Home » Biologie

Categoriearchief: Biologie

Feedback & Vragen 2022: Commentaar op de presentatie van dr. Peter Borger – Wel of geen ‘big surprise’?

Vorige maand werd het congres ‘Bijbel & Wetenschap’ georganiseerd. Op dit congres sprak moleculair bioloog dr. Peter Borger. Zijn lezing had als titel: ‘Terug naar de oorsprong: over baranomen en soortvorming’. In deze lezing haalde Borger onderzoek naar de zandraket (A. thaliana) aan en het citaat ‘a big surprise’. Op de manier van aanhalen kwam via Twitter kritiek. Hieronder een reactie op de kritiek.1

Onderzoek naar het genoom van de zandraket (Arabidopsis thaliana) zorgt voor verrassende resultaten én een discussie via Twitter. Bron: Wikipedia.

De kritiek van drs. Bart Klink2 :

“Peter Borger heeft het vanaf ca. 25 minuten over onderzoek naar de zandraket en claimt de auteurs te citeren dat hun bevindingen ‘a big surprise!’ waren. Ik kan dat citaat alleen niet vinden in het artikel (…). Hoe zit dat Peter?”

Peter Borger gaf aan dat je dergelijke uitspraken nooit kunt vinden in het wetenschappelijk artikel. Hij gaf de referentie van het citaat echter niet, maar maande Bart Klink om verder te zoeken.

Drs. Bart Klink3:

“Een citaat is een letterlijke tekst uit je bron. Waarom staat die er niet in, zoals je claimt op je slide?”

En verder4:

“Ik wil erop kunnen vertrouwen dat als jij een onderzoek aanhaalt, dat daarin ook daadwerkelijk staat wat jij claimt dat erin staat. Dat is hier dus niet het geval. Wat vind jij van deze omgang met literatuur Jan van Meerten?”

In reactie hierop gaf ik aan dat ik niet bekend ben met het onderzoek naar de zandraket noch met alle interviews die de auteurs gedaan hebben naar aanleiding van dat onderzoek. Daarom kan ik er dus niets zinnigs over zeggen. Maar ik gaf aan de auteurs wel te kunnen mailen of het inderdaad ‘a big surprise’ was. Maar dat ik niet bij voorbaat in het beklaagdenbankje wil gaan zitten. Heb de auteurs uiteindelijk niet gemaild want, zo gaf ik aan, vind ik de vraag of de auteurs dit ‘a big surprise’ vinden niet zo spannend.

Repliek

De vraag bleef mij echter bezighouden en daarom heb ik kort verdiept in de herkomst van het citaat. Hieronder mijn reactie op de reactie van drs. Bart Klink. Op het congres gaf dr. Peter Borger twee voorbeelden van polyvalentie, namelijk verlies of verdubbeling van DNA. Het eerste voorbeeld was die van de zandraket (Arabidopsis thaliana). Borger gaf in de dia aan dat genetische analyse aantoonde dat elk tiende gen redundant is en verloren mag gaan. Daarmee was de voorouder van deze soorten genetisch veel rijker en complexer, niet eenvoudiger! Borger geeft op de dia in citaatvorm ‘A big surprise!’ weer. Bron voor de dia is een paper van Clark et al. in Science.5 Bart Klink doet voorkomen alsof de referentie naar de wetenschappelijke paper óók de bron is voor ‘a big surprise’. Hij is gaan zoeken op het citaat in de originele paper en vond dat niet. Dat klopt, het citaat staat ook niet in het Science-paper. Dit is conform wat Peter Borger via Twitter liet weten. Ik zie de referentie overigens ook meer als bron van de dia dan als bron van het citaat.

Dezelfde tekst kwam ik elders via Twitter op een andere dia van Borger tegen over deze zandraket.6 Hier stond nog een extra bron toegevoegd. Het is een link naar Phys.org. Het artikel draagt de titel ‘One species, many genomes’. In dit artikel vinden we de strekking van het citaat terug. Medeonderzoeker dr. Detlef Weigler geeft in het artikel het volgende aan: “That even in a minimal genome every tenth gene is dispensable, has been a great surprise.” Het artikel meldt daarnaast dat het ‘is surprising that Arabidopsis has such a plastic genome’ en ‘the results were surprising’.7 Een ander artikel op Phys.org met als titel ‘Charting ever-changing genomes’. We vinden daar wel het woord ‘surprising’ terug. Het is opnieuw dr. Weigel die via dit artikel het volgende aangeeft: “We found that one out of 10 genes is very different. This plasticity is truly surprising for a genome that’s very streamlined and unlike bigger genomes doesn’t contain a lot of junk DNA.”8 Via Google zocht ik verder naar het originele citaat. Ik kwam erachter dat Arabidopsis zelfs een eigen website heeft (TAIR). TAIR staat voor The Arabidopsis Information Resource. Onder het artikel ‘Policy Statement on Arabidopsis thaliana Reference Sequence’ is een reactie van dezelfde dr. Weigel te vinden. Op 25 november 2008 schrijft dr. Weigel: “While whole-genome sequencing of EMS mutants to identify causal mutations does work (we are three for three so far), a big surprise has been the number of mutations, either spontaneous or left over from previous rounds of mutagenesis. Starting with a single individual of CS70000 would be a good strategy for any mutant screen, but even then, be aware that individual, not mutagenized lines will undoubtedly have mutations that distinguish them from the canonical CS70000 sequence, which will be the average from many individuals.9

A great surprise’, ‘a big surprise’ en ‘surprising’ geeft de strekking van het citaat en het letterlijke citaat. De uitkomsten bleken voor de onderzoekers verrassend. Interessant? Nee, eigenlijk niet. Relevant? Nee, eigenlijk ook niet. In spreekwoordenland zou ik dit ‘spijkers op laag water zoeken’ noemen. Allereerst geeft dr. Borger in zijn dia niet aan dat het citaat ook uit het originele paper komt. Ten tweede komt het citaat of de strekking van het citaat verschillende malen voor in de populair-wetenschappelijke artikelen over het onderzoek. Ten derde is het voor mij niet zo interessant of een auteur de uitkomst wel of geen ‘big surprise’ vindt. Het onderzoek naar de zandraket (Arabidopsis thaliana) is daarentegen wel interessant en met dank aan dr. Borger weet ik er weer wat meer van.

Voetnoten

Snelle soortvorming met bioloog dr. John A. Davison – Bespreking van ‘An Evolutionary Manifesto’

In 2000 schreef de bioloog dr. John A. Davison een document, waarin hij uitlegt hoe soorten razendsnel kunnen ontstaan.1 Zijn betoog kan worden gezien als onderbouwing van de hypothese hoe na de zondvloed onder de dinosauriërs in korte tijd veel nieuwe soorten opdoemden. Hieronder volgt een opsomming van enkele hoofdpunten uit Davisons relaas.2

Deze wetenschapper verwerpt het neodarwinisme. Langzame accumulatie van blinde, toevallige puntmutaties in genen leveren volgens hem geen nieuwe soorten op. Hooguit leiden puntmutaties tot subspecies, dat zijn gespecialiseerde variaties binnen een bestaande soort, bijvoorbeeld verschillende hondenrassen. Davison beschouwt degelijke ontwikkelingen echter als evolutionaire doodlopende stegen.

De motor achter soortvorming

Volgens Davison zijn veranderingen in de structuur, het arrangement van de chromosomen, tijdens de eerste fase van de meiose (het celdelingsproces waarbij de geslachtscellen ontstaan) de motor achter soortvorming. Tijdens de eerste fase van de meiose komen chromosomen van de vader en de moeder naast en om elkaar te liggen. Daarbij kunnen zogenaamde inversies, duplicaties, deficiënties en crossing-overs plaatsvinden. Door dit soort positiewisselingen en recombinatie van stukken van chromosomen tussen de vader en moeder chromosomen ontstaat een nieuw karyotype (een nieuwe chromosomenstructuur) in een individueel organisme. Als dat tot expressie komt vormt zich een organisme met nieuwe eigenschappen en als dat zich weet voort te planten ontstaat een nieuwe soort. Deze soortvorming zal zich vooral in kleine populaties voordoen.

Kortom: nieuwe soorten ontstaan, volgens Davison, door chromosomale herschikking. Het ontstaan van gespecialiseerde subspecies (rassen) is vooral het gevolg van puntmutaties en expressie-veranderingen van genen.

Saltatie

Davison benadrukt dat een nieuwe soort niet geleidelijk ontstaat, maar altijd plotseling; het gaat om soortvorming à la minute, doordat de ‘reshuffling’ van de chromosomen in ‘no time’ tijdens de eerste fase van de meiose plaatsvindt. Soortvorming voltrekt zich dus niet volgens het recept van Darwin in slakkentempo, maar eerder met de snelheid van het licht.3 Dit abrupte opdoemen van een nieuwe soort verklaart waarom de levensvormen discontinu zijn: je ziet nergens geleidelijke overgangsvormen tussen soorten, ook niet in het fossielenarchief. Soortvorming gebeurt in sprongen.

Doordat nieuwe soorten opeens, in één stap, verschijnen, door een nieuw arrangement van chromosomen, is het ontstaan van nieuwe soorten ook een onomkeerbaar proces: je kunt de chromosomale herschikkingen niet terugdraaien. Verder constateert Davison dat het ontstaan van nieuwe soorten vanaf het Vroege Tertiair (Eoceen) zo’n beetje is beëindigd, enkele uitzonderingen daargelaten. Aan de mogelijkheid tot nieuwe chromosomale arrangementen zit klaarblijkelijk een grens of ze is aan bepaalde condities gebonden. Wel blijft via genexpressie en puntmutaties nog de ontwikkeling van subspecies mogelijk.

Het ontstaan van nieuwe soorten door chromosomale ‘reshuffling’ impliceert dat alle informatie voor het ontstaan van een nieuwe soort al in het genoom, het geheel van chromosomen, van een basistype aanwezig moet zijn. Het is alleen wachten op het moment dat de chromosomale herschikking opeens een nieuwe soort, met meerdere nieuwe kenmerken, oplevert.

Waarschijnlijk speelt bij de initiatie van chromosomale herschikking de externe factor van milieuprikkels een activerende rol. Milieu- of predatiestress stimuleert mogelijk het ontstaan van nieuwe chromosomale arrangementen. Daarom doet zich in tijden van extreme ecologische veranderingen een explosieve soortvorming voor, b.v. onder de dinosauriërs na de zondvloed.

Dinosauriërs

Davison werkt dit voorbeeld van de ontwikkeling van de dinosauriërs in het Mesozoïcum uit aan de hand van wat Otto Schindewolf hierover heeft geschreven. Deze Duitse paleontoloog typeert deze ontwikkeling met drie termen4:

  1. Typogenese: het opeens aan het eind van het Trias in de aardlagen verschijnen van kleine basistypen van dinosauriërs. Binnen het creationistische rekolonisatiemodel, waarbij de aardlagen vanaf het Perm het einde van de zondvloedafzettingen markeren, zou dit verschijnen van deze basistypen het vrijkomen van deze dieren uit de Ark weergeven.5
  2. Typostasis: de diversificatie van de basistypen in verschillende soorten. Zo vormen zich uit de basistypen verschillende soortenzwermen van dinosauriërs. Het optreden van een serie parallelle veranderingen in de chromosomale structuur van de dino-basistypen zou hiervan de oorzaak zijn.
  3. Typolysis: het ontstaan van gigantisme en overspecialisatie onder de dinosauriërs waardoor zich binnen deze dieren extreme en bizarre lichaamsvormen ontwikkelen; die zijn deels het gevolg van nieuwe chromosomale arrangementen en deels het resultaat van puntmutaties of gedifferentieerde genexpressie.

Davison benadrukt dat het hier steeds gaat om de expressie van informatie die al in de genomen van de verschillende basistypen van de dinosauriërs lag opgeslagen. Door omgevingsprikkels, die tot chromosomale ‘reshuffling’ leiden, worden deze in het genoom verborgen mogelijkheden geactiveerd. Het lijkt er sterk op dat juist ná de zondvloed deze pulsen van soortvorming zich hebben afgespeeld. Eerst onder dinosauriërs, ammonieten, foraminiferen, mosasauriërs, ichthyosauriërs, plesiosauriërs enz. in het Mesozoïcum en daarna in het Tertiair, toen er op aarde zich weer compleet nieuwe ecologische condities manifesteerden, ook onder zoogdieren, zoals paarden, walvissen, neushoorns en specifiek Titanotheres. Het verschijnen van de Australische buideldieren in het Tertiair hoort ook in dit rijtje thuis.6

Grote Ontwerper

Davison geeft nog aan dat al die informatie in de genomen van basistypen, waardoor de postzondvloed pulsen van soortvorming mogelijk waren, niet door blind toeval kan zijn ontstaan, maar moet zijn ontworpen. Toeval bouwt geen hoogst complexe informatie op, alleen ontwerp doet dat.

Zo komt hij uiteindelijk uit bij een Grote Ontwerper: God, die in zijn schepping ‘niet dobbelt’ en het toeval het werk laat doen, maar die bewust en actief ontwerpt. Op basis van al deze inzichten concludeert Davison: “Every aspect of both the living and nonliving world is totally at odds with an atheist and agnostic position“.

Voetnoten

Congres over ‘Bijbel & Wetenschap’ 2022 – 9. dr. Todd Wood – A creationist biosystematic method: The current status of baraminology

Op 22 oktober 2022 organiseerden Fundamentum, Geloofstoerusting en Logos Instituut een congres over ‘Bijbel & Wetenschap’.1 Bioloog en biochemicus dr. Todd Wood gaf een lezing met als titel ‘A creationist biosystematic method: The current status of baraminology’. Veel zegen bij het kijken en luisteren! Vragen kunnen gesteld worden via het contactformulier: https://oorsprong.info/contact/.

Voetnoten

Congres over ‘Bijbel & Wetenschap’ 2022 – 6. dr. Peter Borger – Terug naar de oorsprong: over baranomen en soortvorming

Op 22 oktober 2022 organiseerden Fundamentum, Geloofstoerusting en Logos Instituut een congres over ‘Bijbel & Wetenschap’.1 Moleculair bioloog dr. Peter Borger gaf een lezing met als titel ‘Terug naar de oorsprong: over baranomen en soortvorming’. Veel zegen bij het kijken en luisteren! Vragen kunnen gesteld worden via het contactformulier: https://oorsprong.info/contact/.

Voetnoten

Congres over ‘Bijbel & Wetenschap’ 2022 – 5. dr. ir. Gert Kema – De rol van schimmels in Gods schepping

Op 22 oktober 2022 organiseerden Fundamentum, Geloofstoerusting en Logos Instituut een congres over ‘Bijbel & Wetenschap’.1 Fytopatholoog dr. ir. Gert Kema gaf een lezing met als titel ‘De rol van schimmels in Gods schepping’. Veel zegen bij het kijken en luisteren! Vragen kunnen gesteld worden via het contactformulier: https://oorsprong.info/contact/.

Voetnoten

Wetenschapper lost (creationistisch) biosystematisch raadsel van de rode panda (Ailurus fulgens) op

De rode panda (Ailurus fulgens) in Ouwehands Dierenpark is mijn favoriet.1 Niet alleen vanwege zijn uiterlijk, maar ook omdat zijn biosystematische indeling een groot raadsel is. De rode panda past bij de gedachte van Gods schepping als mozaïek. Elke keer wanneer we de rode panda in een dierentuin tegenkomen, verbazen en verwonderen we ons over de complexiteit en schoonheid van Gods schepping. De baraminologische ‘grenzen’ zijn, zeker na de zondeval, voor het menselijk verstand diffuus en in veel gevallen onnavolgbaar. Tot welk baramin behoort de rode panda? We weten het niet. Nu lijkt creationistische wetenschapper bioinformaticus dr. Matyas Cserhati2 tot een oplossing van dit raadsel te zijn gekomen.

Moeite met indelen

Overigens hebben niet alleen creationisten moeite met de indeling van de rode panda. Ook naturalisten weten niet goed waar het beest ingedeeld moet worden. Behoort het beest tot de beren (Ursidae), de kleine beren (Procyonidae) of de stinkdieren (Mephitidae)? Dankzij een onderzoeksfonds van de Creation Research Society kon, de van oorsprong Hongaarse, dr. Cserhati onderzoek doen naar het genoom van de rode panda. Hij publiceerde de resultaten van zijn onderzoek zowel in BMC Genomics als in Creation Research Society Quarterly.3 Hieronder vatten we de conclusies uit het onderzoek kort samen. Voor details verwijs ik u graag naar de originele wetenschappelijke publicaties.

De rode panda (Ailurus fulgens) leeft oorspronkelijk in India, Nepal en China. Volgens sommige wetenschappers is het beest vanwege diverse uiterlijke kenmerken verwant aan de reuzenpanda (Ailuropoda melanoleuca). Bijvoorbeeld zijn bijna exclusieve dieet van bamboe en een vergroot sesambeen4 dat ze gebruiken om de bamboe te kunnen nuttigen. Nieuw genetisch onderzoek laat zien dat er twee soorten rode panda’s zijn: de Himalayaanse rode panda (Ailurus fulgens) en de Chineese rode panda (Ailurus styani). Verschillende wetenschappers komen juist tot een andere indeling. De indeling bij de kleine beren (Procyonidae) bijvoorbeeld, is gebaseerd op immunologische data en data verkregen uit DNA-DNA-hybridisatie. Maar er zijn weer andere studies die de rode panda weer bij een andere groep plaatsen. Dr. Cserhati bestudeerde al deze resultaten en deed daarna eigen onderzoek naar de indeling van de rode panda. Hij komt op basis van uitgebreid genetisch onderzoek tot een andere conclusie.

Indeling

Recent is er een algoritme ontwikkeld dat op het hele genoom is gebaseerd. Deze zogenoemde ‘Whole Genome K-mer Signature’ werd door Cserhati gebruikt om de genomen van 28 soorten uit de orde Carnivora te analyseren, waaronder het genoom van de rode panda. De resultaten van deze studie laten zien dat de rode panda behoort tot de marterachtige (Mustelidae). De rode panda clustert niet met de westelijk gevlekte skunk (Spilogale gracilis), maar ook niet met de reuzenpanda. De reuzenpanda clustert wel met de beren (Ursidae). Dit laatste komt voor creationisten niet als een verrassing, omdat creationisten als sinds mensenheugenis de reuzenpanda indelen bij de beren. Cserhati blijft voorzichtig: “De belangrijkste conclusie die we uit dit onderzoek kunnen trekken is, dat op het niveau van het volledige genoom, A. fulgens behoort tot de clade van de marterachtigen, en niet tot die van de beren of stinkdieren. Dit ondanks het feit dat eerder sommige onderzoekers A. fulgens en A. melanoleuca classificeerden als verwanten. Aangezien het genotype bepalend is voor het fenotype heeft deze moleculaire classificatie voorrang op morfologische classificaties.

Voorzichtigheid geboden

Die voorzichtigheid is nodig omdat niet al het onderzoek wijst naar de richting van deze conclusie. Cserhati deed namelijk ook baraminologisch onderzoek naar de rode panda op basis van mitochondriaal DNA en op basis van het cytochroom-b-eiwit. Op basis van een analyse van het mitochondriaal DNA blijkt echter dat de rode panda discontinu clustert met de marterachtigen, maar ook met de alle andere groepen. Maar als de sequentie-identiteit van het cytochroom-b-eiwit wordt bestudeerd dan blijkt dat de rode panda opnieuw continuïteit met de marterachtigen laat zien en discontinuïteit met de beren. De stinkdieren vertonen dan overigens ook discontinuïteit met de marterachtigen. Het verschil, tussen de analyse op basis van het hele genoom én die op basis van mitochondriaal DNA, kan volgens Cserhati te wijten zijn aan nucleo-mitochondriale discordantie. Volgens de geleerde is dat een veel voorkomend fenomeen. Cserhati is ook in CRSQ voorzichtig: “Op basis van deze resultaten is het waarschijnlijk dat de rode panda tot het holobaramin van de marterachtigen behoort.” Hij roept op tot, zowel morfologisch als moleculair, baraminologisch vervolgonderzoek.

Ten slotte

Wat mij betreft is dit dé manier van creationistisch onderzoek doen. Allereerst een fonds verkrijgen om een detailstudie binnen het scheppingsparadigma te doen. Daarna de resultaten publiceren in een standaard naturalistisch-wetenschappelijk tijdschrift. Vervolgens de resultaten verder uitwerken in een creationistisch-wetenschappelijk tijdschrift. Ten slotte dit werk (laten) populariseren voor de leken. Dergelijk onderzoek binnen het scheppingsparadigma is veel beter dan het ‘evolutiegebash’ van sommige creationisten. Waarom is dat beter? Allereerst krijgt onze Schepper dan de eer van Zijn scheppingswerk. Zijn Woord (de Bijbel) en de werken Zijner handen (de werkelijkheid) kunnen niet met elkaar in tegenspraak zijn. Ten tweede zouden we onze (naturalistische) naaste ervoor kunnen winnen om óók in verwondering aan de voeten van onze Schepper neer te vallen. Is het leveren van kritiek op Universele Gemeenschappelijke Afstamming niet nodig? Dat is het zeker, maar het kan en mag nooit de hoofdmoot van creationisten zijn. We leven hier op aarde namelijk niet om de naturalist de oren te wassen, maar tot Gods eer en verheerlijking van Zijn naam. Vaak zorgt ‘een met gestrekt been erin’ voor verdere verwijdering van de (naturalistische) naaste. Dr. Matyas Cserhati heeft ons laten zien hoe het anders kan!

Voetnoten

“Zolang wetenschappers niets van een Architect willen weten zullen ze aan de gang blijven met dit model” – Bespreking ‘Boven tijd en toeval’

Ooit was er een Nederlandse Nobelprijswinnaar die vond dat je als fysicus wel een gespleten persoonlijkheid moest hebben om nog in God te kunnen geloven. Gelukkig heeft niet iedereen daar last van. Ruimtevaarders of mensen als Einstein worden veel meer gedreven door de verwondering over het heelal, de aarde, de natuur en de mens. Verwondering leert je om open vragen te stellen. Die zeggen vaak veel meer dan gesloten antwoorden. Bijvoorbeeld: hoe is het mogelijk dat een vogel beter navigeert dan onze TomTom? Wat zegt het ons dat DNA als genetische code een veel grotere informatiedichtheid heeft dan die van de geheugenchips in onze laptop? Vanuit deze open wetenschappelijke vragen zie je hoe onwaarschijnlijk ingenieus en superieur de natuur is. In hoeverre kunnen wij met noties als schepping en evolutie de wijze waarop het universum en de natuur in elkaar zitten volledig begrijpen? En hoe logisch is schepping of evolutie zonder Schepper? Uiteindelijk blijken al deze zaken een open geheim dat boven tijd en toeval staat.

De opzet van het boek

Arie Sonneveld is opgevoed met de Bijbelse leer van de schepping maar toen hij studeerde in Wageningen kreeg hij te maken met de leer van de evolutie.1 De vraag of wetenschap kan samengaan met schepping kwam toen in zijn leven centraal te staan. Daar heeft hij een leven lang over nagedacht en telkens kwamen er inzichten en ontdekken vanuit allerlei wetenschappelijke invalshoeken. Die ontdekkingen heeft hij vastgelegd in dit boek. Sonneveld laat zien dat de evolutie geen plan heeft en dus alles toevallig is ontstaan maar kan dat wel?

Aan het denken gezet

Hoe groot is de kans dat de planeet aarde zonder plan is ontstaan? Sonneveld vergelijkt de aarde met andere planeten waarop geen leven mogelijk is. Venus bijvoorbeeld is te heet. Andere planeten zijn weer te koud. De aarde zou zonder de dampkring gemiddeld -18 graden zijn. Nu houdt de dampkring de warmte vast.

  • De dampkring, of atmosfeer, is een dunne deken van lucht om de aarde. De dampkring is opgebouwd uit vier lagen: troposfeer, stratosfeer, mesosfeer en de ionosfeer.
  • De dampkring houdt onze planeet op een comfortabele temperatuur (ongeveer 15 graden). Het laat de warmte van de zon tot op de grond doordringen en verhindert dat de uitgaande warmte in de ruimte ontsnapt. De deken is dun in vergelijking met de aarde zelf. De aarde heeft een straal van gemiddeld 6370 kilometer. De atmosfeer is slechts gemiddeld duizend kilometer dik.2

De planeet aarde heeft allerlei hulpbronnen zodat er 8 miljard mensen op kunnen leven. Calvijn zou dit Gods Vaderlijke zorg noemen waarin alle mensen mogen delen. Zo’n imposant bouwwerk is boven tijd en toeval verheven.

Alles is altijd ingewikkelder

Arie Sonneveld laat in hoofdstuk 4 zien hoe de aarde is gebouwd uit bijzondere bouwstenen: atomen en moleculen. Sonneveld merkt terecht op: “Gezien het onvermijdelijke meer betawetenschapskarakter hiervan kan ik mij goed voorstellen dat je dit een meer ingewikkeld deel van het boek vindt” (p. 35). Bij de referenties verwijst Sonneveld naar de inaugurele rede van Han Zuilhof uit 2008 die de mooie titel heeft “Alles is altijd ingewikkelder“. Die rede gaat over het heelal. Zuilhof laat zien dat de zaken vaak ingewikkelder liggen en dat de wetenschap de neiging heeft de zaken te vereenvoudigen. Zo gaf Kepler het heliocentrische stelsel van Copernicus vereenvoudigd weer. Wie de materie die Sonneveld aansnijdt moet dus bedenken dat de werkelijkheid nog ingewikkelder is. De wetenschap is als de maker van een landkaart. Die kaart kan nuttig zijn om allerlei zaken in kaart te brengen maar is slechts een flauwe schaduw van de werkelijkheid. Kortom de wetenschap doet aan reductionisme, versimpeling om greep te krijgen om de werkelijkheid. De ingewikkeldheid van de werkelijkheid verklein de kans dat alles spontaan is ontstaan enorm. Het ontstaan moet wel boven tijd en toeval verheven zijn.

Je gaat het pas zien als je het doorhebt

Dit is een uitspraak van Johan Cruijff die Arie Sonneveld ter hand neemt om het wonder van de schepping te verduidelijken. Neem de fotosynthese. De bladgroenkorrels nemen zonlicht op en zetten kooldioxide (CO2) om in zuurstof (O2) en glucose. De planten voorzien ons dus van vitale zuurstof en nu komt het! Dit proces is namelijk vele malen efficiënter dan zonnepanelen. Bij zonnepanelen worden niet al de zonnestralen omgezet in energie. Bovendien zijn er vervuilende accu’s nodig. De plant heeft schone accu’s! en stel je nu eens voor dat de planten dit niet zouden hebben gekund dan zou er op aarde geen leven mogelijk zijn (p 90). Je gaat het dus pas zien als je het doorhebt. Hier zien we wat Calvijn Gods Vaderlijke zorg noemt die alle mensen raakt maar helaas niet iedereen onderkent en erkent. Ook het ontstaan van de primitieve cel is ingewikkelder dan wetenschappers kunnen bevatten. Een evolutiebioloog zegt van het DNA: “De oorsprong van het leven is de meest moeilijke problematiek voor een evolutiebioloog” (p 70)

Een te simpel en verouderd model

De kern van het boek is dat de wetenschap met de visie van Darwin werkt die eigenlijk niet past bij de kennis die we nu hebben. Michel Bahe sprak van Darwin’s Black Box. Het ontwikkelingsproces wat Darwin beschreef leek aannemelijk. Ook al zijn er geen tussenvarianten ontdekt. Deze zinnen zijn het die wetenschappers die met het systeem van Darwin werken aan het denken zouden moeten zetten: “Je zou kunnen zeggen dat Darwin er als eerste in slaagde een soort biologisch Theory of everything voor levende organismen te formuleren, iets wat Einstein zo’n 75 jaar later zelfs nog niet lukte voor de fysica van levenloze materie”. (…) “Nogmaals conceptueel is de evolutietheorie goed te volgen, ze gaat erin als koek. Maar niet alles is wat het lijkt. Vaak is het veel ingewikkelder. Naarmate we meer weten begrijpen we minder“.

Helaas werkt de wetenschap nog altijd met dit onhoudbare denksysteem wat niet anders is dan een versimpeling van de complexe werkelijkheid. Zolang wetenschappers niets van een Architect willen weten zullen ze aan de gang blijven met dit model. Dat neemt niet weg dat Sonneveld mijns inziens in elk geval een heel goede en sympathieke poging gewaagd heeft om hier wat aan te doen. Neem en lees zou ik zeggen.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website van de auteur. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Ouwehands Dierenpark krijgt als eerste en (voorlopig) enige Nederlandse dierentuin koala’s

Koala’s! Ze staan hoog op het lijstje van iedere dierenliefhebber. Helaas zijn ze niet te vinden in de Nederlandse dierentuinen.1 Maar daar komt verandering in. De schattige buidelbeertjes worden na de zomer van 2023 D.V. verwacht in Ouwehands Dierenpark2 te Rhenen. Om hoeveel koala’s het gaat heeft de dierentuin nog niet bekendgemaakt.3

Na de zomer van 2023 D.V. hoopt Ouwehands Dierenpark, als eerste en voorlopig enige dierentuin in Nederland, koala’s toe te voegen aan hun dierenlijst. Bron: Pixabay.

‘Australian Experience’

In december van dit jaar zal naar verwachting het ontwerp en de engineering van het verblijf rond zijn, zodat in januari 2023 D.V. wordt gestart met de bouw van het verblijf. De koala’s worden na de zomer van 2023 verwacht. De komst van deze buidelberen naar Rhenen maakt onderdeel uit van het Europese fokprogramma voor het behoud van bedreigde diersoorten (EEP)4. Het dierenpark wil met het fokken van koala’s bijdragen aan het gezond houden van de populatie. Maar de dierentuin wil met de komst van deze dieren ook bijdragen aan educatie van bezoekers. De dierentuin: “De dieren die in Ouwehands Dierenpark leven zijn een ambassadeur voor hun wilde soortgenoten. Bezoekers van de dierentuin leren over hoe bijzonder de diersoort is en wat er nodig is voor bescherming van de soort en zijn natuurlijk leefgebied.5 Het project wordt intern ‘Australian Experience’ genoemd en zal een oppervlakte van ongeveer 1800 vierkante meter omvatten. De dierentuin: “De koala leeft solitair wat betekent dat elk dier een eigen binnen-, nacht- en buitenverblijf zal krijgen. Het leefgebied van de koala wordt zover mogelijk nagebootst. De bezoeker legt een reis af vanuit de droge woestijn van Australië naar een oase van groen. In het centrum van het gebouw bevindt zich straks een belevingsvolle binnentuin van ca. 170 m2.6 Duurzaamheid speelt bij het project een belangrijke rol. “Het gebouw wordt voorzien van warmtepompen en zonnepanelen om het juiste klimaat te beheersen zonder fossiele brandstoffen.7 Wanneer de koala in 2023 gearriveerd zal zijn, dan zal Ouwehands Dierenpark de eerste en voorlopig ook enige dierentuin in Nederland zijn die dit soort zal huisvesten. De dierentuin hoopt dat de zachte buidelbeertjes, net als de eerdere pandaberen, publiekstrekker zullen worden.

Koala

De koala komt alleen voor in Zuidoost-Australië en staat op de IUCN Rode Lijst als kwetsbaar.8 In Australië zelf wordt het dier vanaf 2012 gezien als bedreigd diersoort.9 De populatie koala’s gaat namelijk snel achteruit ten gevolge van bosbranden en overstromingen. Omdat ze een zeer eenzijdig eetpatroon hebben, koala’s eten bijna uitsluitend bladeren van de eucalyptusboom, zijn de buidelberen extra kwetsbaar. De beestjes zijn ongeveer 65 tot 75 centimeter lang en wegen tussen de acht en twaalf kilo. De koala of buidelbeer behoort tot de familie Phascolarctidae en is de enige nog levende soort binnen die familie.10 De familie Phascolarctidae bevat wel meerdere uitgestorven soorten. Het eerste fossiel van een koala-achtige dateert uit het late Oligoceen.11 Voor naturalisten is de evolutionaire afstamming van de koala’s, door gebrek aan fossielen, onbekend en daarmee niet verklaard. Voor creationisten is de paleobiogeografische verspreiding en evolutionaire ontwikkeling12 van de Australische buideldieren in het algemeen, en de koala’s in het bijzonder, een groot probleem. Geen enkele verklaring voldoet voor de paleobiogeografische verspreiding van de Australidelphia (waartoe ook de Diprotodontia, of klimbuideldieren behoren).13 Hoe hebben deze diersoorten zich verspreid vanaf de landingslocatie van de ark? Hopelijk is de komst van koala’s naar Nederland een stimulans voor Nederlandstalige creationisten om hier verder en dieper over na te denken.14

Voetnoten

Hebben chimpansee en mens een gemeenschappelijke voorouder? – Dr. Peter Borger sprak op Nederlands congres d.d. 26 februari 2021

Op 26 februari 2021 organiseerde ik, Jan van Meerten, namens Logos Instituut, een congres over ‘Geloof en Wetenschap’. Bijbels archeoloog dr. Peter van der Veen sprak over zijn gelijknamige (Duitstalige) boek ‘Klonken er bazuinen rond Jericho?’. Dr. Van der Veen sprak over de archeologie rond Jericho en de intocht van de Israëlieten in Kanaän. Volgens critici zouden er in die tijd geen bazuinen rond Jericho geklonken hebben. Deze video is, met dank aan Geloofstoerusting, opgenomen en hieronder te bekijken.

De tong van de kolibrie onthult Intelligent Design

In de dvd ‘Flight: The Genius of Birds’ komt de kolibrie in beeld. Dit schattige vogeltje heeft een indrukwekkende tong. Een van de stokpaardjes van Intelligent Design. Bij verschijnen van de video werd dit stukje over de kolibrie op het YouTube-kanaal van de uitgever Illustra Media geplaatst. David Coppedge herinnerde ons vorige maand in een artikel op Evolution News & Science Today (een website van ID-denktank Discovery Institute) aan deze video (‘A Closer Look at Hummingbird Tongue Design‘). Met dank aan Illustra Media en Discovery Institute voor de video.