Home » Theologie

Categoriearchief: Theologie

In het begin – Luisteren naar Genesis 1 en 2

De openingshoofdstukken van het boek Genesis leveren in onze tijd veel discussie op. Cornelis Van Dam, emeritus hoogleraar Oude Testament van het Canadian Reformed Theological Seminary in Hamilton, stelt de vraag of deze hoofdstukken geschiedenis beschrijven. Hij merkt dat steeds meer theologen die vraag negatief beantwoorden en daarmee afwijken van vroegere opvattingen. Voor hem is de vraag een aangelegen punt en het antwoord betreft zelfs de fundering waarop het evangelie rust.

In het boek beperkt Van Dam zich grotendeels tot de eerste twee hoofdstukken van Genesis, zonder de lezer duidelijk te maken waarom hij het derde hoofdstuk niet behandelt. Het doel van de auteur is niet zozeer een veelzijdig commentaar of een verklaring van elk vers in deze hoofdstukken te geven. Zijn onderzoeksvraag is vooral wat God ons openbaart over de historiciteit van Genesis 1 en 2. In de bespreking blijkt welke visie Van Dam heeft op deze openbaring: God was de enige die aanwezig was bij de schepping van alle dingen en Hij heeft ons bekendgemaakt wat we nodig hebben om te weten over deze gebeurtenissen in het begin van de tijd. Tevens is de ‘helderheid’ van de Schrift van belang: de lezer van Genesis is niet afhankelijk van hedendaagse geleerden om de basisbetekenis te begrijpen. Van Dam verzet zich tegen de uitleggers die menen dat het doel van deze hoofdstukken slechts is om theologische waarheden door te geven.

De auteur staat stil bij buiten-Bijbelse verhalen en hun betekenis voor de uitleg van de Bijbel. Hij geeft daarbij speciale aandacht aan de ‘speech act theory’. Terwijl het belangrijkste front van het boek de opvattingen zijn die verbonden zijn met het theïstische evolutionisme, ziet Van Dam ook problemen in creationistische kring. Die betreffen vooral de visie dat Genesis 1-3 een wetenschappelijk verslag zou bieden en dat de scheppingsdagen precies 24 uur geduurd hebben. De schepping vond volgens hem plaats in werkdagen van God, met een avond en een morgen. Ze zijn te vergelijken met onze dagen, en niet met perioden, maar de lengte wordt niet meegedeeld. Op basis van de structuur van het boek Genesis en de gehanteerde stijl in de eerste hoofdstukken beschouwt Van Dam deze gedeelten als historisch. De duisternis in 1:2 is ‘goed’ en heeft nog niet het onheilspellende karakter dat in diverse latere teksten naar voren komt. Van Dam geeft speciale aandacht aan het karakter van de zevende dag. Hij bespreekt ook de relatie tussen Genesis 1 en 2. Het veldgewas dat in 2:5 genoemd wordt, is gewas dat pas na de verdrijving uit de hof groeit, niet het groen dat op de derde dag geschapen werd. Hoewel tegenwoordig de hof van Eden vaak met een tempel vergeleken wordt, zijn er erg weinig overeenkomsten.

De auteur komt oorspronkelijk uit Nederland en hij citeert veel van ‘onze’ auteurs. Dat betreft vooral Bavinck, maar ook namen als Aalders, Berkouwer, Dooyeweerd, Noordtzij, Ridderbos en Versteeg komen langs, en uit later tijd Douma, Huijgen en Van den Brink.

Voor de uitleg van Genesis 1 en 2 zijn de goddelijke verklaringen in Exodus 20:11 en 31:17 normatief. Datzelfde geldt voor uitspraken van Jezus en Paulus. Daarmee staat Van Dam in de klassieke christelijke lijn en hij voert veel argumenten aan voor die uitleg. Op allerlei plaatsen neemt hij stelling tegen hedendaagse auteurs als John H. Walton en Paul H. Seely. Hun belangrijkste argumenten worden zorgvuldig besproken en van tegenargumenten voorzien.

