Home » Theologie (Pagina 2)

Categoriearchief: Theologie

Gods Woord heeft geen redding nodig

In de discussies over de relatie tussen Bijbel, wetenschap en cultuur valt het op dat zowel verdedigers van klassiek gereformeerde standpunten als pleitbezorgers van de nieuwe hermeneutiek hoog over het Woord van God spreken. Dat lijkt mooi, maar is dat het ook?

In de hedendaagse hermeneutische benadering kan een oude tekst niet voor zichzelf spreken, omdat die is verweven met een oude cultuur. Aan ons de taak om de brug te slaan naar vandaag. Dat geldt ook voor de Bijbel. Ondertussen maakt dat de eigenschappen helderheid (claritas) en inzichtelijkheid (perspicuitas) van de Schrift voor hedendaagse bijbellezers problematisch.

De nieuwe hermeneutiek resulteert nogal eens in standpunten die, met een beroep op de bedoeling van de Heilige Geest, toch honderdtachtig graden ingaan tegen wat letterlijk in de Bijbel staat. Dat wordt overigens door meerdere scribenten ook zelf erkend. Geldt dan niet de waarschuwing van Jezus over de vruchten en de boom? Want de vrucht van deze boom is aanpassing aan het schema van de wereld en loslaten van concrete geboden van de Heere.

Buigen

Juist daarom triggert het me dat voorstanders van de nieuwe hermeneutische benadering zeggen te willen buigen voor het Woord. De Bijbel zou zelf aanleiding geven voor een minder eenduidige uitleg. Het verwijt klinkt dat de Schrift te hoog en te heilig is om je eigen uitleg te identificeren met het sola Scriptura.

Nu wil ik voluit erkennen dat het opkomen voor de hoogheid van Gods Woord de oprechte intentie is van deze theologen en christenwetenschappers. Tegelijkertijd wekt dat ook mijn argwaan: de drijfveer om het evangelie voor postmoderne mensen aanvaardbaar te maken. De prijs daarvoor is hoog, namelijk het opgeven van onvervreemdbare eigenschappen van de Schrift.

Tegen de achtergrond van de kerkgeschiedenis maakt deze drijfveer me alleen nog maar meer argwanend. Het is vaker gebeurd dat een dwaling ontstond vanuit een oprechte intentie om het overgeleverde geloof aanvaardbaar te laten zijn voor de mens van die dagen.

De historisch-kritische methode is niet uitgevonden uit haat tegen de Schrift. Integendeel, het was eerder een poging om de Schrift te redden voor de moderne verlichte mens, die niet meer in bovennatuurlijke wonderen kon geloven. Zo kwam bijvoorbeeld de Duitse lutherse theoloog R. Bultmann met de oplossing dat het zou gaan om de boodschap (het kerygma), die moest worden losgemaakt van het mythologische karakter van de Bijbel. Dat was nodig nadat het historische karakter van de Bijbel was geproblematiseerd.

Ook Arminius heeft niet anders gewild dan een gereformeerde leer te ontwikkelen, die aanvaardbaar was in zijn tijd. De leer van de totale verdorvenheid van de mens werd onder invloed van het humanisme geproblematiseerd, waarna aan de wil van de mens een grotere bijdrage werd toegeschreven, al was het maar dat de mens zelf de wedergeboorte kon tegenstaan. De prijs die daarvoor werd betaald was het opgeven van de totale afhankelijkheid van Gods genade.

Ook Arius was er niet op uit om Christus neer te halen toen hij de leer dat Jezus het meest bijzondere schepsel ontwikkelde. Hij wilde het geloof in Hem juist aanvaardbaar maken voor een Griekse denker. Maar ondertussen loochende hij wel de eeuwige Godheid van Jezus.

Een oprechte intentie is goed, maar helaas geen basis voor vertrouwen. De Schrift zelf is ons vertrouwen waard. Ook en juist als het gaat om het voor zichzelf kunnen spreken en het zichzelf kunnen uitleggen van de Schrift.

Betrouwbaarheid

Het zal niet de intentie zijn van bijbelwetenschappers die het Evangelie aanvaardbaar willen maken voor moderne mensen, maar als we deze weg inslaan, raken we meer kwijt dan ons lief is. De historische betrouwbaarheid van Bijbelse geschiedschrijving wordt problematisch. De kracht van de grote daden van God in de historie moet plaatsmaken voor de narratieve kracht van het verhaal, dat de brug slaat naar de beleving van de hedendaagse mens.

Wie eenmaal de fundamentele afslag neemt dat de Bijbel benaderd moet worden als een boek uit een oude cultuur en niet in de eerste plaats als Gods eigen springlevende Woord, gaat ook de dogma’s en de leer van de kerk benaderen als niet meer dan een interpretatiekader. Dat tast het overtuigd belijdende karakter van de kerk aan.

De communicatietheorie gaat dan heersen over de zondeleer, de gelovige lezer met zijn vooronderstellingen over de overtuigingskracht van de Geest, en de kloof van cultuur en tijd over die van de zonde.

Ten slotte heeft het gevolgen voor de visie op de Drie-enige God zelf. Woorden als liefde en rechtvaardigheid worden begrippen die in staat zijn de kloof naar de postmoderne mens te overbruggen en steeds minder voor eigenschappen van de God Die Zich openbaart. Jezus wordt steeds meer mijn belangrijkste identificatiefiguur en steeds minder mijn Borg en Middelaar door de verzoening door Zijn bloed. En de Geest wordt gekoppeld aan de culturele ontwikkeling in plaats van dat Hij ons leert buigen voor het aan ons geopenbaarde Woord.

We hoeven niet simplistisch te doen alsof de Bijbel een gemakkelijk boek is, maar laten we wel eenvoudig blijven bij wat ons geleerd en toevertrouwd is. Om datgene wat we wilden redden niet juist kwijt te raken.

Dit artikel is met toestemming van de auteurs overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Heres, L., 2022, Gods Woord heeft geen redding nodig, Reformatorisch Dagblad 52 (230): 30-31 (artikel).

Predikanten uit de Gereformeerde Gemeente en onze vroegste geschiedenis (5) – W.B. Kranendonk, Prediker van de ene Naam

Onlangs stuurde een kennis mij de levensschets van ds. A.F. Honkoop (1921-2008), Prediker van de ene Naam, op. Dit boek is geschreven door oud-hoofredacteur van het Reformatorisch Dagblad, Wim Kranendonk. Een mooi boekje van een predikant waarbij preken van/over Die ene Naam het hoogste doel was. Hieronder na een korte en zakelijke levensschets een korte samenvatting van woorden die onze vroegste geschiedenis1 of wat daarmee samenhangt raken.2

Ds. A.F. Honkoop

Adri Honkoop werd op 14 oktober 1921 geboren en in hetzelfde jaar door ds. Johannes Overduijn (1881-1963) gedoopt. Hij was een zoon van ds. Pieter Honkoop (1891-1963) en Johanna Cornelia Trouborst (1898-1955). Hij was getrouwd met Maria Barel (1921-2016) en kreeg 11 kinderen. Na een beroep als handelaar werd hij in het voorjaar van 1949 aangenomen als student aan de Theologische School van de Gereformeerde Gemeente. Op 14 oktober 1953 werd hij als predikant bevestigd in de Gereformeerde Gemeente van Goes. Daarna volgden Moerkapelle (1967), Rotterdam-Centrum (1975), Zwijndrecht (1984) en Wageningen (1990). Honkoop overleed op 21 januari 2008.

Schepping

Ds. A.F. Honkoop had bezwaren rondom het predikambt. Maar de Heere kwam over en sprak, net als bij Mozes: “Ben Ik het niet, Die de mens gemaakt heeft?3 Toen was het innerlijke verzet gebroken. Christus is er al vóór dat de wereld was. Ds. A.F. Honkoop citeert daarvoor een tekst uit Johannes 17:5.4

6000 jaar

De bevestigingsdienst in de Gereformeerde Gemeente van Goes werd geleid door zijn vader, ds. P. Honkoop. Volgens hem bestaat de mensheid zo’n 6000 jaar. Hij zei namelijk: “En al 6000 jaar is men bezig, mijne hoorders, om van de knechten des Heeren halve engelen te maken, maar elke proefneming is mislukt. De Heere noemt ze mensenkinderen. En verder brengen we het niet.5

Adam en de gevolgen van de zondeval

In de studententijd werd ds. A.F. Honkoop, naar eigen zeggen, van God geleerd. Hij heeft toen ook geleerd ‘wat we in Adam geworden zijn: vijand van God en een zondaar die de rampzaligheid en eeuwige ondergang waardig is’.6 Toen hij in de Gereformeerde Gemeente van Goes stond merkte hij dat deze gemeente net als andere gemeenten ‘buiten het paradijs lag’.7 Sinds de zondeval zijn de bittere gevolgen van de zonde merkbaar. ‘We hebben God verlaten, met God reeds gebroken in het paradijs en allerwege ziet men de droeve openbaring daarvan’, zo sprak ds. A.F. Honkoop op 18 juni 1978 in een speciaal gehouden ‘poliopreek’.8 Volgens de predikant moet de verloren staat van de mens door zijn diepe val naar voren gebracht worden. Honkoop: “De verloren staat van de mens, door zijn diepe val, moet naar voren gebracht worden. Wij hebben door de zonde een kloof geslagen tussen God en onze ziel. Tegenover de diepte van de val gaat juist de rijkdom van Christus schitteren. Zonder doorleving van onze verlorenheid heeft Christus geen waarde. Een diamant is mooi, maar tegen de achtergrond van zwart fluweel gaat hij nog méér schitteren. Zo gaat tegen de achtergrond van Gods eisend recht en de verlorenheid van ons bestaan Christus schitteren in Zijn glorie en heerlijkheid.9

Secularisatie

Volgens Kranendonk kenmerkte de Nederlandse maatschappij zich ‘in de jaren zestig en zeventig door secularisatie’. Deze secularisering had ook invloed op (doop)leden van de Gereformeerde Gemeenten. Ds. A.F. Honkoop waarschuwde daarom ernstig voor ‘het gevaar van verwereldlijking dat ook in onze gemeente dreigt’.10

Evangelische Omroep

Ds. A.F. Honkoop wees tv-bezit af. Hij was ook kritisch op de Evangelische Omroep (EO), die toch in haar beginjaren veel heeft betekend voor de verspreiding van het zogenoemde ‘creationisme’ in Nederland.11 In voetnoot 15 schrijft Kranendonk over het ontstaan van de Evangelische Omroep in 1967 uit de onvrede die er heerste over de deconfessionalisering van de bestaan de omroepen. “Vanaf 1 april 1970 mocht de EO als adspirant-zendgemachtigde gaan uitzenden.12 Ik citeer Kranendonk óók uit de lopende tekst: “Tijdens een gesprek met een van zijn ambtsbroeders die tijdens een uitzending van de EO had gesproken zei hij ‘de godsdienst van de EO levensgevaarlijk te achten’. Dat zijn ambtsbroeder voor de radiomicrofoon had gesproken had de goedkeuring van ds. Honkoop bepaald niet. ‘Het spreken van onze predikanten voor de radio wekt verontrusting en verwarring in de gemeenten.’13

