Home » Theologie

Categorie archieven: Theologie

‘Frame schreef een toegankelijke en aantrekkelijke systematische theologie’ – Bespreking van ‘Systematic Theology’

John Frame schreef een toegankelijke en aantrekkelijke systematische theologie. Dat vinden anderen blijkbaar ook, gezien de wat curieuze reeks (het zijn er werkelijk tientallen) loftuitingen van anderen die als introductie opgenomen zijn. Het boek is feitelijk een compilatie en samenvatting van de vier eerdere delen die hij schreef in de serie ‘A Theology of Lordship’. ‘Lordship’ is ook in deze studie de rode draad. Gods ‘Heerschappij’ kenmerkt zich volgens Frame door drie aspecten: autoriteit, controle en presentie. Deze attributen vooronderstellen en impliceren elkaar: als God alle dingen onder controle heeft, dan zijn Zijn bevelen gezaghebbend en Zijn tegenwoordigheid onvermijdelijk. Dat brengt Frame op de volgende epistemologische triade in zijn theologie: in elke situatie is er sprake van normen, feiten en subjectiviteit. Dit betekent –aldus Frame- dat er in elke situatie sprake is van een normatief, een situationeel en een existentieel aspect. Deze benadering wordt door Frame vervolgens betrokken op elk aspect van de geloofsleer. Dat levert soms verrassende inzichten op (en is soms vermoeiend). Epistemologie is een specialiteit van Frame en dat betekent dat deze systematische theologie veel aandacht vraagt voor vragen aangaande de kennisleer. Hierbij toont Frame zich een aanhanger van de presupposationalistische school in de traditie van Cornelius van Til. Christelijke kennis is kennis onder gezag; daarom kan de zoektocht naar kennis niet autonoom zijn, maar dient ze onderworpen te zijn aan de Schrift, de ultieme vooronderstelling van alle kennis.

Wie Frame kent, herkent in dit boek zijn geheel eigen stijl. Die kenmerkt zich door weinig interactie met andere theologen en theologische discussies. Dat is een heel bewuste keus, die past bij de traditie van Westminster Theological Seminary en je ook tegenkomt bij zijn leermeester John Murray. In Frames optiek is theologie vooral Bijbelstudie, gericht op de toepassing hiervan op alle terreinen van het leven. Frame is kritisch op benaderingen die primair dogmenhistorisch zijn of al teveel ingaan op contemporaine discussies, terwijl de Schrift een marginale rol speelt. Hij wil vooral luisteren naar de Schrift zelf. De kracht daarvan is dat hij aandacht vraagt voor thema’s die soms weinig voor het voetlicht komen in handboeken voor systematische theologie. Heel bewust begint zijn boek dan ook met het schetsen van de hoofdlijn van het bijbelse verhaal aan de hand van kernwoorden als verbond, koninkrijk en Gods gezin.

De geloofsleer kent de volgende opzet: na de Godsleer volgt de Schriftleer en de kennisleer. Daarna volgt de leer aangaande de geestelijke wereld, de mens, de christologie, de pneumatologie, de ecclesiologie, de leer van de laatste dingen en een afsluitend gedeelte over de ethiek. Het is duidelijk te merken dat de eerstgenoemde drie delen het grootste deel van zijn boek innemen. Feitelijk zijn dit samenvattingen van zijn grotere publicaties over deze themata, aangevuld met een aantal nieuwe hoofdstukken die samen de hele geloofsleer completeren.

Sterk is Frame in zijn behandeling van notoir lastige aspecten uit de geloofsleer, zoals het probleem van het kwaad, Gods soevereiniteit en menselijke vrijheid e.d. Hij toont aan dat een calvinistische benadering van deze vragen sterke antwoorden geeft. Hoewel een calvinist gelooft dat Christus stierf om de zaligheid van de uitverkorenen te garanderen, betekent Zijn dood ook dat allen de mogelijkheid van redding verschaft wordt, zodat ook een calvinist volgens hem het volste recht om tegen mensen te zeggen dat God hen liefheeft – ook als zij uiteindelijk verloren gaan. Regelmatig wordt je getroffen door zijn inzichten (zoals de behandeling van Gods ootmoed in de eigenschappenleer) en zijn praktische advies hoe je in pastorale dilemma’s het Woord van God op de concrete situatie van anderen dient toe te passen.

Sommige thema’s worden wel erg beknopt behandeld (zoals de leer van de laatste dingen). Maar over het algemeen is het een complete geloofsleer die met name studenten en predikanten veel te bieden heeft en zich, juist vanwege de grote aandacht voor de Schriftgegevens, uitstekend leent als achtergrondmateriaal voor Bijbelstudie of preekvoorbereiding (bijv. leerdiensten).

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Theologia Reformata. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2017, John Frame, Systematic Theology, Theologia Reformata 60 (1): 100-101 (Artikel).

‘Hoe de grootste wetenschapper van de geschiedenis wist wat er 250 jaar later zou gebeuren’ – Science4Truth interviewt dr. ir. Kees Roos

Science4Truth interviewt dr. ir. Kees Roos. Het interview verscheen op 8 maart 2024 en duurt iets meer dan 22 minuten. Dr. ir. Kees Roos is een wiskundige en ondertussen emeritus-hoogleraar aan de TU Delft. In de video laat hij zien dat het mogelijk is om tegelijkertijd wetenschapper en christen te zijn. Dr. Roos heeft diverse prijzen gewonnen en diverse wiskundige publicaties op zijn naam staan. Afgelopen jaren deed hij onderzoek naar het leven en het werk van de bekende natuurkundige Isaac Newton. De onderstaande video is in het Engels en bevat Engelstalige ondertiteling.

Dr. ir. Kees Roos was eerder over dit onderwerp te gast in het YouTube-programma van dr. James Tour. Deze bijdrage is hier te vinden.

Rentmeesterschap over schepping bloeit op tussen bevel en belofte

Dit artikel is samen geschreven met Henrik van de Ruitenbeek.

„Ik geloof in God de Vader, Schepper van hemel en aarde”, zo wordt in onze kerken elke zondag het geloof beleden. De schepping heeft een belangrijke plek in christelijk geloof en de mens draagt verantwoordelijkheid voor politieke en persoonlijke zorg voor Gods schepping. Dit gaat van het begin tot het eind, van de hof van Eden tot het nieuwe Jeruzalem.

De mens wordt door God in de schepping geplaatst om die te „onderwerpen en over haar te heersen” (Genesis 1:28). De schepping was goed, zeer goed. Er was nog wel een taak voor de mens. De schepping moest bebouwd en bewaard worden (Genesis 2:15). Toch is er wel wat veranderd na Genesis 3. De aarde is vervloekt geworden (Genesis 3:17) en „bouwen en bewaren” werd lastiger. Dit heeft in de geschiedenis ook op het vlak van rentmeesterschap tot ontwrichting geleid. Zeker de laatste decennia heeft de aarde veel te verduren van de mens die leeft met het motto: ”alles uit de wereld halen wat erin zit”. Maar in Genesis wordt het heersen nauw verbonden met het naar Gods beeld geschapen zijn. Gods karakter moet dus onze omgang met de aarde bepalen.

Genieten

Het goede van de schepping is door de zondeval gelukkig niet volledig verloren gegaan. Daarom is het een Bijbelse notie om te genieten van de schepping. Dit kan op allerlei manieren, zoals het bewonderen van een prachtig landschap, het beklimmen van een ruige berg, het bestuderen van ecosystemen of het maken van een mooi gedicht over de schoonheid van de schepping. Juist als christenen behoren we ons te verheugen over Gods heerlijkheid in de schepping. „Verhef U, o God, (…) Uw eer over de ganse aarde” (Psalm 108:6).

Genieten is echter een kunst waarbij het niet gaat om hoeveelheid maar om onze houding. Inhaligheid maakt innerlijk arm. Zo bidt Agur in Spreuken 30:8: „Armoede of rijkdom geef mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels.” Ook de Heere Jezus waarschuwt regelmatig tegen hebzucht (Lukas 16:19-31), gierigheid en bezorgdheid (Mattheüs 6:25-34). Overvloed of rijkdom kan juist een struikelblok zijn om Gods koninkrijk in te gaan (Mattheüs 19:24). Het is niet voor niets dat matigheid een vrucht van de Geest genoemd wordt (Galaten 5:22). We hoeven iets niet in grote mate te bezitten om er toch in grote mate van te genieten. Genieten van genoeg.

Een groot politiek thema dat gelinkt is aan de schepping is klimaatverandering. Hoewel dit thema vanuit allerlei verschillende motieven en ideologieën aangegrepen wordt, heeft het in de kern alles te maken met rentmeesterschap. Zo valt het klimaatbeleid praktisch uiteen in enkele concrete onderwerpen, zoals de energietransitie, het landbouwbeleid en duurzaamheid. Daarbij kan het een verleiding zijn té snel te willen gaan. Wie een brede stroom met een sprong wil oversteken, valt in het water. Het is verstandiger om van steen naar steen te springen. Ondertussen moet dit geen excuus zijn om niets te doen en alles bij het oude te laten. Wél moeten de stappen zo gezet worden dat de burger redelijke alternatieven heeft vóór de vervuilende optie zwaarder belast wordt.

Zelf aan zet

Naast de politiek zijn we echter ook zelf aan zet. Juist voor een christen moet het gewicht van rentmeesterschap over Gods schepping wegen. Dat kunnen we heel concreet maken. Niet met het oogmerk om de wereld te verbeteren maar om te leven vanuit liefde tot God en de naaste. Doe warmere kleding aan en zet de kachel standaard enkele graden lager. Douch minder vaak en minder lang. Gebruik de fiets in plaats van de auto. Gebruik de trein in plaats van het vliegtuig. Verder is zuinig zijn een belangrijk aspect. Niet vrekkig of gierig, maar zuinig omdat God het jou geeft. Recycle kleding en koop ook tweedehandskleding. Doe zo lang mogelijk met elektronische apparatuur, zolang die functioneert, en neem traagheid of geringere functionaliteit voor lief. Is iets kapot? Laat het repareren of breng het naar de daarvoor bestemde ophaalpunten, zodat het gerecycled kan worden. Gebruik een brooddoos in plaats van plastic zakjes voor je lunch. Laat (plastic) afval niet slingeren, maar scheid het en breng het op de juiste plek. Het is belangrijk op te merken dat deze lijst niet volledig is. Het laat echter zien dat verantwoordelijk nemen kan én moet.

Niet ons project

Met alleen technische oplossingen zijn we er dus niet. Meer nog telt onze levenshouding. Die wordt niet alleen bepaald door de schepping (het bevel) maar ook door het einde (de belofte). God geeft Zijn schepping niet op, maar zet haar straks vernieuwd voort. De schepping zucht en is in barensnood. Zij verwacht samen met de kinderen van God (u ook?) de vernieuwing en ziet uit naar de toekomst van Christus, waarin de wereld gereinigd zal worden van al het kwaad (Kolossenzen 1:20; 2 Petrus 3:12). Wie dit vergeet, loopt het gevaar het aardse of materiële als minderwaardig te beschouwen.

We zijn naar het beeld van God geschapen en dat moet ons heersen over deze aarde stempelen. Door en na de zondeval is de mens in onmatigheid vervallen. Maar God komt de aarde, déze aarde, vernieuwen. Tussen dit bevel en deze belofte mogen wij genieten van genoeg. Zoals een lied zingt: „Laat dan mijn hart U toebehoren (…) Dan is het aardse leven goed, omdat de hemel mij begroet” (Aan u behoort, O Heer der Heeren). Dan is het niet mijn eigen project. De zaligmakende genade leert ons immers de wereldse begeerten te verloochen en bezonnen te leven (Titus 2:11-12). Dat is niet links of rechts maar rechtvaardig.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Damme, N. van, Ruitenbeek, H. van de, 2024, Rentmeesterschap over schepping bloeit op tussen bevel en belofte, Reformatorisch Dagblad 53 (297): 25 (artikel).