De bespreking van een andere Schriftbeschouwing, waarbij het boek Genesis in later tijd ontstaan is en daarmee vooral de opvattingen van de Israëlieten in de tijd van de koningen weerspiegelt, komt minder uit de verf. Die opvatting blijkt bijvoorbeeld in het recente boek van Henk G. Geertsema, Bijbel en evolutie. Die auteur ziet in de Bijbel een ‘verrassende ruimte’ voor een evolutieproces. Voor Van Dam is het duidelijk dat dergelijke opvattingen zich niet verdragen met het klassieke belijden van de kerk. Het betekent wel dat de discussie doorgaat, niet slechts over de uitlegkundige details, maar ook over de voorvragen. In die discussie is het de winst van dit boek dat Van Dam heel expliciet ingaat op veel hedendaagse herinterpretaties en daarbij wil laten zien dat die in exegetisch opzicht problematisch zijn. Wat mij betreft doet hij dit overtuigend. Zijn boek bevat een schat aan gegevens voor de verdediging van de klassieke uitleg van Genesis 1-2.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Theologia Reformata. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Paul, M.J., 2021, Boekbespreking, Theologia Reformata 64 (3): 292-293.

PERSBERICHT: Cursussen stichting Godsvrucht en Wetenschap

In eerdere berichten is meegedeeld dat dr. P. de Vries met ingang van het jaar 2021/2022 (vanaf sep-tember) cursussen voor de St. Godsvrucht en wetenschap gaat verzorgen.

Het gaat om de volgende cursussen waarvoor u zich nog kunt aanmelden, zie hieronder:

  • Close reading van Ezechiël
  • Hermeneutiek (voor dit seizoen volgeboekt)
  • Geloofsverantwoording in het voetspoor van Augustinus
  • Inleiding in de Bijbelse theologie
  • Thema’s uit de geloofsleer

Er blijkt goede belangstelling te zijn voor de cursussen. De cursussen worden gegeven te Gouda. De cursus ‘Close reading van Ezechiël’ die een wat meer specialistisch karakter heeft, is gesplitst en wordt behalve in Gouda ook in Nunspeet gegeven. Op beide locaties zijn nog open plaatsen.

Zoals verwacht kon worden, is vooral voor de cursus ‘Hermeneutiek’ veel belangstelling. Hier komen de vragen naar voren of en hoe wij ons op de Schrift mogen beroepen en of God wel rechtstreeks door de Schrift tot ons spreekt. Deze cursus inmiddels vol geboekt. Bij voldoende belangstelling (minimaal tien aanmeldingen) wordt de cursus D.V. volgend seizoen op een doordeweekse morgen opnieuw aangeboden. Inmiddels hebben zich daarvoor al een aantal belangstellenden gemeld.

Voor alle cursussen is genoeg belangstelling om aangeboden te kunnen worden. Wel is nog voldoende ruimte om zich aan te melden. Dan gaat het om de cursussen ‘Close reading van Ezechiël’, ‘Geloofsverantwoording in het voetspoor van Augustinus’, ‘Inleiding in de Bijbelse theologie’ en ‘Thema’s uit de geloofsleer’. De laatste cursus wordt volgend jaar op een viertal avonden in april en mei gegeven en is nadrukkelijk bedoeld voor elk geïnteresseerd gemeentelid.

De cursus ‘Inleiding in de Bijbelse theologie’ is in de eerste plaats bedoeld voor predikanten en leraren in het middelbare onderwijs die nageschoold willen worden. Anderen zijn overigens ook van harte welkom. Deze cursus wordt op donderdagmorgen gehouden. De eerste keer is D.V. donderdag 3 februari 2022.

Over drie seizoenen verspreid worden er elk jaar nieuwe cursussen aangeboden. Er is tot op zekere hoogte sprake van een lint, maar in principe is elke cursus een afzonderlijk geheel. Zonder een eerdere cursus gevolgd te hebben kan men aan cursussen die een volgend seizoen worden aangeboden met vrucht deelnemen.

Meer informatie is te vinden op de website: godsvruchtenweteschap.nl. Wie belangstelling heeft voor een van de cursussen of meer informatie wil, kan zich via de email dspdevries@solcon.nl wenden tot dr. P. de Vries. Inmiddels zijn er meerdere donaties ontvangen. Omdat de kosten de baten zullen overstijgen, zijn donaties – groot of klein – nog altijd van harte welkom. Het bankrekening nummer kunt u vinden op onze website http://www.godsvruchtenwetenschap.nl.

Het bestuur en dr. P. de Vries spreken de wens uit dat het werk van de stichting Godsvrucht en wetenschap tot zegen zal zijn. Dit in de overtuiging dat de Bijbel de stem is van de drie-enige God Die als de God van volkomen zaligheid is te belijden.

