Home » Scheppingsparadigma

Categorie archieven: Scheppingsparadigma

‘De wereld is rond, als je steeds naar het westen reist kom je in het oosten’ – Bespreking van ‘Stenen Wachter’

“Hugo steekt de fakkel zo hoog mogelijk op en wijst met zijn andere hand naar de zolder. Talloze zwarte gevouwen figuurtjes hangen daar. Rafael huivert. Hij deelt de kerker met een kolonie vleermuizen. ‘Een paar honderd zwarte duiveltjes om jou te vermaken,’ zegt een slepende stem. Een kleine man stapt achter Hugo vandaan. In zijn hand blinkt een dolk. Hij grijnst vol leedvermaak. ‘Zal ik mijn dolk eens omhooggooien? Dan gaan ze leuk fladderen.’ ‘Nee, niet doen,’ raspt Rafaël benauwd.”

In 2022 verscheen er bij Den Hertog opnieuw een tienerboek van de geschiedenisleraar Henk Koesveld. Het verhaal in ‘Stenen Wachter’ speelt zich af tijdens de honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Hoofdpersoon Rafaël is novice van een klooster nabij Coucy. Qua tijd speelt het verhaal zich specifiek af rond de Slag bij Poitiers.1, al wordt er ook met enige regelmaat terug gekeken naar de Slag bij Crécy.2 Al zijn de hoofdpersonen van het boek getuigen van de eerstgenoemde slag, is het hen daar toch niet om te doen. Ze zijn op zoek naar de schat van de Tempeliers. Maar ze zijn niet de enige die op zoek zijn. De hoofdpersonen worden iedere keer dwarsgezeten door Hugo en zijn mannen. Ook zij azen op deze schat van de ridders van de Tempelorde. Koesveld weet het meeslepend te schrijven, zodat je niet anders dan het boek in één adem uit wil lezen. Hoe zal het aflopen? Wat heeft de boodschap (het raadsel) op het perkament, ‘Stenen wachter waakt aan het water’, te maken met de schat van de Tempeliers? Uiteindelijk komen de hoofdpersonen achter de oplossing. Deze verklappen we hier niet, daarvoor moeten jullie echt het boek zelf lezen.

Boodschap

Naast een spannend jeugdboek bevat ‘Stenen Wachter’ ook zaken waar je even op moet kauwen. Bijvoorbeeld de uitspraak die schildknaap Christoffel deed toen hij Bernardus van Clairvaux citeerde: “In de stilte komt een mens stilaan thuis in zijn hart” (p.232). Daarnaast is het jeugdboek ook bijzonder leerzaam als het gaat om het dagelijkse leven in de middeleeuwen. Koesveld maakt korte metten met de gedachte dat men in de middeleeuwen geloofde dat de aarde plat was. Alhoewel we weten dat dit een mythe is, komt deze gedachte bij sommige atheïsten nog wel eens voor.3 Voor de volledigheid citeer ik Koesveld (p. 128-129):

“Rafaëls geduld is op. ‘Volgens de heer van Coucy staat er iets over de tempelridders in de oude annalen. Weet u dat?’ ‘Natuurlijk, daar heb ik al eens naar gezocht. “Tempelridders klopten in de nacht op de kasteelpoort van Coucy en werden binnengelaten. De volgende nacht vervolgden zij hun reis. Met zwaarbeladen wagens reden ze naar het westen.”’ ‘Het westen is zo ver, het kan overal zijn.’ ‘Juist, het westen gaat over de wereld tot in het oosten.’ ‘Dat snap ik niet.’ De oude monnik beschrijft een cirkel in de lucht. ‘De wereld is rond, als je steeds naar het westen reist kom je in het oosten, toch?’ ‘Wel een raar idee,’ mompelt Rafaël. De wereld rond, het zal best waar zijn. Waar reden de wagens van de tempelridders heen? Dat is veel belangrijker.”

Er wordt door Koesveld ook geciteerd uit Genesis (p. 174). Als monnik Antonie wordt begraven, slaat de abt een kruis en fluistert: ‘Pulvis es et in pulverem reverteris’. Dit wordt door novice Rafaël vertaald als ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’. In het sluitstuk van het boek wordt nog wat meer historische informatie gegeven. Zeer leerzaam!

Tenslotte

Stenen wachter’ is beslist de moeite van het lezen waard. Koesveld heeft niet alleen spannend geschreven voor tieners, ook volwassenen zullen het verhaal als meeslepend ervaren. De honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk is, voor gewone Nederlander, een relatief onbekend historisch thema. Het is dan mooi dat Koesveld dit nu voor het voetlicht brengt. Het boek is te bestellen via de website van Den Hertog, of bij een lokale (christelijke) boekhandel. Het is altijd goed om de middenstand te ondersteunen.

Voetnoten

Watervogel zit er warmpjes bij

Onze rivierdijken bieden een fraai uitzicht over riviernatuur en uiterwaarden. Zo ligt er tussen de dijk en de Maneswaard bij Opheusden een stroompje, hier en daar omzoomd met riet. Hét Gemeente Nieuws van 10 april toonde een foto van een hier broedende Meerkoet.1 Op 16 april nam ik op en bij het nest zes kleine jongen met eitand waar en niet ver er vandaan een Futennest. Daarom nu aandacht voor deze soort.

De Fuut is de grootste en de meest algemeen voorkomende fuut in ons land. Futen in broedkleed vallen op door de roodachtig-bruine en zwarte bakkebaarden en de donkere kuif die fel contrasteren met het witte gezicht. De dolkachtige snavel maakt duidelijk dat de soort vooral een viseter is. Opmerkelijk is dat Futen (eigen) veren eten! Het kan zijn dat veren het uitbraken van onverteerbaar voedsel bevorderen. De vogel op de foto is in april begonnen met broeden. Broedduur 25-29 dagen. Nest op platform in water, verankerd aan rietstengels. Het nest bestaat uit doorweekte en rottende plantendelen. U ziet ook vers plantenmateriaal.

Het grootste deel van het drijvende nest ligt onder water. Het drijven komt zowel door lucht in de rietstengels als door rottingsgassen. Het nestmateriaal is zo dicht op elkaar gedrukt dat deze gassen niet kunnen ontsnappen. Bij het rotten komt warmte vrij. Deze warmte speelt veelal geen rol bij het broeden maar maakt dat de vogel er vermoedelijk toch wat warmpjes bij zit en bij verlaten nest de eieren niet gelijk afkoelen!

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Het GemeenteNieuws. De volledige bronvermelding luidt: Kooij, H. van der, 2024, Watervogel zit er warmpjes bij, Het GemeenteNieuws 23 (19): 7.

Voetnoten

‘Hoe de grootste wetenschapper van de geschiedenis wist wat er 250 jaar later zou gebeuren’ – Science4Truth interviewt dr. ir. Kees Roos

Science4Truth interviewt dr. ir. Kees Roos. Het interview verscheen op 8 maart 2024 en duurt iets meer dan 22 minuten. Dr. ir. Kees Roos is een wiskundige en ondertussen emeritus-hoogleraar aan de TU Delft. In de video laat hij zien dat het mogelijk is om tegelijkertijd wetenschapper en christen te zijn. Dr. Roos heeft diverse prijzen gewonnen en diverse wiskundige publicaties op zijn naam staan. Afgelopen jaren deed hij onderzoek naar het leven en het werk van de bekende natuurkundige Isaac Newton. De onderstaande video is in het Engels en bevat Engelstalige ondertiteling.

Dr. ir. Kees Roos was eerder over dit onderwerp te gast in het YouTube-programma van dr. James Tour. Deze bijdrage is hier te vinden.

COLUMN: Leugenachtige stenen

Of je het nu wilt geloven of niet, de wetenschap heeft een gouden zondvloedgeologietijdperk achter de rug. Een ‘gouden eeuw’, zeg maar. Zo schreef de Britse hoogleraar John Woodward in 1695 in een boek dat de Genesis-vloed verantwoordelijk was voor de vorming van aardlagen. De eveneens Britse zondvloedgeoloog Thomas Burnet dacht dat de aardkorst was ingestort en dat dit de Bijbelse vloed had veroorzaakt. Ook wetenschappers als Nicolaus Steno en William Whiston waren overtuigd van de historiciteit van een zondvloed. Deze ‘gouden eeuw’ ging ook Nederland niet voorbij.

Drie leugenstenen tentoongesteld in het Sneckenberg Naturmuseum in Frankfurt. Bron: Wikipedia.

In dit gouden zondvloedgeologietijdperk leefde een man met de weledel klinkende naam Johann Bartholomeus Adam Beringer. Hij was hoofd van de medische faculteit aan de universiteit van Würzburg en een verwoed verzamelaar van alles wat met fossielen te maken had. Daarnaast was hij diep overtuigd van het bestaan van God en dat alle vormen van wetenschapsbeoefening alleen bestonden bij de gratie van God. Van de fossielen dacht Beringer dat God ze als Formeerder Zelf had verstopt voor Zijn eigen genoegen. Met zijn behoudende uitspraken over God en zijn toch wel arrogante houding maakte Beringer onder zijn collega’s aan de universiteit steeds meer vijanden. Er werd besloten hem eens flink in de maling te nemen…

Op een dag kwamen er drie jongens bij Beringer. Ze gaven hem stenen met afbeeldingen van dieren, planten en hemellichamen met flarden van Hebreeuwse en Arabische tekens die het woord ‘God’ vormden. Beringer had niet door dat deze ‘fossielen’ nep waren en dacht dat dit het ultieme bewijs was dat God ze voor Zijn eigen genoegen had verstopt. Beringer schreef vol enthousiasme in zijn boek: ‘God, de grondlegger der natuur, zal uw geest vullen met lofprijzing en met de volmaaktheid die deze wonderbaarlijke voorwerpen uitstralen.’ Beringer kreeg ook de locatie van de vindplaats door van de jongens en deed meer opgravingen van dergelijke ‘fossielen’. Hij had niet door dat ze in de grond waren gestopt door zijn collega’s. Trots vertrok hij met al zijn vondsten huiswaarts en in 1727 schreef hij zijn boek Lithographiae Wirceburgensis waarin hij de vondsten rijk geïllustreerd weergaf.

