolair of bipolair flagel. Bron: Wikipedia.

Onlangs verschenen in het wetenschappelijke tijdschrift van de ID-beweging, Bio-Complexity3, drie publicaties van dr. Waldean A. Schulz.4 Dr. Schulz is wiskundige en computerwetenschapper en momenteel Senior Systems Engineer. Hij beschrijft in drie papers het flagel vanuit ingenieursperspectief (dus vanuit technisch oogpunt). In de papers wordt gefocust op de structuur, eiwitten en assemblage van een ‘normale’ flagel. De wetenschappelijke artikelen beschrijven dus uit welke onderdelen een flagel bestaat en hoe deze onderdelen met elkaar samenwerken. Wijst de complexiteit van het flagel op de Schepper? Dankzij ID-wetenschappers wordt dit organel in detail bestudeerd, zowel door naturalisten als door ID’ers. Volgens de laatstgenoemden blijft ondanks, of misschien wel dankzij, al dit onderzoek de flagel niet-reduceerbaar complex. De papers zijn via de website van het tijdschrift vrij te downloaden en ik hoop dat deze wetenschappelijke artikelen een steun in de rug zijn voor alle academici die vanuit een ‘Intelligent Design’-positie naar de natuur kijken.

Voetnoten

Wat gebeurde er met de vrouw van Lot?

Wat gebeurde er met de vrouw van Lot? Ze veranderde in een zoutpilaar. Jan Rein de Wit legt in deze video uit hoe het zit met de geologie van de Jordaanvallei en de Dode Zee. Met dank aan Geloofstoerusting voor de opname.

Tien tips voor als je in een zesdaagse schepping gelooft

Je bent een eerstejaarsstudent en wilt graag de wetenschap in. Je hebt je christelijke school en mogelijk je ouderlijk huis verlaten en loopt nu rond op een universiteit van een grote stad. Je gelooft dat God de hemel en de aarde in zes dagen geschapen heeft, maar dat deze schepping niet zeer goed is gebleven. Er is een historische zondeval geweest. Je bent hiervan overtuigd, maar je merkt ook dat er een keerzijde aan dat geloof zit.

Is het wel verstandig om hier openlijk voor uit te komen? En als je dat wel doet, zal men je dan wel accepteren? En wat moet je doen als jij dat geloof door intellectuele uitdagingen dreigt te verliezen?

Regelmatig krijg ik vragen van studenten, opvoeders en wetenschappers welke tips ik zou geven aan creationistische studenten die graag willen afstuderen of zelfs promoveren. Ze geven te kennen dat studeren in een universitaire wereld intellectueel en spiritueel niet altijd gemakkelijk is.

In 2016 was ik in Enderby (Engeland) op een scheppingscongres, met diverse wetenschappers als deelnemers. Daar kocht ik een boekje van de Britse geoloog Paul Garner. In zijn boekje geeft hij een tiental tips voor studenten. Deze tips geef ik hieronder in eigen woorden weer.

Basis

1. Als eerste vormt Gods Woord de basis van je geloof. Het is daarom heel belangrijk om dit Woord te bestuderen en te weten wat je gelooft.

2. Daarnaast hebben christenen Gods eer op het oog. Zoek Gods eer in alles wat je doet, doe je best en gebruik het verstand dat Hij je gegeven heeft.

3. De evolutietheorie in de zin dat alle levensvormen afstammen van één voorouder, is strijdig met het christelijk geloof. Denk niet te gemakkelijk over deze theorie alsof het allemaal onzin zou zijn. Er bestaan wel degelijk goede argumenten voor. Bestudeer deze argumenten met als doel ze te begrijpen. Dring tot de kern door. Probeer daarbij feiten te scheiden van interpretaties. Zorg ervoor dat je hierin beter wordt dan je medestudenten.