Genesis deel 1: Inleiding – Bioloog Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over het eerste Bijbelboek

Genesis, hoe alles begon. Bioloog ir. Kees Fieggen houdt een bijbelstudie over Genesis. Vandaag het eerste deel: Inleiding. De video duurt 18 minuten. Volgende week donderdag het tweede deel. Veel zegen bij het kijken!

Wie is de vrouw van Kaïn? – Een antwoord van Jan Rein de Wit

In 2014 nam Geloofstoerusting in samenwerking met de Reformatorische Omroep een serie video’s op over zaken die raken aan het scheppingsparadigma. Vandaag een video met voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit, over de bekende vraag wie de vrouw van Kaïn was. Veel zegen bij het kijken!

Ethische theologie in de praktijk van het kerkelijke leven

In mijn vorige bijdrage over de ethische theologie kwam in verband met ‘ethisch’ aan de orde dat er bij het concept ‘ethisch’ sprake is van het samengaan van wetenschap en geloof.1 Is daar dan geen sprake van een zekere tegenstelling? Ja dat is er, maar wetenschap en geloof, verstand en geloof, worden elk op een ander vlak gezien. In de roomse theologie en bij het neocalvinisme (van Abraham Kuyper en navolgers) is er sprake van overeenstemming tussen wetenschap en geloof, verstand en geloof. In beide gevallen is er instroom van wetenschap in het geloof of hoe men over het geloof denkt. Twee voorbeelden volgen nu om de zaak iets te verhelderen.

Van kerk naar universiteit: Lebram

17e-eeuws portret van Jacobus Arminius (1560-1609). Bron: Wikipedia.

Eén van de boeiendste colleges die ik in Leiden heb gevolgd, was dat van dr. J.C.H. Lebram (1920–2004), een Duitse wetenschapper van grote geleerdheid, die later hoogleraar judaïca werd. Judaïca gaat over joodse zaken. Hij bestudeerde het laatste tijdvak van het Oude Testament tot aan het Nieuwe Testament. In zijn colleges viel geen enkele lijn te ontdekken. Men kon er dus ook niet de draad kwijtraken. Hij vertelde drie kwartier lang interessante zaken. Dat boeide mij zeer. Prof. Lebram was ook heel eerlijk. Hij vertelde eens dat hij zo blij was aan de Leidse universiteit wetenschap te kunnen bedrijven. Vόόr die tijd was hij predikant. Hij moest toen de mensen dingen vertellen, die niet waar waren, zo zei hij. Als voorbeeld noemde hij de geschiedenis van lijden, sterven en opstanding van de Heere Jezus. Die geschiedenis was volgens hem in elkaar gezet.

Prof. Lebram was lid van de Evangelische Kirche in Deutschland (EKD). In dat kerkgenootschap mag men vrijzinnig zijn, maar men heeft als predikant ook met een gemeente te maken, die bepaalde verwachtingen heeft. Zo wil men toch iets van een opstandingsevangelie horen. Doet de predikant dat niet, dan wordt de verhouding met de gemeente moeizaam.

Er is dus duidelijk een zekere relatie tussen universitaire wetenschap en kerkelijke gemeente. Aan de universiteit is men volstrekt vrij. In de EKD is men dat ook, hoewel men moeilijkheden zou ondervinden als men op authentieke wijze gereformeerd zou zijn. Toch is er in de EKD een praktijk waarbij het ongewenst is om een universitair standpunt te vertolken. Men zou dan kunnen zeggen: ‘de wal keert het schip.’ Hoewel er aan de universiteit en in de kerk veel vrijheid is, is er toch een relatie, omdat ook de verwachting van een kerkelijke gemeente een rol speelt.

Van universiteit naar kerk: Arminius

Nu ga ik naar de Nederlandse situatie. De Protestantse Kerk in Nederland (PKN) kent de geloofsbelijdenis niet als grondslag of fundament. In de aanloop naar het ontstaan van de PKN in 2004 zijn onderdelen van de kerkorde van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk weggelaten, bijvoorbeeld de werkorde en de toelichting daarop. De PKN heeft zich uitdrukkelijk aangesloten bij het Reglement 1816/1852: een predikant is vrij in welke leer hij verkondigt. Er is dus een zeer ruime bandbreedte. Maar ook hier heeft een predikant met de gemeente te maken. Een predikant die schreef dat hij Christus slechts als God en niet als mens zag, werd onaanvaardbaar voor zijn gemeente. Dit, hoewel hij nergens schuld aan had volgens de kerkelijke regels.

