Home » Astronomie » ‘Professor, bestaat God?’ ‘Nee, mijn jongen, de wereld is God’ – Een pantheïstische hoogleraar in Nederland

‘Professor, bestaat God?’ ‘Nee, mijn jongen, de wereld is God’ – Een pantheïstische hoogleraar in Nederland

“Professor, bestaat God?” Twee intelligente oogjes kijken naar een man die daar staat met zijn lange mantel. De jongen kijkt vol afwachting naar het peinzende gezicht van de professor en denkt bij zichzelf: “deze geleerde man is de professor, die weet toch alles?”.

We zouden het op deze manier kunnen voorstellen. Zo is het echter niet gegaan. In 2014 bestond de Rijksuniversiteit Groningen 400 jaar. Daarom mochten jong en oud vragen stellen voor de serie ‘400 vragen aan de RUG’. Eén vraag kwam van een jongen van zeven jaar, met de naam Anco. De RUG was verlegen met het antwoord, want de vraag stond lang open. Anco vroeg namelijk: ‘Bestaat God – kan de universiteit dat uitzoeken?’ Uiteindelijk besloot één hoogleraar deze vraag verder uit te werken en het antwoord drievoudig de werkelijkheid in te lanceren: persoonlijk aan Anco, in een lezing voor breed publiek en in een boekje. Dat boekje ligt nu voor mij ter recensie.

Het boekje ‘Professor, bestaat God?’ werd in 2017 uitgegeven bij Amsterdam University Press.1 Het is een klein, handzaam boekje die de snelle lezer binnen een uur uit gelezen krijgt. Het boekje is gedegen uitgegeven, complimenten aan de uitgever. De auteur is prof. dr. Peter Barthel, een astrofysicus met een indrukwekkende CV.2 De hoogleraar is, zoals hij dat zelf noemt, “kritisch lid van de Protestantse Kerk in Nederland”. Hoewel de uitgave netjes verzorgd is stelt het antwoord van de hoogleraar teleur. Anco wordt met een kluitje in het riet gestuurd.

Antwoord

Wat is het antwoord van de hoogleraar op de vraag ‘Bestaat God?’, van de zevenjarige Anco? Hij schrijft: ‘Nee, God bestaat niet als een persoon die in de hemel woont, de wereld bestuurt en voor jou zorgt. Het goede en het mooie in deze wereld – dat is wat ik God zou willen noemen. God bestaat in hoe jij en ik leven. Als mensen voor elkaar willen zorgen, dan zie je dáár iets van God.’ De hoogleraar hangt dus een vorm van pantheïsme aan. Pantheïsten geloven namelijk niet in een persoonlijke God maar stelt de wereld en al het bestaande gelijk met God. Daarnaast maakt de auteur een karikatuur van God als ‘man (met een baard)’. Hij komt tot de conclusie dat er geen ‘werkelijkheid boven ons of buiten ons’ is ‘die zelfstandig deze wereld bestuurt, en zo nodig daar ingrijpt op al dan niet miraculeuze wijze’. We kunnen dus, aldus de professor ‘vaststellen – of noem het bewijzen – dat de Almachtige God niet ‘werkt’, want dan zouden zijn volgelingen beter af zijn dan niet-gelovigen.’ Maar Zijn volgelingen zijn ook beter af. Ik moet hier denken aan Asaf. Hij zat in het donker en vroeg zich ook af of ongelovigen beter af zijn dan gelovigen. Maar in geloofsvertrouwen eindigt hij Psalm 73: ‘Ik zal dan geduriglijk bij U zijn’. Dat is de hoop van een gelovige, maar welke hoop heeft een pantheïst? In het hoofdstukje letter en geest komt de pantheïstische visie van de auteur nog sterker naar voren. Het hoofdstuk is samen te vatten in één zin: ‘De bezielende geest van deze wereld: dat is dus wat ik God zou willen noemen.’ Daarom handelt volgens de geleerde ook een atheïst die het goede doet in de geest van God.