Wetenschapsjournalist wil onverkort vasthouden aan het klassieke scheppingsgeloof en schrijft een boek – N.a.v. een interview in het Reformatorisch Dagblad

Eind februari van dit jaar verscheen er een nieuw boek met als titel ‘De werken van Zijn handen’. Het boek is geschreven door wetenschapsjournalist ir. Bart van den Dikkenberg. Hij schrijft veelal voor het Reformatorisch Dagblad. Het is dan ook niet vreemd dat er in dezelfde krant, op 21 februari 2024, een interview met hem verscheen. We willen dit interview hier kort samenvatten.1

Onverkort

Schepping en evolutie, in de zin van Universele Gemeenschappelijke Afstamming, kunnen onmogelijk samengaan. Dat is de stelling die Van den Dikkenberg verdedigt in zijn nieuwe boek. Het begon met de vraag van het deputaatschap onderwijs, opvoeding en catechese van de Gereformeerde Gemeente in Nederland, waar Van den Dikkenberg ouderling is. Het verzoek om te komen tot een brochure groeide uit tot een omvangrijk boek. Het is een vraagstuk dat leeft onder bevindelijk-gereformeerde studenten en iedere generatie probeert opnieuw antwoorden te formuleren op deze vragen. Het is goed om de volgende generatie daarbij te helpen. Door terug te grijpen op publicaties uit het verleden. Van den Dikkenberg wil ‘reformatorische jongeren (…) ondersteunen in de manier waarop ze om moeten gaan met al die meningen die op hen afkomen, bijvoorbeeld op de universiteit’. Hij voegt daaraan toe: “Ik laat zien dat ze rond de evolutietheorie onverkort kunnen vasthouden aan de waarheden die de Bijbel leert.

Strijd

De discussie over schepping of Universele Gemeenschappelijke Afstamming is een blijvertje. Soms laait het in alle hevigheid op, zoals rond het verschijnen van het boek ‘En de aarde bracht voort’ van systematisch theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink. Soms is het nog als een smeulend vuurtje aanwezig, zoals anno 2024. Dat komt volgens Van den Dikkenberg omdat het een aangelegen thema is. Net als dr. ir. Erik van Engelen en anderen maakt Van den Dikkenberg onderscheid tussen micro- en macro-evolutie.2 Volgens de wetenschapsjournalist is het macro-evolutie dat belangrijke kernpunten ondergraaft van het christelijk geloof. Bijvoorbeeld Adam als beeld van God, lijden als gevolg van de zondeval en het bestaan van de staat der rechtheid. Het heeft zelfs consequenties voor de verzoeningsleer. “Deze theïstisch-evolutionistische visie zadelt de Bijbellezer met allerlei problemen op.” “Een theïstisch evolutionist spreekt bijvoorbeeld over een God Die lijden, natuurrampen, ziekte, dood en verderf heeft gebruikt in het evolutionaire scheppingsproces. Maar God heeft de schepping ‘zeer goed’ genoemd. Nu kun je het kwade goed noemen, maar daarmee beroof je God van Zijn eer.

Vastloper

Je loopt hoe dan ook vast. “Theïstische evolutie is in feite de vermenging van twee tegengestelde vormen van geloven: dat heet syncretisme. De Bijbel zegt: Er is een God die alles heeft geschapen. Het seculiere denkpatroon schrijft voor: Er is geen God, evolutie heeft alles gemaakt. Een van beide kan niet kloppen.” Naast theologische bezwaren heeft Van den Dikkenberg ook natuurwetenschappelijke bezwaren. Hij wijst bijvoorbeeld op ‘the cost of evolution’ en Haldane’s dilemma.3 Binnen de naturalistische ‘Big History’ zijn talloze problemen, zoals het ontstaan van het leven. Van den Dikkenberg komt weer terug op het theologische Wil men Universele Gemeenschappelijke Afstamming verwerken in de exegese en zo afstand nemen van een zesdaagse schepping, dan zal men op dezelfde gronden ook bijvoorbeeld de maagdelijke geboorte van de Heere Jezus, de opstandingsgeschiedenis en Zijn hemelvaart ter discussie moeten stellen.4

Alternatief?

Van den Dikkenberg gelooft dat deze aarde 6.000 tot 8.000 jaar oud is. “Net als alle andere gedeelten van Gods Woord zijn ook deze teksten door de Heilige Geest geïnspireerd, ingegeven. We moeten ze letterlijk nemen, want zo worden ze ook gepresenteerd.” We moeten de schepping óók als geschiedenis blijven zien. Van den Dikkenberg verwijst daarvoor naar de argumenten van de Duitse theoloog dr. Walter Hilbrands.5 Hij ‘laat zien dat herhalingen in een Bijbelgedeelte niet automatisch betekenen dat de tekst poëtisch, niet-historisch of figuratief moet worden opgevat. Zo heeft ook het boek Genesis een structuur die vanaf het begin helemaal tot het einde ervan doorloopt.” De taal in Genesis is wel verheven, maar geen poëzie. Dit klassieke scheppingsgeloof moet worden vastgehouden, anders zullen op den duur de kerken (volgens Van den Dikkenberg) leeglopen. We moeten echter de schepping ook niet rationalistisch platslaan. “Hebreeën 11:3 spreekt over geloof: ‘Door het geloof verstaan wij dat de wereld door het woord Gods is toebereid, alzo dat de dingen die men ziet, niet geworden zijn uit dingen die gezien worden.’ Dat mogen we nooit uit het oog verliezen.

Het boek van ir. Bart van den Dikkenberg is te bestellen via de webshop van ‘De Banier’ (link).

Voetnoten

Hoe (vroege) buideldieren uit het Midden-Oosten ons bezig blijven houden – Een reactie op Willem Jan Blom

Enkele maanden geleden (april 2020) was er tussen de auteur en diverse sceptici en critici een discussie over de vraag ‘Zijn er fossiele (vroege) buideldieren gevonden in het Midden-Oosten?’. Deze discussie werd gevoerd naar aanleiding van commentaar van een scepticus op het artikel van Jan Rein de Wit in Weet-Magazine.1 De scepticus stelde dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. De auteur van het artikel stelde dat dit wél het geval was. Student aardwetenschappen en filosofie Willem Jan Blom reageerde op het eerste artikel van de auteur.2 Daarna is het van onze kant stil gebleven. We willen deze stilte verbreken door een reactie te geven op de repliek van Willem Jan Blom.3

Een probleem

In mijn artikelen heb ik aangegeven dat de biogeografie van de buideldieren een probleem is voor creationisten. Het gaat niet zozeer om de buideldieren in het algemeen, maar de Australische buideldieren (Australidelphia) een groep binnen de Metatheria. Dat geldt zowel voor de paleontologische4 als voor de genetische5 gegevens. De huidige creationistische oplossingen voor de biogeografische verspreiding van de buideldieren variëren van een ‘God did it’-antwoord tot een ‘de buideldieren hebben de zondvloed overleefd buiten de ark’-antwoord. Deze antwoorden zijn niet overtuigend. Het ene uiterste is natuurwetenschappelijk niet overtuigend, het andere uiterste is theologisch niet overtuigend. Het probleem blijft staan ongeacht of er nu wel of geen buideldierachtigen in het Midden-Oosten gevonden zijn. De Australidelphia lijken een monofyletische oorsprong te hebben en het, in ieder geval tot 2008, oudste fossiel van de Australidelphia, de Djarthia, wordt gevonden in het Eoceen van Australië (Queensland).6 Op de ICC presenteerde bioloog Todd C. Wood samen met een studente, Thompson, een uitgebreide baraminologische studie naar Tertiaire zoogdieren.7 Bioloog Chad Arment heeft dit jaar in Answers Research Journal een baraminologische studie gepubliceerd over de buideldieren. Maar er moet nog veel meer werk verzet worden. De Anatolische buideldierachtigen worden in deze studies helaas niet eens genoemd. Zoals we in het tweede artikel aangaven blijft het interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn. Het fossielenarchief van het Midden-Oosten is echter zeer gebrekkig en kent veel gaten, voorlopig zit dát er daarom niet in. De intentie van de auteur was ook niet om het buideldierenprobleem op te lossen, maar de stelling aan te vechten dat er géén buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. Daarnaast stellen sommige creationisten de vraag óf we wel in het Midden-Oosten moeten zoeken voor het begin van de buideldierenverspreiding.

De vondsten

In het openingsartikel en mijn eerste reactie richting de sceptici noem ik vier vondsten van mogelijke buideldieren in het Midden-Oosten. Namelijk de Galatiadelphys minor (Herpetotheriidae), Orhaniyeia nauta (Anatoliadelphyidae), Anatoliadelphys maasae (Anatoliadelphyidae), Peratherium indet. (Didelphidae8) en een kaakfragment met twee molaren van een Marsupialia. Waar ik van vroege buideldieren sprak (Marsupialia) had ik beter van buideldierachtigen (Marsupialiformes) kunnen spreken. Had wel in de titel ‘vroege’ buideldieren geschreven om verwarring met de (moderne) Australische buideldieren (Australidelphia) te voorkomen, maar had deze woordkeuze zorgvuldiger moeten kiezen.

Blom haalt een bron aan waaruit blijkt dat de Herpetotheriidae stem groep is maar een sister groep van de Marsupialia. Het lijkt erop dat de naturalisten hier een consensus9 hebben bereikt. We kunnen dus bij de Herpetotheriidae wel spreken over buideldierachtigen (Marsupialiformes) zijn, maar niet over buideldieren (Marsupialia). Omdat creationisten geen baraminologische studies naar deze buideldierachtigen gedaan hebben, kan ik daar momenteel vanuit creationistisch perspectief geen weerwoord op formuleren. Het zou dus kunnen dat de Herpetotheriidae en de Didelphimorphia één holobaramin vormen, maar dit zou ook niet zo kunnen zijn. Een toekomstige baraminologische studie naar deze groepen zal mogelijk voor creationisten uitkomst bieden. Er is nog wel discussie over de plaats van de Herpetotheriidae in de clade Metatheria. Een andere, zeer recente, studie geeft aan dat deze Herpetotheriidae niet tot de groep Didelphimorphia behoorden maar een aparte groep vormden.10 Als dat de uitkomst is van het onderzoek dan heb ik daar geen problemen mee. Het zou overigens kunnen dat, als wij vandaag de dag individuen van deze groep zouden tegenkomen, we ze gewoon buideldieren zouden noemen. Toch kunnen we in deze discussie beter voorzichtiger formuleren en noemen we soorten die tot de Herpetotheriidae behoren daarom buideldierachtigen en geen buideldieren.

Wat we hierboven stelden over de Galatiadelphys minor is ook van toepassing voor de Peratherium indet., een fossiel uit Egypte. In 1984 werd dit soort nog gerekend tot de Didelphidae, daarom had de auteur deze vondst ook een buideldier genoemd.11 Vanuit de twee bovengenoemde artikelen wordt duidelijk dat de Peratherium ingedeeld is bij de Herpetotheriidae en moeten we spreken van een buideldierachtige. Over de twee kaakfragmenten is veel discussie en terecht noemt Blom deze fragmenten daarom dubieus.12

Anatoliadelphyidae

Op de, voor de auteur, belangrijkste vondsten, de Orhaniyeia nauta en de Anatoliadelphys maasae, gaat Blom nauwelijks in. Blom zegt wel en dat terecht dat de oorspronkelijke artikelen deze beesten stem marsupials noemen en dat de auteur daarom beter van buideldierachtigen had kunnen spreken. Hij gaat echter niet in op vervolgstudies rond deze soorten, die zowel de Orhaniyeia als de Anatoliadelphys scharen onder de buideldieren (Marsupialia) en lijkt vooral gefocust te zijn op de Herpetotheriidae.