Er zijn ook kerken die de gereformeerde geloofsbelijdenis als grondslag of fundament hebben. Genoemd moet worden in het verband van dit stukje: de Christelijke Gereformeerde Kerken. De gereformeerde belijdenis is bepalend voor geheel het kerkelijk leven. Het kerkverband wordt door de belijdenis bijeengehouden. Die belijdenis is ook het uitgangspunt voor tucht op leer en leven. De belijdenis is de achtergrond van de prediking. Een preek kan verder nooit alleen maar over een bepaalde tekst gaan. De hele Schrift moet mee-ademen, dus ook de hele belijdenis. Zo moeten bijvoorbeeld zonde en rechtvaardiging van de zondaar altijd aan de orde komen. Naast de verwachting van de kerkelijke gemeente is er in een kerk met een belijdenisgrondslag voor die belijdenis een normerende rol weggelegd. Dit is de theorie. De praktijk kan dus anders zijn zoals blijkt uit deze artikelenserie.

Jacobus Arminius (1560–1609)[1] zou hoogleraar in Leiden worden, maar er waren bezwaren daartegen in het land. Franciscus Gomarus (1563–1641) ging daarom met Arminius praten en was overtuigd van diens rechtzinnigheid. Gomarus verleende Arminius ook nog de doctorstitel. Arminius had overigens ook de Nederlandse Geloofsbelijdenis ondertekend. Toen Arminius eenmaal hoogleraar was, ging hij ongevraagd een college van Gomarus geven. Ook liet zijn onderwijs afwijkingen van de gereformeerde leer zien. Dat was bepaald niet naar de zin van Gomarus, die dan ook met Arminius in onmin raakte. Arminius bleek aalglad te kunnen spreken. Hij had zich gereformeerd voorgedaan, wat hij niet was.

Een belangrijk punt waar het misging was de vrije wil. Dit punt heeft invloed op de leer van de verkiezing en verwerping, maar ook op de leer van de rechtvaardiging en de genade. Arminius maakte gebruik van een gedachte die was gebaseerd op Gods noodzakelijke kennis van toekomstige gebeurtenissen. God kon dan zien wat een bepaald mens zou doen. Men noemt dit ook wel de midden- of middelkennis. Het is dus een soort gedachte die tussen God en mens in staat. Deze gedachte is afkomstig van de Spaanse jezuïet Luis de Molina (1535–1600). Gereformeerden wijzen deze middenkennis af. Men kan dit bijvoorbeeld naslaan in de Theoretisch-praktische godgeleerdheid van P. van Mastricht (1630–1706) of in De gereformeerde dogmatiek van ds. G.H. Kersten (1882–1948). Er is dus sprake van een vrije wil bij Arminius. Dat erkende bijvoorbeeld ook de ethische hoogleraar H. Berkhof (1914–1995), die zelfs vrijzinnig kan worden genoemd.

In 2008 kreeg W.A. den Boer zijn doctorstitel aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA). Op grond van zijn onderzoek van het begrip ‘gerechtigheid’ concludeerde Den Boer dat Arminius gereformeerd was.

Ik zeg niets kwaads over de bij onderzoek en promotie betrokken personen, het wetenschappelijke niveau etc., zoals ik al vaker heb aangegeven. Maar hoe kan het dat er bij iemand die aan een christelijk gereformeerde universiteit is verbonden, tijdens het onderzoek geen bel gaat rinkelen over de conclusie dat Arminius gereformeerd zou zijn? Ten minste twee zaken moet men zich dan afvragen. Ten eerste: bezit de gebruikte methode wel voldoende onderscheidend vermogen? En ten tweede: hoe zit het met de strijdigheid van de conclusie van Den Boer ten opzichte van de gereformeerde belijdenis?

Een kerkelijk probleem

Het viel te verwachten dat er uit de Christelijke Gereformeerde Kerken vragen en bezwaren hiermee zouden komen. Het curatorium, de toezichthouder van de TUA, moest zich over de zaak uitspreken. De dissertatie van Den Boer zou een historische studie zijn, waaruit zou volgen dat Arminius niet altijd recht is gedaan. Het gaat om een ‘historische constatering’ en niet om een ‘confessioneel-dogmatisch oordeel.’ Dr. Den Boer voegde er zelf aan toe dat hij duidelijk had moeten maken wat in zijn studie onder gereformeerd moest worden verstaan. De uitkomsten van de dissertatie betekenen niet dat Den Boer de standpunten van Arminius deelt. Opgemerkt wordt nog dat de remonstranten zich zeker tot in de negentiende eeuw gereformeerd noemden.

