“Want wij zijn geen kunstelijk verdichte fabelen nagevolgd, als wij u bekend gemaakt hebben de kracht en toekomst van onzen Heere Jezus Christus, maar wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit. Want Hij heeft van God den Vader eer en heerlijkheid ontvangen, als zodanig een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem gebracht werd: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb. En deze stem hebben wij gehoord, als zij van de hemel gebracht is geweest, toen wij met Hem op den heiligen berg waren. En wij hebben het profetische woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten.” (2 Petrus 1:16-19)
Onlangs kreeg ik het boek ‘Is de Bijbel echt gebeurd?’ toegestuurd. Het boek is geschreven door theologe Jirska van Hooijdonk (MA) en uitgegeven bij KokBoekencentrum.1 Gisteren heb ik in een groot deel van de dag het boek uitgelezen. Had een flinke lap tekst geschreven als weerwoord, maar uiteindelijk heb ik besloten om deze bespreking kort(er) te houden.2
Het boek is goed leesbaar geschreven in een fijne letter. De opmaak en druk van het boek ziet er verzorgd uit, zoals we dat van KokBoekencentrum gewend zijn. De inhoud van het boek is echter bedroevend. De historiciteit van de Schrift wordt zo sterk aangevallen en gebagatelliseerd, dat er (in mijn ogen) slechts een lege huls overblijft. De auteur beleefde zelf een (dit) kantelpunt bij de voorbereiding van de geschiedenis van Ananias en Safira in Handelingen 5. “Op dat moment gebeurde er niets nieuws met me: ik merkte mezelf op. Het verhaal stond me ruimschoots tegen. En ik besloot dit niet meer weg te redeneren of goed te praten. Deze ‘gewelddadige vorm van gemeenschapscommunisme in de naam van God’ leek me veel te ver gaan.” Een gevoelsargument, waarbij Gods barmhartigheid uitgespeeld wordt tegenover Zijn rechtvaardigheid en heiligheid. De theologe kán en wil niet geloven dat dit waar gebeurd is. Vanaf dat moment worden de geschiedenissen in de Schrift op de snijtafel van de moderne (naturalistische) geschiedschrijving gelegd. De Bijbel bevat grote fouten (zelfs mythologische ‘onzin’) in de geschiedschrijving, máár heeft slechts (of hooguit) betekenis voor het ‘hier’ en ‘nu’. Meer dan anderhalve eeuw geleden zou dit moderne theologie genoemd worden en fel bestreden zijn. Het christendom wordt zo losgeweekt van de realiteit. Iets wat wel moet leiden tot een cognitieve dissonantie: ik denk dus ik ben –> Adam dacht maar was nooit. Het standpunt van de bevindelijk-gereformeerden is altijd zó geweest dat de geschiedenissen in de Bijbel wáár gebeurd zijn én betekenis hebben. Beiden losweken van elkaar leidt tot schipbreuk en daardoor verliest men uiteindelijk alles.
