In de trein, tussen Gouda en Rotterdam, zit een jongeman. Het is een bijzondere dag vandaag. Voor zijn eindscriptie gaat hij op bezoek bij de Theologische School van de Gereformeerde Gemeente. Het leven vóór, tijdens en ná de zondvloed is het thema.

Aangekomen wordt hij vriendelijk ontvangen door bibliothecaris Bal. Hij maakt de jongeman wegwijs in de bibliotheek. Na een tijdje komt hij met een eeuwenoud boek aanzetten. Bij het openslaan komt de geur van een oud achttiende-eeuws werk de jongeman tegemoet. Dan worden zijn ogen zo groot als theeschoteltjes. Hij leest: ALGEMEENE TYDREKENTAFEL van den beginne der Weereld tot het jaar 70. van Jezus Kristus. Op de titelpagina staat ook het jaar van deze uitgave: MDCCXXXII (1732). Hij slaat een bladzijde om en leest op bladzijde 3: ‘God gebied Noach in de Arke te gaan’. Wanneer? In het jaar 1656 ná de schepping óf het jaar 2344 voor Christus. Blij loopt de jongeman naar de kopieermachine en kopieert de bladzijden.
Steeds vaker zie ik, bij theologen die het met deze tijdrekening niet eens zijn, de bewering dat het historische belang dat (hervormd-)gereformeerde christenen toekennen aan de Schriftgedeelten iets is van de moderne tijd (vanaf begin twintigste eeuw). In het verleden zouden deze christenen véél minder nadruk gelegd hebben op de historiciteit. Binnen bevindelijk-gereformeerde kring wordt de nadruk gelegd op een Schriftuurlijk-bevindelijke prediking en dan in die volgorde. De Bijbel is geestelijk, maar dat wil niet zeggen dat de geschiedenissen in de Schrift niet wáár gebeurd zijn. Is de belijdenis dat de Schrift óók historisch waar is een moderne opvatting?
In de tijd toen het bovengenoemde boek geschreven werd, was het heel gangbaar om een tijdlijn te maken op grond van de Schriftgegevens. Zo berekende bisschop James Ussher (1581-1656) dat de schepping plaats heeft gevonden in het jaar 4004 voor Christus. De Statenvertalers zagen de scheppingsdagen als normale historische dagen van ‘nacht en dag, makende een natuurlijke dag (…), begrijpende 24 uren‘.
Het inzien van het belang van de historiciteit geldt niet alleen gereformeerden of anglicanen, maar ook luthersen en rooms-katholieken. Het boek dat in de bibliotheek van de Theologische School stond, was een vanuit het Frans vertaald werk, geschreven door abt Augustijn Calmet (1672-1757).
Binnen de gereformeerde theologie belijdt men dat er vier soorten geloof zijn: historisch geloof, tijdgeloof, wondergeloof en waar zaligmakend geloof. Het vragenboekje van Hellenbroek, dat in veel bevindelijk-gereformeerde kringen wordt gebruikt voor catechisatie, beschrijft het historisch geloof als ‘het alleen verstandelijk toestemmen van de waarheid’ en noemt het ‘noodzakelijk, maar niet genoeg tot zaligheid’. Het historisch geloof vormt wél een basis. Of zoals onze predikant weleens zegt: ‘Het historisch geloof is goed, maar niet genoeg‘.
Dit artikel verscheen eerder in het gezinsblad ‘Om Sions Wil’ en is met toestemming van de redactie hier overgenomen. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2026, Historiciteit noodzakelijk, maar niet genoeg, Om Sions Wil 2026 (8): 9. Hier is wat meer te lezen over ‘Om Sions Wil’.