Ethisch

Nu ga ik terug naar het stukje over professor Lebram. Deze hoogleraar heeft de evangeliën onderzocht en is tot de wetenschappelijke conclusie gekomen, dat de verhalen over het lijden, sterven en opstanding van de Heere Jezus een geconstrueerd geheel zijn en niet werkelijk zo zijn gebeurd. Lebram staat achter zijn conclusies. En zo voelt hij zich als predikant ongelukkig in zijn gemeente, omdat hij daar iets moet preken wat volgens hem niet waar is. Lebram is vrijzinnig, maar wel consequent.

Nu neem ik even aan dat Lebram een wetenschappelijke studie heeft afgeleverd, waarin duidelijk wordt gemaakt dat het verhaal van het lijden, sterven en opstanding van de Heere Jezus historisch niet zo is gebeurd, volgens hem dus niet waar is. Maar, zegt deze hoogleraar dan: ik geloof wel in het lijden, sterven en de opstanding van de Heere Jezus. Dát is nu ethisch: wetenschap en geloof, als het ware op twee vlakken.

Dit is nu precies wat het curatorium — waarschijnlijk onbedoeld — doet in het geval van 2008. Het proefschrift is een ‘historische constatering’, geen ‘dogmatisch oordeel.’ Dr. Den Boer zou het ook niet eens (kunnen) zijn met zijn historische conclusie. Maar waarom publiceert hij het boek dan?

Op de synode van Dordrecht heeft in 1619 de gehele toenmalige gereformeerde wereld — behalve de Franse delegatie, die geen toestemming van de koning had om de synode bij te wonen — de leer van Arminius verworpen. En zou dat nú, op grond van een enkel criterium, de gerechtigheid, niet meer waar zijn? Is dat niet een beetje, wat de Grieken noemden ‘hubris’, overmoed jegens de heidense goden?

Nu neem ik aan dat elke medewerker van de TUA de Beknopte gereformeerde dogmatiek van de hoogleraren J. van Genderen en W.H. Velema heeft gelezen. Dan weet je toch van de gereformeerde hoed en de rand? Het is jammer dat genoemde dogmatiek niet in de literatuurlijst van de dissertatie van Den Boer is te vinden.

En verder

Het is duidelijk dat de ethische theologie meer om zich heen grijpt dan wordt gedacht. Men maakt zich er onwillekeurig schuldig aan. Meer daarover in een volgende bijdrage.

© Gereformeerd Venster. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de digitale nieuwsbrief Gereformeerd Venster. Abonneren kan via info@gereformeerdvenster.nl of www.gereformeerdvenster.nl. Een abonnee op deze nieuwsbrief is gratis!

Voetnoten

Wat gebeurde er met de vrouw van Lot?

Wat gebeurde er met de vrouw van Lot? Ze veranderde in een zoutpilaar. Jan Rein de Wit legt in deze video uit hoe het zit met de geologie van de Jordaanvallei en de Dode Zee. Met dank aan Geloofstoerusting voor de opname.

Ethische theologie is niet gereformeerd!

In mijn vorige bijdrage, waarin ik schreef over de Middelaar, kwam Friedrich Schleiermacher (1768–1834) ter sprake.1 Bij deze theoloog zou iemand kunnen vragen wie hij is en waarom hij naar gereformeerde norm moet worden afgewezen. Met Schleiermacher komt men terecht in de zogeheten ethische theologie, die in de negentiende eeuw in de Nederlandse Hervormde Kerk opkwam. De ethischen zetten zich af tegen de vrijzinnigen, maar ook tegen de confessionelen. Er was toen nog geen Gereformeerde Bond. De gereformeerden in de Nederlandse Hervormde kerk werden vooral gevonden onder de confessionelen. Zijn de ethische theologen dan nu nog van belang? Ja, bijvoorbeeld omdat zij nu — ten onrechte — als gereformeerd worden aangemerkt en volop in de belangstelling staan.

Theoloog, filosoof en pedagoog Friedrich Daniel Ernst Schleiermacher (1768-1834). Bron: Wikipedia.

J.H. Gunning jr.