4. Erken dat er argumenten zijn voor de evolutietheorie. Dat wil nog niet zeggen dat je deze moet accepteren als ultieme waarheid. De Bijbel, de Waarheid, geeft redenen om ervan overtuigd te zijn dat de evolutietheorie niet waar is. Een compromis is niet mogelijk, maar ook niet nodig. Er bestaan namelijk veel argumenten die wijzen op een schepping.

5. Om de theorie van gemeenschappelijke afstamming beter te leren begrijpen, dien je vragen te stellen. Probeer in de collegezaal niet het debat met je medestudent, hoogleraar of universitair docent te winnen. Als er studenten zijn die vaardiger debatteren dan jij, berokken je schade aan jezelf en je medestudenten.

6. Drijf niet de spot met je opponent, maar neem hem of haar serieus.

7. Lees de academische creationistische literatuur (zie hieronder voor de literatuurlijst uit 2016). Niet alle creationistische literatuur is goed en niet alle creationistische boeken zijn geschikt voor studenten. Blijf op de hoogte van de sterke argumenten, maar ook welke argumenten achterhaald of onjuist zijn.

8. Creationisten hebben niet op alle vragen die aan hen gesteld worden goed onderbouwde antwoorden. Dat is geen probleem, wetenschappelijk onderzoek bestaat juist om antwoorden te vinden op tot dusverre onopgeloste vraagstukken. Wees eerlijk over de problemen en uitdagingen die er zijn. Een (creationistische) theorie-van-alles bestaat niet en gaten zullen er altijd blijven.

9. Als je houdt van uitdaging, kies dan voor een studie die je uitdaagt. Creationisten worden het meest uitgedaagd in de biologie, geologie, astronomie en aanverwante vakgebieden. Deze vakgebieden zijn zeer belangrijk in het debat over schepping en evolutie. Pak een studie op in deze vakgebieden en wie weet kun je later als expert bijdragen aan het debat ten voordele van het scheppingsreferentiekader.

10. Welke studie je ook kiest, blijf in contact met een creationistische deskundige in je vakgebied. In het Nederlandse taalgebied zijn er tientallen, zo niet honderden, creationistische academici. In een universitaire studie kom je veel rationele, maar ook geestelijke uitdagingen tegen. Het helpt dan enorm om steun te krijgen van iemand die deze ervaringen in het verleden ook gehad heeft. Zoek een christelijke studentenvereniging en blijf daarnaast in contact met je thuisgemeente.

Ik hoop dat deze tips je helpen om een gezonde studiezin te ontwikkelen. Weet dat God alle dingen in Zijn hand heeft. Vraag of God je het vertrouwen in Zijn Woord wil geven en bid om hulp als je in aanraking komt met gegevens die in tegenspraak lijken met Zijn Woord.

Download hier de bijgevoegde literatuurlijst uit 2016.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2016, Tien tips voor als je in schepping gelooft, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 46 (167): 6-7.

Waarom de zondvloed geen lokale overstroming was

Heeft het bekende verhaal van de zondvloed echt plaatsgevonden? En was deze zondvloed wereldwijd? Op 22 september 2017 werd er een congres georganiseerd. Wanneer je daar op zoek was naar antwoorden over een wereldwijde zondvloed kwam je bedrogen uit. Alleen prof. dr. Jochemsen noemde de zondvloed kort toen hij sprak dat voor het verstaan van de schepping de sluier van de zondvloed hangt. Aan het einde stelde iemand uit het publiek een vraag: ‘Hoe zit het met de zondvloed?’

Het antwoord van prof. dr. Van den Brink is in conflict met de klassieke opvatting van het Bijbelse zondvloedverhaal. Volgens Van den Brink was de zondvloed een lokale gebeurtenis in Mesopotamië waarbij alleen de lokale bewoners om het leven kwamen en Noach werd gered.