Antiek
Het boek miskent de Schrift als openbaring van God. De Bijbel wordt gezien als een (volledig) menselijk boek en wordt door de auteur getest vanuit de methodiek van moderne geschiedschrijving. Omdat de Bijbel niet bedoeld is als modern (naturalistisch) geschiedenisboek, slaagt het Boek der boeken (uiteraard) niet voor deze test. Het gevolg is dat het bestaan van Abraham wordt ontkend, omdat er weinig bronnen zijn. Ook het bestaan van David wordt sterk in twijfel getrokken. Vanwege de archeologie kunnen we de regeringsperiode van David in Jeruzalem niet bevestigen. Met een sprong in de tijd komen we bij Zerubbabel. Gelukkig voor hem kunnen we hem wel een historische status geven. Waarom hij wel? Vanwege archeologie en moderne geschiedschrijving. Bovenal omdat zijn bestaan past in het eigen narratief. Bijbelse tijdlijnen en chronologieën worden vooral gezien als antiekstukken uit het verleden, leuk bedacht, maar totaal niet in lijn met de eigenlijke bedoeling van de Schrift. Gelukkig is een soortgelijke tijdlijn niet voor iedereen een ‘relikwie geworden vanuit een verloren wereld’. Zo verscheen er recent nog een tijdlijn bij Logos Instituut3 en houden wij, bij Fundamentum, ons ook bezig met de historiciteit van de Schrift en een (relatief) jonge aarde.4 Waarom? Omdat de historiciteit van de Schrift belangrijk is voor het (voortbestaan van het) christelijk geloof. Er zijn wel archeologische vondsten gedaan die het bestaan van sommige koningen lijken te bevestigen, maar voor de auteur is dát niet voldoende om de historiciteit van de Schrift meer te waarderen. De mainstream naturalistische wetenschap moet gevolgd worden. De chronologie van Ussher komt voorbij, met een schepping gedateerd op 23 oktober 4004 voor Christus. Een dergelijke exacte datering, op de dag af, zal tegenwoordig niet meer verdedigd worden (zo merkt de auteur terecht op). Daarmee is de kous af, andere (huidig opgezette) tijdlijnen (zoals het werk van dr. Peter van der Veen en anderen) op het gebied van geschiedenis/archeologie worden niet besproken. Wel wordt aangegeven dat er nog steeds gelovigen zijn die de historische betrouwbaarheid van de Bijbel hoog houden. Dit wordt uiteraard door de theologe afgewezen.
De benadering van de Bijbeltekst die gekozen wordt doet denken aan een spreekwoordelijke olifant in de porseleinkast. In plaats van een gelaagde tekst, houden we op zijn minst een bedrieglijke tekst over, maar ik geloof dat we uiteindelijk met lege handen staan. De verwarring ligt dus niet aan de kant van de orthodoxie die een tijdlijn wil opstellen op basis van de Schriftgegevens (wat al sinds het bestaan van het christendom gebeurt), maar aan de kant van de auteur die de tekst ontdoet van het openbaringskarakter en in feite hooguit beschouwt als een literair hoogstandje (maar het boek lezende meer ziet als redactionair prutswerk). In ieder geval overstijgt de Bijbelse geschiedenis niet het sprookje van Hans en Grietje of die van de gelaarsde kat.
Van Hooijdonk geeft terecht aan dat de Bijbel geen geschiedenisboek is. Ze herhaalt deze uitspraak vaak, maar ze spreekt deze herhaling ook voortdurend tegen. Allereerst legt ze in haar boek de Bijbelse geschiedschrijving voortdurend onder het vergrootglas van de moderne (naturalistische) geschiedschrijving als zou het wél een modern geschiedenisboek zijn. Alsof deze moderne (naturalistische) geschiedschrijving objectief en neutraal is en als ijkpunt gebruikt kan en moet worden. Vervolgens geeft ze verderop aan dat de Bijbel geen modern geschiedenisboek is, maar een antiek geschiedenisboek. Is de Bijbel voor haar nu wél of geen geschiedenisboek?