Nu ga ik naar J.H. Gunning jr. (1829–1905). Hij was hoogleraar theologie in Amsterdam en Leiden en een prominent vertegenwoordiger van de ethische richting. In 1870 had Gunning al eens aanvechtbare zaken verkondigd: het scheppingsverhaal was een ‘mythe’ en de Heilige Schrift was niet onfeilbaar. Dit kwam hem al op kritiek te staan. De bom barstte in 1878 toen Gunning het eerste deel van Het leven van Jezus publiceerde. De geboorteverhalen werden als ‘legenden’ gekarakteriseerd. Gunning nam die uitgave wel terug, maar de kritiek, ook op een latere uitgave, bleef komen, vooral van Abraham Kuyper (1837–1920). Laatstgenoemde schakelde ook zijn vriend, de predikant dr. Ph. S. van Ronkel (1829–1890), in. Deze was van Joodse afkomst en een zeer scherpzinnig theoloog van volstrekt gereformeerde signatuur. Hij ging overigens niet met Kuypers doleantie mee.

Van Ronkel fileerde Het leven van Jezus van Gunning: messcherp, maar juist. Volgens Van Ronkel deed Gunning te kort aan Christus als Middelaar. De schok was groot. Gunning was immers zo diepgelovig en vroom. Toen hij in Leiden hoogleraar werd wilde hij zelfs — tot verontwaardiging van de studenten — zijn college met gebed beginnen. Gunning was heel boos, vooral op Kuyper. Hij publiceerde zelfs een schuldbelijdenis die Kuyper zou moeten ondertekenen. Gunning was zeer geboeid door Schleiermacher en ook door de theosofie, de oorspronkelijk oude leer van (heidense) godenwijsheid.

Ethisch

Zoals is duidelijk geworden, kennen de ethischen een tweesporenbenadering: wetenschap en Bijbel. Zij erkennen niet de kracht van de belijdenis en willen hun theologie op het leven toepassen. Zij worden wel gekarakteriseerd door: ‘Niet de leer maar de Heer.’ Vroomheid vervangt geen andere leer of godsdienst dan de gereformeerde. De Groningse hoogleraar Isaäc van Dijk (1847–1922), van ethische signatuur, werd eens diep getroffen door een passage uit een werk van de nadere reformator H. Witsius (1636–1708), waar het theologisch betoog van laatstgenoemde overging in gebed. Gelovigheid maakt iemand niet tot gereformeerd theoloog. Gunning pretendeerde ook recht in de leer te zijn. Hij kon niet inzien dat dat niet zo was. Kuyper publiceerde op 17 juni 1885 een artikel in De Standaard met de titel ‘De Heelen en de Halven’. Het moge duidelijk zijn wie de halven waren: de ethischen. En zoals kon worden verwacht, voelde Gunning zich zeer te kort gedaan.

Friedrich Schleiermacher

De Duitse theoloog Schleiermacher is een van de invloedrijkste theologen in de negentiende eeuw. Geloof bij Schleiermacher heeft te maken met ons diepste afhankelijkheidsgevoel. Let wel: het is een gevoel in de mens. Die mens aanvaardt God zonder bewijs. De Schrift komt er daarbij niet aan te pas. De christelijke geloofsleer houdt in: opvattingen van het vrome gemoed die door het verstand in woorden worden omgezet. Schleiermacher spreekt niet tot iedereen, maar tot geschoolde mensen. Zijn uitgangspunt is het gemeenschappelijk geloof. Dat gaat samen met een gemeenschappelijke geest (de Heilige Geest). Dan wordt de wetenschap toegepast.

Uiteindelijk komt de praktische theologie aan bod. Voor de kerk komt er dan een soort hoofdtheoloog, de kerkvorst, die uitleg en aanwijzingen geeft. De kerk is bestuurlijk van boven naar beneden georganiseerd; plaatselijk mag men een eigen ‘belijdenis’ opschrijven. God is een deel van het heelal. Schleiermacher is zo een pantheïst, die de hele natuur goddelijk geïnspireerd ziet. Hij lijkt hierin op Benedictus de Spinoza (1632–1677). Een andere bekende in dat gebied is de rabbijn H.S. Kushner (geb. 1935; ‘Als het kwaad goede mensen treft’). Het goddelijke is het wezenlijke van alle dingen. Jezus is Voorwerp van verheven bespiegelingen. Dit zijn maar enkele grepen en gedachten uit het werk van Schleiermacher. In wetenschappelijke zin moge men smullen van de hoge gedachtenvlucht van Schleiermacher, maar zijn theologie is volstrekt ongereformeerd.