Een artikel uit 2019 geeft het volgende aan rond deze soorten13:

The phylogenetic affinities of the Uzunçarsidere metatherians are not well resolved. In the phylogenetic analysis accompanying its original description, Anatoliadelphys was identified as a non-marsupial marsupialiform (…) but a later analysis by Carneiro (2018) found it to be a member of Protodidelphidae (a group otherwise known only from South America), within the marsupial order Didelphimorphia. Métais et al. (2018), meanwhile, found both Anatoliadelphys and Orhaniyeia to be closely related to Paleogene bunodont taxa from South America and Australia, namely Chulpasia, Palangania, and Thylocotinga. The uncertainty regarding the affinities of Anatoliadelphys and Orhaniyeia likely reflect highl levels of dental homoplasy in dental features relating to a bunodont dentition (e.g., enlargement of stylar cusps B and D. reduction of molar crests), as discussed at length by Beck et al. (2008a).

Vreemd genoeg haalt Blom dit overzichtsartikel, waar het citaat uit komt, wel aan bij de Herpetotheriidae maar niet bij de bespreking van de Anatoliadelphyidae. Uiteraard is het laatste woord over deze twee soorten nog niet gezegd en we volgende discussie met belangstelling. Het is zeer goed mogelijk dat nieuwe(re) studies dit soort weer buiten de Marsupialia indelen. Wanneer we kijken naar de paper van Carneiro zien we de beschrijving van de vondst van een nieuw buideldier in Zuid-Amerika (Bergqvistherium primigenia). Carneiro schrijft over de relatie tussen dit buideldier en de Anatoliadelphys het volgende:

Following the results, Bergqvistherium is recovered as the sister taxon of Periprotodidelphis +Anatoliadelphys and Guggenheimia, Protodidelphys + Carolocoutoia, as an early-divergent lineage of the Protodidelphidae. (…) The inclusion of the Protodidelphidae among the Didelphimorphia was supported by the analysis of Ladevèze and Muizon (2010), Carneiro and Oliveira (2017a, b) and Carneiro (2018). The phylogenetic analysis support the sister relation between Periprotodidelphis and Anatoliadelphys, recovering a South American ancestral area for the lineage of the last taxon. This result differs from the one of Maga and Beck (2017), who proposed a North American ancestor area for Anatoliadelphys. This result can be considered as preliminary evidence supporting the hypothesis of the Atlantogea, as proposed by Ezcurra and Agnolin (2012).

Voor de plaats van de Anatoliadelphys binnen de Protodidelphidae zie figuur 5 van de bovengenoemde paper.14

De studie van Métais et al. (2018) geeft over de indeling het volgende aan:

Our phylogenetic analyses reconstruct Orhaniyeia and Anatoliadelphys as sister taxa that are closely related to South American and Australian bunodont polydolopimorphian metatherians such as Palangania, Chulpasia and Thylacotinga.

Wanneer we figuur 5 en 6 van de studie van Métais et al. (2018)15 bestuderen, zien we dat de twee bovengenoemde vondsten het meest verwant worden gezien aan de Thylacotinga, Chupasia en de Palangania. Dit is ook te lezen in het citaat hierboven. De paper van Métais et al. verwijst niet naar de paper van Carneiro, dus lijkt onafhankelijk van Carneiro tot min of meer dezelfde indeling te komen.

We hopen dat er in de toekomst meer Anatolische buideldierachtigen gevonden worden. Mogelijk komt er ook nog een reactie op deze indeling van Maga16, hij promoveerde op zijn vondst van de Anatoliadelphys.17 De meest recente indelingen delen daarmee zowel Anatoliadelphys als Orhaniyeia in bij de Marsupialia. Carneiro bij de Protodidelphidae en Métais et al. tekent ze in bij de Paucituberculata. Zowel de grootte als de indeling maken deze buideldierachtigen extra interessant voor de stelling wél of geen buideldieren in het Midden-Oosten en de implicaties daarvan.

Volgens Blom zijn er geen ‘andere gerapporteerde locaties zijn waar Metatheria – laat staan Marsupialia – zijn gevonden’ in het Midden Oosten. Dit klopt niet. In Oman is een melktand gevonden van het genus Qatranitherium18, volgens Hooker et al. (2008) synoniem voor Peratherium. Dezelfde Hooker et al. maken melding van nieuwe vondsten van de Peratherium africanum en noemen Peratherium een ‘herpetotheriid marsupial’.19 In 1994 werden er in de Kartal Formation (Turkije) vier molaren (achterste kiezen) gevonden. De onderzoekers schreven de molaren toe aan een Herpetotheriinae, een buideldierachtige.20

Implicaties

Omdat het fossielenarchief van buideldierachtigen in het Midden-Oosten schaars is, is het niet mogelijk om de paleobiogeografische verspreiding uit te tekenen. Verder hebben creationisten nog nauwelijks iets zinnigs ingebracht over de paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren, of andere dieren, na de zondvloed. Dit is voor creationisten echt onontgonnen terrein. Onze onderstaande voorzetten moeten daarom als voorlopig en sterk hypothetisch worden aangemerkt. Te meer daar de auteur van mening is dat er nog geen paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen in te tekenen is. Omdat Willem Jan Blom het in zijn artikel beschrijft en de auteur niet als ‘laf’ of ‘wegvluchtend van het eigenlijke probleem’ wil worden aangemerkt hieronder een sterk hypothetische paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen, die hoogstwaarschijnlijk na meer studie en vondsten anders verlopen zal zijn dan wij, creationisten, momenteel denken. Blom is erg stellig hoe de verspreiding van de buideldierachtigen gegaan zou moeten zijn in de ogen van creationisten. Hij meent te weten waar de Ararat (en niet zoals in de Schrift gesteld wordt: de bergen van Ararat) gelegen heeft en trekt een lineaire lijn van deze locatie via Iran naar Australië. Dit is veel te kort door de bocht. Als we er al iets zinnigs over kúnnen zeggen, wat in mijn ogen door het beperkte aantal puzzelstukjes en onze beperkte kennis nauwelijks tot niet mogelijk is, dan is de verspreiding binnen de huidige creationistische modellen hoogstwaarschijnlijk niet zo gegaan. Daarnaast houdt Blom met deze lineaire lijn op geen enkele wijze rekening met de complexe geologie van het Midden-Oosten en met de theorie van plaattektoniek. Mijn inhoudelijke repliek en voorzichtige aanzetten tot een paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen volgt hieronder. Hierbij ga ik ervan uit dat de Australidelphia hetzelfde verspreidingspatroon heeft laten zien als de andere buideldierachtigen. Dat dit niet zo hoeft te zijn is evident, maar onwaarschijnlijk is deze gedachte niet. Helaas zijn er, in ieder geval tot 2008, nog geen Australidelphia buiten Australië gevonden. Het onderstaande is dus sterk hypothetisch, voorlopig en hoogstwaarschijnlijk is de verspreiding van de buideldierachtigen niet zo verlopen. Daarbij teken ik, met behulp van Paleobiology Database, die geen rekening houdt met de hierboven beschreven discussie en alle soorten gewoon onder Marsupialia schaart, een lijn van verspreiding.21 De auteur is daarnaast van mening dat het té vroeg is om te kiezen voor zondvloedmodel X of Y en hanteert zelf qua geologie een meer Cuveriaanse manier van denken.22 Namelijk dat er wél catastrofen aan te wijzen zijn, maar dat we (nog) niet kunnen komen tot een geologische allesomvattend zondvloedmodel. Daarvoor is onze kennis te beperkt, zijn de puzzelstukjes te weinig en worden de puzzelstukjes die er zijn vaak vanuit naturalistisch perspectief beschreven. Over de ligging van de bergen van Ararat is óók veel discussie onder creationisten. Sommigen neigen naar de huidige Ararat, anderen noemen, net als Willem Jan Blom, Mount Judi en weer anderen plaatsen de bergen van Ararat zelfs in Afrika. De auteur zelf heeft daar nog geen duidelijk standpunt over ingenomen. De lokalisering van de bergen van Ararat heeft invloed op de getekende verspreiding van diersoorten. We moeten, mogen en kunnen dus niet te stellig zijn over de getekende lijnen, vervolgonderzoek is absoluut noodzakelijk en zelfs zeer wenselijk.

Kangoeroes

Jan Rein de Wit geeft aan dat het wel mogelijk is dat kangoeroes wel in het Midden-Oosten geleefd hebben, maar niet gefossiliseerd zijn. Blom stelt terecht dat verwanten van buideldieren wel gefossiliseerd zijn. Dit maakt het aannemelijk dat dit ook voor de buideldieren mogelijk zou moeten zijn. Ook stelt hij terecht dat de sedimenten van ná het Perm, volgens het zondvloedmodel dat Jan Rein de Wit hanteert, buideldieren moeten kunnen bevatten. Hij geeft ook de voorzichtige en voorlopige werkhypothese van de auteur weer dat ten minste de Kenozoïsche sedimenten van ná de zondvloed zijn en dat het dus binnen die werkhypothese mogelijk is dat de Kenozoïsche sedimenten in het Midden-Oosten fossiele kangoeroes kunnen bevatten. Willem Jan Blom trekt daaruit een conclusie die niet volgt uit het antwoord van De Wit noch uit de (on)mogelijkheid van het fossiliseren van de buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Jan Rein de Wit heeft namelijk niet gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd kunnen zijn, maar dat ze kennelijk niet gefossiliseerd zijn. Dat is waar, omdat er (nog) geen fossiele kangoeroes buiten Australië gevonden zijn. De Wit heeft daarnaast niet alleen gezegd dat kangoeroes niet gefossiliseerd zijn, maar ook een tweede optie gegeven, namelijk dat de fossielen van kangoeroes in het Midden-Oosten mogelijk nog niet gevonden zijn. Voorlopig kunnen creationisten prima uitgaan van de tweede optie. Een snelle zoektocht door Paleobiology Database laat zien dat niet alleen fossielen van de clade Metatheria schaars zijn, maar dat fossielen uit de klasse Mammalia in het algemeen erg schaars zijn in het Midden-Oosten. Paleobiology Database geeft slechts één locatie met zoogdierachtigen uit het Jura (Turkije), enkele locaties uit het Krijt (Turkije, Jordanië, Egypte en Irak), geen enkele locatie in het Paleoceen, enkele locaties uit het Eoceen (Egypte, Turkije en Jordanië) en heel weinig locaties uit het Oligoceen (Egypte, Saoedi-Arabië en Oman). Vergeleken met bijvoorbeeld Europa, Noord-Amerika en China is het droevig gesteld met de zoogdierachtigen in het Midden-Oosten. In zijn zoektocht naar het aantal baramins die aan boord waren van de ark, geeft de paleontoloog dr. Kurt Wise aan dat de incompleetheid van het fossielenarchief één van de redenen is om voorzichtig te zijn stellige claims te maken over het aantal baramins in de ark en dus ook voor de paleobiogeografische verspreiding van de diersoorten ná de zondvloed.23 Het kan uiteraard ook zijn dat kangoeroes gewoon niet gefossiliseerd zijn, terwijl andere buideldierachtigen wel gefossiliseerd zijn. Alle gefossiliseerde beesten staan niet in verhouding tot alle dieren die ooit geleefd hebben. We moeten dus voorzichtig zijn om stellige conclusies te trekken uit wat we wél en wat we daarmee dus ook niet aan fossielen hebben. De recente vondsten die wijzen op de aanwezigheid van grotere buideldierachtigen, die op grond van de meest recente studies zelfs gerekend worden tot de buideldieren, geven wel hoop voor de toekomst.

