Home » Recensie

Categoriearchief: Recensie

Liever langer luisteren naar creationisten – Een bespreking van ‘Lezen en laten lezen’

De Bijbel is het meest verkochte boek ter wereld. Het is ook geen gewoon boek, christenen zien het als Gods Woord. Zijn openbaring aan ons mensen. Hoe moeten we de Bijbel lezen? Als geschiedenisboek of als bronnenboek voor natuurwetenschap? Nee! Het is zoals Filippus tegen de kamerling zei: ‘Verstaat gij ook, hetgeen gij leest?’ In de geschiedenis van de kamerling zien we dat er meer nodig is dan het lezen van letters op een rij. Er is begrijpend lezen nodig, niet alleen met het verstand maar ook met het hart. Het gaat wel om geschiedenis, maar het is veel meer dan dat! Gelovig omgaan met de Bijbel. Systematisch theoloog prof. dr. Arnold Huijgen1 schreef er een boek over: ‘Lezen en laten lezen’.2 Een onderwerp dat erg belangrijk is voor de kerk van alle eeuwen. Een boek dat ik met gemengde gevoelens heb gelezen.

Positief

Prof. Huijgen zegt hele mooie dingen over het lezen van de Schrift. Hij laat zien dat voor de Schrift geldt dat ‘het geheel meer is dan een som van de delen’. De Bijbel gaat niet leven door slechts te hameren op historiciteit. De Bijbel is méér dan geschiedenis. Huijgen schrijft waardevolle zaken in hoofdstuk 2 en 3. Hij wijst terecht op een meervoudig waarheidsbegrip. Hij geeft aan dat we de Schrift moeten lezen coram deo (voor Gods aangezicht). Hij geeft ook aan dat we de Schrift oudtestamentisch moeten lezen met Jezus Christus in het middelpunt. Huijgen haalt prof. Van ’t Spijker aan, die na een meditatie door een student over Psalm 124 aangaf: ‘Waar is Christus in deze psalm?’ Instemmend las ik mee met Luther: “Neem Christus weg uit de Schrift, wat blijft er dan nog over?” Huijgen hecht terecht ook veel waarde aan het Oude Testament. In het licht van Gods aangezicht is de Schrift voor Huijgen véél meer dan een informatiebron. Op pagina 18 schrijft hij:

“Als we de Bijbel niet midden in het leven voor Gods aangezicht lezen, wordt hij een informatiebron, een studieboek, een gids vol waarheden, maar klinkt hij niet als de stem van de levende God. Het wordt dan ook moeilijk om de Schrift met het leven te verbinden.”

En nogmaals op pagina 57 n.a.v. Psalm 78:

“Dát is de bedoeling van de Schriften: dat we op God zouden hopen. Wie daaraan voorbij ziet en de Schrift benadert als was het een bronnenboek voor historische kennis, komt de eigen aard en zeggingskracht van de Schrift er niet mee op het spoor.”

Toch is historiciteit voor Huijgen niet onbelangrijk. Hij schrijft op pagina 170:

“De opstanding is historisch, maar ook zo veel meer dan dat, en wie alleen naar het historische vraagt, geeft blijk van een te nauwe focus. (…) Wie alleen zegt dat de opstanding een historisch feit is, doet net zoiets als degene die zegt dat de Nachtwacht bestaat uit verf op doek. Het is wel waar, maar het is lang niet de hele waarheid. (…)”

En dan concluderend op pagina 171:

“Jezus Christus is historisch en lichamelijk opgestaan, maar het kennen van de realiteit daarvan kan alleen in het geloof. (…) Wie de opstanding historisch noemt, doet dus niet te veel (zoals liberale theologen zouden kunnen menen, voor wie Jezus slechts in het geloof van zijn discipelen is opgestaan). Hij doet te weinig, want de opstanding is meer dan historisch.”