Wageningen

Op 6 december 1990 deed ds. A.F. Honkoop intrede in de Gereformeerde Gemeente te Wageningen. Hij had daar, volgens Kranendonk, nogal wat studenten van de Landbouwuniversiteit onder zijn ‘herderlijke hoede’. Maar wist daar volgens de schrijver met ‘wijsheid en tact’ mee om te gaan.14 Toen ds. Honkoop in Wageningen stond, was chemicus dr. D. de Wit ouderling. Hij nam in 1996 afscheid van de kerkenraad omdat hij was toegelaten tot de Theologische School.15

Voetnoten

Schepping en vertaling – Een taalkundige studie rond de eerste verzen van de Bijbel

Er is in de loop van de tijd heel veel gepubliceerd over de eerste verzen van het bijbelboek Genesis. Het aantal commentaren dat deze passages bespreekt, is dan ook ontelbaar. Men treft daarin zeer uiteenlopende opvattingen aan, afhankelijk van de theologische vooronderstellingen, die men aanhangt. Een belangrijke vraag is, hoe men de geschiedenis van de schepping, zoals deze beschreven staat in Gen. 1, in overeenstemming kan brengen met datgene wat binnen de natuurwetenschappen wordt geleerd. Wat is de relatie tussen de evolutietheorie en Gen. 1? Hierover is het laatste woord nog niet geschreven. In deze verhandeling ga ik in op enkele vragen rond de uitleg van Gen. 1:1 5. Deze vragen zijn zowel door theologen als door natuurwetenschappers al eerder gesteld. Ik wil ze echter met name belichten vanuit taalkundig oogpunt. Kan onze kennis van het Bijbels Hebreeuws, de taal waarin deze schriftgedeelten zijn geschreven, ons helpen bij het beoordelen van de verschillende uitleggingen die er van dit gedeelte bestaan?1

Ik wil hieronder ingaan op de volgende vragen:

  1. Als we diverse vertalingen van Gen. 1:1 met elkaar vergelijken, valt op dat ze van elkaar verschillen. Aan welke vertaling kunnen we de voorkeur geven?
  2. Is er sprake geweest van een tijdskloof tussen Gen. 1:1 en Gen. 1:2? De zogenaamde restitutietheorie (hierover later meer) neemt aan dat na de schepping van hemel en aarde in Gen. 1:1 de aarde woest en ledig werd. Hierna vond, zoals is beschreven in Gen. 1:3 e.v., een herschepping plaats in zeven dagen. Wordt deze opvatting ook door het Hebreeuws zelf gesteund?
  3. Hoe moet men de woorden “woest en ledig” opvatten?
  4. Kan men het woord voor “dag” in Gen. 1:5 ook vertalen met “periode” of “tijdperk”? Sommige uitleggers willen zo de evolutietheorie met de schepping in overeenstemming brengen.

Ik heb getracht zo te schrijven, dat deze verhandeling ook te begrijpen is voor al degenen die geen Bijbels Hebreeuws kennen. Iedere studie gaat uit van vooronderstellingen. Als christen geloof ik dat de Heilige Schrift door God is geïnspireerd en daarom volledig betrouwbaar is. Ook de eerste verzen van Genesis maken deel uit van de Bijbel. Het is dan ook mijn wens dat deze studie mag bijdragen tot een beter verstaan van Gods Woord.

Verschillende vertalingen van Gen. 1:1

We zijn zo gewend aan de vertaling van Gen. 1:1 “In den beginne schiep God de hemel en de aarde“, dat we misschien niet beseffen, dat er ook andere vertalingen mogelijk zijn. Dat valt op, wanneer we bijvoorbeeld Engelstalige bijbelvertalingen raadplegen. Zo vertaalt de Good News Bible (1976) het eerste vers van de Bijbel als volgt: “In the beginning, when God created the universe, the earth was formless and desolate” (“In het begin, toen God de hemel en de aarde schiep, was de aarde woest en ledig“). Een andere Amerikaanse vertaling, de gezaghebbende joodse vertaling van de Jewish Publication Society (1962), vertaalt het weer iets anders: “When God began to create the heaven and the earth – the earth being unformed and void… – God said…” (“Toen God de hemel en de aarde begon te scheppen – de aarde nu was woest en ledig – zei God..“).2

Deze twee Amerikaanse vertalingen lijken erg op elkaar. Toch is er wel een duidelijk verschil. De Good News Bible vat vers 1 op als een bijzin bij vers 2, die de hoofdzin vormt. Daarentegen laat de joodse vertaling de hoofdzin bij vers 3 beginnen (“God zei”). Daarentegen vatten onze Statenvertaling en de Nieuwe Vertaling van het NBG (1951) vers 1 op als een hoofdzin. Waarom vertalen deze Amerikaanse bijbeluitgaven Gen. 1:1 afwijkend en hebben zij hierin gelijk? Wat is de juiste vertaling?

In het Hebreeuws staat er letterlijk:
Bere’sjiet (in een begin) bara’ (schiep) ‘elohiem (God)
‘et hasjsamajiem (de hemel) we’et ha’arets (en de aarde)

Om met de joodse vertaling te beginnen, deze is gebaseerd op de uitleg van Gen. 1 van een bekende joodse bijbelverklaarder, Rasji.3 De naam Rasji is de afkorting voor rabbi Solomon ben Isaac en hij was een van de bekendste middeleeuwse joodse commentatoren van de Bijbel en van de Talmoed. Hij leefde, zo neemt men aan, van 1040 tot 1105 in Troyes in Frankrijk. Zijn commentaren hebben niet alleen een grote invloed uitgeoefend op de joodse commentatoren na hem, maar ook op de christelijke (bijv. Luther). Rasji poneert in zijn commentaar op Genesis, dat ook in het Nederlands is vertaald, dat het woord “in het begin” (bere’sjiet) in een bepaalde Hebreeuwse constructie staat, waardoor het verbonden moet worden met het woord dat erop volgt, “schiep”.4 Hij komt dan tot de vertaling: “in het begin van het scheppen door God van hemel en aarde”, d.w.z. “toen God begon te scheppen”. Als voornaamste argument voor deze vertaling poneert hij dat er letterlijk in het Hebreeuws niet staat “in het begin”, maar “in een begin”. Dat zou je niet verwachten, en daarom is er dan ook sprake van een bepaalde grammaticale vorm, die in het Hebreeuws “status constructus” wordt genoemd.5 Daaronder verstaat men een bepaalde manier, waarop in het Hebreeuws twee woorden met elkaar verbonden kunnen worden. In het Nederlands zou men dan gebruik maken van het woordje “van”, maar het Hebreeuws plakt als het ware twee woorden aan elkaar, bijv. ben-David: zoon (van) David.

Kenmerkend voor deze wijze van zeggen is dat het eerste deel nooit een bepaald lidwoord kan krijgen (“de” of “het”, in het Hebreeuws ha). Toch mag men wel vertalen alsof het lidwoord er staat. Men kan in het Hebreeuws dus wel zeggen: ben David en het vertalen, al naar gelang de context het vereist, met “de zoon van David” of “een zoon van David”, maar men kan niet zeggen: ha (de) – ben-David. Dit is onmogelijk. Het ontbreken van het lidwoord “het” in “in een begin” wijst er, aldus Rasji op, dat het verbonden moet worden met “schiep”. Bovendien, zo meent hij, in alle andere gevallen, waar in het Oude Testament het woord “begin” (in het Hebreeuws re’sjiet) voorkomt, staat het ook in de status constructus.

Heeft Rasji op dit punt gelijk? Naar mijn mening niet en wel om een aantal redenen.

  1. De Masoreten, de joodse geleerden die in de achtste tot de tiende eeuw, de Hebreeuwse bijbeltekst van klinkertekens hebben voorzien, vatten het niet zo op. In dat geval hadden ze andere klemtoontekens bij de tekst geplaatst.6
  2. Geen enkele oude vertaling vertaalt het op de wijze van Rasji, noch de Griekse vertaling: de Septuaginta, noch de Syrische vertaling: de Peshitta, noch de Aramese Targum Onkelos, noch de Latijnse Vulgata en noch de Armeense vertaling. Het is opmerkelijk dat de Griekse tekst van Joh. 1:1 eveneens leest “in een begin”. Deze is immers gebaseerd op Gen. 1:1.
  3. De bewering van Rasji dat de vorm re’sjiet in het Oude Testament altijd in de status constructus voorkomt is niet juist. Van de 51 maal in het Oude Testament zijn er 5 plaatsen (Gen. 1:1 niet meegerekend), waar dit woord niet in de status constructus staat (Lev. 2:12; Deut. 33:21; Jes. 46:10; Ps. 105:36 en Neh. 12:44).
  4. Nu zou men hieruit de conclusie kunnen trekken dat onze vertalingen Gen.1:1 ook niet goed vertaald hebben. Immers geen enkele vertaling geeft het weer met: “In een begin schiep…”. Toch is het feit dat het woord re’sjiet in Gen. 1:1 geen lidwoord bezit, is op zich zelf niet vreemd. De bijwoordelijke uitdrukkingen, die aan dit woord verwant zijn en met een voor-zetsel verbonden worden, komen maar zelden voor met een lidwoord. Maar ze moeten wel vertaald worden met een lidwoord, bijvoorbeeld mero’sj (“vanaf het begin”), Jes. 40:21; 41:4,26; 48:16; Pred. 3:11; Spr. 8:23, miqqedem (“van oudsher”), Jes. 45:21; 46:10, of me’olam (“oudtijds”), Gen. 6:4; Joz. 24:2; 1 Sam. 27:8.7

Daarom hoeft men hier niet aan een zogenaamde status constructus te denken en is de meest simpele vertaling mijns inziens ook de beste. Om die reden is de vertaling van de Good News Bible evengoed af te wijzen. Het is niet duidelijk, waarom men juist voor deze vertaling heeft gekozen. Het valt niet aan te nemen dat zij ook beïnvloedt zijn door de joodse exegese.8 Zoals in het volgende deel aangetoond zal worden, kan vers 2 nooit een hoofdzin zijn. Mogelijk is deze vertaling ontstaan onder invloed van de restitutietheorie. Zoals hieronder aangetoond zal worden, kan volgens de Hebreeuwse grammatica vers 2 nooit een hoofdzin zijn.

