Afgelopen zaterdag verscheen het artikel van Martin Sulman over het zogenoemde ‘modderprobleem’ op de website ‘Oorsprong’.1 Na verschijning deelde ondergetekende zijn artikel via Social Media en diverse Facebook-groepen.2 Daar kwamen een aantal, zowel positieve als negatieve, reacties op, hoewel niet alle groepen het bericht doorgelaten hebben (om voor mij onbekende reden). Hieronder wil ik de reacties met jullie delen. Hierbij ga ik eerst de reacties na die op mijn persoonlijke accounts gegeven zijn en daarna volgen de groepen. De reacties zijn namelijk (soms) ook nuttig voor een vervolg over deze kwestie. Deze keer plaats ik er geen kanttekeningen bij, maar laat de reacties voor zichzelf spreken.

Probleem blijft staan
Willem Jan Blom geeft (via X) aan dat we, na het artikel van de heer Sulman gelezen te hebben, kunnen concluderen dat dikke kleipakketten een ‘inderdaad een probleem vormen voor een korte chronologie’.
Black Shales
Carel Daudey geeft (via Facebook) aan de meeste ‘black shales’ in depressies en bassins terechtgekomen zijn. Volgens Daudey kan 80% van deze ‘black shales’ nog water bevatten na de zondvloed. Daudey legt de grens tussen de zondvloed en de periode na de zondvloed in het Perm. Tot het Perm (dus in de zondvloed) zijn er (bovenop de ‘black shales’) nog behoorlijk wat lagen bij gekomen. In een periode van 500 jaar ná de zondvloed werden de lagen van het Bundsandstein tot het Onderkrijt afgezet. In de dagen van Peleg waren er twee seismische gebeurtenissen ‘die de lithosfeer in resonantie hebben gebracht voor een lange periode’. In deze tijd kunnen we, nog steeds volgens Daudey, de gebergtevorming van de Alpinische ketens (ten gevolge van runaway serpentinering) en de asteroïde-inslag bij Mexico plaatsen. Resonantie in de blackshale bewerkt enorme liquifactie. “In de Krijttijd wordt dit water van de modderlagen onderin de sedimentlagen op het oppervlak van [het] continent gedrukt door de lagen erboven heen.” Ook het diapirisme in de zoutlagen stamt volgend Daudey uit die tijd. “Het is in deze catastrofale tijd dat dinosporen in geocement worden gemaakt en instantaan de botten van dino’s verstenen. Het water was heet en het vlees van de dino’s is eerst gekookt. Vandaar de massagraven met gehusselde beenderen in de nabijheid van rivieren die nu nog bestaan.” Aan het einde van de gebergtevorming is de klap van de asteroïde gekomen (bij Mexico). Deze klap heeft het ‘ontwateringsproces nog een enorme push gegeven’. Hierdoor werden grotten gevormd (in de nog relatief zachte krijtlagen). Regen en modderstromen ‘hebben de gebergteketens gevormd met een zelfde afstand als de resonantiepatronen in de lagergelegen gebieden op de aarde’. Daudey vat zijn verhaal nog eens samen: ‘De dagen van Peleg waren voor de mensen, die gelukkig in een gebied waren zonder Alpenvorming, geen gemakkelijke tijd. Vandaar dat Peleg naar deze globale gebeurtenissen is vernoemd. Veel kalkhoudend warm water in de zee geeft aan de kusten krijtvorming. Vandaar al dat krijt in de Krijttijd’.
Onderwerp levend houden
Paul Garner deelt het artikel van Sulman ook via zijn persoonlijke Facebook-pagina. Daar komt wat reactie op, maar eerst hoe Garner het artikel aankondigt. Garner schrijft dan Scott Dunn zijn ideeën eerder privé met hem gedeeld heeft en dat Garner Dunn aangemoedigd heeft om ze in een creationistisch tijdschrift te publiceren om zo verdere discussie en debat te stimuleren. Critici namen het argument van Dunn over, maar tot nu toe is er weinig reactie van creationistische zijde geweest. Behalve de erkenning dat dit een probleem is dat nader onderzoek behoeft. Sulman geeft de eerste inhoudelijke reactie, met de conclusie dat het probleem niet in Dunns berekening ligt, maar in zijn neiging om het resultaat meer gewicht te geven dan zijn eigen voorwaarden en dat hij de eigenschappen van zijn model verwart met die van de aarde zelf. Mochten de Engelstalige vrienden van Garner een probleem ondervinden met het Nederlandse artikel, dan verwijst hij naar Google Translate.
Op het delen van Garner van het artikel komt reactie. Zachary Ardern geeft aan dat hij het stuk erg lang vindt met veel herhalingen, maar dat het wellicht zal het toch enige discussie uitlokken. Ardern merkt op dat de auteur Dunn verwijt niet empirisch genoeg te werk te gaan. Hij geeft aan dat ‘het goed [zou] zijn om de zogenaamd realistischere cijfers te zien voor specifieke grote kleiafzettingen (in plaats van alleen een opsomming van mogelijke manieren waarop de compactie kan worden versneld, zonder rekening te houden met factoren die het proces juist kunnen vertragen)’. Volgens Ardern lijkt het erop dat de empirische aanwijzingen niet duiden op snelle compactie van vele afzonderlijke dikke kleilagen binnen één zondvloedjaar. Peter Reijnders reageert daarop dat Sulman een tijdsbestek van enkele honderden jaren geeft. Reijnders geeft als tip dat een uitgebreide samenvatting een goed idee zou zijn. Ten slotte vraagt Reijnders of een vertaling via Google Translate goed resultaat geeft. Paul Garner reageert ook op Ardern. Garner is het ermee eens om (hiermee) verder te modelleren met minder simplistische aannames en met inbegrip van omstandigheden die realistischer zijn geweest in perioden van catastrofale afzetting. Hij hoopt dat iemand díé uitdaging aangaat, ‘want er is vaak de neiging om te snel tot verregaande conclusies te komen op basis van beperkte gegevens en analyse’. Zijn mening is dat het vakgebied van de sedimentaire diagenese rijp is voor een creationistische herbeoordeling. Garner meent dat het een goede zaak is als de publicatie van Scott Dunns artikel daaraan kan bijdragen. Peter Reijnders reageert op Garner door op te merken dat dit geldt voor het zondvloedmodel in het algemeen. Reijnders meent dat ‘een dergelijke numerieke modellering nog steeds niet beschikbaar zijn’. Hij plaatst daarbij overigens een kanttekening. Voor hem geldt ‘als dat al mogelijk zou zijn (…) gezien de uitzonderlijke omstandigheden die in die periode hebben geheerst’.
Een tweede reactie op de post van Paul Garner komt van Edward Isaacs. Isaacs geeft aan dat er zeker enkelen onder ons (creationisten, JvM) zijn die geïnteresseerd zijn en er ook regelmatig met elkaar over praten. Eén van de uitdagingen die Isaacs ziet is dat er binnen de zondvloedgeologie ontzettend veel te doen is. Hierdoor hebben velen van ons (creationisten, JvM) het gevoel van ‘ja hoor, voeg het maar toe aan de stapel!’ Hij hoopt dat het artikel iemand zal inspireren om zijn of haar onderzoek aan dit specifieke onderwerp te wijden. Totdat die persoon er is, zal dit probleem volgens Isaacs een van de vele problemen blijven die aan de randen van de onderzoek interesse liggen. Isaacs meent dat het delen van dit artikel wel een goede herinnering is om over dit vraagstuk te blijven nadenken. Wellicht kan dat in de vorm van een kleine werkgroep, die wat regelmatiger overlegt en zo de discussie over dit onderwerp levend houdt.
Verkeerde onderzoeksvraag?
In de Facebook-groep ‘Creationism’ reageert Timothy Helble op het artikel. Volgens hem heeft Sulman de verkeerde onderzoeksvraag gesteld. Bovendien zou de auteur de situatie die beschreven wordt door zondvloedgeologen eigenlijk niet goed begrijpen. De vraag ‘kunnen dikke kleipakketten werkelijk binnen maanden of eeuwen uitharden tot gesteente’, moet volgens Helble worden ‘kunnen dikke kleipakketten werkelijk binnen minuten tot uren uitharden tot gesteente’? Waarom licht Helble niet toe, het wordt daarom ook niet duidelijk waarom de auteur zowel de verkeerde onderzoeksvraag gesteld heeft, als dat de auteur de situatie beschreven door zondvloedgeologen niet begrijpt. Helble meent dat als zondvloedgeologen Sulmans vraag (en dan herformuleerd) zouden kunnen beantwoorden ze dan ‘iets in handen [zouden] hebben’. “Ze moeten kunnen uitleggen hoe we klei-, schalie- en siltsteenlagen kunnen vinden die zandsteenlagen ondersteunen, met een scherpe grens tussen beide, terwijl al die lagen in slechts enkele minuten zouden zijn afgezet.” In een andere Facebook-groep haast Helble zich aanvullend nog te zeggen dat al zouden ze dit probleem hebben opgelost er nog genoeg problemen overblijven: zoals het hitteprobleem, het fossielenvolumeprobleem, het sedimenttransportprobleem etc.
Jeff Reichman reageert op de reactie van Helble. Hij geeft aan dat precies hier het punt in de discussie bereikt is waarbij categorieën gescheiden gehouden moeten worden. De vraag die Helble stelt, zo meent Reichman, is geen correctie op Sulmans vraag, maar een heel andere vraag. Eén die juist het probleem benadrukt dat Dunn probeert te kwantificeren. Het punt van Sulman was niet de ideale tijdschaal die zondvloedgeologen zouden verkiezen, maar over de tijdschaal die wordt geïmpliceerd door de fysische processen die nodig zijn om klei zich te laten gedragen als stabiele ondergrond. “Als je wilt dat klei bovenliggend zand kan dragen met een scherp, dragend contactvlak, dan is precies dát de relevante vraag die Sulman stelde: hoe lang duurt het voordat dikke, met water verzadigde klei zich consolideert, ontwaterd wordt, sterkte opbouwt en zich gaat gedragen als iets anders dan een vloeibare brij?” Reichmann noemt daarom de analyse van Dunn belangrijk. “Hij vraagt niet hoe snel iemand wenst dat de zondvloed heeft gewerkt; hij vraagt hoe snel de natuurwetten van consolidatie toestaan dat dit proces verloopt. En als je de berekeningen uitvoert met hetzelfde bodemmechanische raamwerk dat aan de basis ligt van de moderne civiele techniek, krijg je geen minuten of uren – je krijgt eeuwen tot miljoenen jaren, afhankelijk van dikte en de drainagecondities.” Helble meent, in reactie daarop, dat de auteur door zijn vraagstelling de lezers bewust probeert te misleiden. “YEC-trouwelingen kunnen zijn artikel citeren zonder het te lezen en zeggen: ‘Zie je wel, er is geen modderprobleem’.” Reichman geeft daarop aan dat iemand die bekend is met de mechanica van kleiconsolidatie zo’n bewering met een stalen gezicht kan doen. Wellicht geldt het voor ongeïnformeerde lezers, ‘maar iedereen die ooit heeft gekeken naar poriëndruk-dissipatie, afwatering of sterkte-toenamecurves weet dat je geen dragende klei krijgt binnen minuten of uren’. Reichman meent dat dit precies het punt is dat Dunn aangestipt heeft, namelijk dat de natuurwetten zich niets aantrekken van iemands voorkeurstijdlijn. “Als zondvloedgeologie vereist dat modder zich bijna onmiddellijk als hard gesteente gedraagt, dan ligt de bewijslast bij hen om het mechanisme daarvoor aan te tonen. Tot nu toe heeft niemand dat gedaan.”
Goede analyse
In de Facebook-groep ‘Creationism’ reageert Dick van der Stouw eveneens op het artikel. Hij noemt het artikel van Sulman een goede analyse. “De zondvloed blijft staan in de tijd waar die was.”
Volg een andere groep
In de Facebook-groep ‘Creationism’ reageert Anonieme deelnemer 747. Hij meent dat mensen in deze discussie moeten overwegen om deel te nemen aan de Facebook-groep ‘Passive Empire’. Volgens hem worden daar duizenden belangrijke inzichten gedeeld. Op de vraag van de hierboven genoemde Timothy Helble, of het ook gaat over dit onderwerp, blijft het stil.
Idealiserend
Tenslotte is er in de Facebook-groep ‘Creationism’ ook nog een uitgebreide reactie op het artikel van Sulman door Jeff Reichman (dezelfde die ook reageerde op Timothy Helble hierboven). Reichman noemt het niet verrassend dat het consolidatiemodel van Scott Dunn grotendeels genegeerd wordt door creationistische organisaties. Dunn gebruikt basisprincipes uit de bodemmechanica, die elke student civiele techniek kent, om de vraag te onderzoeken of klei snel kan worden afgezet. “Deze principes worden door ingenieurs toegepast om te bepalen of een gebout stabiel zal verzakken of een dam stevig zal blijven. Alleen al om die reden moet Dunn’s analyse serieus worden genomen.” Volgens Reichmann zullen creationisten grote moeite hebben om de resultaten die Dunn gepubliceerd heeft in overeenstemming te brengen met de tijdschalen die vereist zijn voor modellen binnen de zondvloedgeologie. “Zijn berekeningen laten zien dat dikke kleilagen zich over honderdduizenden tot miljoenen jaren ontwateren, zelfs wanneer hun gedrag wordt beschreven door de algemeen aanvaarde consolidatietheorie. Dunn benadrukt dat zelfs licht verhoogde afzettingssnelheden (meer dan 0,1 meter per jaar) overtollige poriëndruk en instabiele omstandigheden kunnen veroorzaken die eeuwen of langer kunnen aanhouden. In feite suggereren zijn resultaten dat de sedimentatiesnelheden die nodig zijn om zulke hellinginstabiliteiten (‘slope faillures’) en massa-transportafzettingen te veroorzaken, vergelijkbaar zijn met de snelheden die ingenieurs tegenwoordig meten in delta-omgevingen.” Volgens Reichman staan daarmee de resultaten die door Dunn werden gepubliceerd haaks op het geologische raamwerk dat creationisten voorstellen. Reichman vervolgt zijn betoog door aan te geven dat niemand binnen de creationistische beweging bereid is om zich publiekelijk uit te spreken over Dunns kritiek. Hij vermoedt dat dit komt omdat die afkomstig is uit eigen kring. Hoewel Dunn publiceert in een creationistisch tijdschrift, maakt hij wel gebruik van dezelfde ingenieurstechnische hulpmiddelen als de reguliere geologie. “Zijn werk valt moeilijke te negeren. Het negeren van Dunns bevindingen zouden in feite de principes van de bodemmechanica ondermijnen waarop de moderne civiele techniek is gebouwd – principes die de meeste organisaties als essentieel beschouwen voor de veiligheid en betrouwbaarheid van echte bouwwerken.”
In het vervolg van zijn uitgebreide reactie gaat Reichman nog in op het artikel van Sulman. Sulman beweert dat de aannames van Dunn sterk idealiserend zijn. “Deze technische kritiekpunten zijn grotendeels gerechtvaardigd, maar ze negeren de fundamentele geotechnische beperkingen zonder een verklaring te geven hoe een afzetting met zondvloedsnelheid zou kunnen plaatsvinden.” Reichman noemt de herformulering van Sulman behulpzaam, maar geeft ook aan dat deze de lezer nog steeds met onbeantwoorde vragen achterlaat. “Creationistische organisaties kunnen deze bespreking dan ook niet aanvoeren als een alomvattende verdediging zolang er geen model bestaat dat snelle verharding mechanisch plausibel maakt.” Hij komt op het punt waar hij al eerder gebleven was, namelijk dat creationistische organisaties Dunns model zullen vermijden omdat het een leemte blootlegt die zij op dit moment niet kunnen opvullen. “Dunn heeft een mate van kwantitatieve nauwkeurigheid ingebracht, die in zondvloedgeologische modellen historisch gezien ontbrak. Een inhoudelijke reactie erop vereist dat zij een volledig fysisch onderbouwd alternatief moet ontwikkelen dat rekening houdt met drainage, poriëndruk-dissipatie, sterkteontwikkeling en grootschalig deformatiegedrag van natuurlijke sedimenten.” Maar zolang een dergelijk model niet bestaat, riskeren creationisten bij elke serieuze bespreking van het artikel van Dunn impliciet te moeten toegeven dat de huidige kaders niet voldoen aan de mechanische eisen die worden gesteld door de sedimenten die verklaard moeten worden.
Timothy Helble reageert op Reichman met een vraag of hij kan toelichten wat het bedoelt met de opmerking dat Sulmans herformulering behulpzaam is. Reicham legt uit dat hij Sulmans herformulering behulpzaam vond omdat Sulman ‘in plaats van te discussiëren over de vraag of Dunns berekeningen kloppen – wat ze doen, gegeven de specifieke ingenieurstechnische aannames die hij hanteert – de lezers aanspoort om zich te concentreren op de vraag of die aannames overeenkomen met wat we werkelijk in de geologie waarnemen’. Hij noemt dit verschil cruciaal. Reichman noemt Dunns artikel een goed voorbeeld van wat er gebeurt ‘wanneer we de aarde behandelen als een eendimensionaal ingenieurssysteem, een simplistische machine’. Sulman herinnert hem eraan dat ‘natuurlijke sedimentaire bekkens veel complexer zijn dan een eendimensionaal systeem’. Maar hoewel Sulman kritisch is op de aannames van Dunn, biedt hij volgens Reichman zelf ook geen kwantitatieve benadering om afzetting met zondvloedsnelheid mogelijk te maken. “Daardoor blijft de centrale geotechnische vraag onbeantwoord – en problematisch voor YEC-zondvloedmodellen.” Helble reageert, via het account van het boek ‘The Grand Canyon Monument to an Ancient Earth’, dat de vraag van Sulman helemaal nergens op slaat en verwijst daarvoor naar zijn hierboven genoemde reactie.
Een link zonder onderbouwing
Ragdoll Breeder Amsterdam komt in de Facebook-groep ‘Bijbelonderzoekers’, in reactie op het artikel, slechts met een linkje naar de Vlaamse website van Marc Verhoeven. Het betreft een pdf van (een vertaling van) het boek ‘Genesis in Ruimte & Tijd’, geschreven door de bekende Francis A. Schaeffer.3 Hoewel dat een waardevol boekje is om te lezen, wordt niet duidelijk waarom deze pdf gedeeld wordt onder het artikel over het ‘modderprobleem’.