Oud heelal

De hoogleraar gelooft dat het heelal oud is. Op blz. 20 spreekt hij bijvoorbeeld over een sterrenstelsel van 50 miljoen jaar oud. Vanuit de aanname dat een afstand 50 miljoen lichtjaar gelijk ook een ouderdom geeft van 50 miljoen jaar. Op blz. 30 schrijft hij: ‘Het heelal bestaat 13,8 miljard jaar, de aarde 4,6 miljard jaar.’ In het vervolg bespreekt hij kort de naturalistische Grote Geschiedenis. Hiermee laat de hoogleraar zien dat hij onverkort de naturalistische natuurfilosofie aanhangt. Van grote problemen binnen de Big Bang theorie en mogelijke alternatieven wordt geen woord gerept.

Vals dilemma

Op blz. 36 schrijft de professor over het scheppingsverhaal. Volgens hem is het scheppingsverhaal geen natuurwetenschappelijke reportage. En daar heeft hij volkomen gelijk in. Een schepping in zes dagen is echter wel een geloofszekerheid die ook werkelijk zó heeft plaatsgevonden. Hoe de schepping in die zes dagen op atomisch niveau tot stand kwam dat verhaalt Genesis ons niet. Maar dát de aarde in zes dagen geschapen wordt ons wel zwart-op-wit door God geopenbaard. Volgens de hoogleraar gaat het in het scheppingsverhaal er niet om ‘hoe’ God de hemel en de aarde gemaakt heeft maar ‘waartoe’. Hij schrijft daarnaast: ‘De Bijbelse verhalen hebben een diepere achtergrond en boodschap.’ Hij creëert hier, net als veel andere theïstische (deïstische en pantheïstische) evolutionisten een vals dilemma tussen ‘hoe’ en ‘waartoe’ die in de tekst zelf niet aanwezig is. De creationistische opvatting is veel rijker. Zij zien in het scheppingsverhaal ‘hoe’ en ‘waartoe’ God de wereld gemaakt heeft. Het verhaal is werkelijk gebeurd (historie) én heeft een diepere achtergrond en boodschap. Volgens de professor is ‘het letterlijk nemen van de Bijbel iets wat de laatste tijd weer in de mode komt’. Niemand neemt de Bijbel letterlijk, maar als de hoogleraar hiermee wil zeggen: ‘het als historisch waar aanvaarden van de verhalen’ dan is zijn zin niet helemaal correct. Door alle eeuwen heen zien gelovigen Genesis als een historische gebeurtenis met een rijke geestelijke betekenis.3

Karikatuur

De hoogleraar maakt een karikatuur van orthodoxe gelovigen. Hij stelt samen met sommige atheïsten dat ‘orthodoxe gelovigen van allerlei snit (…) weigeren hun verstand te gebruiken en daarmee in de Middeleeuwen zijn blijven steken.’ Orthodox geloof staat niet gelijk met blind geloof. Onder de orthodoxe gelovigen zijn zeer veel verstandige mensen. Wetenschappers die prima onderzoek doen naar hoe Gods werkelijkheid in elkaar steekt. Dat ze andere vooronderstellingen hanteren dan de naturalist maakt hen nog niet onverstandig.

Pluspunten

Zijn er dan helemaal geen pluspunten te noemen waar creationisten iets van zouden kunnen leren? Zeker! Zo geeft de hoogleraar aan dat sterrenkundigen en ruimtevaarders een sterke verwondering ervaren als ze naar het heelal kijken. Deze verwondering vinden we ook terug bij David in Psalm 19. Die verwondering kennen creationisten ook als zij naar de sterren kijken. Een ander pluspunt is dat hij het bestaan van Jezus als historisch figuur uiterst aannemelijk vindt (blz. 32). De auteur verwijst dan naar Tacitus en Flavius Josephus. De hoogleraar noemt ‘de ratio tot norm uitroepen’ kortzichtig, verwijst naar een boeddhistische monnik met een mooie uitspraak over naastenliefde4 en houdt zelf ook een warm pleidooi voor naastenliefde. Het siert de hoogleraar dat hij die naastenliefde kracht bij zet: ‘De auteuropbrengst van Professor, bestaat God? gaat overigens naar het Groningse Eric Bleumink Fonds voor talentvolle studenten en onderzoekers uit ontwikkelingslanden’.

Er valt veel meer te zeggen over het boekje, maar dan zou de recensie dezelfde omvang krijgen als het boekje. We zien bijvoorbeeld bij de hoogleraar dat hij een positivistische wetenschapsvisie heeft (naturalistische wetenschap zou objectief zijn), een karikaturale visie heeft op ID (als God-of-the-Gaps), ongenuanceerdheden over Galileï opschrijft (conflict kerk en wetenschap) en meent dat Pantheïsme een positieve invloed op de kerkgang heeft. Het Pantheïsme is een religieuze verarming, een ontkenning van het Godsbestaan en een verwaarlozing van Gods Woord. God openbaart Zich in Zijn Woord als persoonlijke God, er zijn talloze teksten in de Bijbel die daarop wijzen. Kunnen die allemaal in de prullenbak? Dan houden we van de Bijbel niets meer over. Wat is dan nog de meerwaarde van het geloof? Veel mensen die in aanraking komen met deze ‘vrijzinnigheid’ trekken inderdaad die conclusie en verlaten de kerk om nooit meer terug te keren. Het is niet voor niets dat vergrijzing het grote probleem is van de vrijzinnige kerkgenootschappen.5 Diverse onderzoeken tonen aan dat hoe meer een kerkgenootschap Gods Woord serieus neemt hoe meer groei er is binnen dat kerkgenootschap. Dat is overigens geen mensenwerk. Paulus schrijft in zijn brief aan de gemeenteleden aan Efeze: “Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof; en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme” (SV). Ik had daarom ook liever gezien dat de RUG een ander persoon aangewezen zou hebben om deze vraag te beantwoorden6, want er zijn genoeg ‘fingerprints’ in de schepping die wijzen op het bestaan van een persoonlijk God.7 En dat sluit dan weer zeer goed aan bij de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 2.

Dit artikel schreef ik in 2017 en heb ik licht gewijzigd ook hier online geplaatst.

Voetnoten

  1. Boekgegevens: Barthel, P.D., 2017, Professor, bestaat God? (Amsterdam: Amsterdam University Press).
  2. Prof. dr. P.D. Barthel studeerde natuurkunde aan de VU in Amsterdam en deed promotieonderzoek naar Quasars. Sinds 2004 is hij verbonden als hoogleraar in de astrofysica van actieve sterrenstelsels.
  3. Zie bijvoorbeeld: https://oorsprong.info/komt-de-creationistische-schriftvisie-uit-de-twintigste-eeuw/.
  4. De auteur verwijst naar de uitspraak van een Indiase boeddhistische monnik Shantideva: ‘Alle vreugde in de wereld komt voort uit het streven dat anderen gelukkig mogen zijn. Al het lijden in de wereld komt voort uit het streven dat vooral ik zelf gelukkig mag zijn
  5. Zie bijvoorbeeld: https://www.trouw.nl/home/-maak-de-pkn-zelf-vrijzinniger-~a0e523fb/.
  6. Een pantheïstisch antwoord past niet bij het wapen van de RUG. Deze bevat namelijk een opengeslagen Bijbel met de tekst: ‘Het woord van de Heer is een lamp voor onze voet’. Zie ook: Belt, H. van den (red.), 400 jaar Groninger theologie in het publieke domein (Soesterberg: Uitgeverij Aspekt).
  7. Zie bijvoorbeeld: Paas, S., Peels, H.D., 2013, God bewijzen. Argumenten voor en tegen geloven (Amsterdam: Balans). Of: Rutten, G.J.E., Ridder, G.J. de, 2015, En dus bestaat God (Amsterdam: Buijten en Schipperheijn Motief). Overigens ben ik het niet eens met de keuze van de auteurs voor een vorm van theïstisch evolutionisme.