Werd de aarde woest en ledig?

Ook de eerste twee woorden van Gen. 1:2 worden op verschillende manieren vertaald. In het Hebreeuws staat hier: weha’arets hajeta tohoe wabohoeen de aarde was woest en ledig“. Sommigen willen in tegenstelling tot onze vertalingen weergeven met “en de aarde werd woest en ledig“. Deze vertaling wordt vooral voorgestaan door degenen die de restitutietheorie aanhangen. In de Engelstalige wereld zijn er veel christenen, die deze opvatting aanhangen. Door de bekende Scofield Reference Bible, waarin ze wordt verdedigd, heeft ze een ruime verspreiding gekregen. Ook in Nederland, met name in sommige evangelische kringen, is deze opvatting populair.9 En dat valt wel te begrijpen, omdat op die manier ruimte wordt geboden voor de evolutietheorie.

Wat houdt deze opvatting in? God heeft de hemel en aarde in Gen. 1:1 als goed geschapen. Na de schepping van hemel en aarde ontstond er echter chaos, doordat één van de engelen in opstand kwam tegen God. In zijn hoogmoed wilde hij aan God gelijk zijn. Zo werd deze engel tot de Satan. Toen hij tot val werd gebracht, werd daardoor de aarde tohoe wabohoe, Hebreeuws voor “woest en ledig”, dat wil zeggen tot een complete chaos.

Als argument voor deze opvatting haalt men onder meer Jes. 45:18b aan: “Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (tohoe), heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd.” Hieruit blijkt, zo zegt men, dat God de aarde niet als een tohoe wabohoe heeft geschapen. Eveneens wordt uit Jer. 4:23 en Jes. 34:11, de enige passages, waar deze uitdrukking nog verder voorkomt geconcludeerd dat het hier om een toestand gaat, die het gevolg is van een oordeel van God. Na een periode van chaos, waarvan men niet weet hoe lang die heeft geduurd, begon God met het herscheppen van de aarde, hetgeen zes dagen duurde. Vandaar ook de naam “restitutie”, letterlijk Latijn voor herschepping. Daarom wil men het begin van Gen. 1 ook vertalen: de aarde werd woest en ledig.

Binnen deze theorie zijn verschillende variaties mogelijk. Sommigen nemen aan dat de aardlagen zijn ontstaan tussen Gen. 1:1 en 1:2, terwijl weer anderen van mening zijn dat dit pas tijdens de zondvloed heeft plaatsgevonden. Weer anderen laten ruimte voor de evolutietheorie: de aarde is miljoenen jaren geleden ontstaan, maar pas zesduizend jaar geleden door God herschapen. Men neemt dan soms ook aan dat er mensen hebben bestaan voor Adam. Kortom, onder de aanhangers hiervan bestaat op een aantal punten verschil van mening over details. Overigens is deze opvatting al zo oud als het christendom, we vinden haar terug bij kerkvaders als Origines en Augustinus, maar ook bij moderne orthodoxe oudtestamentici als F. Delitzsch en bij een apologeet als C.S. Lewis.10

Wordt deze opvatting gesteund door onze kennis van het Bijbels Hebreeuws de grammatica? De vraag is: Moet de werkwoordsvorm hajeta vertaald worden zoals de Statenvertaling en NBG het doen met “was”, of met “werd”?11

Nu is het helemaal niet zo eenvoudig om daarop een antwoord te geven, zelfs niet voor mensen die goed Hebreeuws kennen, laat staan voor hen die weinig van deze taal afweten. Wat veel onderzoekers doen om op deze vraag een antwoord te krijgen, is meestal het volgende: Men pakt een Hebreeuwse concordantie, zoekt daarin op waar het woord hajeta in het Oude Testament voorkomt en gaat vervolgens na hoe het in de diverse vertalingen wordt weergegeven. En dan blijkt inderdaad dat men dit woord vaak kan vertalen met “werd”. Dit is mijn inziens echter niet zo’n goede methode, omdat het geen recht doet aan de eigenaardigheden van het Hebreeuwse werkwoord.

In het Hebreeuws kent men twee verschillende “tijden”: een zogenaamd perfectum en een zogenaamd imperfectum. Deze termen heeft men ontleend aan de Latijnse grammatica. Maar de genoemde werkwoordsvormen dekken slechts ten dele de letterlijke betekenis van Latijnse termen. Letterlijk betekent perfectum voltooide tijd. Maar als je een concordantie raadpleegt, zie je dat zo’n perfectum¬vorm (zoals ook hajeta) in de vertalingen zowel met een tegenwoordige, als met een verleden of als ook met een voltooid verleden tijd vertaald kan worden. En dat geldt ook voor een imperfectumvorm. Die wordt zowel met een tegenwoordige als met een toekomende tijd vertaald worden. Voor een deel overlappen ze elkaar dus. En wanneer ook nog in bepaalde gevallen een perfectum met een toekomende tijd vertaald kan worden en een imperfectum met een verleden tijd, dan lijkt de verwarring helemaal compleet. Daarom willen sommige grammatici de termen perfectum en imperfectum vervangen door meer geschikte termen. Er bestaan binnen de Hebreeuwse taalwetenschap heel veel verschillende theorieën over de precieze verschillen tussen perfectum en imperfectum.12

Nu moet u uit het bovenstaande niet het idee krijgen dat de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament daarom onmogelijk te vertalen is. Uit de context is vaak duidelijk hoe vertaald moet worden. Niemand vertaalt Gen. 1:1 met: “In den beginne zal God de hemel en de aarde scheppen.” Alleen in bepaalde gevallen, zoals in Gen. 1:2, kan het problemen opleveren. Daarom kunnen we de vraag of hajeta in Gen. 1:2 met “werd” of “is geworden” vertaald mag worden, beter vanuit een ander gezichtspunt benaderen. Wat is het doel van Gen. 1:2? Is hier sprake van een opeenvolging van gebeurtenissen of niet? Welke relatie bestaat er tussen Gen. 1:2 en het voorafgaande vers en het er opvolgende vers. Als we die vraag beantwoord hebben, dan kunnen we ook vaststellen, hoe het vertaald moet worden.

Kenmerkend voor het Hebreeuwse proza van het Oude Testament is dat een verhaal meestal begint met een zogenaamde perfectumvorm en vervolgens wordt het verhaal voortgezet met behulp van een speciaal soort imperfectumvorm (het zogenaamde imperfectum-consecutivum), die met een verleden tijd moet worden vertaald.13 Dat is ook het geval in Gen. 1:1. Hier staat: “In de beginne schiep (dit is een perfectumvorm) God de hemel en de aarde“. De geschiedenis van de schepping van de wereld wordt voortgezet in vers 3. “En God zeide: Er zij licht“. Voor het werkwoord “zeide” wordt die speciale imperfectumvorm gebruikt. En ook voor de andere werkwoordsvormen in Gen. 1 wordt grotendeels die vorm gebruikt: “En er was licht“, vers 4: “En God zag…“, “En God maakte scheiding…“, vers 5: “En God noemde..,“, etc. Het gaat hier allemaal om die speciale imperfectumvorm. Vers 2 valt hier dus uit de toon. Wanneer de bijbeltekst had willen weergeven: “En de aarde werd woest en ledig“, nl. als beschrijving van een er opvolgende gebeurtenis, dan zou er m.i. gebruik zijn gemaakt van zo’n imperfectum consecutivum en niet van een perfectum. Het Hebreeuws zou dan geluid hebben: wattehi en niet hajeta. De vraag blijft natuurlijk wel staan, waarom in Gen. 1:2 een perfectumvorm wordt gebruikt. Hoe moet men Gen. 1:2 opvatten. Hiervoor bestaan verschillende mogelijkheden.

Volgens een aantal Hebreeuwse grammatica’s is hier sprake van een soort bijzin, men noemt dat een omstandigheidszin. Hieronder verstaat men een zin die een bepaalde toestand beschrijft en die onderscheiden moet worden van een verhalende zin. Voorbeelden van dergelijke zinnen zijn Gen. 12:8 (“terwijl Bethel in het Oosten en Ai in het Westen lag“); 2 Sam. 18:14 (“terwijl hij nog leefde“) en Gen. 48:14 (“terwijl hij zijn handen kruiselings legde“). etc. Omstandigheidszinnen kunnen zowel voor als na de zin die de hoofdgedachte uitdrukt voorkomen. Theoretisch zou Gen. 1:2 zowel verbonden kunnen worden met vers 1 als met vers 3. De eerste mogelijkheid lijkt mij minder waarschijnlijk, en wel om een inhoudelijke reden.14 Dit zou impliceren dat God, toen Hij de aarde schiep, deze al in een woeste staat hiervoor aanwezig was. En dit is mijns inziens strijdig met wat we kunnen opmaken uit andere teksten, zowel uit het Oude als Nieuwe Testament, zie bijv. Spr. 8:22 26; 2Macc. 7:28; Joh. 1:1 3; Hebr. 11:3).15 Het is dus waarschijnlijker dat vers 2 op een of andere manier verbonden moet worden met vers 3.

In het Oude Testament vindt men een aantal teksten die op precies dezelfde wijze worden geconstrueerd als Gen.1:2. Hier geeft het aan, dat er iets wordt toegevoegd door middel van een bijzin, wat noodzakelijk is voor een beter begrip van wat er volgt. Twee voorbeelden van een dergelijke constructie zijn bijvoorbeeld: Gen. 3:1 “En (we) de slang nu was (haja) het listigste van alle dieren van het veld, die de Here God had gemaakt, en hij zei (imperfectum consecutivum) tot de vrouw:” Om wat volgt beter te kunnen begrijpen is noodzakelijk om te weten dat de slang een zeer listig dier was. Gen. 13:2 “En (we) Abram was zeer rijk aan vee, zilver en goud en hij ging (imperfectum consecutivum)…” Om de in dit hoofdstuk beschreven ruzie en scheiding tussen Abraham en Lot te kunnen begrijpen, is het noodzakelijk te weten dat Abram zeer veel vee bezat.16 Zo kan men ook Gen. 1:2 opvatten. Deze opmerking over de toestand van de aarde, nl. dat zij woest en ledig was, etc, is noodzakelijk om te begrijpen waarom God het licht moest scheppen en scheiding moest aanbrengen tussen water en droge, etc.. Op grond van bovengenoemde argumenten ben ik dan ook van mening, dat men in Gen. 1:2 de werkwoordsvorm haja niet mag vertalen met “werd” of “is geworden”. Het Hebreeuws zou dan van een andere werkwoordsvorm gebruik hebben gemaakt en wel van een imperfectum consecutivum. Gen. 1:2 geeft ons aanvullende informatie over wat er in Gen. 1:3 geschiedt: de eerste scheppingsdag. Zo vertalen al de oude vertalingen van het Oude Testament dit vers.