Totdat hij op een dag een ‘fossiel’ tegenkwam met zijn eigen naam erop… Toen ontdekte hij dat hij was bedrogen. Twee collega’s hadden de jongens ingehuurd en dit vuile werkje door hen laten opknappen. Het boek van Beringer was helaas al gedrukt. Om zijn goede naam te redden ging Beringer naar de rechter. Hij werd in het gelijk gesteld en zijn collega’s werden op staande voet ontslagen. Vanaf dat moment zijn de stenen van Beringer bekend als leugenstenen. En ze zijn nog steeds te zien in het Teylers Museum in Haarlem.

WEET MAGAZINE: NOG GEEN ABONNEE?
Het bovenstaande artikel is overgenomen uit Weet Magazine nummer 40 (zie hiernaast). Weet Magazine is een populair-wetenschappelijk creationistisch tijdschrift waarin ingewikkelde wetenschappelijke onderwerpen eenvoudig worden uitgelegd en op een bijbelgetrouwe manier worden besproken. Daarnaast brengt het tijdschrift bij kennis over creationistische wetenschapsbeoefening. Nog geen abonnee van Weet Magazine? Dat kan natuurlijk niet! Ga snel naar de website van Weet Magazine en sluit vandaag nog een abonnement af!

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2016, Leugenachtige stenen, Weet 40: 33.

‘Sociaal Darwinisten domineerden het debat’ – Wetenschap in Beeld schrijft over de verwerpelijke uitwassen van het Sociaal Darwinisme

Is armoede de natuurlijke orde der dingen? Gaat het in de economie om ‘survival of the fittest’? Heeft de evolutietheorie als ‘universeel zuur’ ook gevolgen voor de sociologie? Wat doen we met het fenomeen ‘Sociaal Darwinisme’? Dat het niet alleen creationisten zijn die hierover schrijven, bleek vorige maand wel uit een artikel in Wetenschap in Beeld Historia. Hieronder de krenten uit de WiB-pap.1

Een bekende beschrijver van het sociaal darwinisme en eugenetica is de aan het Discovery Institute verbonden historicus dr. Richard Weikart.2 Ook jongeaardecreationist dr. Jerry Bergman heeft er al een aantal boeken over volgeschreven. Het zijn echter niet allen christenen en creationisten die hierover schrijven. In het themakatern van Wetenschap in Beeld over het kapitalisme gaat het ook over het zogenoemde sociaal darwinisme. Het artikel start met de Amerikaanse predikant William Graham Sumner. Deze predikant was van mening dat we het in plaats van op te nemen voor de zwakken in de samenleving, we moeten kiezen voor de sterken. “De eersten (de sterksten, JvM) brengt de samenleving verder voor de sterkste deelnemers, dat laatste (de zwaksten, JvM) zorgt voor een stap terug, ten gunste van de zwaksten.” Sumner koppelt zijn gedachten aan de evolutieleer van Charles Darwin. Hij stond daarin niet alleen. De scribent van het artikel schrijft dat sociaaldarwinisten in de 19e eeuw ‘een scherpe ideologie’ ontwikkelden, ‘die rijken het recht gaf alle anderen te verdrukken’. ‘Na de Eerste Wereldoorlog werd het sociaaldarwinisme een inspiratiebron voor een Duitse demagoog’, zo schrijft de scribent.

De theorie van Darwin

Darwin had de bekende uitspraken ‘survival of the fittest’ en ‘struggle for existence’ geleend van de socioloog Herbert Spencer en de econoom Thomas Malthus. Volgens Malthus zou de armen helpen de prijs opdrijven en dat zou voor niemand goed zijn. “De capaciteit van de bevolking om te groeien is oneindig veel groter dan de capaciteit van de aarde om voedsel voor de mens te produceren.” Om de ongelijkheid in de fabrieken te rechtvaardigen richtten filosofen en economen zich tot Darwin en Smith (de vader van het kapitalisme). Sommigen zagen menselijke ellende als onderdeel van een selectieproces. Spencer schreef: “Hoe vreemd het ook is om het nu te zeggen, nu de waarheid van natuurlijke selectie door de meeste opgeleide mensen wordt erkend, doen mensen er op dit moment in de geschiedenis alles aan om het overleven van de zwaksten te bevorderen.” Ook de bekende Ernst Haeckel was deze mening toegedaan. Hij schreef: “De theorie van natuurlijke selectie leert ons dat het in het leven van mensen – net als bij dieren en planten – altijd zo zal zijn dat alleen een minderheid kan floreren, terwijl de meerderheid verhongert en vergaat.” Charles Darwin was ook een kind van zijn tijd. Hij paste zijn theorie ook op de mensheid toe en schreef: “Er is reden om aan te nemen dat vaccins duizenden mensen hebben gered, die anders aan de pokken zouden zijn gestorven. Niemand die ooit dieren heeft gefokt zal eraan twijfelen dat dit schadelijk is voor de mensheid.” Zijn theorie werd daardoor ook voer voor sociaal darwinistische ideologen. Het is niet mijn bedoeling om Charles Darwin postuum nog aan de schandpaal te hangen, wel om te kijken wat de historische gevolgen zijn geweest van zijn uitspraken.3

Francis Galton

Francis Galton, de neef van Darwin ging nog verder. Hij gaf aan mensen op dezelfde wijze te kunnen fokken als dieren. Galton: “Net zoals je gemakkelijk door zorgvuldige selectie een ras van honden of paarden voort kunt brengen die bepaalde kwaliteiten hebben, zo zal het mogelijk zijn om een zeer begaafd mensenras voort te brengen door generaties lang weloverwogen huwelijken te sluiten.” Hij bedacht een nieuwe naam voor zijn wetenschap: eugenetica. Galton pleitte in 1883 zelfs voor genocide. Hij schreef: “Er is verzet – meestal onredelijk – tegen de geleidelijke uitroeiing van een inferieur ras.” Volgens de scribent werd dit aanvankelijk lauw ontvangen in Europa, maar was het in de VS meteen populair. Amerikaanse genetici wilden hierdoor elke handicap uitroeien. Zo werden vrouwen met een handicap gedwongen gesteriliseerd in de staat Indiana (1907) en daarin gevolgd door dertig andere staten (1931). Rechter Oliver Wendell Holmes schreef: “Het is beter voor de wereld als we, in plaats van te wachten met het executeren van ontaarde nakomelingen wegens criminele daden – of ze te laten verhongeren omdat ze imbecielen zijn – voorkomen dat de ongeschikten hun soort op de wereld blijven brengen.” In 1927 kregen daardoor staten het wettelijke recht om gedwongen sterilisaties uit te voeren.

Hitler

Deze gedachten en uitspraken waren koren op de molen van Adolf Hitler. Hij bewonderde het boek van de zoöloog Madison Grant, The Passing of the Great Race. Eugeneticus Gosney schreef aan Grant: “Het zal u interesseren om te weten dat uw werk een grote rol heeft gespeeld in het vormen van de houding van de intellectuelen die achter Hitler staan.” De scribent geeft in het artikel aan dat, mede door de verschrikkingen van de Holocaust, eugenetica en het sociaaldarwinisme door de wetenschap werden verworpen. Dit ging echter geleidelijk en niet zonder slag of stoot (tot 1967 werden sommige vrouwen in Denemarken nog gedwongen gesteriliseerd). Het is beter dat de evolutietheorie blijft binnen de biologie en niet als ‘universeel zuur’4 wordt toegepast binnen de vakgebieden sociologie en economie. Als de theorie gebruikt (of: misbruikt?) wordt in de handen van ideologen heeft dit verregaande gevolgen voor de mensheid en de aarde. Dat leert ons de geschiedenis van het sociaal darwinisme.

N.a.v.: Lunau, C., 2024, Sociaaldarwinisme verklaarde de armen de oorlog, Wetenschap in Beeld 2024 (5): 40-43.

Voetnoten

Wetenschapsjournalist wil onverkort vasthouden aan het klassieke scheppingsgeloof en schrijft een boek – N.a.v. een interview in het Reformatorisch Dagblad

Eind februari van dit jaar verscheen er een nieuw boek met als titel ‘De werken van Zijn handen’. Het boek is geschreven door wetenschapsjournalist ir. Bart van den Dikkenberg. Hij schrijft veelal voor het Reformatorisch Dagblad. Het is dan ook niet vreemd dat er in dezelfde krant, op 21 februari 2024, een interview met hem verscheen. We willen dit interview hier kort samenvatten.1

Onverkort

Schepping en evolutie, in de zin van Universele Gemeenschappelijke Afstamming, kunnen onmogelijk samengaan. Dat is de stelling die Van den Dikkenberg verdedigt in zijn nieuwe boek. Het begon met de vraag van het deputaatschap onderwijs, opvoeding en catechese van de Gereformeerde Gemeente in Nederland, waar Van den Dikkenberg ouderling is. Het verzoek om te komen tot een brochure groeide uit tot een omvangrijk boek. Het is een vraagstuk dat leeft onder bevindelijk-gereformeerde studenten en iedere generatie probeert opnieuw antwoorden te formuleren op deze vragen. Het is goed om de volgende generatie daarbij te helpen. Door terug te grijpen op publicaties uit het verleden. Van den Dikkenberg wil ‘reformatorische jongeren (…) ondersteunen in de manier waarop ze om moeten gaan met al die meningen die op hen afkomen, bijvoorbeeld op de universiteit’. Hij voegt daaraan toe: “Ik laat zien dat ze rond de evolutietheorie onverkort kunnen vasthouden aan de waarheden die de Bijbel leert.