Bijbelse argumenten voor een wereldwijde zondvloed

Het is Bijbels zeer onwaarschijnlijk dat het hier om een lokale overstroming gaat. Zeven argumenten:

1. De Heere Jezus en de apostel Petrus spreken over een wereldwijde overstroming, door de mensen te vertellen over dat ‘de wereld die toen was’ vergaan is door het water.
2. God belooft aan Noach dat er nooit meer een dergelijke watervloed over de aarde zou komen. Hij gaf een regenboog als teken. Als dat een lokale vloed betrof dan heeft God vele malen Zijn belofte gebroken bij talloze lokale overstromingen sindsdien (denk aan de tsunami van 2004 in Azië). Een lokale-vloed-hypothese maakt zo van God een onbetrouwbare God. De zondvloed duurde daarnaast meer dan een jaar dit past niet bij lokale overstromingen.
3. Volgens Genesis stonden alle hoge bergen onder water. De hoogste piek van het Zagrosgebergte, een gebergte dat grenst aan Mesopotamië, is de Zard Kuh (4548 m). In Van den Brinks scenario bestond dit gebergte al. Als deze bergen onder water zouden staan dan hebben we te maken met een wereldwijde vloed. Landen op de bergen van Ararat maakt het lokale-vloed-verhaal nog onwaarschijnlijker.
4. De ark was niet zomaar een boot, maar een groot houten vaartuig van op zijn minst 150 meter lang. Uit experimenten met de verhoudingen van dergelijke constructies blijkt dat de ark een zeewaardig object was. De duur van de bouw wordt volgens sommige exegeten geschat op 120 jaar. Binnen vijf jaar zou Noach, lopend, met een snelheid van drie kilometer per uur en acht uur per dag reizen, de hele aarde rond zijn. Waarom zo’n arbeidsintensieve opdracht als emigratie minder tijd en moeite kost?
5. Vogels gingen mee. Voor een vogel is het echter vrij eenvoudig om ver weg te vliegen.
6. De hele aarde was vervuld met geweld lezen we in Genesis. Volgens Van den Brink had het kwaad van Adam zich als een olievlek verspreid over de hele wereld. Het is inconsistent dat Van den Brink dit Adam-olie-vlek-principe wel hanteert bij Adam, maar niet in de tijd Noach. Terwijl andersom juist beter bij de klassieke opvatting past.
7. Met Noach, vaak de tweede Adam genoemd, wordt een verbond gesloten. Het Noachitische verbond is, net als dat van Adam, universeel van aard.

Geologische argumenten voor een roerig verleden

Een wereldwijde zondvloed zou volgens Van den Brink geologisch hebben afgedaan. Maar vanuit het perspectief van een jonge aarde, zijn er veel argumenten aan te dragen dat de aarde een roerig geologisch verleden heeft gehad, waarvan de zondvloed het ‘sleutelevent’ is geweest:

1. Wereldwijd zijn er veel zondvloedverhalen overgeleverd. Deze komen soms tot in detail overeen met het Bijbelse zondvloedverhaal, zoals die van de Aboriginals.
2. In de geologische kolom worden grote massakerkhoven van dieren gevonden, waarvan het grootste deel van mariene oorsprong is.
3. We zien zowel in het Paleozoïcum als in het Mesozoïcum min-of-meer uniformiteit in stroomrichting (paleocurrents). Dat sedimenten door water of wind miljoenen jaren dezelfde kant op worden afgezet lijkt onwaarschijnlijk.
4. Grote dalen en valleien (canyons) kunnen onder bepaalde omstandigheden snel ontstaan.
5. Grote en relatief koude stukken aardkorst zijn rond de aardkern gevonden. Als we zouden spreken over miljoenen jaren, dan zouden deze koude stukken allang dezelfde temperatuur moeten hebben.
6. In allerlei fossielen wordt zacht weefsel gevonden en eiwitten zoals hemoglobine. Dergelijke fossielen kunnen niet miljoenen jaren oud zijn, omdat het niet mogelijk om dergelijke eiwitten miljoenen jaren in stand houden.
7. Hoewel we nu in een rustige geologische periode leven kunnen we nog steeds zien waartoe de natuur in staat is. We kunnen dan denken aan vulkaanuitbarstingen zoals Mount St. Helens, Tambora, Krakatau en Novarupta, aan tsunami’s, zoals die van Japan die grote zandbanken verplaatsen, en aan krachtige aardbevingen die scheuren veroorzaken in de aardkorst. Het is niet onredelijk te veronderstellen dat de aarde een ander en veel roeriger verleden heeft gekend dan ons vanuit het naturalistische perspectief wordt voorgehouden.