Baramins

Blom reageert dat de gevonden soorten geen oplossing zijn voor de Australische buideldieren (Australidelphia). DIt is juist, zoals de auteur ook in het begin van dit artikel heeft aangegeven. De gevonden buideldierachtigen zijn wel reden om optimistisch te blijven en verder te zoeken. Er is geen enkele studie gedaan door creationisten hoe deze vondsten uit het Midden-Oosten creationistisch ingedeeld moeten worden. De baraminologisches studie van Arment en die van Thompson en Wood nemen ze niet eens mee. Verder staat de creationistische indeling van buideldieren in het algemeen nog in de kinderschoenen. Daarom kunnen we daarover niet zoveel zinnigs zeggen. We hopen dat onze medecreationisten zich hier in de (nabije) toekomst over zullen buigen.

Lineaire verspreiding

Willem Jan Blom stelt een lineaire verspreiding van de buideldierachtigen voor, vanaf zijn keuze voor de (bergen van) Ararat richting Australië. Dit is te kort door de bocht. Het doet geen recht aan de huidige vondsten van buideldierachtigen wereldwijd, geen recht aan de complexe geologie van het Midden-Oosten én geen recht aan de theorie van de plaattektoniek. Verder is een verspreiding van diersoorten nooit lineair, maar vormt het eerder een olievlekkenpatroon. Wanneer je rekening houdt met deze hierboven genoemde bezwaren, behalve die van de complexe geologie van het Midden-Oosten, dan is er mogelijk een voorzichtig patroon te tekenen. Omdat de vondsten schaars zijn en het creationistische onderzoek naar de bestaande vondsten minimaal is, kunnen en mogen we daar niet té stellig over zijn.

Hoogstwaarschijnlijk zal dit patroon in de toekomst anders worden doordat, wanneer er meer buideldierachtigen gevonden worden, er andere patronen ontstaan. Als route 1 (oranje) klopt dan zullen er in de toekomst (nog) meer buideldierachtigen gevonden worden in Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika én Antarctica. Als route 2 (groen) klopt dan zullen er meer buideldierachtigen gevonden worden in de voormalige Sovjetunie, China en het Indonesische archipel. Daarvoor zal echter nog veel werk verricht moeten worden, want momenteel zijn fossielen van buideldierachtigen op die locaties nogal schaars. Rekening houdend met de standaard theorie van de plaattektoniek, liggen de continenten in het Jura (dan worden de eerste buideldierachtigen gevonden) dicht genoeg elkaar voor route 1. Dat geldt ook voor het Krijt. In het Paleogeen liggen Antarctica en Australië nog redelijk dicht bij elkaar, maar daarna wordt de afstand groter. Wanneer gekozen wordt voor het K/Pg-zondvloedmodel moet de verspreiding van de buideldieren vrij snel zijn gegaan. Na een warme periode van het Paleoceen en het Eoceen begint vanaf het Oligoceen de ijskapopbouw van Antarctica. Het wordt dan kouder (mogelijk zelfs té koud) voor verspreiding van buideldieren. Nog een reden is dat gedurende het Oligoceen Antarctica zich losmaakt van Zuid-Amerika en langzaam de huidige plaats opzoekt. In het Laat-Eoceen/Vroeg-Oligoceen breekt ook Australië los van Antarctica. Deze afsplitsingen zorgen ervoor dat Antarctica thermisch geïsoleerd raakt, de bekende Antarctic Circumpolar Current ontstaat en er sinds het Oligoceen ijskapopbouw plaatsvindt. Vanaf het Mioceen wordt de afstand tussen Antarctica en Australië te groot om die nog fatsoenlijk te kunnen overbruggen en wordt de optie over route 2 veel waarschijnlijker. Daarnaast liggen er dan (een begin van een) ijskap op Antarctica en is dit continent te koud voor buideldierachtigen. Voor zondvloedmodellen die de zondvloedgrens boven het Mioceen leggen is slechts één optie aannemelijk, namelijk (een variant op) route 2. Route 1 lijkt meer in overeenstemming te zijn met de huidige paleontologische data. Wanneer we voor route 1 kiezen dan moet de verspreiding van de buideldieren in het geval van het K/Pg-zondvloedmodel in het Paleoceen en het Eoceen hebben plaatsgevonden24, of in het geval van het rekolonisatiemodel in het Perm tot en met het Eoceen. Willen we dit bevestigd zien moeten we naar de Antarctische aardlagen van het Perm, Trias, Jura, Krijt, Paleoceen en het Eoceen25, dat zal voor het grootste gedeelte van Antarctica niet meevallen voor de onderzoekers.

Conclusie

Willem Jan Blom heeft, met behulp van literatuur overtuigend aangetoond dat sommige, door de auteur genoemde, buideldierachtigen niet tot de Marsupialia behoren, maar geschaard moeten worden onder de zustergroep Herpetotheriidae. Blom heeft nauwelijks gereageerd op de Anatolische buideldierachtigen (Anatoliadelphyidae) en geen rekening gehouden met de nieuwste literatuur rond indeling van deze soorten. Dat is een gemis, want deze buideldierachtigen waren voor de auteur de belangrijkste vondsten van buideldierachtigen in het Midden-Oosten. Blom heeft geen rekening gehouden met de zin van Jan Rein de Wit, dat kangoeroes ‘gewoon nog niet gevonden zijn’. Dit is een redelijke optie omdat veel sedimentair gesteente in het Midden-Oosten nog niet ontgonnen is. Creationisten hebben zich helaas nauwelijks met de geologie van het Midden-Oosten beziggehouden. Blom schetst een té eenvoudig beeld van de mogelijke verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten en houdt geen rekening met de geologie en paleontologie in het algemeen en de theorie van plaattektoniek in het bijzonder. We kunnen in het geval van Blom daarom niet spreken van een paleobiogeografische verspreiding van de buideldieren. De verspreiding van de buideldierachtigen is niet lineair verlopen maar als een olievlek. Er zijn binnen de creationistische modellen twee opties: (1) via Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Antarctica naar Australië, of (2) via Europa, Azië, Zuidoost Azië naar Australië. Ziende op de paleontologische gegevens lijkt de eerste optie de voorkeur te hebben. De toekomst zal leren welk zondvloedmodel het beste past bij de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen. Wanneer alle Mesozoïsche buideldieren niet tot de Marsupialia behoren dan is een keuze voor een K/Pg-zondvloedmodel als kader voor de een verspreiding van buideldierachtigen vanuit het Midden-Oosten mogelijk. Dit strijdt overigens ook niet met een rekolonisatiemodel. Wanneer de Noord-Amerikaanse Mesozoïsche buideldierachtigen de vooroudersoorten zijn van de Paleogene buideldierachtigen, dan ligt ziende op de paleobiogeografische verspreiding van deze buideldierachtigen een keuze voor het rekolonisatiemodel voor de hand. Je zou daarop ziende de bergen van Ararat dan haast in Noord-Amerika plaatsen. In ieder geval lijken de Mesozoïsche en Paleogene locaties in Noord-Amerika, Europa en Azië, maar ook die van Zuid-Amerika en Antarctica, een grote rol te spelen bij het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe de paleobiogeografische verspreiding van de buideldierachtigen is verlopen. De komende maanden zal de auteur een verdere zoektocht naar antwoorden op deze vragen laten rusten, er zijn andere zaken die de aandacht vragen zoals de voorbereidingen voor de geologiereis naar Hongarije.26 In het voorjaar van 202127, bij leven en welzijn, publiceren we een neutraal en beschrijvend overzicht van de gevonden fossielen van de clade Metatheria in het Midden Oosten. Mogelijk zijn er dan weer nieuwe vondsten bekend. Wanneer er in tussentijd nieuwe inhoudelijke reacties gegeven zijn op dit artikel zullen die op zijn vroegst ook in het voorjaar besproken en zonnodig weersproken worden.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • Beck, R.M.D., Godthelp, H., Weisbecker, V., Archer, M., Hand, S.J., 2008, Australia’s Oldest Marsupial Fossils and their Biogeographical Implications, PLoS One 3 (3): 1-8.
  • Carneiro, L.M., 2018, A new protodidelhid (Mammalia, Marsupialia, Didelphimorphia) from the Itaborai Basin and its implications for the evolution of the Protodidelphidae, Anais da Academia Brasileira de Ciências 91 (2): 1-13.
  • Eldridge, M.D.B., Beck, R.M.D., Croft, D.A., Travouillon, K.J., Fox, B.J., 2019, An emerging consensus in the evolution, phylogeny, and systematics of marsupials and their fossil relatives (Metatheria), Journal of Mammology 100 (3): 802-837.
  • Gelfo, J.N., Mors, T., Lorente, M., Lopez, G.M., Reguero, M., 2015, The oldest mammals from Antarctica, early Eocene of the La Meseta Formation, Seymour Island, Palaeontology 58 (1): 101-110.
  • Godthelp, H., Wroe, S., Archer, M., 1999, A New Marsupial from the Early Eocene Tingamarra Local Fauna of Morgon, Southeastern Queensland: A Prototypical Australian Marsupial?, Journal of Mammalian Evolution 6 (3): 289-313.
  • Goin, F.J., Case, J.A., Woodburne, M.O., Vizcaíno, S.F., Reguero, M.A., 1999, New Discoveries of “Opposum-Like” Marsupials from Antarctica (Seymour Island, Medial Eocene), Journal of Mammalian Evolution 6 (4): 35-365.
  • Hooker, J.J., Sánchez-Villagra, M.R., Goin, F.J., Simons, E.L., Attia, Y., Seiffert, E.R., 2008, The origin of Afro-Arabian ‘Didelphimorph’ marsupials, Palaeontology 51 (3): 635-648.
  • Kappelman, J., Maas, M.C., Sen, S., Alpagut, B., Fortelius, M., Lunkka, J.P., 1996, A new early Tertiary mammalian fauna from Turkey and its paleobiogeographic significance, Journal of Vertebrate Paleontology 16 (3): 592-595.
  • Ladevèze, S., Selva, C., Muizon, C. de., 2020, What are “opossum-like” fossils? The phylogeny of herpetotheriid and peradecid metatherians, based on new features from the petrosal anatomy, Journal of Systematic Palaeontology 18 (17): 1463-1479.
  • Maga, A.M., 2008, Systematic Paleontological Investigation of the Metatherian Fauna from the Paleogene Uzunçarsidere Formation, Central Turkey, dissertation presented to the Faculty of the Graduate School of the University of Texas at Austin.
  • Maga, A.M., Beck, R.M.D., 2017, Skeleton of an unusual cat-sized marsupial relative (Metatheria: Marsupialiformes) from the middle Eocene (Lutetian: 44-43 million years ago) of Turkey, PLoS One 12 (8): 1-74.
  • Métais, G., Coster, P.M., Kappelman, J.R., Licht, A., Ocakoglu, F., Taylor, M.H., Beard, C., 2018, Eocene metatherians from Anatolia illuminate the assembly of an island fauna during Deep Time, PLoS One 13 (11): 1-20.
  • Nilsson, M.A., Churakov, G., Sommer, M., Tran, N.V., Zemann, A., Brosius, J., Schmitz, J., 2010, Tracking Marsupial Evolution Using Archaic Genomic Retroposon Insertions, Plos Biology 8 (7): 1-9.
  • Sánchez-Villagra, M.R., Seiffert, E.R., Martin, T., Simons, E.L., Gunnell, G.F., 2007, Enigmatic new mammals from the late Eocene of Egypt, Paläontologische Zeitschrift 81 (4): 406-415.
  • Simons, E.L., Brown, T.M., 1984, A new species of Peratherium (Didelphidae; Polyprotodonta): the first African marsupial, Journal of Mammology 65 (4): 539-548.
  • Thomas, H., Roger, J., Sen, S., Bourdillon-De Grissac, C., Al-Sulaimani, Z., 1989, Découverte de vertébrés fossiles dans l’Oligocène inférieur du Dhofar (Sultanat D’Oman), Geobios 22 (1): 101-120.
  • Thompson, C., Wood, T.C., 2018, A survey of Cenozoic mammal baramins, in: Whitmore, J.H., (Ed.), Proceedings of the Eighth International Conference on Creationism (Pittsburgh: Creation Science Fellowship), blz. 217-221.
  • Wise, K.P., 2009, Mammal Kinds: How Many Were on the Ark?, in: Wood, T.C., Garner, P.A., (Eds.), Genesis Kinds: Creationism and the Origin of Species (Eugene: Wipf & Stock).
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Voetnoten