Strijd

De discussie over schepping of Universele Gemeenschappelijke Afstamming is een blijvertje. Soms laait het in alle hevigheid op, zoals rond het verschijnen van het boek ‘En de aarde bracht voort’ van systematisch theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink. Soms is het nog als een smeulend vuurtje aanwezig, zoals anno 2024. Dat komt volgens Van den Dikkenberg omdat het een aangelegen thema is. Net als dr. ir. Erik van Engelen en anderen maakt Van den Dikkenberg onderscheid tussen micro- en macro-evolutie.2 Volgens de wetenschapsjournalist is het macro-evolutie dat belangrijke kernpunten ondergraaft van het christelijk geloof. Bijvoorbeeld Adam als beeld van God, lijden als gevolg van de zondeval en het bestaan van de staat der rechtheid. Het heeft zelfs consequenties voor de verzoeningsleer. “Deze theïstisch-evolutionistische visie zadelt de Bijbellezer met allerlei problemen op.” “Een theïstisch evolutionist spreekt bijvoorbeeld over een God Die lijden, natuurrampen, ziekte, dood en verderf heeft gebruikt in het evolutionaire scheppingsproces. Maar God heeft de schepping ‘zeer goed’ genoemd. Nu kun je het kwade goed noemen, maar daarmee beroof je God van Zijn eer.

Vastloper

Je loopt hoe dan ook vast. “Theïstische evolutie is in feite de vermenging van twee tegengestelde vormen van geloven: dat heet syncretisme. De Bijbel zegt: Er is een God die alles heeft geschapen. Het seculiere denkpatroon schrijft voor: Er is geen God, evolutie heeft alles gemaakt. Een van beide kan niet kloppen.” Naast theologische bezwaren heeft Van den Dikkenberg ook natuurwetenschappelijke bezwaren. Hij wijst bijvoorbeeld op ‘the cost of evolution’ en Haldane’s dilemma.3 Binnen de naturalistische ‘Big History’ zijn talloze problemen, zoals het ontstaan van het leven. Van den Dikkenberg komt weer terug op het theologische Wil men Universele Gemeenschappelijke Afstamming verwerken in de exegese en zo afstand nemen van een zesdaagse schepping, dan zal men op dezelfde gronden ook bijvoorbeeld de maagdelijke geboorte van de Heere Jezus, de opstandingsgeschiedenis en Zijn hemelvaart ter discussie moeten stellen.4

Alternatief?

Van den Dikkenberg gelooft dat deze aarde 6.000 tot 8.000 jaar oud is. “Net als alle andere gedeelten van Gods Woord zijn ook deze teksten door de Heilige Geest geïnspireerd, ingegeven. We moeten ze letterlijk nemen, want zo worden ze ook gepresenteerd.” We moeten de schepping óók als geschiedenis blijven zien. Van den Dikkenberg verwijst daarvoor naar de argumenten van de Duitse theoloog dr. Walter Hilbrands.5 Hij ‘laat zien dat herhalingen in een Bijbelgedeelte niet automatisch betekenen dat de tekst poëtisch, niet-historisch of figuratief moet worden opgevat. Zo heeft ook het boek Genesis een structuur die vanaf het begin helemaal tot het einde ervan doorloopt.” De taal in Genesis is wel verheven, maar geen poëzie. Dit klassieke scheppingsgeloof moet worden vastgehouden, anders zullen op den duur de kerken (volgens Van den Dikkenberg) leeglopen. We moeten echter de schepping ook niet rationalistisch platslaan. “Hebreeën 11:3 spreekt over geloof: ‘Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden.’ Dat mogen we nooit uit het oog verliezen.

Het boek van ir. Bart van den Dikkenberg is te bestellen via de webshop van ‘De Banier’ (link).

Voetnoten

Als de creationistische soorten (‘baramins’) overeenkomen met families uit de reguliere taxonomie en de ark geland is in het Midden-Oosten, hoe kan het dat kangoeroes alleen in Australië voorkomen? Waarom komen ook andere families uit de Australidelphia alleen in Australië voor? Hoe zijn ze daar gekomen?

Dit jaar (2020) is Logos Instituut1 begonnen met de rubriek ‘Antwoorden voor sceptici, critici en waarheidszoekers’. Atheïst en bewegingswetenschapper drs. Bart Klink heeft daarna een hele waslijst aan ‘vragen voor welwillende creationisten’ opgesteld.2 Hij deed dat samen met natuurkundige dr. Roel Andringa3, student aardwetenschappen en filosofie Willem Jan Blom4, evolutiebiologe dr. Gerdien de Jong5 en astronoom dr. Eelco van Kampen6. Het is bijzonder dat zoveel gepromoveerde naturalisten de moeite nemen om te reageren op creationisten en geïnteresseerd zijn in hun antwoorden.7 In deze lijst staat één vraag, vermoedelijk van evolutiebiologe dr. Gerdien de Jong, over de Australidelphia en hoe deze beesten in Australië zijn gekomen. Omdat de auteur daar afgelopen week nog een artikel over geschreven heeft lijkt het goed om deze vraag mee te nemen.

In het onderstaande korte artikel geven we eerst de vraag weer en reageren op de vraagstelling. Daarna geven we een kort antwoord op de vraag.

De vraag luidt:

Als de creationistische soorten (‘baramins’) overeenkomen met families uit de reguliere taxonomie en de Ark geland is in het Midden-Oosten, hoe kan het dat kangoeroes alleen in Australië voorkomen? Waarom komen ook andere families uit de Australodelphia [sic] alleen in Australië voor? Hoe zijn ze daar gekomen?

Bespreking van de vraag

In de vraagstelling valt op dat er niet verwezen wordt naar een creationistisch artikel dat stelt dat de baramins overeenkomen met families, maar naar een Wikipediapagina waar niets in staat over baraminologie. Krachtiger zou zijn te verwijzen naar creationistische bronnen, bijvoorbeeld een artikel van dr. Todd C. Wood uit 2006 met als titel The current status of baraminology en hier online te vinden.8 Of een artikel van dr. Jean Lightner uit 2018 met als titel The CRS eKINDS research initiative: where we have been and where we are headed from here en hier online terug te vinden.9 Het eerste deel van de vraag is over het algemeen correct, maar niet altijd zoals Lightner terecht aangeeft. Een link naar creationistische literatuur zou verhelderend zijn geweest. Waarom slechts naar naturalistische bronnen verwijzen als het ook anders kan?

De vraagsteller heeft gelijk als zij schrijft dat kangoeroes alleen in Australië voorkomen. Jan Rein de Wit schreef daar in 2017 nog een kort artikel over dat later ook op de website van Logos Instituut verscheen.10 De spelwijze van Australodelphia, door de vraagsteller zo opgeschreven, kan verwarring opleveren met een uitgestorven dolfijnensoort uit het Plioceen, waarvan de fossielen in Antarctica zijn gevonden: Australodelphis mirus.11 We begrijpen echter de bedoeling van de vraagsteller, namelijk de Australische buideldieren (Australidelphia).

Tot gisteren dacht de auteur ook dat leden van de groep Australidelphia alleen in Australië voorkwam. Nadat deze auteur het nieuwste artikel van Willem Jan Blom gelezen heeft over de buideldierachtigen, met hem correspondentie gevoerd heeft en naar aanleiding daarvan zelf kort de literatuur ingedoken is, denkt de auteur daar nu anders over. Leden van de groep Australidelphia komen niet alleen in Australië voor, maar ook in Zuid-Amerika. Het gaat om de monito del monte (Dromiciops gliroides), ook wel de colocolo genoemd. In 2017 schrijven de onderzoekers Schneider en Gurovich het volgende in hun paper in Journal of Anatomy12:

The living monito del monte is more phylogenetically related to Australasian marsupials and is part of Australidelphia (including alle the Australasian marsupial orders and Microbiotheria. This is a clade supported by morphological evidence predominantly from the ankle region, and later by skeletal, cranial and dental evidence, as well as molecular and total evidence phylogenetic analysis combining molecular and morphological data. However, phylogenetic relationships between Dromiciops and other Australasian marsupial clades still remain unresolved.

Zie ook de fylogenetische boom en de biogeografische positie van de monito del monte (Dromiciops) hiernaast.13 Ook het overzichtsartikel van Eldridge et al. laat in tabel 1 zien dat monito del monte tot de Australidelphia behoort.14 De Australidelphia komen daarom kennelijk niet alleen in Australië voor, maar ook in Zuid-Amerika. Dit doet overigens weinig afbreuk aan de vraag, omdat het leeuwendeel van de Australidelphia wél slechts in Australië voorkomt. Hoe komt dat?