Men kan Gen.1:2 dus beter niet vertalen met “werd”. Maar spreekt deze grammaticale analyse van Gen. 1:2 dan de restitutietheorie tegen? Hierin moeten we voorzichtig zijn. Als vers 2 verbonden moet worden met vers 3 en daar dus iets aanvullend over zegt, dan betekent dat niet dat er geen tijdsperiode kan zijn geweest tussen Gen. 1:1 en 1:2. Hooguit kan men zeggen dat de bijbeltekst daarover geen uitspraak doet, pro noch contra. Wel is het zo, dat als de tekst dit echt bedoeld zou hebben, men voor een andere werkwoordsvorm zou hebben gekozen. De vraag blijft natuurlijk wel staan hoe men de uitdrukking tohoe wabohoe moet vertalen.

Is tohoe wabohoe een chaos?

Één van de belangrijkste argumenten die de aanhangers van de restitutietheorie aanvoeren voor hun opvatting, dat de aarde na de schepping tot een chaos is geworden, wordt gevormd door de vertaling van de woorden tohoe wabohoe. Zij vatten namelijk deze woorden op als een aanduiding voor een complete chaos. Nu behoeft de Nederlandse uitdrukking “woest en ledig” niet primair te slaan op een chaos. Dat blijkt uit de nieuwste “Dikke van Dale”. Deze geeft onder het trefwoord “woest” de volgende omschrijving:

“1. Ledig, zonder plantengroei of onbebouwd: de aarde nu was woest en ledig (Gen. 1:2); woeste grond, niet in cultuur gebracht.
2. wild, verwilderd, onordelijk”

De “dikke van Dale” kiest in navolging van de Nederlandse bijbelvertalingen in Gen.1:2 voor de eerste betekenis van “woest”. Daarentegen kiezen de aanhangers van de restitutietheorie voor de tweede interpretatie van woest, namelijk als iets dat onordelijk is. Het Nederlands brengt ons dus niet veel verder. Wat valt vanuit het Hebreeuws over deze woorden te zeggen?

De woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws brengen ons evenmin veel verder. Zo geeft het “Bijbels Hebreeuws Nederlands Woor¬denboek” van E. Italie uit 1907 (herdruk 1994, de Haan-boeken, Ede), in navolging van het gezaghebbende Duitstalige Hebreeuwse woordenboek van Gesenius als vertaling van tohoe “woestenij; woestheid; verwoesting” en van bohoe “ledigheid; eenzaamheid”. De modernere woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws leveren weinig nieuws op, of het moest zijn, dat zij tohoe met ledigheid vertalen en bohoe met woestenij, net andersom dus.

Een probleem is dat we in het Hebreeuws geen woorden van dezelfde stam hebben. Kenmerk van de Semitische talen is namelijk, dat men van een woordstam verschillende woorden kan afleiden, waardoor we een idee krijgen wat zo’n woord betekent. Evenmin zijn in andere semitische talen parallellen voor de woorden tohoe wabohoe gevonden. In populaire studies wordt vaak beweerd dat zij verwant zijn aan woorden in het Babylonisch-Assyrisch, maar dit is niet juist gebleken. Mogelijk is het woord tohoe verwant an het Ugaritische woord thw dat woestijn betekent. Voor de vertaling van dit woord kunnen we daarom niet bij andere talen te rade gaan.

Het raadplegen van een Hebreeuwse concordantie leert ons dat het woord tohoe twintig keer in het Oude Testament voorkomt, waarvan drie keer in combinatie met bohoe, dat verder los niet voorkomt. Behalve in Gen. 1:2 komt het in combinatie alleen voor in Jes. 34:11 en Jer. 4:23. Los wordt tohoe meestal vertaald met “leegheid”.

U. Cassuto, een Israëlische geleerde heeft in zijn commentaar bij Gen. 1:2 opgemerkt dat de meeste commentatoren de fout maken dit woord tohoe apart te bestuderen. Naar zijn mening is dit methodisch niet juist. De uitdrukking tohoe wabohoe vormt een vaste uitdrukking en behoeft daarom niet vertaald te worden als de afzonderlijke woorden. Als voorbeeld van zo’n samengestelde uitdrukking, die tezamen iets anders betekenen als de afzonderlijke componenten, noemt hij het modern Hebreeuwse woord kolno’a. het is samengesteld uit de woorden kol, letterlijk stem en no’a letterlijk beweging. Maar tezamen is het het woord voor bioscoop! Dit zou je uit de afzonderlijke woorden niet zo gauw opmaken. Hij vat tohoe wabohoe als een uitdrukking op.17 De meeste vertalingen vertalen deze woorden als bijvoeglijke naamwoorden, maar gezien de woordsconstructie ligt het meer voor de hand om aan zelfstandige naamwoorden te denken, dus bijv. niet woest en ledig, maar woestheid en ledigheid.

Laten we daarom de drie teksten Gen. 1:2, Jer. 4:23 en Jes. 34:11 eens nader bekijken. Wat kunnen we uit de context van Gen. 1:2 opmaken met betrekking tot de uitdrukking tohoe wabohoe? De aarde was bedekt met water alles daarboven was als het ware bedekt met duisternis. Er waren geen levende wezens, geen planten of dieren. Er was sprake van een totale leegheid en verlatenheid. Vandaar dat ook velen hebben voorgesteld om tohoe wabohoe te vertalen met “leegheid” of “complete leegheid”. De aarde was immers leeg, er waren geen planten, dieren en mensen. Deze moesten nog geschapen worden.

In Jer. 4:23 lezen wij: “Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet.” Deze tekst geeft een beschrijving van hoe het land er uit zal zien nadat de vijanden uit het noorden er hebben huisgehouden. Er is dan geen mens meer over, alle vogels zijn weggevlogen (vers 25), het land is tot een woestenij geworden (vers 26, 27). Deze situatie zal te vergelijken zijn met de situatie van de eerste scheppingsdag. Het aspect van leegheid past dan ook goed binnen deze context. Het land is ontvolkt en zelfs de dieren en vogels zijn verdwenen. Nu is hier inderdaad sprake van een oordeel. Door de zonden van het volk en van haar leiders is het land door vijandelijke legers uit het noorden aangevallen, veroverd en verwoest. Maar het oordeel komt hierin tot uiting, dat het land, dat eertijds een dicht bevolkt land overvloeiende van melk en honing was, als het ware weer terug geplaatst is naar de situatie van voor de eerste scheppingsdag. Daarom mogen we op grond van deze tekst niet de conclusie trekken dat ook in Gen. 1:2 sprake is van een oordeel van God.

Evenzo verwijst Jes. 34:11, het gedeelte dat spreekt over het gericht van God over Edom, terug naar Gen. 1:2. “em>Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit, uil en raaf huizen daar; Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der ledigheid”. Het vroeger zo dichtbevolkte gebied van Edom zal nu aan de wilde dieren ten prooi vallen, omdat er geen mensen zullen wonen. In het gericht van de HERE zijn zij allen door het zwaard omgekomen. Vers 12 vervolgt met: “Van zijn edelen is er geen, die het koninkrijk uitroept, en geen zijner vorsten is er meer. In zijn burchten schieten dorens op, netels en distels in zijn vestingen; en het zal een verblijf voor de jakhalzen zijn, een hof voor de struisvogels.” Ook hier is een duidelijk aspect van leegheid aan te wijzen: het land is onbewoond, er zijn geen inwoners meer, en daarom is het prijsgegeven aan de wilde dieren. Dat vormt het oordeel dat het land Edom zal lijken op de aarde voor de eerste scheppingsdag, toen er nog geen mensen waren.

Een andere tekst die de aanhangers van de restitutietheorie vaak aanhalen is Jes. 45:18. “Want zo zegt de HERE, die de hemelen geschapen heeft – Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (tohoe) heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de HERE en er is geen ander“. Volgens hun blijkt hieruit dat God de wereld niet tot een chaos heeft geschapen, dus de situatie van Gen. 1:2 is niet oorspronkelijk maar zo geworden. Mijns inziens wordt hier vooral het contrast tussen “baaierd” (tohoe) en “ter bewoning” benadrukt. De HEERE, de enige verlosser van Israël, de Schepper van hemel en aarde, wil dat Zijn volk naar Hem luistert, zich tot Hem bekeert, zodat zij zullen terugkeren uit de ballingschap en veilig zullen wonen in het land, dat Hij hen heeft gegeven. Blijkbaar is tohoe hier het tegenovergestelde van iets dat bewoond is. Ook hier past het aspect van leegheid. God heeft immers de wereld geschapen opdat het vol leven zou zijn en bewoond zou worden door mensen en dieren. Men mag daarom op grond van Jer. 4:23 en Jes. 34:11, waar sprake is van een oordeel van God over resp. Juda en Edom niet de conclusie trekken dat ook in Gen. 1:2 sprake is van een oordeel van God. Al deze teksten wijzen terug naar Gen. 1:2 en ze waarschuwen de toehoorders dat de situatie weer zal worden, zoals het ook voor de eerste scheppingsdag was, namelijk onbevolkt en leeg. Het oordeel is juist dat de klok teruggedraaid zal worden. In Gen. 1:2 zelf is echter geen sprake van een oordeel, maar van een begintoestand. Een vertaling “chaos” in Gen. 1:2 en andere teksten is mijns inziens dan ook niet goed gekozen. Het woord “chaos” heeft in onze taal een negatieve bijklank, die we in de bijbeltekst niet vinden. Het woord chaos zelf is van Griekse oorsprong en staat in tegenstelling tot kosmos, de geordende wereld. Daarentegen hebben de Hebreeuwse woorden de connotatie van leegheid en onbewoond zijn. Het is nog maar de vraag of in het oudtestamentische denken eenzelfde inhoud geeft aan het woord chaos, zoals de Grieken dat doen.

Hoe moeten we ons dan de situatie van Gen. 1:2 voorstellen? U. Cassuto geeft een mooie beschrijving van dit vers: “Net zoals de pottenbakker, wanneer hij een mooie vaas wil maken, eerst een klomp klei pakt en het op een pottenbakkerswiel plaatst om het te kneden, zoals hij het wil, zo maakte de Schepper eerst voor zich zelf het ruwe materiaal van het universum om het daarna te ordenen en leven te geven. Omdat alles nog niet gevormd was, lagen de zwaarste materialen op de bodem, met het water als het lichtste er boven op. En deze situatie wordt tohoe wabohoe genoemd. Er is dus geen sprake van chaos of wanorde in de negatieve zin des woords, maar alleen van een onbewoonde, nog niet geordende situatie.” Hoe zouden we tohoe wabohoe dan kunnen vertalen? Sommige geleerden denken dat bohoe een versterking vormt van tohoe. Je zou het dan kunnen omschrijven als een uiterste leegheid. Toen God in vers drie met scheppen begon, was de aarde in een complete staat van verlatenheid en eenzaamheid.