Dit zijn waarheden van de bovenste plank. Wie de opstanding slechts als historisch ziet, doet hopeloos tekort aan dit heilsfeit en het fundament van het Christelijke Geloof. Voor mij zijn de goede schepping en de kwade zondeval echter ook van fundamenteel belang. Zou Huijgen met mij deze ‘parodie’ op zijn citaat na kunnen zeggen: “De schepping is historisch en werkelijk gebeurd, maar het kennen van de realiteit daarvan kan alleen in het geloof. (…) Wie de schepping historisch noemt, doet dus niet te veel (zoals liberale theologen zouden kunnen menen, voor wie Universele Gemeenschappelijke Afstamming over Deep Time een feit is). Hij doet te weinig, wat de schepping is meer dan historisch.” Of: “De zondeval is historisch en werkelijk gebeurd, maar het kennen van de realiteit daarvan kan alleen in het geloof. (…) Wie de zondeval historisch noemt, doet dus niet te veel (zoals liberale theologen zouden kunnen menen, voor wie de zondeval mythisch is of vrijwel geen gevolgen had). Hij doet te weinig, want de zondeval is meer dan historisch.” Als hij dat ook kan erkennen voor de schepping en de zondeval dan is waarde prof. Huijgen voluit creationistisch. Als Huijgen dat niet kan erkennen, dan zal Huijgen moeten komen met een antwoord op de vraag waarom de schepping en de zondeval niet van fundamenteel belang zijn.

Moeten wij de Schrift dan beschermen tegen Universele Gemeenschappelijke Afstamming of liberale theologie? Ook daar heeft Huijgen een antwoord op. Op pagina 161 schrijft hij:

“De Schrift is heus niet van onze beschermingsconstructies afhankelijk om haar gezag te funderen. (…) Omdat wij het gezag van de Schrift niet hoeven te bewijzen of funderen, kunnen we ontspannen omgaan met allerlei kritische exegetische methoden en met bijbelteksten die met elkaar op gespannen voet lijken te staan. De Schrift kan een stootje hebben en valt niet zomaar om.”

Van harte ben ik het eens met dit citaat, maar dit geeft nog Huijgen nog geen fiat om deze kritische exegetische methoden maar links te laten liggen of te laten begaan. We moeten deze methoden bestrijden, niet omdat de Schrift onze bescherming nodig heeft maar, omdat wij mensen geneigd zijn tot alle kwaad en door deze methoden meegesleurd zullen worden in het drijfzand van vrijzinnigheid en uiteindelijk ongeloof. Zelfs het kleinste ‘steentje’ kan ons doen struikelen. Wie meent de Schrift te moeten redden is ver van zijn plaats, wie kritische exegetische methoden (oogluikend) toestaat óók. Het bestrijden hoeft niet krampachtig te gebeuren, maar kan in nuchter Godsvertrouwen plaatsvinden. Overigens geeft Huijgen op pagina 163 aan dat:

“het laatste gezag, de ultieme norm voor leer en leven, de Schrift is als het Woord van God zelf. De keerzijde van dit gezag van Gods Woord is de overtuiging dat de kerk kan dwalen. Bij verschil tussen kerk en Schrift gaat de Schrift voor. Daar ging het de Reformatie om: niet de Schrift alleen, maar de Schrift voorop.”

Dit zie ik ook zo als verdediger van presuppositionele apologetiek en aansluitend bij Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 7. Als creationist sta ik hiervoor! Deze citaten waardeer ik in het boek van prof. Huijgen Alle natuurwetenschappelijke waarheidsclaims ten spijt, de Schrift voorop en het Levende Woord (Joh. 1) als fundament. Waarom? Omdat de Schrift dit van zichzelf zegt (autopistie).3 Waarheid blijkt voor Huijgen allereerst waarheid in het binnenste te zijn. Hij schrijft op pagina 139:

“Waarheid beroert de snaar van hart [sic], dus is waarheid niet alleen een zaak van intellectuele kennis, maar van het hele leven.”

Karikatuur

Na deze positieve beschrijving van het boek draait de boog 180 graden naar het negatieve als het gaat over creationisten. Prof. Huijgen heeft geen goed woord over voor deze gelovigen. Hij verwijt deze mensen dat zij rationalisten zijn die menen dat de Bijbel natuurwetenschappelijk bewezen moet worden.

We laten eerst prof. Huijgen aan het woord. Dat begint al in de inleiding op p. 17:

“Een tweede voorbeeld van rationalistische benadering vind ik in pogingen om de waarheid van de Bijbel met rationele, soms natuurwetenschappelijke argumenten te ondersteunen of zelfs te bewijzen. Zowel creationisten als theïstische evolutionisten neigen ernaar de waarheid van de Bijbel te zekeren met een (natuurwetenschappelijke en/of filosofische) redenering.”