Vintage Scripture
In het boek etaleert ze haar eigen visie op de ontstaansgeschiedenis van de Bijbel. De Bijbel zou zijn samengesteld door een bibliothecaris of archivaris die er soms een rommeltje van maakte. De geschiedenissen in de Bijbel werden constant naar eigen believen aangepast. De theologe voert een pleidooi voor Vintage Scripture. De idee dat teksten uit de Hebreeuwse Bijbel steeds opnieuw gevonden en hergebruikt werden (blz. 96). De teksten van de Hebreeuwse Bijbel stonden niet vast, maar werden hergebruikt, aangevuld en veranderd (blz. 97). Dit komt omdat de context veranderde (blz. 98). Profetieën over een komende ballingschap zijn eigenlijk geen profetieën. Om de ramp van de ballingschap te verwerken werd teruggegrepen op profeten die hadden gezegd dat het mis zou gaan en die achteraf gelijk hadden gehad (blz. 99). Na veertig jaar, de tijd om een boekrol te vervangen, werden de teksten aangepast aan de nieuwe omstandigheden (blz. 99). Nieuwe politieke, sociale of religieuze situaties vroegen om een nieuwe toepassing (blz. 102). Het meest overtuigend (volgens Van Hooijdonk) gebeurde dat in de tijd van het Nieuwe Testament. De schrijvers kende de uitdaging dat zij moesten schrijven voor een gemengd publiek, bestaande uit Joden én heidenen. “De uitdaging waar zij voor stonden, was om hun verkondiging in één lijn te plaatsen met de Hebreeuwse teksten. Hun boodschap was dat Jezus de vervulling was van de beloften die aan het Joodse volk waren gedaan.” Jezus is niet de ware Messias, niet de ware vervulling van de profetieën van het Oude Testament. De evangelisten beschreven mogelijk zelfs een fictief leven, ze citeerden bijbelteksten uit het Oude Testament die ze vervolgens naar hartenlust masseerden om ze in te passen in dit narratief. Door de eerste christenen werd de hele Hebreeuwse Bijbel herschreven volgens het inzicht dat Jezus de Messias is (blz. 104). Dat is overigens vreemd als de Hebreeuwse Bijbel, zelfs volgens het narratief van Van Hooijdonk, al min of meer voltooid was in de eerste eeuw. In de vierde eeuw ontstond er, volgens de schrijfster, een stollingsproces. “Na een lang proces van wikken en wegen ontstond een min of meer vaste verzameling van boeken die steeds in de Bijbel werden opgenomen, al bleven er verschillen tussen verschillende kerkstromingen. De Bijbel is in deze fase min of meer gestold.” Van Hooijdonk is niet gelukkig met dit stollingsproces. Ze sluit af met de voor haar retorische vraag: “Mag de Bijbel opnieuw Vintage Scripture worden?” Er zijn echter Bijbelteksten die strijden met dit verzonnen narratief. Dat heeft de theologe zelf ook gezien: “In deze zin is het vreemd dat in de Bijbel óók wordt voorgeschreven dat de teksten van de Hebreeuwse Bijbel niet veranderd mogen worden (Deut. 4:2; Deut. 12:3; Spr. 30:6).” Ook in het bijbelboek Openbaring (Nieuwe Testament) komt een soortgelijke waarschuwing voor (Op. 22:18-19). In plaats van nu het eigen narratief te verwerpen blijft de auteur het overeind houden. Ze doet bovengenoemde teksten af met de opmerking: ‘maar praktiseerde hij dat eigenlijk zelf wel ten opzichte van de teksten die hij hergebruikte?’ Voor de auteur is dit opnieuw een retorische vraag. De indruk ontstaat dat de auteur kersenplukt in de Schrift. Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar koning Josia die het wetboek (volgens de theologe het Bijbelboek Deuteronomium) terugvond. Dit zou bovendien passen in het bovenstaande narratief. Dat ook de koningen David en Hizkia al handelden naar ‘de Wet van Mozes’ wordt ontkend (blz. 91). In de werkelijkheid wenste David zijn zoon Salomo toe dat hij wandelde naar de geboden van de HEERE, zoals die voorgeschreven zijn in de ‘Wet van Mozes’ (1 Koningen 2:3). Koning Hizkia gaf de opdracht tot het houden van het Pascha, naar de wijze zoals Mozes die geboden had (2 Kronieken 30:16). Exact zoals dat ook gebeurde in de tijd van koning Josia (2 Kronieken 36:6). De Wet van Mozes komt vaker voor in de koningentijd (zoals bij Amazia in 2 Koningen 14:6, waar het gaat over de straf voor een doodslager). Nu kan de auteur dit wegredeneren, omdat dit niet in haar narratief past. Ze kan menen dat deze teksten latere toevoegingen zijn (vanuit huidig oogpunt geschiedvervalsing). Waarom deze gedachte wel gebruiken bij David en Hizkia, maar niet bij Josia? Juist! Omdat de teksten bij de eerste twee niet in het narratief passen, en bij de laatste wel. Dit wijst meer op vooringenomen selectiviteit dan op academische theologie.