Fossiele buideldieren uit het Midden-Oosten en de reacties daarop

Gisteren (14 april 2020) schreef ik een artikel over de (vroege) buideldieren in het Midden-Oosten.1 Daar heb ik wat commentaar op gekregen via de e-mail en op de Facebookpagina van Logos Instituut. In het hierboven genoemde artikel reageerde ik op een stelling van een scepticus. In deze stelling gaf de scepticus aan dat er geen fossielen van buideldieren in het Midden-Oosten zijn gevonden. Deze stelling was op de Facebookpagina van Logos Instituut uitgeschreven als reactie op een artikel van de voormalig hoofdredacteur van Weet Magazine, Jan Rein de Wit2, die later ook op de website van Logos Instituut is verschenen.3 Hieronder wil ik kort recht doen aan de reacties, vooral aan die van de scepticus. Reacties die daarna op het onderwerp ‘buideldieren in het Midden-Oosten’ gegeven worden zal ik voorlopig parkeren.4

Iemand mailde mij dat de buideldieren een probleem of in ieder geval een uitdaging vormen voor jonge aarde creationisten. Het zou dan vooral, maar niet alleen, gaan om de Oceanische buideldieren. Daar ben ik het helemaal mee eens. Creationisten hebben vooralsnog geen goede oplossingen voor de evolutie en de migratie van deze buideldieren.5 Overigens wil dit niet zeggen dat creationisten het onderwerp uit de weg (zouden moeten) gaan, integendeel, vorige week verscheen er nog een uitgebreide paper in Answers Research Journal dat juist gaat over dit probleem.6 Een complete allesomvattende bespreking van de evolutie en de verspreiding van de buideldieren was echter niet het primaire doel van de beantwoording van de stelling van de scepticus. Het doel was om de stelling van de scepticus serieus te nemen en daar op te reageren. Over de evolutie en verspreiding van de buideldieren zouden we artikelen vol kunnen schrijven en ons hele leven daaraan kunnen wijden. Laten we het voor nu houden bij het artikel over ‘(vroege) buideldieren in het Midden-Oosten’. Het is goed om in het onderstaande de reacties na te lopen. Daarin zien we dat zowel de sceptici als de medestanders het met de conclusie van het artikel eens zijn: er worden fossiele buideldieren gevonden in het Midden-Oosten. Daarmee is het doel van het artikel bereikt, namelijk te laten zien dat er buideldieren gevonden worden in het Midden-Oosten. De vervolgvraag van de scepticus blijft interessant en dient nader onderzocht en uitgewerkt te worden: “Er waren blijkbaar ooit buideldieren in het Midden-Oosten, wat betekent dit dan voor het creationisme?” Hier dient een diepgravende studie naar gedaan te worden. Ik hoop dat creationisten deze handschoen oppakken.

Dankwoord

Vrij snel nadat het artikel gepubliceerd was verscheen er een reactie van de scepticus. Hij schreef:

Volgens mij gaat het om een van mijn reacties. Bedankt om het uit te zoeken, blijkbaar had ik het mis. Ik ben het eens met de conclusie van dit artikel: “Het is zeker interessant om uit te zoeken waar en wanneer er buideldieren geleefd hebben in het Midden-Oosten en welke migratiepatronen er te ontdekken zijn.

Het siert de scepticus dat hij aangeeft hier een vergissing te hebben gemaakt. Er zijn wel degelijk fossiele buideldieren in het Midden-Oosten gevonden. Volgens een andere scepticus kan deze scepticus geen erratum plaatsen en zo zouden de lezers van de website van Logos Instituut geen weet hebben van de hierboven gequoteerde tekst. Dit is nu weerlegd door deze publicatie.

Quote

De scepticus meende dat de door mij in het vorige artikel geciteerde reactie slechts een klein deel van de hele reactie was. Hieronder citeer ik de complete reactie:

“Het grappige is natuurlijk dat fossielen van buideldieren overal gevonden zijn (Europa, Noord-Amerika, Zuid-Amerika, Australië en zelfs Antarctica) behalve in het Midden-Oosten! Maar dat “vergeet” Logos weer te vermelden…

De evolutie van buideldieren is trouwens goed gekend.
https://en.wikipedia.org/wiki/Marsupial#Evolutionary_history.”

Volgens de scepticus zou zijn ”opmerking over fossiele buideldieren (…) slechts een detail” zijn “in een langere reactie.” Dit is niet het geval. In mijn artikel heb ik op het bovenste gedeelte van de reactie van de scepticus gereageerd. Dat had een reden: het gaat in het onderste gedeelte van de reactie om een ander onderwerp. Het gaat in dit onderdeel niet meer over de verspreiding van de buideldieren, maar over de evolutionaire geschiedenis van deze beesten. Dat is de reden dat ik het niet meegenomen heb in mijn artikel. De bedoeling van deze ‘rubriek’ ‘Antwoorden voor welwillende sceptici, critici en waarheidszoekers’ is om één argument, stelling of vraag per (sub)onderwerp te bespreken. De quote in het vorige artikel is niet slechts een detail uit veel langere reactie. Het is één van de twee stellingen in een korte reactie.

Ongelijk aantonen en karaktermoord plegen

De scepticus geeft in een vervolgstelling het volgende aan: “Het lijkt alsof jullie gewoon het ongelijk van de scepticus (ik dus) willen aantonen.” Mijn primaire doel was niet om het ongelijk van de scepticus aan te tonen, maar om de stelling van de scepticus serieus te nemen, deze te onderzoeken en daarop te reageren met contra-data. Daarnaast geeft de scepticus aan dat ik met dit artikel “vooral geïnteresseerd ben in het punten scoren bij de achterban in plaats van een constructieve discussie [te] houden.” Dit is niet het geval, in deze rubriek wil ik zoals hierboven gezegd, samen met anderen, de argumenten van sceptici, critici en waarheidszoekers serieus nemen, daarop herkauwen en daar mijn mening over geven. De scepticus gaat verder: “Als het alleen om de discussie ging, dan had hij op mijn originele opmerking kunnen reageren. Een heel artikel schrijven over een detail is wat te veel.” Hierboven heb ik de complete tekst geciteerd en aangegeven waarom ik de tekst in tweeën heb gedeeld. De eerste gaat over de verspreiding van de (fossiele) buideldieren over de wereld. De tweede gaat over de evolutie van de buideldieren. Dat zijn twee verschillende onderwerpen. Waar het mij primair om te doen is dat is hierboven te lezen. Secundair is het zo dat wij het argument van ‘geen fossiele buideldieren in het Midden-Oosten’ vaker voorgeschoteld krijgen. Dat is door het schrijven van deze publicatie van de baan.

Een andere scepticus gaat er met gestrekt been in. Mijn doel zou volgens hem zijn om een karaktermoord te plegen. Mijn truc zou daarbij zijn dat ik een fout compleet uit zou melken ten overstaan van de achterban. Ik zou daarnaast “gluiperig” gereageerd hebben. Deze verdachtmakingen zijn zoals ik hierboven heb aangegeven niet correct, ze vallen daarnaast onder de categorie drogredenen (ad hominem). Mijn doel met het artikel was niet om een karaktermoord te plegen, anders zou ik de scepticus met naam en toenaam aan de schandpaal genageld hebben. In alle eerlijkheid is zelfs het tegendeel waar, al heeft de scepticus een andere mening dan ik, ik ken hem al langer dan vandaag en zie hem als een sympathiek persoon en geniet veelal van zijn bijdragen aan het wetenschappelijk debat. Maar al zou de persoon in kwestie niet sympathiek zijn dan nog mag en wil ik hem niet aan de schandpaal nagelen en karaktermoord plegen (Lukas 6: 27-287). Omdat Facebook in onze ogen een niet-publiek medium is, noemen we geen namen. Dat heeft voordelen. We kunnen ons dan meer focussen op het argument, de stelling of de vraag. Ook de scepticus die de oorspronkelijke stelling schreef wijst de verdachtmaking van de andere scepticus van de hand. Helaas gaat ook een medestander van ons mee in verdachtmakingen van de opponent. De besproken stelling zou één “van die domme vragen van evolutionisten” zijn. Domme vragen bestaan niet en we dienen onze vermeende tegenstanders met respect te behandelen en serieus te nemen.8

Wikipedia

Nog weer een andere scepticus geeft aan dat “het wikipedia [sic] verhaal over de evolutionaire geschiedenis van de buideldieren (…) het midden-oosten [sic] niet” vermeld. De reden is volgens deze scepticus “waarschijnlijk omdat de meeste soorten elders gevonden zijn: het lijstje wat ‘een scepticus’ gaf.” En verder: “Dat wikipedia [sic] het midden-oosten [sic] niet noemde betekent inderdaad niet automatisch dat er niet ook een paar in het midden-oosten [sic] gevonden zijn – inderdaad wel dus – maar ze vonden dat niet belangrijk genoeg, blijkbaar, gezien de veel grotere aantallen elders.

Het is mooi dat deze scepticus met mij instemt dat er fossiele buideldieren gevonden zijn in het Midden-Oosten. Deze scepticus probeert het voor de vrije encyclopedie Wikipedia op te nemen. Dat er elders veel grotere aantallen gevonden zijn, kan echter nooit een reden zijn om deze fossiele buideldieren niet in een lijstje van buideldieren over de hele wereld op te nemen. Het lijkt mij dat een lijstje van buideldieren minimaal alle gebieden moet bevatten waar buideldieren worden gevonden. Overigens, Wikipedia maakt elders wel melding van de in Turkije gevonden soorten die ik kort noemde in het vorige artikel.9 De ene auteur op Wikipedia weet dus van het bestaan van deze fossielen, terwijl de andere auteur dat wellicht niet weet of het vergeten is op te nemen. Verder is mijn advies om altijd de Wikipedia-informatie te checken voordat deze ‘in stelling’ wordt gebracht. Dat is in dit geval kennelijk niet gebeurd. Wanneer Wikipedia op haar pagina geen melding maakt van de in het Midden-Oosten gevonden fossielen gaat deze vrije encyclopedie net zo de mist in als de in het vorige artikel besproken stelling.

Conclusie

Er is veel geschreven hierboven. Het was mij niet te doen om ‘punten te scoren’ of een ‘karaktermoord te plegen’. Ik heb slechts enkele argumenten tegen een stelling ingebracht. Inhoudelijk zijn de sceptici het daarmee eens: er zijn wel degelijk fossiele buideldieren gevonden in het Midden-Oosten. Dat was het punt, niets meer en niets minder.