Zowel theologisch als geologisch doen we deze discussie ernstig te kort door de wereldwijde zondvloed te negeren.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website Christelijk Informatieplatform (CIP). Het originele artikel is hier te vinden.

Hoe konden alle dieren in de Ark? – Een antwoord van Jan Rein de Wit

In 2014 nam Geloofstoerusting in samenwerking met de Reformatorische Omroep een serie video’s op over zaken die raken aan het scheppingsparadigma. Vandaag een video met voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit, over de vraag hoe alle dieren in de ark pasten. Veel zegen bij het kijken!

Patholoog dr. Piet Slootweg schrijft een boek over God en dierenleed

Emeritus hoogleraar pathologie van de Radboud Universiteit te Nijmegen, prof. dr. Piet Slootweg, schrijft een boek over God en dierenleed. Dat wordt aangekondigd in de Aanbiedingscatalogus Najaar 2021 van uitgeverij Brevier.1 Het werk zal een Engelstalige academische uitgave worden.

De titel van het boek is ‘Teeth and Talons Whetted for Slaughter’. De ondertitel luidt: ‘Divine Attributes and Suffering Animals in Historical Perspective (1600-1961)’. Het boek verschijnt onder leiding van prof. Andreas J. Beck in de serie ‘Studies in the History of Church and Theology’ en is volgens de uitgeverij ‘relevant voor de bezinning op evolutie en christelijk geloof’. Het zal een ‘onderzoek’ zijn ‘naar de historische visie op God en dierenleed’. Het boek telt 550 pagina’s en wordt ‘Academische theologie’ genoemd. De prijs is ook academisch, het kost maar liefst 99 euro, en zal daarom vermoedelijk geen bestseller worden. Toch is het belangrijk dat hier onderzoek naar gedaan is. Lijden, pijn en dood (ook in het dierenrijk) vormen een heet hangijzer in de discussie tussen theïstisch evolutionisten en creationisten.

De auteur die op 2 november 2015 zijn afscheidsrede hield als hoogleraar Klinische Pathologie2 heeft al vaker geschreven over dierenleed en Gods schepping. In 2013 was hij daarover in het Reformatorisch Dagblad in discussie met de classicus en theoloog prof. dr. Benno Zuiddam.3 Hij gaf aan dat wie ‘de dood in het dierenrijk een gevolg van de zondeval noemt, maakt het geloof onaanvaardbaar voor natuurwetenschappers’.4 Slootweg schaart zich naar eigen zeggen onder de zogenoemde theïstische evolutionisten. Tijdens de boekpresentatie ‘Oorspronkelijk’ van de oudtestamenticus prof. dr. Mart-Jan Paul trad Slootweg, in een vriendelijk debat met prof. dr. ir. Hans Degens, op als theïstisch evolutionistisch opponent.5  Nu dus een academisch werk over dit thema, dat relevant is voor de bezinning op evolutie en het christelijk geloof. Bij de uitgeverij verscheen eerder het grotendeels theïstisch evolutionistische boek ‘En God zag dat het goed was’.6 Dit boek zal ziende op de taal, het academische gehalte en de prijs vermoedelijk minder verkocht worden. Toch ben ik benieuwd naar dit academische werk van dr. Piet Slootweg. Theïstisch evolutionisten hebben moeite met het verklaren van dieren- en mensenleed vóór de zondeval, volgens de meeste jongeaardecreationisten was er vóór de zondeval geen dieren- en mensenleed. Welke oplossingen zal prof. Slootweg vanuit de geschiedenis aandragen voor dit vraagstuk?

Voetnoten