Herhaling van zetten
Het hoeft geen betoog dat ik dit boek absoluut niet aanbeveel. De auteur valt veel in herhaling en biedt veel tegenstrijdigheden. Bovendien wordt twee eeuwen aan kerkgeschiedenis en bijbeluitleg verwaarloost. De geschiedenissen in de Bijbel worden niet gezien als openbaring van God aan de mensen, maar als het resultaat van menselijk knip-en-plakwerk en valsheid in geschriften. Mannen Gods (zoals David of Petrus) zijn door deze Bijbelbewerkers op plaatsen in de Schrift gezet waar (als deze mannen al bestaan hebben) ze niet horen. Er worden hen woorden en daden toegeschreven die ze zelf niet hebben uitgesproken of gedaan. Nauwelijks gaat de theologe in op orthodoxe oplossingsrichtingen die er aangeboden zijn vanuit de kerk der eeuwen. Hoewel de tekst van het boek prettig wegleest, is de inhoud tenenkrommend. De historiciteit van de Schrift is opgeofferd op het altaar van de moderne (naturalistische) geschiedschrijving. De Bijbel is mythe en zelfs als deze spreekt over God, zijn dit volledig menselijke verhalen, verbeeldingen en vertolkingen. Niet alleen de geschiedenis wordt opgeofferd op het altaar van de moderne (naturalistische) geschiedschrijving, ook de heilsgeschiedenis moet het ontgelden. “Toch kan de heilsgeschiedenis als geschiedenis niet standhouden. De historische methode tast te veel aan: niet alleen onze grip op het echt gebeurd zijn van de bijbelverhalen zelf, ook de grip op de momenten waarop deze verhalen zijn geschreven of geredigeerd.” Wat overblijft is een lege huls. Het voelt als dagen in de woestijn te zitten zonder water. Ter verfrissing wordt een zelfverzonnen narratief opgevoerd. Dit eigen narratief wordt vaak herhaald en hier en daar wat opgepoetst. Een sterke inhoudelijke onderbouwing dat dit narratief wél waar moet zijn, ontbreekt. Dit narratief is te vergelijken met het drinken van zout water…hoe meer je ervan drinkt hoe meer dorst je krijgt. In de metafoor van het zitten in een woestijn zonder water lijkt dit op het spreekwoordelijk beloven van een koe met gouden horens. Hoe dit als een volwaardig, bevredigend en minder verwarrend (volgens de auteur zelfs ‘meer realistisch’) alternatief gezien kan worden is mij een raadsel.
De Heere Jezus is in het narratief van de theologe bijna een mythisch figuur. De geschiedenis van Zijn omwandeling op aarde zal een historische kern hebben, maar deze is lastig te ontrafelen. “In de mythe van de verlossing is Jezus verbonden met de mythe van het begin, waarin het kwaad werd geproblematiseerd, maar ook met de mythe van het herstel, wanneer het kwaad zal worden opgeheven.” Ofwel gelijk aan het sprookje van Hans en Grietje waarin het goede het kwaad overwint. De Evangeliën kunnen niet als bewijsmateriaal dienen, omdat deze elkaar voortdurend tegenspreken en jaren later zijn ontstaan. Van het argument undesigned coincidences heeft de auteur kennelijk niet gehoord. Uiteindelijk is Jezus een menselijke verbeelding Die waar gemaakt moet worden. Een mooie droom, maar uiteindelijk een zeepbel. Terwijl de auteur eenvoudig de interpretaties van de moderne (naturalistische) geschiedschrijving op zijn minst in vraag had kunnen stellen of had kunnen afwijzen en voor een andere, meer realistische, tijdlijn had kunnen kiezen. Nu wordt er gekozen voor een ‘knibbel-knabbel-knuisje’-theologie. Overigens hoeven we niet verbaasd op te kijken over de inhoud van dit boek, dit is een herhaling van negentiende en twintigste eeuwse zetten. Moderne theologie in een postmodern jasje. De wijze Salomo zou zeggen: er is niets nieuws onder de zon. Het kernprobleem van het afwijzen van de historiciteit van de Schrift door de auteur ligt in het voorwoord. De geschiedenis (van Ananias en Safira) stuitte tegen de borst. Men kán en wil niet geloven dat dit op deze wijze gebeurd is. Het eeuwenoude tapijt moet ontrafeld worden. Doe je dat met een broos en kwetsbaar eeuwenoud tapijt dan blijft er, op den duur, alleen maar stof over. Uiteindelijk is hier het Schriftgezag in het geding.