Literatuur

  • Arment, C., 2020, To the Ark, and Back Again? Using the Marsupial Fossil Record to Investigate the Post-Flood Boundary, Answers Research Journal 13: 1-22.
  • De Bijbel, Lukas.
  • Wit, J.R. de, 2017, Hoe overleefden kangoeroes de zondvloed?, Weet 47: 48.

Zie voor hier het oorspronkelijke artikel waar op gereageerd werd.

Voetnoten

Gereformeerde belijdenis heeft ook een hermeneutiek

Dit artikel is samen geschreven met Johan Mouthaan (MA) en Jonard Roukens (MA).

De moderniteit grijpt op allerlei manieren om zich heen, in land, samenleving en kerk. Christenen worden in deze tijd geconfronteerd met tal van vragen. Mag je als christen in transitie gaan? Hoe om te gaan met een zoon of dochter die andersgeaard is? Zijn Bijbel en evolutietheorie met elkaar te verenigen? Mogen vrouwen ook in de ambten dienen?

Geeft de Bijbel antwoord op zulke vragen? En kunnen wij deze antwoorden ontdekken? Of hebben wij per definitie te maken met een culturele leesbril, die ook nog eens beslagen is vanwege de zondeval? Deze diepe en intense vragen raken aan het belijden van de kerk. De gereformeerde belijdenisgeschriften reiken ons geen alternatieve bril aan, maar laten het Woord aan het woord. In deze bijdrage willen we aandacht vragen voor de hermeneutiek van de gereformeerde belijdenisgeschriften.

Seksuele ethiek

De seksuele revolutie heeft allerlei seksuele activiteiten tot moreel neutraal gebied gemaakt. De invloed daarvan op onze cultuur is enorm. Toch biedt de belijdenis hier een helder geluid. De Heidelbergse Catechismus zegt: „Dat alle onkuisheid van God vervloekt is” (HC 41/108). Wat moet er onder onkuisheid worden verstaan? De catechismus wijst naar Leviticus 18:27-28. Daarmee geeft de belijdenis blijk van een hermeneutiek die haaks staat op de nieuwe hermeneutiek die homoseksualiteit als legitiem bevestigt.

Wijst de gereformeerde belijdenis ook de weg rond de genderideologie? De genderideologie is onlosmakelijk verbonden met autonome zelfidentificatie. Juist dat wordt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB) afgewezen, als beleden wordt: „Alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelf” (NGB 7). Weliswaar staan deze uitspraken in het kader van de relatie met God, maar de belijdenis staat niet toe om het morele aspect daarvan te scheiden. Er is sprake van lichaam en ziel (HC 1/1). Ook in de Dordtse Leerregels (DL) wordt Gods kennen centraal gesteld en de mens met zijn voelen en willen als verdorven zondaar op z’n plek gezet. Het is confessioneel ongerijmd om Gods soevereine genade te belijden en intussen mensen te bevestigen in hun zelfidentificatie.

Culturele kennis

De kwestie is echter breder. De laatste decennia is er een breed cultureel gevoelen ontstaan over allerlei vraagstukken, variërend van slavernij tot klimaatcrisis en van gendervraagstukken tot evolutietheorie. Dit culturele gevoelen functioneert in onze maatschappij vaak als culturele kennis: zo zijn de feiten, we kunnen er niet omheen. Wie hierin niet meegaat, staat aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Ook christenen zwichten hiervoor. Dit verklaart de behoefte aan nieuwe antwoorden en nieuwe wegen. De belijdenis biedt echter een heel ander perspectief. Als mensen van nature leugenachtig zijn, dan is het uitkijken geblazen met die culturele kennis. Daarom wijst de NGB op de Schrift, „waar niets tegen valt te zeggen” (NGB 4) en „die de wil van God volkomenlijk vervat” (NGB 7). Soms wordt bijvoorbeeld gezegd dat de Bijbel het idee seksuele oriëntatie nog niet kent. De boodschap van Romeinen 1 zou daarom niet zomaar doorgetrokken kunnen worden naar het heden. Voorstanders van dit argument lijken zich echter niet te realiseren hoe confessioneel ingrijpend dit argument is. Dit zou impliceren dat de Bijbel de wil van God ten aanzien van het mens-zijn niet volkomen bevat.

De NGB maakt duidelijk dat men niets gelijk mag stellen aan het gezag van de Schrift (NGB 7). De hermeneutische implicaties hiervan voor de omgang met culturele kennis zijn veelomvattend. De scheppingsorde om missionaire (lees: culturele) redenen herinterpreteren ten gunste van de vrouw in het ambt, valt zeker niet binnen de hermeneutische kaders van de belijdenis.

Bewogenheid

De gereformeerde belijdenis geeft ook een solide onderbouwing van bewogenheid. De pastorale nood op het vlak van moderne vragen is groot en er is behoefte aan herderlijke bewogenheid. De kerk die haar belijdenis volgt, zal daarbij waarlijk inclusief zijn in de zin van DL 2.5.

Onze cultuur is overgevoelig voor uitsluiting. Niemand wil graag ergens welbewust van uitgesloten worden. Toch sluit Gods Woord zowel mensen binnen als buiten (zie HC 31). Het arminianisme vervalt bij een dergelijke culturele gevoeligheid gemakkelijk in universalisme. Als het van mijn keuze afhangt of ik zalig word, loop ik het gevaar op ongelovigen neer te kijken. Immers, ik doe het beter. Wil ik bewogen zijn met mijn medemens, dan zal ik vrijwel weerloos zijn tegen de verzoeking van het universalisme. Echter, de leer van soevereine genade biedt een grond voor een bewogenheid zonder gevaar van universalisme. Wie zelf door soevereine genade gegrepen is, verheft zich niet en ziet niet neer op andere zondaren, maar roemt alleen in de Heere (DL 3/4.10).

Er zou veel meer te zeggen zijn. Het doel van deze bijdrage is slechts om kerken van gereformeerd belijden op te roepen om de hermeneutiek van de belijdenis te gebruiken, juist in deze laatmoderne tijden. De confessie is daarbij niet slechts traditie die ons gegeven is, maar vormt het akkoord van de kerkelijke gemeenschap. Kleuren buiten de lijnen van de confessie is daarom breken met de gemeenschap.

Dit artikel is met toestemming van de auteurs overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Gurp, J. van, Mouthaan, J.N., Roukens, J.A., 2024, Gereformeerde belijdenis heeft ook een hermeneutiek, Reformatorisch Dagblad 54 (31): 20 (artikel).

Hemelvaart: een lichamelijk, zichtbaar en troostvol teken

De Heere dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel en is gezeten aan de rechterhand Gods.” (Markus 16:19, SV).

En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel.” (Lukas 24:51, SV).

En als Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.” (Handelingen 1:9, SV).

Welke ook zeiden: Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.” (Handelingen 1:11, SV).

Tegenwoordig wordt Hemelvaartsdag vooral gezien als een lang weekend vrij. Door sommigen wordt zelfs daar moeilijk over gedaan, ze hebben liever op een andere dag vrij. In ieder geval ontgaat de betekenis van deze dag, of er wordt totaal geen waarde gehecht aan (de troost van) dit heilsfeit. We moeten hier onderscheid maken tussen het teken (het wonder) en de betekenis. Het wonder is de in de werkelijkheid plaatsgevonden hemelvaart van Christus. De betekenis is het doel van en de troost die ontvangen wordt uit de hemelvaart. Het teken is van zeer groot belang voor de christenheid, de betekenis van eeuwigdurend belang voor de christenen. In dit korte artikel letten we kort op deze twee zaken. Hemelvaart blijft voor mij een wonder (Hebreeën 11:3), verwacht dus geen uitgebreide natuurwetenschappelijke bewijsvoering. Dat laatste zou overigens ook onmogelijk zijn.

Het teken

Hoewel de Bijbel duidelijk is over het feit van de Hemelvaart, wordt dit tegenwoordig door velen in twijfel getrokken. Zelfs moderne theologen ontkennen het feit van Hemelvaart. In de Bijbel wordt de Hemelvaart van Christus geopenbaard als zichtbaar teken, een werkelijk plaatsgevonden heilsfeit. In Handelingen 1 vers 9 wordt geschreven: “(…) werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen.” De kanttekenaren bij de Statenvertaling schrijven hierbij: “Dat is, opgeheven lichamelijk en zichtbaarlijk van de aarde naar de hemel, (…)” (kanttekening 17). In Handelingen 1 vers 11 wordt geschreven: “(…) Gij Galilese mannen, wat staat gij en ziet op naar den hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.” De kanttekenaren bij de Statenvertaling schrijven hierbij: “Dat is, in zulker wijze, zichtbaarlijk en in een wolk (…).” (kanttekening 22). Dit heilsfeit was door de Heere Jezus zelf al aangekondigd in Johannes 14: “En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.” (Johannes 14:3, SV). Dit wordt naast Handelingen 1 ook bevestigd door Markus 16 en Lukas 24. In de Bijbel wordt de Hemelvaart van de Heere Jezus beschreven als werkelijke, lichamelijke en zichtbare gebeurtenis. De Heere Jezus was fysiek op aarde (Johannes 21:25), nu is Hij niet fysiek (maar wel naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest) op aarde (Handelingen 1:9), maar bij Zijn wederkomst is hij opnieuw fysiek op aarde (Handelingen 1:11). Dit wordt ook duidelijk in het eenvoudige antwoord op vraag 46 van de Heidelbergse Catechismus: “Dat Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt, om te oordelen de levenden en de doden.

De betekenis

Het zichtbare en lichamelijke van Hemelvaart is zoals we hierboven gezien hebben van zeer groot belang. De betekenende zaak (zoals diverse bevindelijk-gereformeerde predikanten dat wel eens noemen) van Hemelvaart is van eeuwigdurend belang. Wat is de betekenis en troost van dit heilsfeit? De betekenis wordt duidelijk beschreven door de opstellers van de Heidelbergse Catechismus, in antwoord 49. Zij schrijven: “Ten eerste dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is. Ten andere dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.” Dit antwoord sluit aan bij wat er geschreven staat in Johannes 14. Voor wat het slot van dit antwoord betreft: deze wereld gaat voorbij ‘en haar begeerlijkheid; maar die den wil van God doet, blijft in der eeuwigheid’. “Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.” (Kolossenzen 3:1-2, SV).

Slot

De Heere is waarlijk opgevaren! In dit ruimtevaarttijdperk wellicht natuurwetenschappelijk onmogelijk, maar toch zó gebeurd. Hij is dé levende Koning! Hij heeft de dood overwonnen en ook de natuurwetten volgen Zijn stem! Voor Zijn kinderen is de Hemelvaart een troost, voor alle mensen die het (nog) niet willen geloven een waarschuwing: “Ziet, Hij komt met de wolken en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben; (…).” (Openbaring 1:7, SV). Maranatha!

Looft, looft den HEER’, gij Zijne legerscharen,
Wier lust het is op Zijnen wenk te staren.
Dat hemel, aard’, en zee, en berg, en dal,
Hoe ver men ook Zijn scepter ziet regeren,
Nu Zijnen Naam en grote deugden eren;
En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal.

(Psalm 103:11, naar de Psalmberijming van 1773)

Derde weg: Genesis èn evolutieleer

Het Schriftgeloof blijkt diametraal te staan tegenover evolutiegeloof. Toch zijn en worden er pogingen ondernomen om tot een verzoening te komen tussen deze twee. We noemen dit de derde weg.

Vormen van “derde weg”?