Antwoord op de vraag

Creationisten hebben daar nog geen goed antwoord op. Afgelopen week schreef de auteur dat de Australidelphia een groot probleem vormen voor creationisten. Hij stelt heel voorzichtig en sterk hypothetisch een oplossingsrichting voor. Willem Jan Blom heeft daar al weer op gereageerd.15 De auteur komt in het voorjaar met een repliek daarop, maar wil eerst de fossielen overzichtelijk op een rij hebben én heeft bovenal andere prioriteiten. Gisteren verscheen van de hand van ing. Stef Heerema een ander antwoord op de website van Logos Instituut. Het feit dat er verschillende antwoorden worden gegeven, laat zien dat creationisten nog geen consensus hebben rond de vraag hoe de Australidelphia in Australië zijn gekomen. Voor details van de antwoorden verwijzen we graag naar de artikelen van de auteur16 en het artikel van Stef Heerema17 Hoe zijn de Australidelphia in Australië gekomen? Daar is véél meer creationistisch onderzoek voor nodig. De auteur is aangemoedigd om te zoeken rond de hypothetisch voorgestelde paleobiogeografische verspreidingsroute 1 in het vorige artikel van de auteur.17 Er zijn namelijk wel Australidelphia aanwezig in Zuid-Amerika, wat een ‘oversteek’ via Antarctica naturalistisch (maar mogelijk ook creationistisch) waarschijnlijk maakt. Voor meer bewijsmateriaal moeten we opgravingen doen in Antarctica.

Literatuur

  • Eldridge, M.D.B., Beck, R.M.D., Croft, D.A., Travouillon, K.J., Fox, B.J., 2019, An emerging consensus in the evolution, phylogeny, and systematics of marsupials and their fossil relatives (Metatheria), Journal of Mammology 100 (3): 802-837.
  • Fordyce, R.E., Quilty, P.G., Daniels, J., 2002, Australodelphis mirus, a bizarre new toothless ziphiid-like fossil dolphin (Cetacea: Delphinidae) from the Pliocene of Vestfold Hills, East Antarctica, Antarctic Science 14 (1): 37-54.
  • Heerema, S.J., 2020, Letter to editor; The marsupial fossil record is not compelling evidence for a K-Pg Flood boundary, Creation Research Society Quarterly 56 (4): 264-265.
  • Lightner, J.K., Anderson, K., 2018, The CRS eKINDS research initiative: where we have been and where we are headed from here, in: Whitmore, J.H. (Ed.), Proceedings of the Eighth International Conference on Creationism, (Pittsburgh: Creation Science Fellowship), blz. 185-190.
  • Nilsson, M.A., Churakov, G., Sommer, M., Tran, N.V., Zemann, A., Brosius, J., Schmitz, J., 2010, Tracking Marsupial Evolution Using Archaic Genomic Retroposon Insertions, Plos Biology 8 (7): 1-9.
  • Schneider, N.Y., Gurovich, Y., 2017, Morphology and evolution of the oral shield in marsupial neonates including the newborn monito del monte (Dromiciops gliroides, Marsupialia Microbiotheria) pouch young, Journal of Anatomy 231 (1): 59-83.
  • Wood, T.C., 2006, The Current Status of Baraminology, Creation Research Society Quarterly 43 (3): 149-158.
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voetnoten

Hoe (vroege) buideldieren uit het Midden-Oosten ons bezig blijven houden – Een reactie op Willem Jan Blom

Enkele maanden geleden (april 2020) was er tussen de auteur en diverse sceptici en critici een discussie over de vraag ‘Zijn er fossiele (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten?’. Deze discussie werd gevoerd naar aanleiding van commentaar van een scepticus op het artikel van Jan Rein de Wit in Weet-Magazine.1 De scepticus stelde dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. De auteur van het artikel stelde dat dit wél het geval was. Student aardwetenschappen en filosofie Willem Jan Blom reageerde op het eerste artikel van de auteur.2 Daarna is het van onze kant stil gebleven. We willen deze stilte verbreken door een reactie te geven op de repliek van Willem Jan Blom.3

Een probleem

In mijn artikelen heb ik aangegeven dat de biogeografie van de buideldieren een probleem is voor creationisten. Het gaat niet zozeer om de buideldieren in het algemeen, maar de Australische buideldieren (Australidelphia) een groep binnen de Metatheria. Dat geldt zowel voor de paleontologische4 als voor de genetische5 gegevens. De huidige creationistische oplossingen voor de biogeografische verspreiding van de buideldieren variëren van een ‘God did it’-antwoord tot een ‘de buideldieren hebben de zondvloed overleefd buiten de ark’-antwoord. Deze antwoorden zijn niet overtuigend. Het ene uiterste is natuurwetenschappelijk niet overtuigend, het andere uiterste is theologisch niet overtuigend. Het probleem blijft staan ongeacht of er nu wel of geen buideldierachtigen in het Midden-Oosten gevonden zijn. De Australidelphia lijken een monofyletische oorsprong te hebben en het, in ieder geval tot 2008, oudste fossiel van de Australidelphia, de Djarthia, wordt gevonden in het Eoceen van Australië (Queensland).6 Op de ICC presenteerde bioloog Todd C. Wood samen met een studente, Thompson, een uitgebreide baraminologische studie naar Tertiaire zoogdieren.7 Bioloog Chad Arment heeft dit jaar in Answers Research Journal een baraminologische studie gepubliceerd over de buideldieren. Maar er moet nog veel meer werk verzet worden. De Anatolische buideldierachtigen worden in deze studies helaas niet eens genoemd. Zoals we in het tweede artikel aangaven blijft het interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn. Het fossielenarchief van het Midden-Oosten is echter zeer gebrekkig en kent veel gaten, voorlopig zit dát er daarom niet in. De intentie van de auteur was ook niet om het buideldierenprobleem op te lossen, maar de stelling aan te vechten dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. Daarnaast stellen sommige creationisten de vraag óf we wel in het Midden-Oosten moeten zoeken voor het begin van de buideldierenverspreiding.

De vondsten

In het openingsartikel en mijn eerste reactie richting de sceptici noem ik vier vondsten van mogelijke buideldieren in het Midden-Oosten. Namelijk de Galatiadelphys minor (Herpetotheriidae), Orhaniyeia nauta (Anatoliadelphyidae), Anatoliadelphys maasae (Anatoliadelphyidae), Peratherium indet. (Didelphidae8) en een kaakfragment met twee molaren van een Marsupialia. Waar ik van vroege buideldieren sprak (Marsupialia) had ik beter van buideldierachtigen (Marsupialiformes) kunnen spreken. Had wel in de titel ‘vroege’ buideldieren geschreven om verwarring met de (moderne) Australische buideldieren (Australidelphia) te voorkomen, maar had deze woordkeuze zorgvuldiger moeten kiezen.

Blom haalt een bron aan waaruit blijkt dat de Herpetotheriidae stem groep is maar een sister groep van de Marsupialia. Het lijkt erop dat de naturalisten hier een consensus9 hebben bereikt. We kunnen dus bij de Herpetotheriidae wel spreken over buideldierachtigen (Marsupialiformes) zijn, maar niet over buideldieren (Marsupialia). Omdat creationisten geen baraminologische studies naar deze buideldierachtigen gedaan hebben, kan ik daar momenteel vanuit creationistisch perspectief geen weerwoord op formuleren. Het zou dus kunnen dat de Herpetotheriidae en de Didelphimorphia één holobaramin vormen, maar dit zou ook niet zo kunnen zijn. Een toekomstige baraminologische studie naar deze groepen zal mogelijk voor creationisten uitkomst bieden. Er is nog wel discussie over de plaats van de Herpetotheriidae in de clade Metatheria. Een andere, zeer recente, studie geeft aan dat deze Herpetotheriidae niet tot de groep Didelphimorphia behoorden maar een aparte groep vormden.10 Als dat de uitkomst is van het onderzoek dan heb ik daar geen problemen mee. Het zou overigens kunnen dat, als wij vandaag de dag individuen van deze groep zouden tegenkomen, we ze gewoon buideldieren zouden noemen. Toch kunnen we in deze discussie beter voorzichtiger formuleren en noemen we soorten die tot de Herpetotheriidae behoren daarom buideldierachtigen en geen buideldieren.

Wat we hierboven stelden over de Galatiadelphys minor is ook van toepassing voor de Peratherium indet., een fossiel uit Egypte. In 1984 werd dit soort nog gerekend tot de Didelphidae, daarom had de auteur deze vondst ook een buideldier genoemd.11 Vanuit de twee bovengenoemde artikelen wordt duidelijk dat de Peratherium ingedeeld is bij de Herpetotheriidae en moeten we spreken van een buideldierachtige. Over de twee kaakfragmenten is veel discussie en terecht noemt Blom deze fragmenten daarom dubieus.12

Anatoliadelphyidae

Op de, voor de auteur, belangrijkste vondsten, de Orhaniyeia nauta en de Anatoliadelphys maasae, gaat Blom nauwelijks in. Blom zegt wel en dat terecht dat de oorspronkelijke artikelen deze beesten stem marsupials noemen en dat de auteur daarom beter van buideldierachtigen had kunnen spreken. Hij gaat echter niet in op vervolgstudies rond deze soorten, die zowel de Orhaniyeia als de Anatoliadelphys scharen onder de buideldieren (Marsupialia) en lijkt vooral gefocust te zijn op de Herpetotheriidae.