Kan een dag ook een tijdperk zijn?

Er zijn in de loop van de tijd veel theorieën ontwikkeld die trachten het bijbelse scheppingsverhaal met de evolutieleer te harmoniseren. Sommigen baseren zich hierbij op de verta¬ling van het He¬breeuwse woord jom. Gewoonlijk wordt dit woord met “dag” vertaald, maar in Gen. 1 zou het dan met “tijdperk” vertaald moeten worden. De zogenaam¬de concordis¬tische opvatting (Day Age Theory) po¬neert dat de dagen van Genesis tijdperken van lange duur zijn geweest, die overeenkomen met de geologische tijdperken.18 Een variant hierop is de zogenaamde interperiodistische opvatting (Pictorial Day Theory). Deze gaat er wel vanuit dat een jom een tijdvakken van vier en twintig uur is, maar de dagen van de schepping zijn echter niet aaneensluitend, maar van elkaar gescheiden door perioden van lange duur. De zes dagen van de schepping zijn niet de dagen van de scheppingsarbeid, maar van de scheppingsopenbaring.19 Aan bovengenoemde theorieën verwant is de zogenaamde kaderopvatting (Framework Hypothesis).20 Volgens deze opvatting biedt Genesis 1 slechts een beschrijving van de scheppingswerken die volgens een bepaalde kunstmatige orde over zes dagen worden verdeeld. Of dit de juiste volgorde van de schep¬ping is, is niet van belang. Evenmin is het van belang hoe lang de dagen van Gen. 1 hebben geduurd. Omdat deze theorieën zijn gebaseerd op de vertaling van het woord jom, wil ik hieronder nagaan of dit vanuit taalkundig oogpunt wel mogelijk is. Kan het woord voor dag in Gen.¬ 1 ook vertaald worden met “tijdperk”. Gaat het hier om een dag, anders dan een dag van vierentwintig uur?

Één van de moderne verdedigers van de opvatting dat jom met tijdperk vertaald moet worden, is een bekende Amerikaanse evangelische oudtestamenticus, Gl.L. Archer in zijn inlei¬ding op het Oude Testa¬ment.21 Volgens hem zijn er drie verschillende opvattingen mogelijk:

  1. Het Hebreeuwse woord jom geeft een letterlijke dag van 24 uur aan: de schepping (of herschepping) heeft in zes dagen plaatsgevonden. Merkwaardigerwijs verbindt hij deze theorie aan de restitutietheorie, die hij overigens afwijst.
  2. Het woord jom geeft een openbaringsdag weer. Mozes zou dan in een visioen, gedurende zes dagen hebben gezien hoe God de hemel en de aarde heeft geschapen. Zoals Archer zelf al opmerkt, is er weinig in de tekst van Genesis, dat hiervoor steun biedt.
  3. Het woord jom betekent niet dag, maar tijdperk of stadium. De zes scheppingsdagen zijn dan ook scheppingstijdperken geweest.

Archer hangt de derde theorie aan. Het is volgens hem de enige opvatting die min of meer in harmonie is met hetgeen de geologie en evolutietheorie ons leert. Zijn bezwaren tegen de opvatting van jom als letterlijke dag zijn tweeledig: In Gen. 2:4 staat letterlijk: “Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde in hun geschapen worden, op de dag (jom) dat zij gemaakt werden“. Het woord jom slaat in dit vers op de hele schepping in zes dagen en niet op één dag. Ten tweede staat er in Gen. 1:27 dat op de zesde dag man en vrouw werden geschapen. Uit Gen. 2 blijkt echter duidelijk dat tussen het scheppen van Adam en de schepping van Eva meer dan één dag moet zijn geweest. Immers hoe was het mogelijk dat binnen een dag of waarschijnlijk zelfs in enkele uren Adam niet alleen in staat was de hof van Eden te bewerken, maar ook alle dieren van een naam te voorzien en op te merken dat hij eenzaam was. Daarom moet de zesde dag, aldus Archer, wel langer hebben geduurd dan vier en twintig uur. Als dat zo is, kunnen de andere dagen ook wel langer dan vier en twintig uur hebben geduurd.

Heeft Archer hierin gelijk? Men behoeft hiervoor slechts de gezaghebbende woordenboeken van het Bijbels Hebreeuws te raadplegen. In één blik ziet men dat het woord jom, losstaand en niet verbonden met een voorzetsel, in alle gevallen “dag”, in de gewone betekenis van het woord, betekent. Duidelijke teksten zijn onder andere Gen. 8:22 en 29:7, waar “dag” wordt gebruikt als tegenstelling tot “nacht”. Wanneer jom echter met een voorzetsel, zoals bijvoorbeeld be (in, op) wordt verbonden, dan kan wel vertaald worden met “ten tijde van” of “toen” in plaats van “op de dag (dat)”. Dit is echter een vaste uitdrukking, zoals we ook in het Nederlands kunnen zeggen “ten dage van” met de betekenis van “ten tijde van”. In Gen. 2:4 wordt jom gebruikt in samenstelling met be en mag om die reden vertaald worden met “toen”. Deze tekst mag daarom niet gebruikt worden als bewijs voor een vertaling van jom als “tijdperk”.

Dat het om letterlijke dagen gaat, blijkt wel uit de uitdrukking “en het was avond, en het was morgen…“, en uit het feit dat op de derde dag zon, maan en sterren werden geschapen. Hoelang zo’n dag precies heeft geduurd, valt natuurlijk niet meer na te gaan. Wij weten niet of de tijdsduur van de draaiing van de aarde ten tijde van de schepping verschilde van die heden ten dage. Maar daaruit mag niet de conclusie worden getrokken dat de duur van zo’n dag dan wel gelijk aan die van een tijdperk moet zijn geweest. Daarom worden bovengenoemde theorieën, hoe aantrekkelijk het ook mag zijn om de zo de evolutieleer met het bijbelse scheppingsverhaal te verbinden, niet gesteund door onze kennis van het Hebreeuws.

Voetnoten

‘In debat over het begin’ – Dr. Terry Mortenson in debat met dr. Gijsbert van den Brink (2009)

In het Darwinjaar 2009 was historicus en theoloog dr. Terry Mortenson op tournee in Nederland. Voor het Reformatorisch Dagblad ging hij in debat met systematisch theoloog dr. Gijsbert van den Brink. ‘In debat over het begin‘, met dank aan het Reformatorisch Dagblad kunnen we dit debat hieronder delen.

COLUMN: De les van de kokmeeuw

De in Nederland veel voorkomende kokmeeuw (Chroicocephalus ridibundus) is een prachtig beestje. De naam komt van het woord ‘kokkeren’, naar het geluid dat de vogel voortbrengt. Rondom het overlijden van onze lieve zoon Jarco zag ik een bijzondere persoonlijke les in deze kokmeeuw.

Het was dinsdag 19 juli 2022. Onze zevenjarige Jarco lag in het ziekenhuis na zaterdag een hersenbloeding te hebben gehad. Onze lieve jongen is na de bloeding niet meer bij geweest en zijn leven glipte als los zand door onze vingers. Artsen stonden machteloos en gaven tijdens het bespreken van de MRI-uitslag aan niets meer te kunnen doen! De mens wikt, maar God beschikt!

De nacht na deze uitslag konden wij niet slapen. Ja, de Heere had tegen ons gesproken. Hij zou Zijn kind thuishalen. Ons lieve kind sterven? Daar is kracht van Boven voor nodig! We lagen in het ‘Ronald McDonald’ (RMD)-huis. De tweede helft van de nacht ben ik naar Jarco toe gegaan om hem nog even stevig vast te houden. Ik liep naar buiten en keek omhoog in de donkere nacht. Ik zag een kokmeeuw heen en weer vliegen. Een andere kokmeeuw zat luid krijsend op de lantaarnpaal. Op een gegeven ogenblik ging de vliegende kokmeeuw ook op de lantaarnpaal zitten. En daar zaten ze zo met elkaar te communiceren. ‘Ja, nu kan dat nog’, dacht ik, en liep door naar de hoofdingang van het Wilhelmina Kinderziekenhuis (WKZ).

De volgende dag stierf onze lieve jongen in onze armen. Omdat het al laat was besloten we opnieuw in het RMD-huis te slapen. Die nacht konden we weer niet slapen. Om half vier besloot ik een rondje te lopen. Ik zag opnieuw de kokmeeuw die nu zeer onrustig heen en weer vloog. De vogel was alleen. Alsof hij met zijn onrust wilde zeggen: ‘Waar is mijn maatje, mijn lieveling, toch?’ Ik dacht: ‘ik begrijp je onrust, want ik ben ook mijn lieve jongen kwijt?’ Waar moest ik heen? Ik streek neer op een bankje voor het WKZ en overdacht Job 19 vers 23-27. Ik zonk weg in verwondering over het herscheppende werk van de Heere en luisterde Psalm 27:7 ‘Zo ik niet had geloofd’.

Met hernieuwde kracht liep ik weer terug. Het begon al wat lichter te worden. Ik keek nog één keer naar boven en zag de kokmeeuw vlak voor het gebouw rustig een rondje vliegen. Toen vloog het beestje weg. Ik keek de vogel na, totdat ik het niet meer zag. Toen hoorde ik in de verte luid gekokker van nog meer kokmeeuwen. De les van de kokmeeuw: weer terug naar de andere familieleden. We hebben namelijk nog meer kinderen van de Heere gekregen om voor te zorgen!

Dit artikel verscheen eerder in het gezinsblad ‘Om Sions Wil’ en is met toestemming van de redactie hier overgenomen. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2022, De les van de kokmeeuw, Om Sions Wil 2022 (25): 11. Hier is wat meer te lezen over ‘Om Sions Wil’.

ANDERE COLUMNS UIT 'OM SIONS WIL' JAARGANG 2022

Slavernij in de Bijbel: een excuus voor het tot slaaf maken van zwarten?

In mijn jonge jaren heb ik in Amerika diverse creationistische conferenties meegemaakt. Daar heb ik prachtige lezingen gehoord, maar ook bijzonder vreemde toespraken. Ik herinner me een medicus die wilde bewijzen dat de zonde gekoppeld was aan een bepaald chromosoom, en omdat Jezus wel een aardse moeder, maar geen aardse vader had, kreeg Hij niet dat zonde-chromosoom mee – vandaar zijn zondeloosheid. Ik (als geneticus) wreef mijn ogen uit over deze nonsens.