  1. De eerste poging is om nog wel het bestaan van een hogere macht te aanvaarden, die betrokken is bij de evolutie. Schepping naar een “intelligent design”, een intelligent ontwerp van een hogere macht. Dit vergemakkelijkt uiteraard het oplossen van vragen die de spontane toevallige evolutietheorie opwerpt. Die hogere macht hoeft overigens niet de God van de Bijbel te zijn.
  2. De tweede poging heet “Theïstische evolutie”, door God geleide evolutie. Men aanvaardt de evolutietheorie, maar het begin en het proces ervan zijn geleid door de God van de Bijbel als Schepper.
  3. De derde poging is om Genesis te blijven aanvaarden naast de evolutietheorie, maar dan zó dat de dagen daarin geen gewone dagen maar “dagen” van miljarden jaren zijn geweest. Ook wil men wel de tijd tussen Gen.1:1 en wat volgt zien als zo’n hele lange tijd. Dan kan men toch verder met de leer van de oude aarde, die de wetenschap ons opdringt.
  4. De vierde poging is om alles van Genesis niet meer letterlijk te zien, maar symbolisch. Een variant daarvan is de zogenaamde “kadertheorie”. Voorstanders daarvan zien de zes dagen als “normale dagen”, maar wel als dagen in een verhaal. Niet als dagen in een letterlijk verslag, maar neergeslagen als thema’s die in de dagen van Genesis zijn afgebeeld. Vooral deze kadertheorie vormt een grote bedreiging voor Schriftgeloof en Schriftgezag. Deze theorie is in het in het vorige artikel Dagen van Genesis en kadertheorie behandeld.

Waarom een “derde weg”?

Wat drijft voorstanders van de derde weg waaronder de kadertheorie? Ik noem hier uitspraken uit hun mond. Niet elke voorstander zal zich hierin herkennen. Het zegt iets over hun drijfveren.

  1. Men is onder de indruk van “overweldigend feitenmateriaal ten gunste van evolutie en oude aarde”. Zie bijvoorbeeld wat prof J.G. Veenstra, hoogleraar moleculaire ontwikkelingsbiologie schreef in het ND van 13 oktober 2015.
  2. Men zegt: “Ontkenning van dit feitenmateriaal maakt ons tot een wereldvreemde sekte en ongeloofwaardig”. Je kunt als gelovige dan geen aansluiting meer vinden in de wetenschap. Maar ook wordt je ongeloofwaardig voor de samenleving.
  3. Men gaat zelfs zover om te stellen: “Ontkenning van de bewijzen van evolutieleer doet ons de waarheid van God in de natuur ontkennen”. Dit laatste slaat op de evolutionistische uitleg van het boek van de natuur. Deze uitleg heet dan zomaar “waarheid van God”.

De voorstanders van theïstische evolutie en kadertheorie noemen zelf ook de voordelen: Er zou geen obstakel meer zijn voor de wereld om tot Christus te komen en geen obstakel voor gelovigen om bij Christus te blijven. Het brengt verzoening tussen de wetenschap en het geloof als de twee boeken waardoor wij God kennen.

Mijn antwoord hierop is weer: Het boek van de natuur kan alleen goed gelezen worden met de bril van Gods Woord. Dan alleen is er geen tegenstelling. Daarbij mag je Gods Woord niet aanpassen aan ongelooftheorieën over de natuur. Voorstanders van de derde weg kunnen zelfs agressief zijn in hun oordeel over de gereformeerde Schriftuitleg waarbij Genesis voluit historisch wordt gelezen.

Ze zeggen daarvan bijvoorbeeld: ‘Deze uitleg is anti-intellectualistisch, het verstand wordt daarbij uitgeschakeld. Ze is traditionalistisch, conservatief, gaat niet mee met nieuwe inzichten. Daarom dreigt “isolationisme”, dat wil zeggen: je brengt je dan onnodig in het isolement. Je sluit je af voor de wereld, en staat daar dan buiten. Zo´n Schriftvisie maakt je voor anderen radicalistisch: je bent extreem, niet meer geschikt voor deze maatschappij’ (bron: www.bylogos.com).

Insteek en argumenten

Welke insteek hanteren de voorstanders voor hun compromis? Ze gaan ervan uit dat het niet de bedoeling van Genesis is om te vertellen hoe God alles heeft geschapen, maar dat en waartoe Hij alles heeft geschapen, namelijk opdat Gods volk Hèm zou eren in plaats van afgoden. God zou rekening met ons voorstellingsvermogen hebben gehouden door aanpassing (“accommodatie”) daaraan. Daarom zou God beeldspraak hanteren (metaforen). Deze werkwijze van God stelt ons in staat om iets bovennatuurlijks als de Schepping, als mensen toch te kunnen verstaan.

Welke argumenten voeren ze hiervoor aan? Allereerst zijn er de fossielen: resten en afdrukken van planten, dieren en mensen in gesteente. Deze zouden het bestaan van een heel oude aarde “bewijzen”. Verder zijn er scheppingsverhalen in andere oosterse landen die op Genesis lijken. Mozes zou deze als schrijver van Genesis hebben overgenomen. De Bijbel geeft bovendien een verouderd wereldbeeld, alsof de aarde plat is, en de zon om de aarde draait. De wetenschap bewijst dat dit niet zo is. Daarom moet je de Bijbel volgens voorstanders van de derde weg niet letterlijk nemen, als ze over natuur of wetenschap spreekt.

Maar men komt ook met argumenten uit de Schrift zelf. Het is erg belangrijk om juist die goed te beoordelen. Want alleen de Schrift bepaalt hoe we Genesis 1 en 2 moeten lezen. Het eerste door hen genoemde Bijbelse argument is dat Genesis 1 een hoog literaire vorm heeft, van poëzie. Het is niet maar gewone geschiedenisbeschrijving maar een gedicht met diepere bedoelingen. Daarom zouden we Genesis 1 en 2 niet letterlijk moeten nemen. Genesis 1 en 2 zouden ook niet met elkaar kloppen. Vergelijk maar eens de volgorde van Gen. 2: 4-7 met de volgorde in Gen. 1: 11v. Daarom moeten we ze maar niet letterlijk nemen. Er is meer te zeggen over de scheppingsdagen. Zie het vorige artikel Dagen van Genesis en Kadertheorie.

Wereldbeeld in de Bijbel

Wat kunnen we nu zeggen over het wereldbeeld dat de Bijbel biedt? Zegt de Bijbel met zoveel woorden dat de aarde plat is en dat de zon om de aarde draait? Nee, Gods Woord geeft geen wetenschappelijke uitspraak over de vorm van de aardbol en de stand van de aarde ten opzichte van de zon. Ze geeft ons een kijkbeeld vanuit de positie van de mens in alledaags taalbeeld. Als de Bijbel stelt dat de zon opkomt, beschrijft ze gewoon wat we zien. Dat is helder en het spreekt voor zich. Het is niet veranderlijk: het geldt als waarheid voor alle tijden. Het geeft geen wetenschappelijke beschrijving, maar het strijdt ook niet met de wetenschap, als die maar uitgaat van Gods Woord als norm. De wetenschap mag niet tegen de Bijbel ingaan. Daarom strijdt de Bijbel wel met een evolutionistische wetenschap.

Wat voor wereldbeeld geeft dan de wetenschap? Zij beschrijft niet zozeer wat je alleen met je ogen ziet. Maar ze komt met behulp van allerlei middelen, berekeningen, tot een constructie, tot een model van de werkelijkheid. Maar die wetenschappelijke constructie, dat model, staat niet absoluut vast. Het kan weer veranderen als er nieuwe wetenschappelijke inzichten komen. Het blijft menselijk en in principe veranderlijk. Gods Woord echter is goddelijk en absoluut, hoe eenvoudig de zaken erin ook worden beschreven.

Kwade gevolgen evolutie en oude aarde

Als mensen evolutie en oude aarde met Gods weergave van Zijn Schepping combineren, wordt God dan niet als Schepper van hemel en aarde onteerd? Offeren we dan niet Zijn Woord op voor bedenksels van mensen (NGB, art. 7)? Sommige voorstanders van theïstische evolutie willen er nog wel aan vasthouden dat Adam echt heeft geleefd. Toch aanvaardt men met een oude aarde ook het bestaan van sterfte en kwaad in de wereld al vóórdat Adam geschapen werd. Want er waren al eerder dan Adam mensen op aarde. Voorlopers die al vóór Adam waren gestorven. Denk aan de aboriginals. Maar dat brengt met zich mee dat de dood dan niet als vloek op de zondeval van Adam in deze wereld is gekomen, Rom. 5:12. De dood was er immers al in het evolutieproces.

Hoe is dit te rijmen met teksten als Rom. 5:14, 1Kor. 15:22? En hoe kan Christus dan “laatste Adam” worden genoemd in 1Kor. 15:45? Of komen we ook hier verder met metaforen? Hoe kan bij het al bestaan van dood en kwaad in de natuur, de schepping waarin Adam geschapen werd naar het oordeel van God Zelf “zeer goed” zijn (Gen. 1: 31)? Andere voorstanders van theïstische evolutie ontkennen dat als Adam echt geleefd heeft hij niet meer dan ‘een persoon’ is in het verhaal van Genesis 1 en 2. Maar dan was er ook geen zondeval van Adam in Genesis 3, en dan was er ook geen moederbelofte!

Als er door deze aanhangers niet geloofd wordt in een God die wonderen werkt, hoe kan er dan geloofd worden in een opstanding? Maar dan zijn wij bij hun leer, als gelovigen de beklagenswaardigste van alle mensen van de wereld, zegt Paulus in 1Kor. 15:19. Als wij het goddelijk gezag en de onfeilbaarheid van de Bijbel in zijn klaarblijkelijkheid aantasten, dan raken we uiteindelijk alles kwijt. Dat is geen loze voorspelling maar dat zien we ook letterlijk voor onze ogen gebeuren.

Kerk en evolutie

De laatste eeuw is in gereformeerde kerken steeds meer ruimte gekomen voor de theïstische evolutiegedachten. We noemen dr. J.G. Geelkerken, wiens ideeën op de synode van Assen 1926 zijn veroordeeld. Later werd het evolutionair gedachtegoed van prof. dr. J. Lever (1958) en prof. dr. H.M. Kuitert (1968) in de synodaal-gereformeerde kerken geaccepteerd. Mede hierdoor werd het Schriftgezag zodanig aangetast dat er ook ruimte kwam voor het afscheid van de verzoening door voldoening door Christus zoals in de alternatieve verzoeningsleer van dr. H. Wiersinga (1971).

In de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt voltrok zich een dergelijk proces vanaf ca. 2000. Met name via dr. J.J.T. Doedens en dr. A.L.Th. de Bruijne in Woord op schrift (2002), prof. dr. J. Douma met zijn uitlatingen in zijn boek Genesis (2004) waarin hij ruimte vraagt voor de oerknal, en via prof. dr. B. Kamphuis die alles metafoor noemt inclusief de dagen van Genesis (2013).

In 2009 werd in een enquête van het ND al vastgesteld dat slechts 15% van de ondervraagde predikanten van de GKv achter een letterlijke opvatting van de dagen in Genesis 1 stond. Ook in de GKv zien we dit proces van Woordverlating doorwerken tot in de aantasting van de verzoening door voldoening, zoals recent in de bijdrage van dr. J.M. Burger in het boekje Cruciaal (2015). Een trieste en ontstellende ontwikkeling in Nederland. Ook in het buitenland is veel strijd op dit punt, met name in Noord-Amerika.

Een gunstige uitzondering in deze trend is het voorstel van classis Oost van de Canadese Gereformeerde Kerken (CanRC) van maart 2015, om tegenover de leer van de theïstische evolutie, de gereformeerde belijdenis aan te passen. Men stelt voor om in het begin van art. 14 van de NGB het volgende (cursief) toe te voegen na “God heeft”: de mens geschapen door het formeren van Adam uit stof (Gen. 2:7) en Eva uit Adams zijde (Gen. 2:21-22). Ze zijn geschapen als de eerste twee mensen en zijn de biologische voorouders van alle andere mensen. Er waren geen pre-Adamieten: mensen noch mensachtigen. En dan gaat het verder in art. 14: God heeft Adam gemaakt en gevormd etc.