Ethisch in Apeldoorn

In Apeldoorn is de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA) gevestigd, de universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Aan deze universiteit heeft men zich de laatste jaren nogal met ethische theologen beziggehouden. Te noemen vallen in alfabetische volgorde: Barth, A. van de Beek, Bonhoeffer, Koopmans, Miskotte, Noordmans en de reeds genoemde Schleiermacher.

Wat is het gevaar?

Alvorens ik verder ga, wil ik onderstrepen dat de TUA een theologische universiteit van hoog niveau is in alle opzichten. Ik erken ook de noodzaak dat men zich met andere dan gereformeerde theologen moet bezighouden. Dit is nodig om zich af te grenzen van alles wat niet gereformeerd is. Wetenschappelijk kan het interessant zijn om zich te verdiepen in de ethische theologie, maar uitsluitend om zich daarvan af te grenzen. Het onbetwiste middel tot afgrenzing is de gereformeerde belijdenis.

Reeds Kuyper noemde duidelijk het gevaar van de ethische theologie: het afglijden naar ongereformeerde theologie. Een treffend voorbeeld van afglijden is G.C. Berkouwer (1903–1996), in leven hoogleraar theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij werd van orthodox-gereformeerd ethisch. Sommigen noemen hem zelfs modern.

© Gereformeerd Venster. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de digitale nieuwsbrief Gereformeerd Venster. Abonneren kan via info@gereformeerdvenster.nl of www.gereformeerdvenster.nl. Een abonnee op deze nieuwsbrief is gratis!

Hoe konden alle dieren in de Ark? – Een antwoord van Jan Rein de Wit

In 2014 nam Geloofstoerusting in samenwerking met de Reformatorische Omroep een serie video’s op over zaken die raken aan het scheppingsparadigma. Vandaag een video met voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit, over de vraag hoe alle dieren in de ark pasten. Veel zegen bij het kijken!

Wat Exodus 21:22 ons vertelt over abortus

Misschien is het u weleens overkomen. Een atheïst, orthodoxe jood of misschien zelfs een christen, drukt u tijdens een discussie op het hart dat abortus helemaal niet wordt afgekeurd in de Bijbel. De passage waar men dan vaak naar verwijst is Exodus 21:22-25. Daarin gaat het over twee vechtende mannen die daarbij een vrouw zo aanstoten dat haar kind ter wereld komt. Loopt dit met een sisser af, dan zal een geldboete volstaan. Maar is er letsel, dan geldt de lex talionis, oftewel een leven voor een leven, een oog voor een oog, et cetera. De vraag is echter: letsel bij wie?

De Amerikaanse Greg Koukl studeerde af in de apologetiek (christelijke geloofsverdediging). Volgens hem is Exodus 21:22-25 allesbehalve een problematische passage voor de christen die opkomt voor ongeboren leven. Integendeel, het is juist dé passage die hij aanhaalt om zijn pro-life visie Bijbels te onderbouwen. Abortus provocatus wordt namelijk niet expliciet genoemd in de Schrift, maar in deze tekst van Mozes gaat het wel om een wettelijke implicatie. Hierdoor valt enige kritiek over poëtische lading weg. Maar hoe komt het dat critici hiermee juist een troef in handen denken te hebben?

Laten we de passage bekijken vanuit een vertaling die sommigen onder u misschien niet snel zullen openslaan, om te zien op welke manier deze tekst weleens wordt geïnterpreteerd. De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) geeft Exodus 21:22-23 als volgt weer:

“Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden geëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld; de rechters moeten op de betaling toezien. Heeft ze wel ander letsel opgelopen, dan geldt: een leven voor een leven, een oog voor een oog, …”

Deze vertaling suggereert dat de dader slechts een boete betaalt indien de vrouw een miskraam heeft waarbij het kind verloren gaat. Maar indien de moeder als gevolg van de worsteling sterft, geldt de strafmaat waarbij er een leven voor een leven moet worden gegeven. Op die manier lijkt het alsof de wet van Mozes de ongeborene niet beschouwt als volwaardig mens. Maar hier is de crux van het probleem: Heeft het Hebreeuwse woord in de grondtekst dezelfde betekenis als ‘miskraam’? Is er in Exodus 21:22 sprake van een kind dat dood ter wereld kwam, net als bij een miskraam? Dit is de belangrijkste vraag die een antwoord vereist. Want als dat zo is, betreft het Nederlandse woord ‘miskraam’ geen verkeerde keuze. Zo niet, dan verandert de betekenis van de tekst drastisch, aldus Koukl.

Het antwoord op deze vragen moet worden gezocht in de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws. De betekenis van een woord is in iedere taal bepaald in twee stappen. We leren de reikwijdte aan betekenissen van een woord – oftewel, al zijn mogelijke definities – door het algemene gebruik te bekijken. We leren over zijn specifieke betekenis door te kijken naar de directe context. De relevante frase in de passage ‘dat zij een miskraam krijgt’ staat in het Hebreeuws opgeschreven als w’yase û (וּאְ צָיְו) ye ladêhâ (הֶ֔ דָלְי). Het is een combinatie van een Hebreeuws zelfstandig naamwoord, yeled, en een werkwoord, yasa, dat letterlijk betekent: ‘het kind komt voort’. Er zijn veel Bijbelteksten waarin ‘yasa’ wordt vertaald als ‘voortbrengen’ of ‘voortkomen’. Denk aan Genesis 8:17 waarin Noach de instructies krijgt om al het gedierte met hem te doen uitgaan, of Jeremia 1:5 dat pro-life veelvuldig aanhaalt: ‘Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb ik u gesteld’. In totaal wordt ‘yasa’ 1.061 keer gebruikt in de Bijbel, waarvan het niet één keer wordt vertaald als ‘miskraam krijgen’ behalve (door sommigen) in Exodus 21. Waarom?

De tekstuele context

Dit Bijbelse gebruik van ‘yasa’ laat ons iets belangrijks zien: niets aan dit woord impliceert de dood van het kind! Enkel de context van een passage kan ons dat vertellen, zoals in Numeri 12:12, dat spreekt over het ter wereld komen van een doodgeboren kind. Maar zulke conclusies kunnen niet worden gemaakt op basis van het woord ‘yasa’ alleen. Daar komt bij dat Mozes kon beschikken over twee andere woorden die wél kunnen verwijzen naar een miskraam, te weten ‘nepel’ (שכל) en ‘sakal’ (נֵ֥פֶל). Beide worden meestal vertaald als ‘misdracht’ of ‘misgeboorte’ (zie bijv. Gen. 31:38, Job 3:16, Psalm 58:9). Als de passage dan wordt vertaald vanuit de letterlijke betekenis, zoals in de Herziene Statenvertaling, ziet dat er zo uit:

‘Wanneer mannen vechten en daarbij een zwangere vrouw zó treffen dat haar kind geboren wordt, maar er geen dodelijk letsel is, dan moet de schuldige zeker een boete betalen, zo groot als de echtgenoot van de vrouw hem oplegt. Hij moet die betalen via de rechters. Maar als er wel dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven.’

Dit keer lezen we dat de tekst slechts een boete oplegt bij een vroeggeboorte, maar wanneer er sprake is van letsel voor een van de betrokken partijen (vrouw of kind) dan zal een zwaardere straf gelden. De christelijke theoloog Miljard Erickson zegt hierover dat ‘er geen specificatie is over wie er letsel dient op te lopen voordat de lex talionis [leven voor een leven] effectief wordt. Het principe wordt toegepast op de moeder of het kind.’

Los van deze vertaling is het duidelijk dat het doden van een kind – en laten we niet vergeten dat deze tekst inderdaad refereert aan een kind – een criminele daad is. Er bestaat in de Torah geen rechtvaardiging voor abortus op aanvraag. In plaats daarvan hebben we, volgens Greg Koukl en vele anderen, een goed argument in handen voor het feit dat de Heere dezelfde waarde toekent aan geboren én ongeboren mensen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Leef Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Develing, C., 2020, Wat Exodus 21:22 ons vertelt over abortus, Leef 36 (3): 16-17 (PDF).

Wat is er mis met de nieuwe hermeneutiek?

Op 18 september 2017 hield de godsdienstfilosoof en theoloog dr. Gert van den Brink een lezing in de Gereformeerde Kerk vrijgemaakt van Capelle aan den IJssel-Noord. De titel van de lezing was ‘Wat is er mis met de nieuwe hermeneutiek?’ De lezing werd opgenomen en is op het kanaal van Geloofstoerusting geplaatst. Hieronder is de video te bekijken. Veel zegen bij het kijken en luisteren!