Een artikel uit 2019 geeft het volgende aan rond deze soorten13:

The phylogenetic affinities of the Uzunçarsidere metatherians are not well resolved. In the phylogenetic analysis accompanying its original description, Anatoliadelphys was identified as a non-marsupial marsupialiform (…) but a later analysis by Carneiro (2018) found it to be a member of Protodidelphidae (a group otherwise known only from South America), within the marsupial order Didelphimorphia. Métais et al. (2018), meanwhile, found both Anatoliadelphys and Orhaniyeia to be closely related to Paleogene bunodont taxa from South America and Australia, namely Chulpasia, Palangania, and Thylocotinga. The uncertainty regarding the affinities of Anatoliadelphys and Orhaniyeia likely reflect highl levels of dental homoplasy in dental features relating to a bunodont dentition (e.g., enlargement of stylar cusps B and D. reduction of molar crests), as discussed at length by Beck et al. (2008a).

Vreemd genoeg haalt Blom dit overzichtsartikel, waar het citaat uit komt, wel aan bij de Herpetotheriidae maar niet bij de bespreking van de Anatoliadelphyidae. Uiteraard is het laatste woord over deze twee soorten nog niet gezegd en we volgende discussie met belangstelling. Het is zeer goed mogelijk dat nieuwe(re) studies dit soort weer buiten de Marsupialia indelen. Wanneer we kijken naar de paper van Carneiro zien we de beschrijving van de vondst van een nieuw buideldier in Zuid-Amerika (Bergqvistherium primigenia). Carneiro schrijft over de relatie tussen dit buideldier en de Anatoliadelphys het volgende:

Following the results, Bergqvistherium is recovered as the sister taxon of Periprotodidelphis +Anatoliadelphys and Guggenheimia, Protodidelphys + Carolocoutoia, as an early-divergent lineage of the Protodidelphidae. (…) The inclusion of the Protodidelphidae among the Didelphimorphia was supported by the analysis of Ladevèze and Muizon (2010), Carneiro and Oliveira (2017a, b) and Carneiro (2018). The phylogenetic analysis support the sister relation between Periprotodidelphis and Anatoliadelphys, recovering a South American ancestral area for the lineage of the last taxon. This result differs from the one of Maga and Beck (2017), who proposed a North American ancestor area for Anatoliadelphys. This result can be considered as preliminary evidence supporting the hypothesis of the Atlantogea, as proposed by Ezcurra and Agnolin (2012).

Voor de plaats van de Anatoliadelphys binnen de Protodidelphidae zie figuur 5 van de bovengenoemde paper.14

De studie van Métais et al. (2018) geeft over de indeling het volgende aan:

Our phylogenetic analyses reconstruct Orhaniyeia and Anatoliadelphys as sister taxa that are closely related to South American and Australian bunodont polydolopimorphian metatherians such as Palangania, Chulpasia and Thylacotinga.

Wanneer we figuur 5 en 6 van de studie van Métais et al. (2018)15 bestuderen, zien we dat de twee bovengenoemde vondsten het meest verwant worden gezien aan de Thylacotinga, Chupasia en de Palangania. Dit is ook te lezen in het citaat hierboven. De paper van Métais et al. verwijst niet naar de paper van Carneiro, dus lijkt onafhankelijk van Carneiro tot min of meer dezelfde indeling te komen.

We hopen dat er in de toekomst meer Anatolische buideldierachtigen gevonden worden. Mogelijk komt er ook nog een reactie op deze indeling van Maga16, hij promoveerde op zijn vondst van de Anatoliadelphys.17 De meest recente indelingen delen daarmee zowel Anatoliadelphys als Orhaniyeia in bij de Marsupialia. Carneiro bij de Protodidelphidae en Métais et al. tekent ze in bij de Paucituberculata. Zowel de grootte als de indeling maken deze buideldierachtigen extra interessant voor de stelling wél of geen buideldieren in het Midden-Oosten en de implicaties daarvan.

Volgens Blom zijn er geen ‘andere gerapporteerde locaties zijn waar Metatheria – laat staan Marsupialia – zijn gevonden’ in het Midden Oosten. Dit klopt niet. In Oman is een melktand gevonden van het genus Qatranitherium18, volgens Hooker et al. (2008) synoniem voor Peratherium. Dezelfde Hooker et al. maken melding van nieuwe vondsten van de Peratherium africanum en noemen Peratherium een ‘herpetotheriid marsupial’.19 In 1994 werden er in de Kartal Formation (Turkije) vier molaren (achterste kiezen) gevonden. De onderzoekers schreven de molaren toe aan een Herpetotheriinae, een buideldierachtige.20

Implicaties

Omdat het fossielenarchief van buideldierachtigen in het Midden-Oosten schaars is, is het niet mogelijk om de paleobiogeografische verspreiding uit te tekenen. Verder hebben creationisten nog nauwelijks iets zinnigs ingebracht over de paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren, of andere dieren, na de zondvloed. Dit is voor creationisten echt onontgonnen terrein. Onze onderstaande voorzetten moeten daarom als voorlopig en sterk hypothetisch worden aangemerkt. Te meer daar de auteur van mening is dat er nog geen paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen in te tekenen is. Omdat Willem Jan Blom het in zijn artikel beschrijft en de auteur niet als ‘laf’ of ‘wegvluchtend van het eigenlijke probleem’ wil worden aangemerkt hieronder een sterk hypothetische paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen, die hoogstwaarschijnlijk na meer studie en vondsten anders verlopen zal zijn dan wij, creationisten, momenteel denken. Blom is erg stellig hoe de verspreiding van de buideldierachtigen gegaan zou moeten zijn in de ogen van creationisten. Hij meent te weten waar de Ararat (en niet zoals in de Schrift gesteld wordt: de bergen van Ararat) gelegen heeft en trekt een lineaire lijn van deze locatie via Iran naar Australië. Dit is veel te kort door de bocht. Als we er al iets zinnigs over kúnnen zeggen, wat in mijn ogen door het beperkte aantal puzzelstukjes en onze beperkte kennis nauwelijks tot niet mogelijk is, dan is de verspreiding binnen de huidige creationistische modellen hoogstwaarschijnlijk niet zo gegaan. Daarnaast houdt Blom met deze lineaire lijn op geen enkele wijze rekening met de complexe geologie van het Midden-Oosten en met de theorie van plaattektoniek. Mijn inhoudelijke repliek en voorzichtige aanzetten tot een paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen volgt hieronder. Hierbij ga ik ervan uit dat de Australidelphia hetzelfde verspreidingspatroon heeft laten zien als de andere buideldierachtigen. Dat dit niet zo hoeft te zijn is evident, maar onwaarschijnlijk is deze gedachte niet. Helaas zijn er, in ieder geval tot 2008, nog geen Australidelphia buiten Australië gevonden. Het onderstaande is dus sterk hypothetisch, voorlopig en hoogstwaarschijnlijk is de verspreiding van de buideldierachtigen niet zo verlopen. Daarbij teken ik, met behulp van Paleobiology Database, die geen rekening houdt met de hierboven beschreven discussie en alle soorten gewoon onder Marsupialia schaart, een lijn van verspreiding.21 De auteur is daarnaast van mening dat het té vroeg is om te kiezen voor zondvloedmodel X of Y en hanteert zelf qua geologie een meer Cuveriaanse manier van denken.22 Namelijk dat er wél catastrofen aan te wijzen zijn, maar dat we (nog) niet kunnen komen tot een geologische allesomvattend zondvloedmodel. Daarvoor is onze kennis te beperkt, zijn de puzzelstukjes te weinig en worden de puzzelstukjes die er zijn vaak vanuit naturalistisch perspectief beschreven. Over de ligging van de bergen van Ararat is óók veel discussie onder creationisten. Sommigen neigen naar de huidige Ararat, anderen noemen, net als Willem Jan Blom, Mount Judi en weer anderen plaatsen de bergen van Ararat zelfs in Afrika. De auteur zelf heeft daar nog geen duidelijk standpunt over ingenomen. De lokalisering van de bergen van Ararat heeft invloed op de getekende verspreiding van diersoorten. We moeten, mogen en kunnen dus niet te stellig zijn over de getekende lijnen, vervolgonderzoek is absoluut noodzakelijk en zelfs zeer wenselijk.