Maar een andere toespraak was nog doller. Hier was een spreker die wilde bewijzen dat zwarte mensen inferieure mensen waren – indien zij al ‘mensen’ in bijbelse zin waren – en dat witte mensen zich niet met hen moesten vermengen. Impliciet bood de spreker daarmee een zekere rechtvaardiging van de Amerikaanse slavernij (zij het niet voor de wreedheid ervan). Eerlijk gezegd heeft dat soort toespraken mijn vertrouwen in het klassieke Amerikaanse creationisme destijds behoorlijk aangetast; wat liepen daar voor malloten rond!?

Ik realiseerde me dat die tweede toespraak precies van het soort was waarmee sommige christenen vroeger het tot slaaf maken van zwarte mensen hebben geprobeerd te rechtvaardigen. Daarbij voerde men met name twee ‘bijbelse’ argumenten aan. Het ene argument was dat noch het Oude, noch het Nieuwe Testament ernaar streefde de slavernij als zodanig uit te bannen. Men zag niet in dat dit nog geen rechtvaardiging van de slavernij betekende. Men zag namelijk niet dat God er allereerst op uit is de slaven zélf te veranderen, en ook hun meesters geestelijk te vernieuwen (vgl. Ef. 6:9; Kol. 4:1); dan zou de slavernij als maatschappelijk instituut op de lange duur vanzelf wel verdwijnen. Zo is het in de gekerstende Romeinse wereld inderdaad gegaan.

Het tweede ‘bijbelse’ argument betrof de vervloeking van Kanaän, de zoon van Cham, in Genesis 9:25. De eerste fout die men maakte is dat men die vervloeking stilzwijgend van Kanaän overhevelde op vader Cham, zodat alle Chamieten als vervloekt werden beschouwd. En de tweede fout die men maakte was Cham tot stamvader van met name de zwarte volken te maken. Ergo: de zwarte volken waren door God vervloekt. In allerlei oudere bijbelverklaringen (Matthew Henry, Keil & Delitzsch) wordt deze verklaring als vanzelfsprekend overgenomen, ook al veroordeelden de oudere uitleggers de slavernij wel. Ook in de tijd van de apartheid in Zuid-Afrika was de hier genoemde verklaring van Genesis 9 nog heel gewoon. En een bijbelleraar als Isaäc da Costa zat in zijn jonge jaren ook op deze lijn: in zijn Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) verwierp hij de voorgestelde afschaffing van de slavernij, omdat hij die afschaffing als modernistische nieuwlichterij beschouwde. (Later nam Da Costa overigens een genuanceerder standpunt in.)

Een enorm principieel verschil tussen slavernij zoals die ook onder het volk Israël voorkwam, en de slavernij van zwarten – tot in de negentiende eeuw aan toe – was dat deze laatste racistisch was: zwarten mochten tot slaven gemaakt worden omdat zij vervloekte zwarten waren. In de Bijbel is de slavernij nooit racistisch; een verarmde Israëliet kon zelfs zichzelf als slaaf verkopen (Ex. 21), en krijgsgevangenen (vijanden van Gods volk) konden tot slaaf gemaakt worden (Deut. 21). Maar racistische slavernij – het tot slaaf maken van bepaalde mensen omdat zij bepaalde raciale kenmerken vertoonden – kwam in Israël niet voor. Wél bij de Egyptenaren: de Israëlieten werden tot slaven gemaakt omdat zij Israëlieten waren. Daarom stortte God zijn plagen uit over deze door en door racistische slavernij.

De katholieken én protestanten die, op vaak wrede wijze, in Afrika slaven buitmaakten om die in de Nieuwe Wereld als slaven te verkopen, verdienden diezelfde plagen. Stel je voor: met name de Hollanders waren goed in het transport van zulke slaven: bovendeks deden zij hun Schriftlezingen en zongen zij hun Psalmen, terwijl zij in het ruim van hun schip achthonderd geroofde zwarte gevangenen vervoerden, en dat ook nog eens in de wetenschap dat een kwart van hen onderweg zou bezwijken. Deze praktijk goed te praten met een beroep op de slavernij in de Bijbel getuigde van grote onwetendheid of morbide zelfbedrog.

Er waren enkele predikanten in de Nadere Reformatie die de slavernij veroordeelden; Bernardus Smytegelt († 1739) bijvoorbeeld. Maar er waren er ook die de slavernij goed praatten; Godefridus Udemans († 1649) bijvoorbeeld.1 Ik ken van vóór 1800 geen enkele Nederlandse religieuze stroming die in dit opzicht geheel en al vrijgepleit kan worden. Onze voorouders waren collectief schuldig aan de vreselijke slavernijpraktijken.

Naast het genoemde principiële verschil (racistische en niet-racistische slavernij) waren er ook grote praktische verschillen. In de kerken waar nog elke zondag de Tien Geboden worden voorgelezen, kan men het elke zondag horen. Eerst in het vierde gebod: op de sabbatdag mag niemand werk verrichten, ook je dienstknecht en je dienstmaagd niet. Oftewel: ook je slaaf en je slavin niet (zie hetzelfde woord ‘slaaf/slavin’ in bijv. Gen. 12:16; 20:14; 32:5; 39:17,19). En in het tiende gebod: ‘Je moet niet de dienstknecht of de dienstmaagd van je naaste begeren’. Oftewel: ‘de slaaf of de slavin van je naaste’.

Zolang de Torah bestaat, zal het gezegd blijven worden: gun je slaven hun wekelijkse rust en blijf van de slaven van je naaste af! Het fenomeen ‘slaaf’ bestond nu eenmaal – maar wees dan op z’n minst goed voor je slaaf. Bovendien zegt het achtste gebod: ‘Je moet niet stelen’, en dat gaat óók over het stelen van mensen (Deut. 24:7). Hadden al die witte slavenhandelaars uit vroeger eeuwen dát maar eens bedacht: ‘Hij die een man steelt en hem verkoopt, moet zeker ter dood gebracht worden’ (Ex. 21:16). Laten we het na honderdvijftig jaar maar eens gewoon mogen zeggen: onze voorouders die dik geld verdienden aan de zwarte slavenhandel, hebben – volgens de Wet van Mozes – stuk voor stuk de doodstraf verdiend.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Het Nieuwe Testament is betrouwbaar – Dr. Arie Dirkzwager sprak op 20 mei 2021 te Bilzen

Op 20 mei 2021 sprak de classicus dr. Arie Dirkzwager in Bilzen over de betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament. Hij deed dat voor, het helaas ter ziele gegane, Logos Vlaanderen. Gelukkig is zijn lezing opgenomen en hieronder terug te kijken.

Kan de wetenschap alles verklaren? – Drs. Hans Reinders bespreekt het gelijknamige boekje

Een boeiend populairwetenschappelijk werk over de relatie tussen wetenschap en geloof. Kan de wetenschap alles verklaren? van John C. Lennox is een populairwetenschappelijke uitgave over de relatie tussen wetenschap en geloof. De wetenschap heeft de wereld veel gebracht. Voor velen heeft godsdienst daarom geen betekenis meer als het gaat om antwoorden op de grote levensvragen. In dit boek gaat John Lennox in op de relatie tussen geloof en wetenschap. Hij put daarbij uit zijn ervaring als christen, tientallen jaren van wetenschappelijk onderzoek en talloze debatten met allerlei soorten mensen. Het meest met vooraanstaande wetenschappers zoals Richard Dawkins en Christopher Hitchens.

Wie hij is

John Lennox (1943) is geboren in Noord-Ierland en professor in de Wiskunde. Zijn ouders waren vredelievend. In de strijd tussen de protestanten en rooms katholieken namen ze geen positie in. In hun winkel werkten namelijk mensen uit beide richtingen. Om die reden kregen ze te maken met bomaanslagen. Lennox zelf wil ook de strijd beslechten maar nu niet tussen de protestanten en rooms katholieken maar tussen geloof en wetenschap. De vraag is hoe hij dat doet. Of anders gezegd: welke van de twee gaat sneuvelen of welke van de twee moet zich schikken naar de ander?

Geloof en wetenschap

Lennox begint harmoniërend. Geloof en wetenschap kunnen volgens Lennox goed samengaan. Lennox beroept zich op C.S Lewis. Lewis zei dat veel christelijke wetenschappers hun werk deden in de overtuiging dat er een Wetgever is. Dus liggen er aan deze wereld wetmatigheden ten grondslag die bestudeerd kunnen worden. Lennox somt in dit boek diverse christelijke wetenschappers op uit het verleden zoals: Galileo, Kepler, Pascal, Boyle, Newton en Faraday. Zij konden wetenschap bedrijven juist omdat zij christen waren. Zij werkten namelijk vanuit de overtuiging dat er wetmatigheden zijn omdat er een Schepper is die alles geordend heeft geschapen.

Galileo botste niet met de Bijbel

Galileo die stelde dat de aarde om de zon draaide is destijds door de kerk veroordeeld en is dus een mooi voorbeeld van het gedachtegoed dat geloof en wetenschap niet kunnen samengaan. Hier duikt de eerste spanning op. ​Lennox weet er echter wel raad mee. Volgens hem waren het juist de hoogleraren, de wetenschappers in die dagen die aandrongen op een veroordeling. Galileo zette namelijk hun aristotelische wereldbeeld buitenspel. Het waren juist de geleerden die er alles aan gedaan hebben om de kerkelijke autoriteiten te overtuigen om Galileo het zwijgen op te leggen en hij kreeg inderdaad een spreekverbod. De kerk liet zich dus meeslepen. Daar kwam bij dat Aristoteles die meende dat de zon om de aarde draaide een dominante positie had in de Roomse kerk.

Lennox merkt op dat Galileo een gelovige was. Maar hoe kan dat want in de Bijbel staat dat de zon om de aarde draaide (“Zon sta stil” Jozua 10:12-14)?! Dat is waar maar deze visie is gebaseerd op waarneming van gewone mensen en niet op een Bijbels gebod of bekendmaking. Er staat niet in de Bijbel: God schiep de zon en Hij liet deze om de stilstaande aarde draaien. Kortom Galileo botste niet met de Bijbel maar met een foute uitleg van de Bijbel die nog versterkt werd door de wetenschappers die van een aristotelische wereldbeeld uitgingen.

Van Isaac Newton (1643-1727) naar Stephen Hawking (1942-2018)

Lennox stelt dat er tussen Isaac Newton en Stephen Hawking drie eeuwen liggen. In die periode heeft zich een heel grote verandering voltrokken. Newtons gedachtegoed was als volgt: omdat God de Schepper is, heeft Hij alles wetmatig en geordend geschapen en kunnen wij, omdat Hij ons verstand heeft gegeven als Zijn beelddrager, deze wetten bestuderen. Hawking zei echter openlijk: “omdat er wetten zijn zoals de zwaartekracht kan en zal het universum zichzelf scheppen uit het niets”. Lennox rekent af met de visie van Hawking als hij opmerkt: “Een wereld waarin slimme wiskundige wetten zelf het universum en het leven laten ontstaan is pure (science) fiction”.

Van gezonde wetenschap (Newton) naar sciëntisme (Hawking)

Wetenschappers zoals Hawking trekken een te grote broek aan volgens Lennox als zij menen dat zij het ontstaan van het universum kunnen verklaren. Dan verandert wetenschap in sciëntisme volgens Lennox. Lennox, die zelf wetenschapper is, heeft niets tegen gezonde wetenschap. Integendeel! Die wil hij juist bevorderen maar hij heeft wel wat tegen sciëntisme. Sciëntisme stelt namelijk dat wetenschap alles kan verklaren. Lennox stelt in navolging van professor A. van den Beukel dat de dingen hun geheim hebben en dus heeft de wetenschap een grens. De wijze kent de grenzen van de wijsheid en de menselijke kennis.

De Verlichting wordt gekenmerkt door sciëntisme. In het algemeen wordt onder sciëntisme verstaan de wijsgerige visie die van de beoefening der (positivistisch opgevatte) wetenschap de oplossing van alle problemen en alle mysteries verwacht. Het is de overtuiging dat de wetenschap, met haar gebruik van de wetenschappelijk methode, een verklaring voor al wat is kan geven. En de overtuiging dat de opinies-bevindingen van de wetenschap beslissend zijn. De wetenschap als hoogste autoriteit. (A.P. Geelhoed) (Bron: https://www.encyclo.nl/lokaal/10442).

Wetenschap is geen erfelijke besmetting maar geloof juist wel

De mindset van een atheïst is als volgt: Hij ziet allereerst geloof als een erfelijke besmetting. Geloof is namelijk niet bewijsbaar en dus onwetenschappelijk. Een atheïst zoals hij daarentegen is een echte zelfstandige denker en dus een echte wetenschapper die op zoek is naar bewijzen. Lennox weerlegt deze mindset. Met deze mindset rechtvaardigt de atheïst diens positie. Ook atheïsme is erfelijk (uit welk gezin kom je?) en wordt veelal gekweekt in wetenschappelijke kringen. Wie er anders overdenkt wordt meteen geframed als iemand die totaal ongeschikt is voor de wetenschap. Bovendien, zo stelt Lennox, dat God niet bestaat is niet bewijsbaar maar slechts een aanname. Andersom is ook waar. Het geloof zoekt ook inzichten en bewijzen. Jezus deed vele wonderen waar niet alleen zijn leerjongeren maar ook de menigte bij was. Jezus bewees dus Zijn Goddelijke macht. Die Goddelijke macht maakt Jezus door wonderen controleerbaar. Alleen de reactie erop was divers. Feitelijk is dat nu nog zo. Volgens Calvijn is deze wereld een schouwspel van Gods almacht en Zijn Vaderlijke zorg voor de mensen.

Wetenschap doet aan vereenvoudiging en versimpeling

De wetenschap kan slechts de complexe werkelijkheid verklaren met eenvoudige modellen. Die modellen kun je vergelijken met een foto. Een foto kan je op het spoor zetten maar het is nog niet de werkelijkheid. Wie op een foto de bergen in Oostenrijk ziet, krijgt enige indruk van de schoonheid van de bergen maar wie er echt gaat kijken zal met de koningin van Scheba (Sjeba) vol verwondering zeggen: “Nog niet de helft is mij verteld” (1 Koningen 10:7). Zo is het ook met de wetenschap en menselijke kennis. Alle wetenschappers bij elkaar weten nog niet de helft. Die andere – zeer belangrijke – helft vertelt de Bijbel ons. De Bijbel vertelt ons namelijk het verleden waar wij niet bij waren (schepping, zondeval en het plan van de verlossing) en onze toekomst (nieuwe schepping) als wij door het geloof deel krijgen aan Zijn heerlijke verlossing. Noch de microscoop noch de telescoop geven ons daar een enige indruk van.

De ware wetenschap heeft een grens

Een goed wetenschapper beseft dat hij niet alles kan verklaren en over alles na kan denken. Maar niet alleen een enkele wetenschapper heeft een grens maar ook de gehele wetenschap zelf. Wie zijn of haar wetenschappelijke grens bereikt, zal als het goed is zich gaan verwonderen over het onverklaarbare. Helaas is het zo dat een kind deze grens eerder bereikt dan een wetenschapper. Wetenschappers lopen nu eenmaal niet snel te koop met hun onkunde. Toch zijn er gelukkig nog veel wetenschappers die aanvaarden dat we niet alles weten en dat er nooit een punt komen zal dat we alles zullen begrijpen. Zo kwam er een atheïst, volgens Lennox, tot het geloof toen hij de complexiteit van het DNA bestudeerde. ​Als wetenschapper kwam hij tot de conclusie dat daar beslist een Schepper aan ten grondslag moet liggen.

Wijs maar wel bescheiden

Van de wijsheid in Bijbelse zin kunnen we veel leren. Het is namelijk kenmerkend voor de wijsheid in de Bijbel dat de menselijke wijsheid een grens heeft richting God en het bovennatuurlijke. Neem het boek Job. Job die in zijn leven ontzaglijk veel te lijden kreeg en door zijn vrienden werd geprikkeld om na te denken over zijn verhouding met God (zijn vrienden wisten precies hoe het zat met die verhouding) wordt door God gecorrigeerd. God antwoordt Job door hem een flink aantal – voor de mens – onoplosbare vragen voor te leggen (Job 38:1, 4-5): “Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei: (…) Waar was u (Job) toen Ik de aarde grondvestte? Maak het bekend, als u echt inzicht hebt. Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers zo goed. Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen?”. Het uiteindelijke antwoord van Job zou elke (christelijke) wetenschapper moeten inspireren (Job 42:1-3): “Toen antwoordde Job de HEERE en zei: Ik weet dat U alles kan en geen plan is onmogelijk voor U. Wie is hij, zegt U, die Mijn raad verbergt zonder kennis? Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep. Het zijn zaken die te wonderlijk voor mij zijn en waar ik niets van weet“. Een goed (christelijke) wetenschapper kent deze dierbare nieten van Job als het om de hogere zaken gaat.

Een redelijk geloof

In de Bijbel reikt God en Zijn heilige schrijvers de ongelovige of zwak gelovige mens ook bewijzen aan om zo de mens op een redelijke wijze te overtuigen van Zijn bestaan en bemoeienis met deze aarde. Lennox wijst op Elia op de berg de Karmel en op Paulus die in 1`Korinthe 15 de opstanding van Jezus bewijst door te wijzen op de vele mensen die getuigen waren van Zijn opstanding en waarvan de meesten nog leven als hij deze brief schrijft. Er kan dus navraag gedaan worden (1 Korinthe 15:6). Kortom in de Bijbel wordt de mens ook aangesproken als een redelijke schepsel en niet als een gelovige die blindelings heeft te volgen.

In het spoor van Voetius

Lennox gaat hier in het spoor van Voetius, die ook stelde wat betreft het gebruik van de menselijke rede in de theologie, dat de Bijbel op veel plaatsen een redelijk boek is. Om die reden kan er theologie bedreven worden door middel van deze rede volgens Voetius (De ratione humana in rebus fidei1). Waarbij wel gesteld moet worden dat de theoloog als het recht ligt God lief heeft met heel zijn verstand. Anders wordt het namelijk als de rede van de (moderne) theoloog gaat heersen over het Bijbelse geloof. Dan worden wonderen afgedaan als fabels en de Drie-eenheid als een menselijk bedenksel. De rede dient volgens Voetius en Lennox Bijbels gezien maat te houden en dus de Bijbelse maat aan te houden dat wil zeggen onderhorig te zijn aan het Bijbelse geloof.

Wetenschap dient zich te schikken naar het Bijbels gefundeerde geloof

De (Bijbelse) wetenschapper zou moeten beseffen dat God hem of haar zo maar de vraag zou kunnen stellen: waar was je sterveling toen Ik de aarde schiep en waar was je destijds 21ste -eeuwse wetenschapper toen Mijn Zoon wonderen deed? Het boek van Lennox kan hem of haar dan helpen bij het geven van een Bijbels antwoord op deze vraag. Lennox laat namelijk zien dat goede wetenschap een grens heeft maar dat Gods macht en kennis onbegrensd is. Ware en wijze wetenschap schikt zich daarom, volgens Lennox, naar het Bijbelse geloof maar tegelijkertijd zoekt het geloof wel inzichten, volgens Anselmus van Canterbury en dat is precies wat Lennox ons duidelijk wil maken.

Als uitsmijter

Om het bovenstaande kortelijk samen te vatten: voor ware (christelijke) wetenschap en ware (christelijke) wetenschappers hoeft, volgens Lennox die een gelovige wetenschapper is, niemand bang te zijn. Voor (christelijke) wetenschappers die een te grote broek aantrekken mogen we wel enige huiver hebben. Ze zouden ons zo maar op een dwaalspoor kunnen zetten. Wetenschap kan, volgens Lennox, niet alles verklaren en kan zo maar, omdat de mens te overmoedig is, een te grote broek aantrekken door alles te willen verklaren. Helaas zijn er maar al teveel (christelijke) wetenschappers die zo’n grote broek wat al te graag dragen. Het valt te hopen dat door het lezen van dit boek van Lennox deze broek van hun heupen afglijdt.

Red.: Zie ook hier de recensie van prof. dr. Marc de Vries.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website van de auteur. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Zet thema slavernij niet in om Bijbelse richtlijnen te negeren

Het onderwerp slavernij kunnen we niet zomaar gebruiken als breekijzer om bij andere onderwerpen Bijbelse voorschriften terzijde te schuiven. Die vragen een eigen benadering, in onderworpenheid aan de Schrift.

De laatste jaren krijgt de hermeneutiek een sleutelpositie in de toepassing van Bijbelgedeelten. Die wetenschap bepaalt wat wel en wat niet voor ons van toepassing is. Daarbij wordt vaak onze houding tegenover slavernij aangehaald. Omdat wij nu anders dan vroeger met slavernij omgaan, zou het ook geoorloofd zijn om af te wijken van Paulus’ voorschriften over de verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Dr. Sam Janse verdedigde op deze manier de benaderingen in de ”Wetenschapsbijbel” (RD 25-11).

Ruim twintig jaar geleden publiceerde William J. Webb het boek ”Slaves, Women and Homosexuals: Exploring the Hermeneutics of Cultural Analysis”. Hij bepleit daarin de bovengenoemde benadering en trekt de lijnen ook door naar een bepaalde aanvaarding van homoseksualiteit.

In dit artikel richt ik mij op slavernij zoals de Bijbel die beschrijft en zoals die in de afgelopen eeuwen in praktijk gebracht is. Aan het eind kom ik terug op het hermeneutische beroep op de slavernij.

Goedgepraat

Op 1 juli 1863, bijna 160 jaar geleden, is de slavernij in Nederland afgeschaft. Dat ging niet gemakkelijk, want velen vonden de zogenoemde negers minderwaardige mensen. Diverse plantagehouders in Suriname verzetten zich tegen de verkondiging van het Evangelie aan hen: „Laten wij de bekering preken aan diegenen die met ons één vel (huidkleur) zijn, en niet aan de zwarte en rode Chamskinderen, die toch vervloekt zijn.” Met uit het verband gerukte Bijbelteksten werden veel zaken goedgepraat.

In Afrika, voor de kust van Ghana, ligt het fort Elmina. Boven in het fort bevindt zich nog de kerkzaal. Twee verdiepingen lager zaten de slaven, als beesten opeengepakt in de kelders. Boven de deur staat een Bijbeltekst in het Nederlands: „Zion is des Heeren ruste, dit is syn woonplaetse in eeuwigheyd” (Psalm 132:13-14).

Hier is gepreekt en gezongen. Maar onder de kerkzaal, in een ruimte van slechts tien bij vijf meter, zaten honderdvijftig slaven opgehoopt! Van de slaven overleefde 10 procent het niet. Iedere dag werden de dode slaven in de zee gegooid. Tijdens de reizen per schip kwam nog eens 20 procent van de slaven om het leven.

Nederland heeft ruim een half miljoen slaven verscheept, vooral uit Afrika naar Amerika, met name naar Suriname. Als klein land waren we verantwoordelijk voor 5 procent van de wereldhandel in slaven. Het is goed dat de Nederlandse regering in onze tijd het leed van de slavernij erkent.

Barmhartigheid

In de afgelopen eeuwen van de westerse geschiedenis is Cham vaak gezien als de stamvader van de bevolking van Afrika. Hierin is een rechtvaardiging van de slavernij en van de discriminatie van de donkere rassen gezocht. De westerlingen mochten actief helpen met de vervulling van Noachs vervloeking (Genesis 9).

We moeten echter beseffen dat niet Cham vervloekt werd, maar zijn zoon Kanaän. Dit was voor Israël van belang bij de intocht in het land Kanaän, genoemd naar deze zoon van Cham (zie de grenzen in Genesis 10). De bewering dat de zwarte huidskleur een gevolg is van de vloek op Cham en zijn nakomelingen is nergens in de Bijbel te vinden. De nakomelingen van Kanaän waren waarschijnlijk middelbruin, zoals blijkt uit afbeeldingen. Ze waren niet donkerder van kleur dan de Israëlieten of de Filistijnen. Ook blijkt uit het overzicht van volken in Genesis 10 dat de afstammingslijnen niet samenvallen met huidskleuren.

In de tijd van het Oude Testament konden overwonnen vijanden tot slaven gemaakt worden. Zelfs bij deze vorm van slavernij was het voor Israël belangrijk om barmhartig te zijn. Wanneer een Israëliet met een slavin wilde trouwen, kreeg ze een maand lang de gelegenheid om te rouwen over haar vroegere situatie. De man mocht haar in geen geval voor geld verkopen en moest haar eventueel in vrijheid laten gaan (Deuteronomium 21). Het was ook mogelijk dat slaven voor geld gekocht werden.

Ook in die situatie werden de Israëlieten opgeroepen tot barmhartigheid. Bepaalde wetten, zoals de sabbatsrust, waren ook van toepassing op de slaven.

Het Oude Testament noemt ook de mogelijkheid van schuldslavernij. Als een Israëliet verarmd raakte, kon hij zich verkopen aan een volksgenoot. In dat geval was er een dienstverband van zes jaar, gevolgd door een vrijlating in het zevende jaar. Mozes schrijft voor dat de eigenaar aan de vrijgelaten schuldslaaf royale geschenken moet meegeven. Dat gebeurt tegen de achtergrond van Israëls verlossing uit de slavernij van Egypte. In plaats van weg te gaan, is het ook mogelijk dat de schuldslaaf liever bij zijn meester blijft, ongetwijfeld vanwege de goede behandeling (Deuteronomium 15).

Het is onmogelijk hier in te gaan op de vele Bijbelgedeelten over slavernij van buitenlanders en van Israëlieten, maar het valt op dat er steeds sprake is van bescherming van de slaven. Wanneer een eigenaar zijn slaaf of slavin verwondt, zodat deze een oog of een tand kwijtraakt, moet hij daarna de slaaf of slavin vrij laten gaan (Exodus 21).

Het verschil met de behandeling van slaven in ons eigen koloniale verleden is groot. We weten van roofexpedities om slaven te vinden. Gezinnen werden uit elkaar gerukt en velen stierven tijdens de tochten. Eenmaal in dienst van een plantagehandelaar werden velen mishandeld. Tegen die achtergrond is het te begrijpen dat mensen bezwaar gingen maken. William Wilberforce heeft als christen een belangrijke rol vervuld in de afschaffing van de slavernij.

Boeiend om te lezen is dat ds. G.C. Udemans al in 1638 bepleitte dat slaven in het zevende jaar vrijgelaten werden, net als in Israël gebeurde. Hij bepleitte ook het geven van catechisatie aan slaven. Hij zag hen dus als medeschepselen.

Richtlijnen

Tot slot een opmerking over hermeneutiek. Inderdaad gaan wij nu anders om met slavernij dan in de tijd van de Bijbel. In de koloniale tijd zijn Bijbelteksten verkeerd uitgelegd en ook misbruikt om de onmenselijke behandeling van slaven te rechtvaardigen. Het lijkt mij dat vooral de misstanden de roep om afschaffing van de slavernij hebben bevorderd.

De Bijbel beschrijft bij slavernij de bestaande verhoudingen en geeft richtlijnen hoe daarmee om te gaan. Voor ons betekent een goede hermeneutiek ook dat we het verschil in benaderingen van slavernij in de geschiedenis voor ogen houden. Dan kunnen we niet zomaar dit onderwerp gebruiken als een breekijzer om bij andere onderwerpen Bijbelse voorschriften terzijde te schuiven. Die onderwerpen vragen een eigen benadering, in onderworpenheid aan de Schrift. Daarbij is veel wijsheid nodig om de verbinding te maken tussen Gods geopenbaarde wil en de cultuur waarin wij leven.

Red.: Zie ook hier de bijdrage van dr. Wim Fieret over slavernij.

Dit artikel is met toestemming van de auteurs overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Paul, M.J., 2022, Zet thema slavernij niet in om Bijbelse richtlijnen te negeren, Reformatorisch Dagblad 52 (216): 22-23 (artikel).

VU verloochent christelijke achtergrond door aanpassing votum

De wijziging van votum en lofprijzing binnen de VU in een meer ”inclusieve” tekst kwam voor veel medewerkers toch nog als een verrassing. Juist in de huidige tijd, vol zorgen rond psychische belasting van wetenschappers en studenten, is een onveranderlijk kernwaardenstelsel zeer belangrijk. Het Woord verder afstoten is daarmee niet verenigbaar.

In 1980 verscheen ter ere van het honderdjarig bestaan van de VU het prachtige boek ”Wetenschap en Rekenschap”. Er was destijds acht jaar aan gewerkt. Het staat vol bespiegelingen over studeren en onderzoeken aan een christelijke universiteit. De kerngedachte van dit boek sluit aan bij het hoofdredactioneel commentaar waarin wordt gewezen op de eeuwenlange geschiedenis waarop de VU voortbouwt (RD 3-12). Een geschiedenis die zelfs verder teruggaat dan het moment waarop Calvijn in zijn ”Institutie” neerschreef dat wetenschap als een gave van God moet worden beschouwd.

Het mag een student nog vergeven worden als deze vanuit een bijna puberale opstandigheid meent te moeten zeggen dat wetenschap en religie slecht verenigbaar zijn. Daarentegen ligt dit voor de wetenschappelijk onderzoekers in dienst van de VU volkomen anders. Van hen mag wel degelijk worden verwacht dat zij zich rekenschap geven van een lange geschiedenis van christelijke wetenschapsbeoefening. De wijze waarop aan de VU de promotieceremonie is ingericht, reflecteert dit heel erg goed. Het publieke karakter van de verdediging van het wetenschappelijke werk wordt daarbij in een kort gebed gerelateerd aan een verantwoording tegenover God.

Naast een moment van bezinning is dit tevens een uiting van dankbaarheid. Die dankzegging strekt zich uit naar de oprichters van de VU en het christelijk fundament waarop dit instituut steunt.

Arbeidsomstandigheden

Psychische arbeidsbelasting is al jaren een duidelijk probleem binnen het Nederlandse universitaire bestel. De VU vormt daarop helaas geen uitzondering. Voor veel onderzoekers is het moeilijk hun levensopdracht vorm te geven onder enorme werkdruk, met korte contracten en in een zeer competitieve werksfeer.

Een paar maanden geleden had ik samen met acht andere VU-medewerkers een gesprek met de rector, prof. dr. J. Geurts, over arbeidsomstandigheden en het nationale programma ”Erkennen en Waarderen”. In dit gesprek toonde Geurts zich opvallend openhartig en bezorgd over het probleem van psychische arbeidsbelasting en de gevolgen daarvan voor individuele wetenschappers. Ook over zeer schrijnende situaties was met hem het gesprek te voeren. Daarmee toonde Geurts zich een rentmeester van een van de belangrijkste waarden binnen de VU: als gemeenschap van onderzoekers hebben wij ook een opdracht om naar elkaar om te zien. Juist in het verlengde van deze waarde is de voorgestelde wijziging van het votum voor veel kerkgaande VU-medewerkers erg moeilijk te begrijpen.

Een standvastig kernwaardenstelsel kan alleen gestalte krijgen als het in hoofdzaak onveranderlijk is. Het moet niet buigen voor de laatste modegrillen en zich al helemaal niet schikken naar veranderlijke onderwerpen als ”inclusiviteit”, waarvan de interpretatie bijna maandelijks lijkt te wijzigen. De opdracht om zich rekenschap te geven van het verleden omvat ook het vasthouden en eerbiedigen van oorspronkelijke waarden. Professor Geurts zou er daarom goed aan doen het Woord niet af te stoten, maar juist af te stoffen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Hulst, A.C. van, 2022, VU verloochent christelijke achtergrond door aanpassing votum, Reformatorisch Dagblad 52 (215): 32-33 (artikel).