Hoe zouden wij de Bijbel dan wél moeten lezen? Literair-historisch (littera), geestelijk (allegoria), moralistisch (moralis) en op de toekomst gericht (anagogia). Als literatuur tegenover de (post)moderne ontkenning van de geschiedenissen in de Schrift wil ik het boek ‘Do Historical Matters Matter to Faith’ aanbevelen. De ondertitel van dit boek luidt: ‘A Critical Appraisal of Modern and Postmodern Approaches to Scripture’. In de woorden van de oudtestamenticus dr. David M. Howard jr.: “A briljant response to evangelical sceptics such as Enns and Sparks and mainstream sceptics such as Davies, Whitelam, and Coote. The list of contributors is a stellar lineup of first-rate scholars who defend the traditional, orthodox view of Scripture as historically reliable in sophisticated and convincing ways. Even those who might remain unconvinced of the book’s main argument will have to rethink their positions”.5
Slot
Hoe verder ik in het boek ‘Is de Bijbel echt gebeurd?’ kwam, hoe minder trek ik kreeg in het lezen ervan. Vermoeid en teleurgesteld las ik uiteindelijk de laatste bladzijde en sloeg ik het boek dicht. Het alternatief voor het karikaturaal geschetste alles-echt-gebeurd-geloof wordt uiteindelijk een christendom-losgeweekt-van-de-werkelijkheid-geloof. Failliet! Geloven in een mythische verlossing, door een mythisch Figuur, die in de toekomst een mythisch herstel van het kwaad zal verzorgen. Met andere woorden: Geen historische schepping, Geen historische zondeval, Geen historische Jezus, Geen historische verlossing en Geen toekomstig herstel. Het complete hellende vlak in één boek. Leven voor het ‘hier’ en ‘nu’. God als menselijk bedenksel en menselijk maaksel. En dat terwijl de Allerhoogste zelf daar tegen waarschuwt in het tweede gebod van de Wet van Mozes. De gedachte dringt zich bij het lezen van het boek op dat het Christendom beter af was geweest als het helemaal geen (voltooide) Bijbel had gehad. Gelukkig is het in werkelijkheid anders en biedt de oorspronkelijke en eeuwenoude Schriftvisie wél perspectief!
Uw woord is mij een lamp voor mijnen voet,
Mijn pad ten licht, om ’t donker op te klaren.
Ik zwoer, en zal dit met een blij gemoed
Bevestigen, in al mijn levensjaren,
Dat ik Uw wet, die heilig is en goed,
Door Uw genâ bestendig zal bewaren.
(Psalm 119:53, ber. 1773)
Voetnoten
- Bijzonder genoeg viel dit boek tegelijkertijd met het verschijnen van mijn column over de historiciteit van de Schrift (op deze website) op de mat: https://oorsprong.info/column-historiciteit-noodzakelijk-maar-niet-genoeg/.
- Bron: Hooijdonk, Jirska van, 2026, Is de Bijbel echt gebeurd? Alternatief voor een alles-echt-gebeurd-geloof, (Utrecht: KokBoekencentrum).
- Zie: https://webshop.logos.nl/winkel/doelgroep/bovenbouw-basisschool/bijbelse-tijdlijn-gebaseerd-op-de-septuaginta/.
- Zo verscheen er recent nog een bijdrage van theoloog (zowel OT als NT) dr. Piet de Vries waarin hij een pleidooi voert voor de historiciteit van de Schrift: https://oorsprong.info/is-het-van-belang-dat-de-bijbel-historisch-betrouwbaar-is-beschouwing-van-dr-p-de-vries-met-voorbeelden-uit-het-nieuwe-testament/.
- Hoffmeier, James K., Magary, Dennis R., 2012, Do Historical Matters Matter to Faith? A Critical Appraisal of Modern and Postmodern Approaches to Scripture (Wheaton: Crossway).