Tot slot

Het geloof in de schepping naar Gods Woord staat tegenover het ongeloof van de evolutieleer. We kunnen beide niet combineren. Anders raken we de inhoud van Gods Woord kwijt. Dat Schriftgeloof houdt zich vast aan het onfeilbare Woord van God, dat duidelijk tegenover de evolutieleer zegt, dat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare. Dat Schriftgeloof gaat uit van de klaarblijkelijkheid, de helderheid van de Schrift, waarbij heel het boek Genesis zich laat kennen als feitelijke historie. Waarbij Gen. 1:1 het begin is van tijd en geschiedenis. Zo wordt God op een Hem aangename wijze geëerd als de Schepper van hemel en aarde, de zee en al wat daarin is.

Bij de uitleg van Genesis dient ook heel de Schrift te worden betrokken, ook het Nieuwe Testament (zie bovengenoemde teksten). Zo wordt de historiciteit van de schepping, van Adam en Eva, en van de zondeval in het bijzonder bevestigd. De uitleg van moeilijkere gedeelten wordt vergemakkelijkt door er de uitleg van heldere gedeelten naast te leggen. Bijvoorbeeld door bij de uitleg van Gen. 2: 4-7 Genesis 1 te leggen. Er kan in Gods Woord immers geen echte tegenstrijdigheid bestaan. God Zelf is er de ene eerste Auteur van.

Als we Genesis loslaten, raken we alles kwijt, want alles in de Bijbel is nodig voor ons behoud ook juist Genesis 1. Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen (NGB art. 7). Ook Christus verwijst naar het begin van de schepping, als Hij ons de wil van God voorhoudt (Matt. 19:4). Ook de apostelen doen zo (2Kor.11:3; 1Tim. 2:13). Daarom geldt ook voor het begin van Gods Woord: Houdt vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme (Openb. 3:11).

DRIEDELIGE SERIE VAN DR. DE MARIE OVER GENESIS EN DE EVOLUTIELEER

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website Een in Waarheid. Het originele artikel is hier te vinden.

Dagen van Genesis en de kadertheorie

Aanhangers van de zogenaamde “derde weg” maken vaak aanpassingen bij de verklaring van de Scheppingsdagen om ruimte te kunnen maken voor hun leer van Theïstische evolutie. Dit geldt met name voor voorstanders van de zogenaamde kadertheorie. Onder deze voorstanders horen o.a. prof. A. Noordtzij, dr. J.J.T. Doedens en prof. dr. J. Douma. In dit artikel wordt nader op deze theorie ingegaan.

Dagen, zijn dagen, maar niet letterlijk?

Laten we eerst opnoemen de zaken die zouden pleiten voor de derde weg al dan niet met de kadertheorie:

  1. Men heeft met name moeite om wetenschappelijk te kunnen verklaren dat op dag 1 het licht werd geschapen (Gen. 1:3), terwijl op dag 4 er pas lichtdragers (“lichten”) als zon, maan en sterren geschapen zijn (Gen. 1:14-18). Men stelt dat de afwezigheid van de zon op dag 1-3, maakt dat het geen zonnedagen van 24 uur konden zijn geweest. Ook dat pleit tegen gewone dagen. Dat zou een argument zijn voor een niet letterlijk opvatten van “dagen”
  2. Ook wordt wel aangevoerd dat de rangtelwoorden in het Hebreeuws van dag 1 en dag 6 (waar staat dag 1 en dag 6) anders zijn dan van dag 2-5 (waar staat tweede dag, derde dag etc.). Daarom zou het niet gaan om een gewone rangschikking.
  3. Ook wordt wel gesteld dat dag 7 een dag zonder einde zou zijn. Want in de woorden over dag 7 (Gen. 2: 1-3) staat niet dat het avond en morgen was geweest, zoals dat bij de andere dagen staat vermeld. Ook dat zou reden zijn om dan maar alle dagen niet letterlijk op te vatten.

Alles bij elkaar genomen is er voor aanhangers van de derde weg in hun ogen ook in de Schrift zelf voldoende bewijs om te concluderen dat de dagen van Genesis 1 wel vermeld staan als gewone dagen in een vertelling, maar niet als feitelijke historische, niet als letterlijke dagen, zoals wij die kennen.

Dagen en hun refrein

Ik wil daar graag het volgende op antwoorden:

  1. Bij dag 1-3 keer klinkt al het refrein het is avond geweest en het is morgen geweest de 1e, 2e, 3e dag. De dag wordt dan al opgedeeld in licht en donker, in dag en nacht. Samengenomen gewoon “dag” genoemd, terwijl er dan nog geen zon is. Het licht wordt op dag 1 namelijk apart door God geschapen los van een bekende lichtdrager als de zon. Hij, God de Almachtige, schiep het licht zonder hulp van de zon! Daarmee geeft God ook aan dat alleen Hem alle verering toekomt en niet de zon die vaak als God vereerd werd in oosterse landen. Dag 4-6 hebben hetzelfde refrein toen was het avond geweest en het was morgen geweest de 4e 5e 6e dag. Vanaf de 4e dag is dat dus met de geschapen zon erbij. Die werd door God toegevoegd aan het bestaande licht, als lichtdrager om voortaan heerschappij te hebben over dag en nacht. Het onderscheid dat er al was maar nu wordt voortgezet met lichtdragers. Na elke dag dus hetzelfde refrein. Bij dag 1-3 zonder zon en bij dag 4-6 met zon. God laat zo de voortgang zien van zijn schepping over de 6 dagen. Van globaal naar specifiek, van minder naar meer. De conclusie is dan ook dat dag 1-3 van dezelfde soort waren als dag 4-6. Allen hadden een periode van licht en donker, van dag en nacht, en werden door avond en morgen aan elkaar verbonden.
  2. Het verschillend gebruik van rangtelwoorden komt ook elders in Gods Woord voor. Het is geen argument om de rangschikking in de dagen van Genesis te miskennen.
  3. Op dag 7 is er geen schepping meer, maar rust. Gods werkdagen zijn ten einde. Er klinkt dan ook geen refrein meer. Dat wil niet zeggen dat dag 7 daarom geen einde kent. Want dag 7 wordt juist als dag apart gezet door God: geheiligd! Op basis daarvan vormde God een week van zeven dagen, van zes plus één. Als scheppingseenheid die heel de tijd van de wereld moet dienen om de sabbatdag teken te laten zijn van de eeuwige sabbatsrust die komt (Hebr. 4).

Hoe is dit mogelijk als deze zevende dag ook nu als dag zonder einde nog voortduurt?

Kadertheorie

Er zijn enkele specifieke kenmerken die alléén de kadertheorie gelden. Deze theorie gaat ervan uit dat elke dag van Gen. 1 een soort fotolijst is waarin iets van het grote verhaal van de schepping wordt weergegeven.

Door de meeste aanhangers van de kadertheorie wordt verdedigd dat de “beelden” van dag 1-3 corresponderen met de “beelden” van dag 4-6. En wel zo, dat wat op dag 1 geschapen wordt als ruimte, vervolgens gevuld wordt met de schepselen of vormsels van dag 4. Dag 1 en 4 gaan dan over hetzelfde gebeuren, wat zich in heel lange tijd heeft voltrokken. Dat geldt ook voor het koppel dag 2 en 5, en het koppel dag 3 en 6.

De dagen in deze theorie zijn wel “gewone dagen”, maar dan niet letterlijk historisch en zelfs niet in chronologische volgorde, in tijdsvolgorde. Het zijn plaatjes in een lijst, die iets vertellen. Daarbij is de volgorde minder belangrijk.

Op deze manier creëert men ruimte voor een theïstische evolutie en een oude wereld van miljarden jaren. Ruimte: Ik zeg niet dat alle voorstanders daar persé in geloven. Maar ze claimen dat Genesis daarvoor de ruimte biedt. Daarvoor wordt vrijheid in exegese gevraagd.

Antwoord op de kadertheorie

Tegenover de symbolische uitleg met ruimte voor evolutie, dient Genesis zich juist aan als een voluit historisch boek. Gen 1: 1 – 2:3 vormt een inleiding en nadere invulling op wat er in de rest van Genesis op volgt nl. de toledothen, letterlijk de geschiedenissen. Vanaf Gen. 2:4 wordt beschreven de geschiedenis van de hemel en de aarde. Gevolgd door de geschiedenis de mens Adam, enz. tot aan die van Abraham, Isaak en Jacob (Gen. 37-einde). Niet alleen Gen. 2:4v grijpt terug naar Gen.1, dat geldt ook voor Gen. 5. Daar wordt opnieuw een stap terug in de tijd gezet. bij het begin van een geschiedenis. Niets in Gen. 1-2:3 zelf wijst erop dat het hier iets anders dan een letterlijke geschiedenis betreft. Ook de literaire vorm die God in Gen. 1 en 2 laat gebruiken, doet daar niets van af. Dit is even klaarblijkelijk als in 1926 door de kerken m.b.t. het spreken van de slang in Gen. 3 werd vastgesteld. Wel gaat het hier om bovennatuurlijke wonderen van God, die geloof vragen. Maar ze spelen zich in de tijd af, die begon in Gen. 1:1.

De kadertheorie wil de dagen van Genesis verklaren als literaire aanpassing (accommodatie) van God aan de mens. Maar daartegenover staat dat God van ons vraagt dat wij ons nu juist aan Hem en zijn letterlijke dagen aanpassen. Het vierde gebod in Ex. 20 zegt dit heel stellig (Let op “want”): Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen maar de zevende dag is de sabbat van de Heere uw God dan zult gij geen werk doen, (…). Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daar in is. En Hij rustte op de zevende dag.

De gevolgen van de kadertheorie

De kadertheorie stelt dat het doel van Gen. 1 en 2 is het eren van God in het verbond door Israël. Daar zou de vertelvorm op gericht zijn. Mozes zou zo aan Israël een schets van God als de trouwe Verbondsgod hebben gegeven. Ook speciaal met het doel om te komen tot het vieren van de sabbat als een aan God gewijde dag.

Maar er is toch veel meer over Gen. 1 en 2 te zeggen? Moeten we niet beginnen met het feit dat God Zich Zelf verlustigt over Zijn werken? Vergelijk Ps. 104:24 met Gen.1:31-2:3. Ook Christus en zijn apostelen wijzen terug op dit begin m.b.t. de sabbat (Ex.20:8-11; Marc.2:27; Hebr.4:4), het beeld van God zijn (Gen.1:26; 1 Kor.11:7; Jak.3:9), het huwelijk en de man-vrouw verhouding (Gen. 2:18-25, Matt.19:4-6; 1 Kor.11:8; 1 Tim.2:13), heterofilie en homofilie (Rom.1:26-27), naaktheid en schaamte (Gen.2:25), het proefgebod (Gen.2:16-17), de vloek over de zonde (Gen. 2:17), de situatie van de zondeval (Gen. 3), en de daaraan door God verbonden moederbelofte.

Wanneer de dagen van Gen. 1 en 2 worden tot een “vertelvorm”, is heel Gods Schepping slechts een “verhaal”, geen feitelijke geschiedenis, en valt de vaste grond onder dit alles weg.

DRIEDELIGE SERIE VAN DR. DE MARIE OVER GENESIS EN DE EVOLUTIELEER
Artikel 1: Genesis tegenover evolutieleer.
Artikel 2: Dagen van Genesis en de kadertheorie.
Artikel 3: Derde weg: Genesis èn evolutieleer (verschijnt volgende week D.V.).

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website Een in Waarheid. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten