Home » Geologie

Categorie archieven: Geologie

‘What is the Heat Problem in Flood Geology?’ – Een samenvatting van het onderzoek van dr. Bill Worraker naar het hitteprobleem binnen de zondvloedgeologie

De afgelopen jaren heeft de Engelse dr. William Worraker onderzoek gedaan naar het hitteprobleem. Hij heeft het probleem gekwantificeerd en mogelijke oplossingsrichtingen onderzocht. Dr. Worraker heeft zijn onderzoek laten samenvatten in een 10 minuten durende YouTube-video. Matthew Pickhaver heeft deze video ingesproken.

Onder de video is een bibliografie van artikelen en abstracts te vinden, gepubliceerd in creationistische tijdschriften (deze wordt in de loop van de tijd verder compleet gemaakt). Met dank aan Biblical Creation Trust voor het vereenvoudigen en publiceren van dit onderzoek. Het bijschrift bij de video:
“BCT’s associate researcher Dr Bill Worraker has been looking into the heat problem associated with the Genesis Flood. This short video summarises Bill’s findings so far about the extent of the challenge it presents to our scientific Flood model.”

Bibliografie rond het onderzoek van dr. Worraker

(2026) Biblical Creation Trust, Heat problems associated with Genesis Flood models, Onderzoeksamenvatting in ‘Research Projects’ (samenvatting).
(2016) Worraker, W.J., Quantifying the Flood Heat Problem, Journal of Creation Theology and Science Series C: Earth Sciences 6: 4-5 (abstract).
(2018) Worraker, W.J., Heat Problems Associated with Genesis Flood Models—Part 1: Introduction and Thermal Boundary Conditions, Answers Research Journal 11: 171-191 (artikel).
(2018) Worraker, W.J., Ward, R., Modeling of Flood and Post-Flood Ocean Floor Cooling, in: J.H. Whitmore (ed.), Proceedings of the Eight International Conference on Creationism, blz. 673–682 (artikel).
(2019) Worraker, W.J., Heat Problems Associated With Genesis Flood Models—Part 2: Secondary Temperature Indicators, Answers Research Journal 12: 211-254 (artikel).
(2020) Worraker, W.J., Heat Problems Associated with Genesis Flood Models—Part 3: Vapour Canopy Models, Answers Research Journal 13: 69-94 (artikel).
(2023) Worraker, W.J., Heat Problems Associated with Genesis Flood Models—Part 4: Heat Deposited by Magmatic Activity, Answers Research Journal 16: 201-251 (artikel).

Voetnoten

De bruinkoolmijn van Salgótarján

In juni vorig jaar (2018) waren wij op bezoek in het Underground Mining Museum van Salgótarján. In het museum wordt de 150 jarige geschiedenis van mijnbouw in Nógrád tentoongesteld. Het was de moeite waard om door de mijnschacht naar beneden te lopen en zo te ervaren wat de mijnbouwers ervaren hebben.1

Samen met Lorens Knap, van Hongarije Holidays, was ik in Hongarije voor de voorbereiding van de geologiereis van 29 april 2019 tot en met 3 mei 2019.2 In onze zoektocht naar veldlocaties stuitten we op het mijnbouwmuseum van Salgótarján. We besloten de auto te parkeren en het museum met een bezoek te vereren. We troffen het! Gelijk met ons kwam er een schoolklas aan en konden we direct de schacht in.

Voorzichtig, met een helm op ons hoofd, daalden we via glibberige balkjes af naar beneden. De mijntunnel was zo laag dat we gebukt naar beneden afdaalden. Het was maar goed dat we een helm op hadden anders zou ons hoofd wat blauwe plekken en bulten rijker zijn geworden. Je zou maar iedere dag in zo’n mijn moeten afdalen.

De mijn is het enige ondergrondse mijnmuseum van Hongarije. Het is zeventig jaar lang een kolenmijn geweest. Na sluiting werd het gebruikt als oefenterrein voor het reddingsteam van het Mijnbouwbedrijf van Nógrád. Sinds 1965 is de mijn open voor toeristen. In de mijn lijkt het alsof de mannen gisteren nog aan het werk zijn geweest. Alles is nog in originele staat bewaard gebleven. Dat maakt het een bijzondere ervaring om door deze mijn te lopen.

Naast de schacht is er ook nog een openluchtmuseum met daar allerlei machines tentoongesteld en een overdekt museum met allerlei mijnbouwwerktuig, oude documenten etc. Dit laatste deel van de tentoonstelling hebben we niet meegemaakt, omdat we weer verder moesten naar een andere veldlocatie: de Csontos Ravine in Hajnáčka (Slowakije).

We zagen veel materiaal en kregen een beeld van de mijnbouwindustrie van Salgótarján en het district Nógrád en dat was indrukwekkend. Toch besloten we om dit mijnbezoek niet in onze geologiereis op te nemen. Het ging te veel over techniek en veel te weinig over geologie. Wat er in Salgótarján naar boven gehaald werd is bruinkool. Deze bruinkool stamt uit het vroeg-Mioceen. Het klimaat in Hongarije was toen tropisch warm en deze omgeving was rijk aan tropische vegetatie. Dat is, zoals we nu kunnen zien, niet altijd zo gebleven. Het Plioceen was een turbulente periode met veel vulkanische en tektonische activiteit. Creationisten die uitgaan van een zondvloedgrens nabij Krijt/Paleoceen (de zogenoemde K/Pg-boundary) zullen deze schets, met uitzondering van de tijdschaal, accepteren. Zij zullen aangeven dat het Eoceen/Mioceen een warme periode was na de zondvloed, waarin het landleven zich herstelde. Deze periode ging vooraf aan de ijstijd toen de temperatuur daalde en de tropische planten en dieren op deze plaats niet meer konden overleven. Tijdens de geologiereis zal dit model intuïtief als leidraad genomen worden, al kunnen de gegevens ook anders geïnterpreteerd worden.

Dit artikel werd in 2019 geschreven.

De voorbereidingsreis vond plaats van 4 juni tot en met 8 juni 2018 en werd gesponsord door Hongarije Holidays. De geologiereis heeft plaatsgevonden van 29 april tot en met 3 mei 2019.

Voetnoten

‘Global Evidence for a High Cenozoic Flood Boundary’ – Dr. Timothy Clarey sprak voor de livestream van Logos Research Associates

Dr. Timothy Clarey is de huisgeoloog van Institute for Creation Research en deed een groot deel van zijn leven onderzoek naar geologische verschijnselen. Hij een voorstander van de zogenoemde ‘High-Cenozoic Flood Boundary’. Deze visie steekt hij niet onder stoelen of banken. Afgelopen week was hij te gast in de livestream van Logos Research Associates om daar delen van zijn werk te presenteren.

Onder de video staat een uitgebreide beschrijving (in het Engels):

This presentation will focus on global geological and geophysical evidence that indicate the Noahic Flood deposited the bulk of the Cenozoic. It will begin with a discussion of the amount of seafloor created after the K-Pg boundary and continue with a discussion of the massive volume of sediment deposited globally during the Cenozoic. In addition, most of the world’s mountain ranges were uplifted during the Cenozoic. It examines key Biblical locations, including Turkey and the Middle East, where marine rocks are found continuous from the Cretaceous up through the Upper Cenozoic. Many other evidences will also be presented, like extensive offshore and onshore coals deposited in the Cenozoic and the Whopper Sand in the Gulf of Mexico. These are best explained as part of the Flood. The geophysical data indicate the Flood mechanism (CPT) was not over or slowing down until the end of the Cenozoic. All of these data, the massive uplift of mountains and basin subsidence, the plate motion and collision, and the deposition of roughly one-third of the Phanerozoic rocks during the Cenozoic indicate the Flood ended at about the N-Q boundary (Neogene-Quaternary).

Nederlands model voor het ontstaan van steenzoutformaties op Amerikaans Congres

De oorsprong van de immense zoutlagen die begraven liggen onder kilometers dikke lagen sedimentair gesteente blijft boeien. De standaard verklaring binnen de geologie is dat het hier gaat om evaporieten. Ing. S.J. Heerema, die van het zoutonderzoek zijn levenswerk heeft gemaakt, verdedigd echter een vulkanisch ontstaan van steenzoutformaties. Ing. Heerema heeft al in diverse tijdschriften zijn model gepubliceerd en op diverse congressen zijn model gepresenteerd.1 Veel creationisten vinden zijn model aansprekend omdat de vorming van de kilometers hoge zoutpijlers in interactie met snelle sedimentafzettingen nu binnen een zondvloedmodel verklaard kunnen worden.

Ir. G.J.H.A. van Heugten, chemicus en eigenaar van het bedrijf WaaromSchepping2, is uitgenodigd door de Creation Geology Society (CGS) om het onderzoek van ing. Heerema te presenteren op een congres. Het congres wordt georganiseerd in samenwerking met de Creation Biology Society (CBS) en zal plaatsvinden van 22 tot en met 25 juli in Cleveland, Georgia. Op het congres wordt door 15 wetenschappers creationistisch onderzoek gepresenteerd.3 Ir. Van Heugten zal op basis van Nederlandse gegevens laten zien dat de zoutpijlers niet langzaam maar catastrofaal in vloeibare fase zijn gevormd. Zijn reis wordt gefinancierd uit een Nederlands fonds dat beschikbaar is gesteld voor Bijbelgetrouw wetenschappelijk onderzoek.4

Voor wie niet in de gelegenheid is om naar Amerika af te reizen maar toch naar het zoutmodel van ing. Heerema wil luisteren: ing. Heerema en ir. Van Heugten zijn allebei aanwezig op het Graceland Festival van 14-16 augustus 2015 op De Betteld in Zelhem.5 Om de beurt geven ze daar een presentatie over de zondvloed, waar vervolgens op gereageerd kan worden door de luisteraars.

Dit artikel werd in 2015 geschreven.

Voetnoten

Dr. Scott L. Dunn presenteert een uitdaging voor zondvloedgeologie in CRSQ: ‘The Clay Consolidation Problem’

Dit artikel ontvangt komende week nog een fijnafstemming.

In het eerste nummer van de Creation Research Society Quarterly van 2024 publiceerde dr. Scott L. Dunn1 een interessante paper over ‘The Clay Consolidation Problem’. Dit is een grote uitdaging voor de zogenoemde zondvloedgeologie: de sedimentatie en lithificatie (ontwatering en verstening) van klei duurt te lang voor een creationistische tijdschaal. Volgens alle zondvloedmodellen zijn aardlagen snel (in een korte periode van tijd) ontstaan, of dat nu tijdens of na de zondvloed gebeurd is. Een kwantitatieve rechtvaardiging voor deze claim, met behulp van experiment- en veldgegevens, ontbreekt voor de consolidatie van klei. Dr. Dunn laat in zijn CRSQ-paper zien, dat wanneer we wel gaan rekenen, hier een flinke uitdaging ontstaat voor zondvloedgeologie.

De uitdaging

Er zijn wel lokale voorbeelden van snelle sedimentatie en lithificatie (verstening). Dunn schrijft: “For example, the formation of beachrock which is typically 0,5 m to 2 m in thickness can form within months. However, it is only found on beaches with specific ranges of sand size, tidal range, wave climates, and water temperatures.” Daarnaast verwijst dr. Dunn naar de pyroclastische stromen die bijvoorbeeld ontstonden ná de vulkaanuitbarsting van Mount St. Helens. Dunn schrijft: “However, the conditions within pyroclastic flows involve very high temperature (>300 ˚C) and are almost entirely dry (water vapor content less than a few percent).” De aangehaalde processen zijn echter niet te vergelijken met normale processen van lithificatie van mariene afzettingen. Dunn focust zich in de paper op de lithificatie (en ontwatering) van klei. “Although the focus is on clay due to its extremely slow drainage characteristics, the equations are valid for all sediments from sands to clays.” Na een beschrijving van de mechanismen voor de consolidatie van klei en gedetailleerde berekeningen past Dunn zijn gedachten toe op drie scenario’s. Het eerste scenario is het ontstaan van een kleilaag tijdens de zondvloed (in 100 dagen).2 Het tweede scenario is een scenario van na de zondvloed (in 100 jaar).3 Het derde scenario is een langzame depositie volgens de standaard geologische tijdschaal. De verschillende scenario’s worden toegepast op de sedimenten in de Labradorzee.4 Als voorbeeld wordt door dr. Dunn een boring van 770 meter onder de zeebodem genomen. De sedimenten in deze boring zijn relatief recent: van het Mioceen tot het Holoceen (de laatste 10 miljoen radiometrische jaren). Scenario 1 (tijdens 100 zondvloeddagen) heeft 7,7 meter per dag nodig! Scenario 2 (de eerste 100 jaar na de zondvloed) heeft 7,7 meter per jaar nodig. Scenario 3 (over miljoenen jaren) heeft 85 meter per miljoen jaar nodig. De hoge sedimentatiesnelheden die nodig zijn binnen de zondvloedgeologie (scenario 1 en 2) leiden tot ‘completely unstable soil conditions which effectively no undrained shear strength’. Dunn vervolgt: “The sedimentation rates are orders of magnitude higher than the dissipation potential of the clay, and, hence, it is almost completely fluidized even in the post-Flood scenario.” De berekeningen van Dunn leveren echter geen uitdaging op voor diverse oude-aarde-modellen. “Additionally, it is shown that there is a physical limit to the rate at which sediment can accumulate without creating excessive pore pressure and including geotechnical failures.” Het hiervoor genoemde limiet voor klei is maximaal 0.1 meter per jaar. Voor leem (silt) is dat iets hoger namelijk maximaal 10 meter per jaar.

Dinosauriërs

Dit levert een probleem op voor de modellen die beweren dat dinosauriërs tijdens de zondvloed over de eerder afgezette zondvloedsedimenten zouden hebben gelopen. “This would require that the freshly deposited sediment had sufficient strength to support the weight of a large animal.” Volgens Dunn is het moeilijk voor te stellen hoe dinosauriërs over vers afgezet sediment moeten hebben gelopen. Dat kan alleen als het afgezet materiaal een hoog percentage zand in zich zou hebben, wat het draagvermogen ondersteunt. Een model dat dinosauriërs laat rondbanjeren tijdens de vloed en daarna laat omkomen, moet volgens Dunn zeer uitgebreid getest worden.5

Afsluitend

We zien dat er uitdagingen zijn voor zondvloedgeologie op het gebied van de sedimentatiesnelheid en de lithificatiesnelheid van klei. Het zou goed zijn als creationistische experts die geologisch onderzoek doen hiermee gaan rekenen.6 Geleerden zoals Guy Berthault, dr. Pierre Y. Julien en dr. Alexander V. Lalomov hebben zich in het verleden ook uitgebreid met sedimentatiesnelheden bezig gehouden (maar mogelijk is dit werk verouderd of incompleet).7 Het is daarom zeer opmerkelijk dat dr. Dunn geen enkele verwijzing naar hun werk geeft. Mogelijk had hij hun werk in gedachte bij de korte bespreking van de vorming van ‘beachrock’ in de inleiding, maar dan zou ten minste een verwijzing nuttig zijn. Uiteraard moet in acht genomen worden dat de consolidatie van klei anders te werk gaat en veel meer tijd kost dan sedimentatie aan de kust (zoals dr. Dunn in de inleiding ook terecht opmerkt). Wellicht kan dr. Dunn in een volgende paper de al bestaande papers rondom sedimentatie- en lithificatiesnelheden bespreken, uitdagen en/of inpassen. De hoofdconclusie van de paper van dr. Dunn blijft echter staan: het ontwateren en verstenen van klei veel meer tijd kost dan mogelijk is binnen de Bijbelse tijdschaal. Zeker om geconsolideerde klei te krijgen dat sterk genoeg is om dinosauriërs te dragen, zodat zij tijdens de zondvloed pootafdrukken kunnen maken.

The Clay Consolidation Problem’, kunnen zondvloedgeologen dit probleem oplossen? Daar wordt sinds de verschijning van deze paper flink over gediscussieerd. Geologiestudent Ryan Milligan schreef een uitgebreid en lezenswaardig artikel op ‘The New Creation Blog’.8 Theïstische evolutionist dr. Joel Duff heeft de paper ook bestudeerd en reageerde er op in ‘This Week in Creationism’.9 Hij belooft om de paper in detail te bestuderen in een In Depth-video over ‘The Clay Consolidation Problem’ te bespreken. Volgens hem is het ontwateren van deze sedimenten net zo’n grote uitdaging als het bekende hitteprobleem tijdens de zondvloed.10 De tijd zal leren of hij daarin gelijk heeft. Het gesprek en de discussie hierover is in ieder geval begonnen! Voorlopig kunnen we ‘The Clay Consolidation Problem’ zien als een dissonant in het scheppingsparadigma.11 Credits aan Creation Research Society dat zij deze kritisch-reflectieve paper toch wilden publiceren.

Deze korte beschrijving n.a.v.: Dunn, S.L., 2024, The Clay Consolidation Problem and Its Implications for Flood Geology Models, Creation Research Society Quarterly 60 (3): 144-156. Abstract: https://www.creationresearch.org/the-clay-consolidation-problem-and-its-implications-for-flood-geology-models.

Zoogdierfossiel met melkgebit gevonden

Creationisten zijn geboeid geraakt door fossiele zoogdieren uit het leefgebied van de dinosauriërs.1 Zouden deze zoogdieren de sleutel kunnen zijn voor waar we de vloed/post-vloedgrens kunnen plaatsen? Stevige discussies worden daarover gevoerd.2 Ondertussen zitten ook de naturalisten niet stil. Het ene na het andere fossiel komt boven tafel, vaak geven de fossielen verrassende inzichten. Een van die inzichten is dat de zoogdieren die in het leefgebied van de dinosauriërs leefden meer gevarieerd waren dan eerst werd gedacht.

De vondst

In Schotland werd vorige week een dergelijke ontdekking bekend gemaakt.3 Er zijn melktanden ontdekt in een fossiele onderkaak van een jonge Wareolestes rex. Volgens de naturalist leefde dit beestje in het Midden-Jura, zo’n 165 miljoen jaar geleden. Een creationist zou zeggen dat dit beestje leefde in een gebied waar ook dinosauriërs voorkwamen. De kaak van twee centimeter lang werd in 2015 op het eiland Skye gevonden (Kilmaluag Formation) en is een van de meest complete vondsten van ‘vroege’ zoogdieren die buiten China is gevonden. De kaak werd aan de kust gevonden, waardoor één kant van de kaak is afgesleten door de golven en er enkele tanden en kiezen zijn verdwenen. Met behulp van micro-CT-scantechnologie ontdekte men dat de tanden in de kaak melktanden moeten zijn. Onder de tanden zitten in de kaak namelijk tanden voor het blijvende (volwassen) gebit. Deze volwassen tanden waren nog niet doorgebroken. De vondst laat zien dat het diertje net als mensen eerst een melkgebit had wat in een later stadium werd vervangen door een blijvend gebit. Dat is een duidelijk kenmerk van zoogdieren. De tanden van de jongen hoeven nog niet volwassen te zijn voordat ze worden gespeend.

WAREOLESTES REX
De Wareolestes die in het hoofdartikel beschreven wordt, is geen nieuwe soort. In 1978 vond Eric Freedman een kies en herkende deze als behorend tot een nieuw soort.4 Hij noemde het diertje waarvan de kies was Wareolestes rex.5 Door de jaren heen kwamen daar nog een paar tanden en kiezen bij, maar meer werd er tot nog toe niet gevonden.6 Met de vondst van de in het artikel genoemde onderkaak wordt onze kennis over deze Wareolestes sterk uitgebreid. Vergeleken met haar medebewoners van het gebied, de dinosauriërs, was de Wareolestes rex echter maar een klein dier. In volwassen staat was het net zo groot als een cavia. De Wareolestes at waarschijnlijk grote insecten.

Zooggedrag en tepels

Volgens wetenschappers werden jonkies van het beestje gevoed met melk vanuit een huidflap. Deze aanname doen zij omdat ze geloven dat de tepels en het zooggedrag nog moesten evolueren toen deze Wareolestes rondliep. Onder naturalisten is er veel discussie over hoe het zooggedrag is ontstaan. Op basis van deze vondst is het echter niet uit te sluiten dat de Wareolestes wel tepels had en zooggedrag kende, veel belangrijke eigenschappen die nodig zijn voor het voeden van de jongen blijven namelijk niet behouden bij fossilisatie. De naturalistische filosofie van universele gemeenschappelijke afstamming wordt hier als leidraad genomen. Bij het hanteren van een creationistisch referentiekader is een dergelijke aanname, van geen tepels en geen zooggedrag, niet nodig. Promovendus Elsa Panciroli laat tegenover BBC weten dat dit “wisselen van de tanden ons meer vertelt over hoe dit vroege zoogdier gevoed werd met melk, aangemaakt door de ouders, totdat het uitgroeide tot een volwassen dier.7 Volgens haar is het gedrag van de Wareolestes en de zorg van dit beestje voor haar jongen overeenkomstig dat van moderne zoogdieren. Creationisten zullen deze conclusie onderschrijven. Voor het jonge zoogdier is het spijtig dat het de volwassen staat niet bereikte. Sinds de zondeval is deze schepping onderworpen aan de vloek van de zonde en is één ding zeker in het leven van mens en dier: ze zullen sterven. Maar dankzij deze ontdekking zijn we wel meer te weten gekomen over de rijke variatie bij de zoogdieren die voorkwamen in het leefgebied van de dinosauriërs.

SKYE
Skye is het grootste en noordelijkste eiland van de Binnen-Hebriden, een Schotse eilandengroep. Het eiland, en dan vooral de baai van Bearreraig, staat bekend om de fossielen die er gevonden worden. Zo zijn er in deze omgeving Jurassische dinosauriërs en loopsporen teruggevonden. De laatste tijd worden er ook zoogdieren gevonden waardoor een groeiende lijst ontstaan is. Volgens naturalistische wetenschappers was Skye in het midden-Jura bedekt met lagunes met daarin schildpadden, krokodillen, pterosauriërs en dinosauriërs. Was dit volgens creationisten een ecosysteem van vóór of ná de zondvloed? Dat is afhankelijk van waar je de zondvloedgrens plaatst.

Dit artikel is in 2017 geschreven.

Voetnoten

‘Taphonomy, the Fossil Record, and Clues about the End of the Flood’ – Dr. Leonard Brand sprak voor de livestream van Logos Research Associates

Dr. Leonard Brand heeft een groot deel van zijn leven onderzoek gedaan naar tafonomie. Hij heeft zijn werk grotendeels gepubliceerd in naturalistisch-wetenschappelijke tijdschriften of gepresenteerd op geologische conferenties, zoals die van de Geological Society of America. Afgelopen week was hij te gast in de livestream van Logos Research Associates om daar delen van zijn werk te presenteren.

Onder de video staat een uitgebreide beschrijving (in het Engels):

From years of attendance at the Tucson Fossil and Mineral Show, and other evidence, Dr Brand will take a close look at the quality of preservation throughout the fossil record. The quality of this preservation can help us evaluate which parts of the fossil record could be after the flood, and which parts need the catastrophic burial that would be typical of a global catastrophe.

Bacterieel leven in oude zoutlagen

Noot van de redactie: Dit artikel is al een wat ouder artikel (2002). De argumentatie in dit artikel is nog steeds bruikbaar en waardevol. Het zou goed zijn wanneer een sedimentoloog, een geochemicus en een bacterioloog samen zouden werken aan de verdere uitwerking en aanvulling van dit argument, daarbij gebruikmakend van nieuwe gegevens uit het veld.

Samenvatting

In veel sedimenten worden levende bacteriën gevonden, evenals bacteriën in slaaptoestand, bekend als sporen. De bacteriën kunnen afgezet zijn tijdens de sedimentatie (autochtone oorsprong), maar dit is vaak moeilijk te bewijzen, omdat de mogelijkheid van later binnendringen in het sediment (allochtone oorsprong) of besmetting van de monsters uitgesloten moet worden. De gepubliceerde ouderdom van de betreffende sedimenten lopen op tot honderden miljoenen jaren.

Levensvatbare sporen, met bewezen autochtone oorsprong, zijn recent verkregen uit waterdruppeltjes die ingesloten zijn in de Salado-zoutlaag (evaporiet) uit het late Perm, in New Mexico (USA). Dit evaporiet wordt gedateerd op 250 miljoen jaar (Ma). Deze ouderdom is echter niet in overeenstemming met bekende vervalsnelheden van bacterieel leven (dat wil zeggen: de snelheid waarmee het aantal levende of levensvatbare individuen afneemt gedurende de tijd). Integendeel, deze vervalsnelheden geven aan dat de ouderdom van het Salado-evaporiet uit het late Perm minder is dan 35.000 jaar.

Schattingen van ouderdom op basis van bacteriële vervalsnelheden zijn kwalitatief, of hooguit semi-kwantitatief. Toch zou de schatting van de ouderdom van het Salado-evaporiet verbeterd kunnen worden door een schatting te maken van de gemiddelde temperatuur van het Salado-evaporiet gedurende de tijd, in combinatie met het vaststellen van de vervalsnelheid van de bacterie Bacillus marismortui, onder condities die representatief zijn voor waterinsluitingen.

Polyhaliet uit de Salado Formation (Boven-Perm; Carlsbad Potash District; New Mexico; VS). Bron: Wikipedia.

Hedendaagse bacteriën

Bacteriën worden vrijwel overal op aarde gevonden en vele soorten overleven, of floreren zelfs, onder extreme condities, zoals in water bij verhoogde druk tot boven 110 ˚C, in ijs beneden -10 ˚C, in zuren bij pH waarden tot 2 en in basen bij pH waarden tot 13, en in milieus zonder zuurstof. Zij kunnen zich met eigenlijk alles voeden, inclusief anorganische voedingsstoffen die vrijkomen rond middenoceanische hete bronnen, maar ook in afwezigheid van voeding kunnen zij lange periodes overleven in de vorm van sporen.

De aanwezigheid van levende bacteriën in sedimenten wordt al bijna een eeuw onderzocht. Allochtone of autochtone oorsprong, de beschikbaarheid van voedingsstoffen gedurende lange tijdsperiodes, en de mogelijkheid van besmetting van monsters gedurende verzameling en behandeling zijn nog steeds onderwerp van discussie. Gedurende de jaren ’70 werden in de sedimenten van een meer levensvatbare sporen van een thermofiele (warmteminnende) bacterie ontdekt met radiokoolstofouderdom van 7.000 jaar en ouder. De mogelijkheid dat deze sedimenten op een later tijdstip besmet waren met deze bacterie kon uitgesloten worden, omdat de sedimenten nooit boven 35 ˚C zijn geweest, wat de minimale temperatuur is voor het doen ontwaken van de sporen van deze specifieke soort thermofiele bacterie. Een ander bekend voorbeeld zijn de bacteriën verkregen uit de ingewanden van een bevroren Siberische mastodont, gedateerd op 11.000 jaar. Deze en andere studies geven aan dat, in afwezigheid van metabolische activiteit, de leeftijd van autochtone bacteri?n aanwezig in recente sedimenten kan oplopen tot ongeveer 10.000 radiokoolstofjaren.

Oeroude bacteriën

Een punt van discussie is de leeftijd van bacteriën die zijn ingesloten in pre-Pleistocene Fanerozoïsche sedimenten. Meerdere malen is de aanwezigheid van bacteriën diep onder de oppervlakte van de aarde gerapporteerd, in verschillende typen sediment, inclusief koolsteen en oliehoudende lagen en in zoutlagen met gerapporteerde ouderdom tot 650 miljoen jaar. De bewijsvoering voor de autochtone oorsprong is niet algemeen geaccepteerd, omdat het moeilijk is om allochtone oorsprong of besmetting gedurende verzameling en behandeling uit te sluiten.123 De aanwezigheid van bacteriën in afgelegen oliebronnen is bijvoorbeeld vastgesteld, waarbij de oorsprong van deze bacteriën niet werd opgelost. Zij zouden ingesloten kunnen zijn tijdens de vorming van de olie, ze kunnen meegevoerd zijn met ondergrondse waterstromen of ze zouden zich zelfstandig verplaatst kunnen hebben gedurende tientallen tot honderden miljoenen jaren.4

Recent werden levensvatbare sporen van Bacillus sphaericus geïsoleerd uit een in amber ingesloten uitgestorven bijensoort met een gerapporteerde ouderdom van 25?30 miljoen jaar.5 De zorgvuldige selectie van het monster en de grondige voorzorgsmaatregelen die werden genomen tegen besmetting heeft deze vondst overtuigend gemaakt.

Nog recenter werden bacteriën verkregen uit autochtone waterinsluitingen in zoutmonsters van de Permische Salado-evaporiet (New Mexico, USA) met een gerapporteerde ouderdom van 250 miljoen jaar.6 Deze oude bacteri?n hebben een opmerkelijke overeenkomst met Bacillus marismortui (vernoemd naar de Dode Zee) en Virgobacillus pantothenticus, gebaseerd op de vergelijking van 16S-ribosomaal RNA. Het verschil met V. pantothenticus is klein, met een overeenkomst van 97.1% (alhoewel Vreeland 97.5% overeenkomst vermeldt). 45 van de 1650 basenparen zijn verschillend, wat overeenkomt met jaarlijks 1×10^-10 substituties per basenparen. Deze vervangingssnelheid is laag, maar mogelijk aanvaardbaar.7 De 99% overeenkomst met B. marismortui is echter nog opmerkelijker.

Als deze oude bacteriën inderdaad familie zijn van B. marismortui, wat nog vastgesteld moet worden, hoe kan dit verschil dan zo klein zijn? De vrij in de natuur levende B. marismortui zou al gedurende 250 miljoen jaar mutaties moeten ondergaan en we mogen een veel groter verschil met de geïsoleerde soortgenoten verwachten89, alhoewel een efficiënt DNA reparatiemechanisme, actief gedurende het ontwaken, de overeenkomst misschien gedeeltelijk zou kunnen verklaren.10

De maximale leeftijd van bacteriën is in dit verband bepalend en zal nu in meer detail uitgewerkt worden.11

Het overleven van bacteriën

Als er voldoende voeding beschikbaar is kunnen bacteriën in principe oneindig lang blijven leven. Zij vermenigvuldigen zich aseksueel door deling (een cel verdeelt zich in twee cellen) en zowel de moeder- als de dochtercellen (alhoewel die niet van elkaar te onderscheiden zijn) hebben zich vernieuwd, waardoor de populatie haar levenskracht behoud, mits er optimale voeding aanwezig blijft en het niveau van uitgescheiden toxische verbindingen laag is. In afwezigheid van voeding is de levensduur van bacteri?n beperkt, maar er kan geen bepaalde maximale levensverwachting vastgesteld worden. Als de hoeveelheid voeding afneemt of als het niveau van de uitgescheiden toxische verbindingen toeneemt in de loop van de tijd, neemt het aantal levende individuen geleidelijk af. De snelheid waarmee het bacteriële leven vervalt wordt gewoonlijk uitgedrukt als de decimale reductietijd, D(10), de tijdsduur bij een bepaalde temperatuur waarin het aantal levende bacteriën in een populatie tot 10% is teruggelopen. Deze snelheid is vergelijkbaar met andere exponentieel afnemende processen, zoals eerste-orde chemische reacties of radioactief verval.

Bacteriën kunnen gedroogd en onder vacuüm ongeveer een jaar bewaard worden, of gedurende enkele jaren in vloeibare stikstof (-196 ˚C).12 Zij kunnen gedurende veel langere tijden overleven als ze enige metabolische activiteit kunnen onderhouden. Bacteriële culturen zijn aangetroffen in Siberische permafrost bij een gemiddelde temperatuur rond -10 ˚C. De duur van de permafrost wordt geschat tussen duizend en een miljoen jaar. Er werd verondersteld dat de bacteriën actief gebleven moeten zijn ondanks de lage temperatuur, omdat zij anders niet zo lang konden overleven.13 De recente ontdekking van bacteriën in ijs en sneeuw op Antarctica biedt ondersteuning voor lage-temperatuuractiviteit van bacteriën. Deze gevonden bacteri?n hebben inderdaad metabolische activiteit bij -12 ˚C tot -17 ˚C.14

Het is interessant om op te merken dat de Antarctische onderzoekers leden van Deinococcus ontdekten, een geslacht van bacteriën dat bekend is in de voedingsmiddelenindustrie vanwege haar extreme vermogen om ioniserende straling te weerstaan, inclusief röntgenstraling en radioactiviteit.15 Dit is opmerkelijk, omdat zulke hoge stralingsniveaus in een natuurlijke omgeving niet voorkomen en het onduidelijk was welk voordeel dit vermogen zou kunnen bieden. Het antwoord zou kunnen zijn dat Deinococcus-soorten blootgesteld kunnen staan aan intense UV-straling, waardoor eveneens ionisatie optreedt, bijvoorbeeld in de sneeuwvelden van Antarctica.16 Dit voorbeeld laat opnieuw zien dat sommige bacteriën de opmerkelijke eigenschap hebben om onder extreme condities te overleven.

Tabel 1. Vervalconstanten van leven voor verschillende bacteriële sporen uitgedrukt als tijd van decimering, D(10), in seconden. 1,6E+09 seconden komt overeen met 50 jaar.

De meeste bacteriën hebben moeite om te overleven als zij worden onderworpen aan een hoge temperatuur, straling (inclusief UV straling), oxidatoren (inclusief zuurstof), een aantal anorganische componenten, mechanische krachten en natte omstandigheden.17 Echter in een waterinsluiting in een evaporiet kunnen veel van deze condities voor bacteriën gunstig zijn, zelfs als er water aanwezig is. Hoewel zout desastreus is voor de meeste bacteriën, bestaan er uitzonderingen zoals B. marismortui, die kan overleven als sporen of zelfs floreren onder zoute condities bij concentraties beneden 25% w/v.

Samenvattend: sommige bacteriën kunnen extreme condities weerstaan mits enige metabolische activiteit kan plaatsvinden. In afwezigheid van voedingsstoffen kan de levensduur van bacteriën jaren of tientallen jaren bedragen, maar het overleven gedurende duizenden jaren in afwezigheid van metabolische activiteit is iets te veel gevraagd. Kunnen bacteriën 250 Ma overleven als zij opgesloten zijn in een waterinsluiting in zout?

De ‘bacteriële ouderdom’ van de Salado-evaporiet.

Bacillus marismortui vormt sporen als de zoutconcentratie hoger wordt dan 25% w/v. De verwachting is dat de sporen niet ontwaken in een verzadigde zoutoplossing, ook niet in aanwezigheid van voeding. Het aantal levensvatbare sporen in de Salado-afzetting is in de loop van de tijd gestaag afgenomen, van mogelijk oorspronkelijk 100 miljoen bacteri?n per ml (ref. 2) tot slechts enkele sporen in 3 van de 66 onderzochte insluitingen, met een tot op heden totaal volume (van de 66 insluitingen) van 0,365 ml.18 Als een minimum van drie levensvatbare sporen in 0,365 ml wordt verondersteld betekent dit dat er zeven periodes van decimering zijn gepasseerd. Met een D(10) van 50 jaar betekent dit een ‘bacteri?le ouderdom’ van 350 jaar voor de Salado-evaporiet. Aanvullend ondersteunend bewijs voor de jonge leeftijd van deze evaporiet is de hierboven genoemde overeenkomst tussen 16S ribosomaal RNA van de gevonden oerbacterie en B. marismortui of V. pantothenticus.

Figuur 1. Arrhenius plot van het verval van bacterieel leven. Vervalconstanten (Tabel 1) logaritmisch uitgezet tegen de reciproke temperatuur (Kelvin). In vergelijking: 250 miljoen jaar komt overeen met een D(10) waarde van 35 miljoen jaar, gelijk aan 1,1E+15 seconden.

Het verschil met de gepubliceerde ouderdom van 250 Ma voor de Salado-evaporiet is bijna zes ordegroottes! Een ongeloofwaardige D(10) van 35 Ma in plaats van 50 jaar is nodig om het totaal van 250 Ma te bereiken. Omgekeerd, uitgaande van een ouderdom van de evaporiet van 250 Ma en een decimeringstijd van 50 jaar betekent dat de oorspronkelijk bacteriën vijf miljoen decimeringsperiodes hebben doorgemaakt. Het is onmogelijk om ook maar een enkel individu terug te vinden na vijf miljoen decimeringen.

Het verschil met de gepubliceerde ouderdom van 250 Ma voor de Salado-evaporiet is bijna zes ordegroottes! Een ongeloofwaardige D(10) van 35 Ma in plaats van 50 jaar is nodig om het totaal van 250 Ma te bereiken. Omgekeerd, uitgaande van een ouderdom van de evaporiet van 250 Ma en een decimeringstijd van 50 jaar betekent dat de oorspronkelijk bacteriën vijf miljoen decimeringsperiodes hebben doorgemaakt. Het is onmogelijk om ook maar een enkel individu terug te vinden na vijf miljoen decimeringen.

Een ouderdom van 350 jaar voor de Salado-evaporiet valt binnen de historische tijd en is natuurlijk niet realistisch. Dit komt omdat er rekening gehouden moet worden met een groot aantal onzekerheden.

Het kleine aantal levensvatbare sporen (minimaal drie) heeft statistisch gezien nauwelijks enige waarde, en het resultaat is een brede reeks van mogelijke ouderdommen, waarbij hogere ouderdom meer waarschijnlijk is dan lagere ouderdom.

De D(10)-waarde van B. marismortui onder condities die representatief zijn voor waterinsluitingen is onbekend en moet apart vastgesteld worden. De decimeringstijden variëren met ongeveer een orde van grootte voor verschillende soorten (Tabel 1). Een verandering van temperatuur met 25 ˚C heeft een effect van twee ordegroottes op de decimeringstijd (Figuur 1).

Een gemiddelde temperatuur rond of beneden 0 ˚C gedurende de levensduur van de evaporiet is buitengewoon onwaarschijnlijk. Een gemiddelde temperatuur rond of boven 20 ˚C kan mogelijk zijn, met mogelijk kortere D(10) tijden en dus een lagere ouderdom voor de evaporiet.

De berekende ‘bacteriële ouderdom’ van 350 jaar is daarom erg onzeker en zou makkelijk met twee of misschien drie ordes van grootte kunnen variëren, met een hogere waarschijnlijkheid voor hogere dan voor lagere ouderdom. Dit resulteert in een geschatte bandbreedte van 200 tot 35.000 jaar, corresponderend met 4 log cycli van 50 jaar bij 20 ˚C of 7 log cycli en een D(10) van 5.000 jaar bij 0 ˚C, respectievelijk. Het kost moeite om zich condities voor te stellen die tot een ouderdom van 350.000 jaar zouden leiden, maar zelfs deze schatting verschilt meer dan twee ordegroottes met de 250 Ma die gepubliceerd is voor de Salado-evaporiet. Dit verschil zou nog groter kunnen worden als beweringen voor 650 Ma oude bacteriën in evaporieten bevestigd zouden worden.

Het is verrassend dat de aanwezigheid van levensvatbare autochtone bacteriële sporen in de Salado-evaporiet niet heeft geleid tot het ter discussie stellen van haar geologische leeftijd. Parkes geeft de voorkeur aan de veronderstelling dat bacteriën vrijwel onsterfelijk zijn, boven het in twijfel trekken van de geologische tijdschaal. Zelfs het overleven van bacteriën in meteorieten en de oorsprong van leven op aarde via interplanetair transport van bacteriële sporen (‘pansperma’) worden overwogen. Meer recent ontkende Lindahl de hoge ouderdom van de verkregen bacteriën op basis van de onmogelijkheid dat DNA langer dan 100.000 jaar zou kunnen overleven, met als conclusie dat deze bacteri?n de hedendaagse algemeen voorkomende bacteriën zijn, dus van allochtone oorsprong.19

Conclusies

De aanwezigheid van levensvatbare sporen in water insluitingen in de Permische Salado-evaporiet is niet in overeenstemming met de gepubliceerde ouderdom van 250 Ma.

De ‘bacteriële ouderdom’ van de Permische Salado-evaporiet is semi-kwantitatief geschat en ligt waarschijnlijk tussen 350 en 35.000 jaar, onder de aanname dat gepubliceerde bacteriële vervalsnelheden representatief zijn voor de omstandigheden in waterinsluitingen in een evaporiet.

De schatting op basis van de ‘bacteriële ouderdom’-methode kan verder worden verbeterd als de gemiddelde temperatuur van de evaporiet geschat zou kunnen worden en als de decimeringstijden van B. marismortui over een brede temperatuurrange gemeten zou worden.

Deze gastbijdrage is vertaald door leden van <em)Mediagroep in Genesis en met toestemming overgenomen van de website Schepping-of-Evolutie. Het originele artikel is hier te vinden. Het artikel is eerder verschenen in Technical Journal (tegenwoordig Journal of Creation) van Creation Ministries International (CMI). De bronvermelding luidt: Heide, E.A. van der, 2002, Bacterial Life in Ancient Salt, Technical Journal 16 (2): 110-113 (artikel).

Referenties en aantekeningen

Is er in Nederland en Vlaanderen nog behoefte aan een besloten geologiebijeenkomst? – Verzoek tot het komen van een intern-geologische ontmoeting

Beste uitdragers van het klassieke scheppingsgeloof,

In 1985 (toen ik nog in de boerenkool zat) werd er een congres gehouden onder de titel ‘Creationisme en Geologie’.1  Naast drie ingevlogen sprekers (dr. Wiklander, dr. Brand en dr. Roth) waren er vier geleerden met enige academisch-geologische kennis aanwezig als spreker of panellid (drs. Zoutewelle, drs. Van den Wolf, ing. Van der Louw en ing. Wiegers). Na het bestuderen van kranten- en andere artikelen over dit congres, dacht ik aan het heden. Tegenwoordig worden, enige uitzonderingen daargelaten, alle geologische sprekers ingevlogen en dan vooral uit Angelsaksische landen 2 Er zijn natuurlijk uitzonderingen3, maar creationaire geologie lijkt in Nederland een wat ondergeschoven kindje te zijn. Daar waar het nog wel openbaar komt, is dit veelal het werk van solisten. Het is nu echter niet de tijd om te jeremiëren, maar om indachtig te zijn aan het Ora et Labora, bid en werk.

Iemand liet mij via de e-mail het volgende weten:

“Er is flink wat verdeeldheid, we zijn allemaal wat egotripperig (…) en we ontberen een organisatorisch kader. We kunnen (…) zelfs geen interne bijeenkomsten meer beleggen waarin we onderling over creationistische [geologische] thema’s informatie uitwisselen en daarover discussiëren.”

Daar ben ik het eigenlijk wel mee eens. Mijn persoonlijke energie is beperkt door ernstig hartfalen en het wachten is op een harttransplantatie. In gebed of de Heere de middelen nog zou willen zegenen, geeft Hij het nog dat ik op het ziekbed nog wat kan doen (zoals lezen, artikelen schrijven en zaken overdenken). Het idee vatte post om opnieuw een besloten (dus interne) CreaGeo-bijeenkomst te organiseren om met elkaar van gedachten te wisselen over geologische en paleontologische thema’s. In de hoop dat het een vruchtbare bijeenkomst wordt en dat deze vruchtbaarheid ook naar buiten toe zal stralen. Daarom wil ik vandaag polsen of er animo bestaat om te komen tot een dergelijke meeting. Anders is het jammer om de beperkte energie die er is bij voorbaat nutteloos in te steken. Mocht er animo zijn voor een besloten geologiemeeting voor creationisten die het klassieke scheppingsgeloof en warm hart toedragen, dan wil ik de beperkte energie daar graag voor inzetten. De datum die ik voor een besloten bijeenkomst in gedachten had is D.V. zaterdag 20 april 2024.4 Ben voornemens deze bijeenkomst te beleggen in de omgeving van Opheusden (Gemeente Neder-Betuwe). Opgeven kan door te reageren op deze e-mail of via ons contactformulier. Mogelijk zijn er mensen die over een geologisch thema, waar ze de afgelopen tijd mee bezig zijn geweest, willen presenteren. Reageer dan op deze mail of laat uw verzoek weten via ons contactformulier.
In navolging van de naturalist prof. dr. Johan Braeckman zou ik graag zien dat we interdisciplinair werken.5 Daarom wordt deze uitnodiging ook verzonden naar natuurkundigen, chemici, biologen, maar ook naar filosofen en theologen die geïnteresseerd zijn in natuurwetenschappelijke thema’s. Om zo te komen tot een vakoverstijgende uitwisseling van ideeën. Mocht u op de genoemde datum niet kunnen komen, maar wel graag willen meedenken over deze vraagstukken, geef dit dan ook door dan wordt u meegenomen in de correspondentie. Soli Deo Gloria, tot eer van onze Schepper en tot heil en nut van onze naaste.

Hartelijke groet,

Jan van Meerten
Fundamentum
www.oorsprong.info

Voetnoten

Zomercursus ‘De geheimen van de aardkorst’: een goed creationistisch initiatief uit het verleden (1993)

Creationistisch-geologische vakkennis wordt de laatste jaren spaarzamelijk gevonden in Nederland en Vlaanderen. Er zijn wel geologen die achter het klassieke scheppingsgeloof staan, maar veelal zijn deze geleerden druk met hun dagelijkse werkzaamheden of kiezen zij er voor om niet in de openbaarheid te treden. Er zijn er ook die vol goede moed zijn begonnen aan creationaire geologie vanuit het catastrofenmodel, maar later zijn afgehaakt.1 Vandaag zag ik in een oude krant van het Nederlands Dagblad een advertentie staan. Het zou mooi zijn als dit initiatief uit het verleden in het heden opnieuw opgezet zou kunnen worden. Hieronder een korte beschrijving van de advertentie, in de hoop dat het herinneringen oproept bij oudgedienden en met het verzoek tot meer informatie. Tot eer van onze Schepper en tot heil van de naaste.2

Praktische informatie

Ruim dertig jaar geleden, in 1993, werd er in het gebouw van de Evangelische Hogeschool (Drentsestraat 1) te Amersfoort een zomercursus georganiseerd. De cursus was onderdeel van de zogenoemde EH-Zaterdag Academie en had als titel ‘De geheimen van de aardkorst’. De cursus vond plaats van donderdag 19 augustus 1993 tot en met zaterdag 21 augustus 1993. De cursusdagen vonden plaats vanaf tien uur in de ochtend tot en met drie uur in de middag. De kosten voor de cursus bedroegen 165 gulden, en dit was exclusief een bijdrage voor het lesmateriaal.

Inhoudelijke informatie

Het betreft dus een driedaagse geologische cursus met excursie. Het doel is het bestuderen van het ontstaan van het Nederlandse landschap. “Daarbij wordt ook aandacht gegeven aan de herinterpretatie van catalogi van musea, de werking van de Rijksgeologische Dienst, het lezen van geologische kaarten, etc.” Op de eerste cursusdag werd een algemene inleiding in het vakgebied geologie gegeven, met aandacht voor de historische en praktische kant van dit vakgebied. Op de tweede cursusdag werd er gekeken naar het werken met geologische kaarten en de werkwijze van de Rijksgeologische Dienst. Tegenwoordig valt dit onder de Geologische Dienst Nederland als onderdeel van TNO.3 Op de derde cursusdag was er een excursie waarbij het geleerde in de praktijk kon worden gebracht en er werd er gekeken naar de relatie tussen de verschillende landschapsvormen. De doelgroep is allen die geïnteresseerd zijn in het Nederlandse Landschap, maar in het bijzonder werd gefocust op onderwijskundigen zoals aardrijkskundedocenten.

Docenten

Van de vier docenten is er nog één in leven: drs. A. (Tom) Zoutewelle. Zoutewelle is nog steeds actief, hij organiseerde onlangs nog een congres, in samenwerking met Wort und Wissen, rond de grote oorsprongsvragen4 en leidde bovendien in 2018 ook een aantal geologische excursies voor Weet Magazine in de Belgische Ardennen.5 De andere docenten waren drs. J.A. (Koos) van Delden (1943-2019), ing. H. (Henk) Wiegers (1927-2012) en ing. C. (Cok) van der Louw (1940-2003). Van Delden studeerde wiskunde aan de Universiteit Leiden, was een van de oprichters van de Evangelische Hogeschool, bekend van de EO-serie ‘Adam of Aap6 en auteur van onder andere het boek ‘Schepping en wetenschap’.7 Wiegers studeerde weg- en waterbouwkunde aan de HTS te Groningen, schreef diverse creationistische artikelen voor het Nederlands Dagblad en publiceerde verschillende brochures zoals ‘De geologische kolom’.8 Van der Louw studeerde bodemkunde, werkte als adviseur Bodem en Water bij een ingenieursbureau en schreef samen met de hiervoor genoemde Henk Wiegers het boekje ‘De zondvloed in Nederland’.9 Van der Louw en Wiegers zijn beiden begraven op begraafplaats ‘De Boskamp’ te Assen.

Verzoek

In de advertentie wordt gesproken over cursusmateriaal en mogelijk is er door dezen of genen verslag gemaakt van deze zomercursus. Graag zou ik dit materiaal willen inzien. Wie kan mij helpen aan dit materiaal, dat mogen ook scans of foto’s zijn van het cursusmateriaal of bijbehorende aantekeningen. Correspondentie kan via het contactformulier van deze website of via info@oorsprong.info. Het is aan te bevelen om een dergelijke cursus anno 202x opnieuw te geven, uiteraard aangevuld met de meest recente creationistische inzichten.10 Als de Heere het leven en de gezondheid geeft, wil ik daar graag in meedenken, en als de energie terug komt ook weer aan meewerken.

Voetnoten