Kangoeroes

Jan Rein de Wit geeft aan dat het wel mogelijk is dat kangoeroes wel in het Midden-Oosten geleefd hebben, maar niet gefossiliseerd zijn. Blom stelt terecht dat verwanten van buideldieren wel gefossiliseerd zijn. Dit maakt het aannemelijk dat dit ook voor de buideldieren mogelijk zou moeten zijn. Ook stelt hij terecht dat de sedimenten van ná het Perm, volgens het zondvloedmodel dat Jan Rein de Wit hanteert, buideldieren moeten kunnen bevatten. Hij geeft ook de voorzichtige en voorlopige werkhypothese van de auteur weer dat ten minste de Kenozoïsche sedimenten van ná de zondvloed zijn en dat het dus binnen die werkhypothese mogelijk is dat de Kenozoïsche sedimenten in het Midden-Oosten fossiele kangoeroes kunnen bevatten. Willem Jan Blom trekt daaruit een conclusie die niet volgt uit het antwoord van De Wit noch uit de (on)mogelijkheid van het fossiliseren van de buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Jan Rein de Wit heeft namelijk niet gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd kunnen zijn, maar dat ze kennelijk niet gefossiliseerd zijn. Dat is waar, omdat er (nog) geen fossiele kangoeroes buiten Australië gevonden zijn. De Wit heeft daarnaast niet alleen gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd zijn, maar ook een tweede optie gegeven, namelijk dat de fossielen van kangoeroes in het Midden-Oosten mogelijk nog niet gevonden zijn. Voorlopig kunnen creationisten prima uitgaan van de tweede optie. Een snelle zoektocht door Paleobiology Database laat zien dat niet alleen fossielen van de clade Metatheria schaars zijn, maar dat fossielen uit de klasse Mammalia in het algemeen erg schaars zijn in het Midden-Oosten. Paleobiology Database geeft slechts één locatie met zoogdierachtigen uit het Jura (Turkije), enkele locaties uit het Krijt (Turkije, Jordanië, Egypte en Irak), geen enkele locatie in het Paleoceen, enkele locaties uit het Eoceen (Egypte, Turkije en Jordanië) en heel weinig locaties uit het Oligoceen (Egypte, Saoedi-Arabië en Oman). Vergeleken met bijvoorbeeld Europa, Noord-Amerika en China is het droevig gesteld met de zoogdierachtigen in het Midden-Oosten. In zijn zoektocht naar het aantal baramins die aan boord waren van de ark, geeft de paleontoloog dr. Kurt Wise aan dat de incompleetheid van het fossielenarchief één van de redenen is om voorzichtig te zijn stellige claims te maken over het aantal baramins in de ark en dus ook voor de paleobiogeografische verspreiding van de diersoorten ná de zondvloed.23 Het kan uiteraard ook zijn dat kangoeroes gewoon niet gefossiliseerd zijn, terwijl andere buideldierachtigen wel gefossiliseerd zijn. Alle gefossiliseerde beesten staan niet in verhouding tot alle dieren die ooit geleefd hebben. We moeten dus voorzichtig zijn om stellige conclusies te trekken uit wat we wél en wat we daarmee dus ook niet aan fossielen hebben. De recente vondsten die wijzen op de aanwezigheid van grotere buideldierachtigen, die op grond van de meest recente studies zelfs gerekend worden tot de buideldieren, geven wel hoop voor de toekomst.

Baramins

Blom reageert dat de gevonden soorten geen oplossing zijn voor de Australische buideldieren (Australidelphia). DIt is juist, zoals de auteur ook in het begin van dit artikel heeft aangegeven. De gevonden buideldierachtigen zijn wel reden om optimistisch te blijven en verder te zoeken. Er is geen enkele studie gedaan door creationisten hoe deze vondsten uit het Midden-Oosten creationistisch ingedeeld moeten worden. De baraminologisches studie van Arment en die van Thompson en Wood nemen ze niet eens mee. Verder staat de creationistische indeling van buideldieren in het algemeen nog in de kinderschoenen. Daarom kunnen we daarover niet zoveel zinnigs zeggen. We hopen dat onze medecreationisten zich hier in de (nabije) toekomst over zullen buigen.

Lineaire verspreiding

Willem Jan Blom stelt een lineaire verspreiding van de buideldierachtigen voor, vanaf zijn keuze voor de (bergen van) Ararat richting Australië. Dit is te kort door de bocht. Het doet geen recht aan de huidige vondsten van buideldierachtigen wereldwijd, geen recht aan de complexe geologie van het Midden-Oosten én geen recht aan de theorie van de plaattektoniek. Verder is een verspreiding van diersoorten nooit lineair, maar vormt het eerder een olievlekkenpatroon. Wanneer je rekening houdt met deze hierboven genoemde bezwaren, behalve die van de complexe geologie van het Midden-Oosten, dan is er mogelijk een voorzichtig patroon te tekenen. Omdat de vondsten schaars zijn en het creationistische onderzoek naar de bestaande vondsten minimaal is, kunnen en mogen we daar niet té stellig over zijn.

Hoogstwaarschijnlijk zal dit patroon in de toekomst anders worden doordat, wanneer er meer buideldierachtigen gevonden worden, er andere patronen ontstaan. Als route 1 (oranje) klopt dan zullen er in de toekomst (nog) meer buideldierachtigen gevonden worden in Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika én Antarctica. Als route 2 (groen) klopt dan zullen er meer buideldierachtigen gevonden worden in de voormalige Sovjetunie, China en het Indonesische archipel. Daarvoor zal echter nog veel werk verricht moeten worden, want momenteel zijn fossielen van buideldierachtigen op die locaties nogal schaars. Rekening houdend met de standaard theorie van de plaattektoniek, liggen de continenten in het Jura (dan worden de eerste buideldierachtigen gevonden) dicht genoeg elkaar voor route 1. Dat geldt ook voor het Krijt. In het Paleogeen liggen Antarctica en Australië nog redelijk dicht bij elkaar, maar daarna wordt de afstand groter. Wanneer gekozen wordt voor het K/Pg-zondvloedmodel moet de verspreiding van de buideldieren vrij snel zijn gegaan. Na een warme periode van het Paleoceen en het Eoceen begint vanaf het Oligoceen de ijskapopbouw van Antarctica. Het wordt dan kouder (mogelijk zelfs té koud) voor verspreiding van buideldieren. Nog een reden is dat gedurende het Oligoceen Antarctica zich losmaakt van Zuid-Amerika en langzaam de huidige plaats opzoekt. In het Laat-Eoceen/Vroeg-Oligoceen breekt ook Australië los van Antarctica. Deze afsplitsingen zorgen ervoor dat Antarctica thermisch geïsoleerd raakt, de bekende Antarctic Circumpolar Current ontstaat en er sinds het Oligoceen ijskapopbouw plaatsvindt. Vanaf het Mioceen wordt de afstand tussen Antarctica en Australië te groot om die nog fatsoenlijk te kunnen overbruggen en wordt de optie over route 2 veel waarschijnlijker. Daarnaast liggen er dan (een begin van een) ijskap op Antarctica en is dit continent te koud voor buideldierachtigen. Voor zondvloedmodellen die de zondvloedgrens boven het Mioceen leggen is slechts één optie aannemelijk, namelijk (een variant op) route 2. Route 1 lijkt meer in overeenstemming te zijn met de huidige paleontologische data. Wanneer we voor route 1 kiezen dan moet de verspreiding van de buideldieren in het geval van het K/Pg-zondvloedmodel in het Paleoceen en het Eoceen hebben plaatsgevonden24, of in het geval van het rekolonisatiemodel in het Perm tot en met het Eoceen. Willen we dit bevestigd zien moeten we naar de Antarctische aardlagen van het Perm, Trias, Jura, Krijt, Paleoceen en het Eoceen25, dat zal voor het grootste gedeelte van Antarctica niet meevallen voor de onderzoekers.

Conclusie

Willem Jan Blom heeft, met behulp van literatuur overtuigend aangetoond dat sommige, door de auteur genoemde, buideldierachtigen niet tot de Marsupialia behoren, maar geschaard moeten worden onder de zustergroep Herpetotheriidae. Blom heeft nauwelijks gereageerd op de Anatolische buideldierachtigen (Anatoliadelphyidae) en geen rekening gehouden met de nieuwste literatuur rond indeling van deze soorten. Dat is een gemis, want deze buideldierachtigen waren voor de auteur de belangrijkste vondsten van buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Blom heeft geen rekening gehouden met de zin van Jan Rein de Wit, dat kangoeroes ‘gewoon nog niet gevonden zijn’. Dit is een redelijke optie omdat veel sedimentair gesteente in het Midden-Oosten nog niet ontgonnen is. Creationisten hebben zich helaas nauwelijks met de geologie van het Midden-Oosten beziggehouden. Blom schetst een té eenvoudig beeld van de mogelijke verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten en houdt geen rekening met de geologie en paleontologie in het algemeen en de theorie van plaattektoniek in het bijzonder. We kunnen in het geval van Blom daarom niet spreken van een paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren. De verspreiding van de buideldierachtigen is niet lineair verlopen maar als een olievlek. Er zijn binnen de creationistische modellen twee opties: (1) via Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Antarctica naar Australië, of (2) via Europa, Azië, Zuidoost Azië naar Australië. Ziende op de paleontologische gegevens lijkt de eerste optie de voorkeur te hebben. De toekomst zal leren welk zondvloedmodel het beste past bij de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen. Wanneer alle Mesozoïsche buideldieren niet tot de Marsupialia behoren dan is een keuze voor een K/Pg-zondvloedmodel als kader voor de een verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten mogelijk. Dit strijdt overigens ook niet met een rekolonisatiemodel. Wanneer de Noord-Amerikaanse Mesozoïsche buideldierachtigen de vooroudersoorten zijn van de Paleogene buideldierachtigen, dan ligt ziende op de paleobiogeografische verspreiding van deze buideldierachtigen een keuze voor het rekolonisatiemodel voor de hand. Je zou daarop ziende de bergen van Ararat dan haast in Noord-Amerika plaatsen. In ieder geval lijken de Mesozoïsche en Paleogene locaties in Noord-Amerika, Europa en Azië, maar ook die van Zuid-Amerika en Antarctica, een grote rol te spelen bij het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen is verlopen. De komende maanden zal de auteur een verdere zoektocht naar antwoorden op deze vragen laten rusten, er zijn andere zaken die de aandacht vragen zoals de voorbereidingen voor de geologiereis naar Hongarije.26 In het voorjaar van 202127, bij leven en welzijn, publiceren we een neutraal en beschrijvend overzicht van de gevonden fossielen van de clade Metatheria in het Midden Oosten. Mogelijk zijn er dan weer nieuwe vondsten bekend. Wanneer er in tussentijd nieuwe inhoudelijke reacties gegeven zijn op dit artikel zullen die op zijn vroegst ook in het voorjaar besproken en zonnodig weersproken worden.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • Beck, R.M.D., Godthelp, H., Weisbecker, V., Archer, M., Hand, S.J., 2008, Australia’s Oldest Marsupial Fossils and their Biogeographical Implications, PLoS One 3 (3): 1-8.
  • Carneiro, L.M., 2018, A new protodidelhid (Mammalia, Marsupialia, Didelphimorphia) from the Itaborai Basin and its implications for the evolution of the Protodidelphidae, Anais da Academia Brasileira de Ciências 91 (2): 1-13.
  • Eldridge, M.D.B., Beck, R.M.D., Croft, D.A., Travouillon, K.J., Fox, B.J., 2019, An emerging consensus in the evolution, phylogeny, and systematics of marsupials and their fossil relatives (Metatheria), Journal of Mammology 100 (3): 802-837.
  • Gelfo, J.N., Mors, T., Lorente, M., Lopez, G.M., Reguero, M., 2015, The oldest mammals from Antarctica, early Eocene of the La Meseta Formation, Seymour Island, Palaeontology 58 (1): 101-110.
  • Godthelp, H., Wroe, S., Archer, M., 1999, A New Marsupial from the Early Eocene Tingamarra Local Fauna of Morgon, Southeastern Queensland: A Prototypical Australian Marsupial?, Journal of Mammalian Evolution 6 (3): 289-313.
  • Goin, F.J., Case, J.A., Woodburne, M.O., Vizcaíno, S.F., Reguero, M.A., 1999, New Discoveries of “Opposum-Like” Marsupials from Antarctica (Seymour Island, Medial Eocene), Journal of Mammalian Evolution 6 (4): 35-365.
  • Hooker, J.J., Sánchez-Villagra, M.R., Goin, F.J., Simons, E.L., Attia, Y., Seiffert, E.R., 2008, The origin of Afro-Arabian ‘Didelphimorph’ marsupials, Palaeontology 51 (3): 635-648.
  • Kappelman, J., Maas, M.C., Sen, S., Alpagut, B., Fortelius, M., Lunkka, J.P., 1996, A new early Tertiary mammalian fauna from Turkey and its paleobiogeographic significance, Journal of Vertebrate Paleontology 16 (3): 592-595.
  • Ladevèze, S., Selva, C., Muizon, C. de., 2020, What are “opossum-like” fossils? The phylogeny of herpetotheriid and peradecid metatherians, based on new features from the petrosal anatomy, Journal of Systematic Palaeontology 18 (17): 1463-1479.
  • Maga, A.M., 2008, Systematic Paleontological Investigation of the Metatherian Fauna from the Paleogene Uzunçarsidere Formation, Central Turkey, dissertation presented to the Faculty of the Graduate School of the University of Texas at Austin.
  • Maga, A.M., Beck, R.M.D., 2017, Skeleton of an unusual cat-sized marsupial relative (Metatheria: Marsupialiformes) from the middle Eocene (Lutetian: 44-43 million years ago) of Turkey, PLoS One 12 (8): 1-74.
  • Métais, G., Coster, P.M., Kappelman, J.R., Licht, A., Ocakoglu, F., Taylor, M.H., Beard, C., 2018, Eocene metatherians from Anatolia illuminate the assembly of an island fauna during Deep Time, PLoS One 13 (11): 1-20.
  • Nilsson, M.A., Churakov, G., Sommer, M., Tran, N.V., Zemann, A., Brosius, J., Schmitz, J., 2010, Tracking Marsupial Evolution Using Archaic Genomic Retroposon Insertions, Plos Biology 8 (7): 1-9.
  • Sánchez-Villagra, M.R., Seiffert, E.R., Martin, T., Simons, E.L., Gunnell, G.F., 2007, Enigmatic new mammals from the late Eocene of Egypt, Paläontologische Zeitschrift 81 (4): 406-415.
  • Simons, E.L., Brown, T.M., 1984, A new species of Peratherium (Didelphidae; Polyprotodonta): the first African marsupial, Journal of Mammology 65 (4): 539-548.
  • Thomas, H., Roger, J., Sen, S., Bourdillon-De Grissac, C., Al-Sulaimani, Z., 1989, Découverte de vertébrés fossiles dans l’Oligocène inférieur du Dhofar (Sultanat D’Oman), Geobios 22 (1): 101-120.
  • Thompson, C., Wood, T.C., 2018, A survey of Cenozoic mammal baramins, in: Whitmore, J.H., (Ed.), Proceedings of the Eighth International Conference on Creationism (Pittsburgh: Creation Science Fellowship), blz. 217-221.
  • Wise, K.P., 2009, Mammal Kinds: How Many Were on the Ark?, in: Wood, T.C., Garner, P.A., (Eds.), Genesis Kinds: Creationism and the Origin of Species (Eugene: Wipf & Stock).
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voetnoten

Fossiele buideldieren uit het Midden-Oosten en de reacties daarop

Gisteren (14 april 2020) schreef ik een artikel over de (vroege) buideldieren in het Midden-Oosten.1 Daar heb ik wat commentaar op gekregen via de e-mail en op de Facebookpagina van Logos Instituut. In het hierboven genoemde artikel reageerde ik op een stelling van een scepticus. In deze stelling gaf de scepticus aan dat er geen fossielen van buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. Deze stelling was op de Facebookpagina van Logos Instituut uitgeschreven als reactie op een artikel van de voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit2, die later ook op de website van Logos Instituut is verschenen.3 Hieronder wil ik kort recht doen aan de reacties, vooral aan die van de scepticus. Reacties die daarna op het onderwerp ‘buideldieren in het Midden-Oosten’ gegeven worden zal ik voorlopig parkeren.4

Iemand mailde mij dat de buideldieren een probleem of in ieder geval een uitdaging vormen voor jonge aarde creationisten. Het zou dan vooral, maar niet alleen, gaan om de Oceanische buideldieren. Daar ben ik het helemaal mee eens. Creationisten hebben vooralsnog geen goede oplossingen voor de evolutie en de migratie van deze buideldieren.5 Overigens wil dit niet zeggen dat creationisten het onderwerp uit de weg (zouden moeten) gaan, integendeel, vorige week verscheen er nog een uitgebreide paper in Answers Research Journal dat juist gaat over dit probleem.6 Een complete allesomvattende bespreking van de evolutie en de verspreiding van de buideldieren was echter niet het primaire doel van de beantwoording van de stelling van de scepticus. Het doel was om de stelling van de scepticus serieus te nemen en daar op te reageren. Over de evolutie en verspreiding van de buideldieren zouden we artikelen vol kunnen schrijven en ons hele leven daaraan kunnen wijden. Laten we het voor nu houden bij het artikel over ‘(vroege) buideldieren in het Midden-Oosten’. Het is goed om in het onderstaande de reacties na te lopen. Daarin zien we dat zowel de sceptici als de medestanders het met de conclusie van het artikel eens zijn: er worden fossiele buideldieren gevonden in het Midden-Oosten. Daarmee is het doel van het artikel bereikt, namelijk te laten zien dat er buideldieren gevonden worden in het Midden-Oosten. De vervolgvraag van de scepticus blijft interessant en dient nader onderzocht en uitgewerkt te worden: “Er waren blijkbaar ooit buideldieren in het Midden-Oosten, wat betekent dit dan voor het creationisme?” Hier dient een diepgravende studie naar gedaan te worden. Ik hoop dat creationisten deze handschoen oppakken.

Dankwoord

Vrij snel nadat het artikel gepubliceerd was verscheen er een reactie van de scepticus. Hij schreef:

Volgens mij gaat het om een van mijn reacties. Bedankt om het uit te zoeken, blijkbaar had ik het mis. Ik ben het eens met de conclusie van dit artikel: “Het is zeker interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn.

Het siert de scepticus dat hij aangeeft hier een vergissing te hebben gemaakt. Er zijn wel degelijk fossiele buideldieren in het Midden-Oosten gevonden. Volgens een andere scepticus kan deze scepticus geen erratum plaatsen en zo zouden de lezers van de website van Logos Instituut geen weet hebben van de hierboven gequoteerde tekst. Dit is nu weerlegd door deze publicatie.

Quote

De scepticus meende dat de door mij in het vorige artikel geciteerde reactie slechts een klein deel van de hele reactie was. Hieronder citeer ik de complete reactie:

“Het grappige is natuurlijk dat fossielen van buideldieren overal gevonden zijn (Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en zelfs Antarctica) behalve in het Midden-Oosten! Maar dat “vergeet” Logos weer te vermelden…

De evolutie van buideldieren is trouwens goed gekend.
https://en.wikipedia.org/wiki/Marsupial#Evolutionary_history.”

Volgens de scepticus zou zijn ”opmerking over fossiele buideldieren (…) slechts een detail” zijn “in een langere reactie.” Dit is niet het geval. In mijn artikel heb ik op het bovenste gedeelte van de reactie van de scepticus gereageerd. Dat had een reden: het gaat in het onderste gedeelte van de reactie om een ander onderwerp. Het gaat in dit onderdeel niet meer over de verspreiding van de buideldieren, maar over de evolutionaire geschiedenis van deze beesten. Dat is de reden dat ik het niet meegenomen heb in mijn artikel. De bedoeling van deze ‘rubriek’ ‘Antwoorden voor welwillende sceptici, critici en waarheidszoekers’ is om één argument, stelling of vraag per (sub)onderwerp te bespreken. De quote in het vorige artikel is niet slechts een detail uit veel langere reactie. Het is één van de twee stellingen in een korte reactie.

Ongelijk aantonen en karaktermoord plegen

De scepticus geeft in een vervolgstelling het volgende aan: “Het lijkt alsof jullie gewoon het ongelijk van de scepticus (ik dus) willen aantonen.” Mijn primaire doel was niet om het ongelijk van de scepticus aan te tonen, maar om de stelling van de scepticus serieus te nemen, deze te onderzoeken en daarop te reageren met contra-data. Daarnaast geeft de scepticus aan dat ik met dit artikel “vooral geïnteresseerd ben in het punten scoren bij de achterban in plaats van een constructieve discussie [te] houden.” Dit is niet het geval, in deze rubriek wil ik zoals hierboven gezegd, samen met anderen, de argumenten van sceptici, critici en waarheidszoekers serieus nemen, daarop herkauwen en daar mijn mening over geven. De scepticus gaat verder: “Als het alleen om de discussie ging, dan had hij op mijn originele opmerking kunnen reageren. Een heel artikel schrijven over een detail is wat te veel.” Hierboven heb ik de complete tekst geciteerd en aangegeven waarom ik de tekst in tweeën heb gedeeld. De eerste gaat over de verspreiding van de (fossiele) buideldieren over de wereld. De tweede gaat over de evolutie van de buideldieren. Dat zijn twee verschillende onderwerpen. Waar het mij primair om te doen is dat is hierboven te lezen. Secundair is het zo dat wij het argument van ‘geen fossiele buideldieren in het Midden-Oosten’ vaker voorgeschoteld krijgen. Dat is door het schrijven van deze publicatie van de baan.

Een andere scepticus gaat er met gestrekt been in. Mijn doel zou volgens hem zijn om een karaktermoord te plegen. Mijn truc zou daarbij zijn dat ik een fout compleet uit zou melken ten overstaan van de achterban. Ik zou daarnaast “gluiperig” gereageerd hebben. Deze verdachtmakingen zijn zoals ik hierboven heb aangegeven niet correct, ze vallen daarnaast onder de categorie drogredenen (ad hominem). Mijn doel met het artikel was niet om een karaktermoord te plegen, anders zou ik de scepticus met naam en toenaam aan de schandpaal genageld hebben. In alle eerlijkheid is zelfs het tegendeel waar, al heeft de scepticus een andere mening dan ik, ik ken hem al langer dan vandaag en zie hem als een sympathiek persoon en geniet veelal van zijn bijdragen aan het wetenschappelijk debat. Maar al zou de persoon in kwestie niet sympathiek zijn dan nog mag en wil ik hem niet aan de schandpaal nagelen en karaktermoord plegen (Lukas 6: 27-287). Omdat Facebook in onze ogen een niet-publiek medium is, noemen we geen namen. Dat heeft voordelen. We kunnen ons dan meer focussen op het argument, de stelling of de vraag. Ook de scepticus die de oorspronkelijke stelling schreef wijst de verdachtmaking van de andere scepticus van de hand. Helaas gaat ook een medestander van ons mee in verdachtmakingen van de opponent. De besproken stelling zou één “van die domme vragen van evolutionisten” zijn. Domme vragen bestaan niet en we dienen onze vermeende tegenstanders met respect te behandelen en serieus te nemen.8

Wikipedia

Nog weer een andere scepticus geeft aan dat “het wikipedia [sic] verhaal over de evolutionaire geschiedenis van de buideldieren (…) het midden-oosten [sic] niet” vermeld. De reden is volgens deze scepticus “waarschijnlijk omdat de meeste soorten elders gevonden zijn: het lijstje wat ‘een scepticus’ gaf.” En verder: “Dat wikipedia [sic] het midden-oosten [sic] niet noemde betekent inderdaad niet automatisch dat er niet ook een paar in het midden-oosten [sic] gevonden zijn – inderdaad wel dus – maar ze vonden dat niet belangrijk genoeg, blijkbaar, gezien de veel grotere aantallen elders.

Het is mooi dat deze scepticus met mij instemt dat er fossiele buideldieren gevonden zijn in het Midden-Oosten. Deze scepticus probeert het voor de vrije encyclopedie Wikipedia op te nemen. Dat er elders veel grotere aantallen gevonden zijn, kan echter nooit een reden zijn om deze fossiele buideldieren niet in een lijstje van buideldieren over de hele wereld op te nemen. Het lijkt mij dat een lijstje van buideldieren minimaal alle gebieden moet bevatten waar buideldieren worden gevonden. Overigens, Wikipedia maakt elders wel melding van de in Turkije gevonden soorten die ik kort noemde in het vorige artikel.9 De ene auteur op Wikipedia weet dus van het bestaan van deze fossielen, terwijl de andere auteur dat wellicht niet weet of het vergeten is op te nemen. Verder is mijn advies om altijd de Wikipedia-informatie te checken voordat deze ‘in stelling’ wordt gebracht. Dat is in dit geval kennelijk niet gebeurd. Wanneer Wikipedia op haar pagina geen melding maakt van de in het Midden-Oosten gevonden fossielen gaat deze vrije encyclopedie net zo de mist in als de in het vorige artikel besproken stelling.

Conclusie

Er is veel geschreven hierboven. Het was mij niet te doen om ‘punten te scoren’ of een ‘karaktermoord te plegen’. Ik heb slechts enkele argumenten tegen een stelling ingebracht. Inhoudelijk zijn de sceptici het daarmee eens: er zijn wel degelijk fossiele buideldieren gevonden in het Midden-Oosten. Dat was het punt, niets meer en niets minder.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • De Bijbel, Lukas.
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Zie voor hier het oorspronkelijke artikel waar op gereageerd werd.

Voetnoten

Zijn er geen (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten?

In 2017 beantwoordde de voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit, een vraag over hoe de kangoeroes de zondvloed overleefden.1 Dit artikel verscheen vorige maand (mei 2020) ook op de website van Logos Instituut.2 Als reactie gaf een scepticus aan dat de auteur3 vergeet te vermelden “dat fossielen van buideldieren overal gevonden zijn (Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en zelfs Antarctica) behalve in het Midden-Oosten!”.4 Ging het Jan Rein de Wit nog om de kangoeroes5, de scepticus meent zelfs dat er helemaal geen buideldieren gevonden zijn in het Midden-Oosten. Hieronder beantwoorden we de scepticus. Er zijn wel degelijk buideldieren in het Midden-Oosten gevonden.6 Hieronder enkele beesten die tot de clade Metatheria behoren waartoe ook buideldieren en uitgestorven soorten (daarvan) behoren.7

In 2018 werden in het tijdschrift PLoS ONE twee nieuwe soorten beschreven. Deze soorten die behoren tot de Metatheria werden gevonden op de Anatolische Hoogvlakte in de Lülük Member van de Uzunçarşıdere Formation. Volgens de onderzoekers was de flora en fauna in het midden-Eoceen onderdeel van een voormalig eiland aan de noordelijke rand van de Neo-Tethys oceaan. De soorten werden beschreven als Galatiadelphys minor (Herpetotheriidae, waar volgens sommige onderzoekers ook de opossums toe behoren) en Orhaniyeia nauta (een kleine carnivoor).8

In 2017 werd er in het tijdschrift PLoS ONE een bijna-compleet skelet van een Metatherium beschreven. Het betrof een carnivoor ter grootte van een huiskat. Deze soort werd in dezelfde formatie gevonden als de beesten die hierboven worden genoemd. Het beestje kreeg de naam Anatoliadelphys maasae.9 Het beest werd overigens al eerder beschreven in het proefschrift van de onderzoeker uit 2008.10

In 1984 werd in het Journal of Mammology een Afrikaans buideldier beschreven. Dit beest werd gevonden in de in noord-Egypte gelegen Oligocene11 Jebel Qatrani Formation. Het gaat hier om het soort uit het genus Peratherium, waarvan er ook soorten gevonden worden in België en Frankrijk.12 In 2007 werd een nieuw soort beschreven uit dezelfde formatie in Egypte, het soort kreeg de naam Ghamidtherium dimaiensis. Het is niet helemaal duidelijk of dit soort behoorde tot de Didelphimorphia, volgens de onderzoekers is dat het meest waarschijnlijk.13

Er zijn meer vondsten te vermelden. Het is zeker interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn, maar voor nu volstaan de bovenstaande voorbeelden. De scepticus heeft ongelijk, er zijn wel degelijk (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • Maga, A.M., 2008, Systematic Paleontological Investigation of the Metatherian Fauna from the Paleogene Uzunçarşıdere Formation, Central Turkey, dissertation presented to the Faculty of the Graduate School of the University of Texas at Austin.
  • Maga, A.M., Beck, R.M.D., 2017, Skeleton of an unusual, cat-sized marsupial relative (Metatheria: Marsupialiformes) from the middle Eocene (Lutetian: 44-43 million years ago) of Turkey, PLoS ONE 12 (8): e0181712.
  • Métais, G., Coster, P.M., Kappelman, J.R., Licht, A., Ocakoglu, F., Taylor, M.H. Beard, K.C., 2018, Eocene Metatherians from Anatolia illuminate the assembly of an island fauna during Deep Time, PLoS ONE 13 (11): e0206181.
  • Sánchez-Villagra, M.R., Seiffert, E.R., Martin, T., Simons, E.L., Gunnell, G.F., Attia, Y., 2007, Enigmatic new mammals from the late Eocene of Egypt, Paläontologische Zeitschrift 81 (4): 406-415.
  • Simons, E.L., Bown, T.M., 1984, A new species of Peratherium (Didelphidae; Polyprotodonta): the first African marsupial, Journal of Mammology 65 (4): 539-548.
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voetnoten