Om daarna deze karikatuur te bestrijden met woorden die mij, als creationist, als muziek in de oren klinken. Namelijk dat de Schrift de geloofwaardigheid van zichzelf heeft (autopistie). Dat je met het autopistisch uitgangspunt voorkomt dat ‘je bij een nieuwe stand van de wetenschap opnieuw naar een redenering moet zoeken die de waarheid van de Schrift ondersteunt’. Dat de echte waarheid met een rationalistische benaderingswijze niet aan het licht komt. Dat de Schrift is geschreven met het oog op het behoud. Dat het bij het Schriftlezen om het hart gaat. En dat het denken niet wordt uitgeschakeld, maar op een nieuwe manier wordt ingeschakeld.

Bij deze karikatuurbestrijding denk ik dan: heeft Huijgen wel eens van hart tot hart met een creationist gesproken? En: waar haalt Huijgen dit karikatuurbeeld vandaan? Hij geeft geen verwijzingen. Hij haalt nauwelijks creationistische literatuur aan, alleen het boek van prof. Paul staat in de literatuurlijst. Uit dat laatstgenoemde boek blijkt mijns inziens geen rationalistisch standpunt, maar geeft Paul, in de bespreking van de Schrifthoofdstukken, een bijbeluitleg zoals die ook vóór Descartes gangbaar was. Onlangs bevroeg ik Huijgen n.a.v. zijn citaat over creationisten in ‘En God zag dat het goed was’. Ik vroeg hem uit welke bronnen hij dit karikatuurbeeld gedestilleerd had. Het antwoord moet ik nu nog krijgen.

Op pagina 51 schrijft hij:

“Momenteel wordt dit welles-nietesspel bijvoorbeeld met hoge inzet gespeeld door creationisten, die tegen de natuurwetenschappelijke consensus in argumenteren dat de Bijbel toch werkelijk wel gelijk heeft op basis van allerlei geologische en biologische ‘bewijzen’.”

Waarom plaatst Huijgen hier bewijzen tussen aanhalingstekens? Is dat om wetenschapsfilosofische redenen of omdat hij gekozen heeft voor de natuurwetenschappelijke consensus en daarom niet zoveel ziet in creationistische pogingen om deze werkelijkheid te verklaren? En bij dit citaat aansluitend schrijft hij op pagina 122 over creationisten:

“Ook het creationisme, dat de waarheid van de Schrift wil aantonen met natuurwetenschappelijke middelen, is een typisch modern verschijnsel. Creationisten peilen de problematiek van het evolutionisme niet diep genoeg, doordat ze in dezelfde rationalistische sfeer blijven steken.”

Dit doet hopeloos tekort aan de diepste drijfveren en intenties van de creationist. Een creationist gelooft in de waarheid van de Schrift, omdat het Gods Woord is en niet omdat deze met natuurwetenschappelijke middelen bewezen kan worden. Hoe zou dat kunnen? Hoe zouden creationisten Gods eenmalige scheppingsdaden met natuurwetenschappelijke middelen aan kunnen tonen? We kunnen dat gelovig aanvaarden als zijnde óók en/of méér dan historisch. Maar al onze menselijke kennis schiet tekort om dat empirisch te bewijzen, we moeten dat ook niet willen. Volgens Huijgen zouden creationisten het evolutionisme niet diep genoeg peilen? De auteur geeft geen uitleg bij deze stelling, hij probeert alleen zijn karikatuurbeeld te bevestigen. Voor creationisten is de strijd tussen schepping en universele gemeenschappelijke afstamming (wat mijns inziens bij evolutionisme hoort) vooral een geestelijke strijd! Peilt Huijgen het evolutionisme wel diep genoeg als hij, mijns inziens, ondoordacht de consensus wil volgen als het gaat om de natuurwetenschappen? Heeft Huijgen wel oog voor de geschiedenis van het naturalistische evolutieparadigma? Weet Huijgen dat deze geschiedenis een spel laat zien dat (al dan niet methodisch) als motto heeft ‘wetenschap bedrijven alsof God niet bestaat’? Creationisten hameren hier elke keer weer op. Het is niet slechts een intellectuele strijd om natuurwetenschappelijke ‘bewijzen’, het is ten diepste een geestelijke strijd. En net zoals onze Heere Jezus Christus, bij de verzoeking in de woestijn, kunnen wij die strijd alleen aangaan onder bedauwing van Gods Geest, met de Schriften in de hand en met aanhoudend gebed. De Schriften blijken dan een machtig wapen om geestelijke aanvallen af te slaan. Dat is nog wat anders dan de Schrift met natuurwetenschappelijke middelen bewijzen.

Hoe moeten we dan denken over het opzetten van creationistische wetenschap en een creationistisch wereldbeeld? Past dat dan niet in het beeld dat Huijgen schetst? Nee. Creationisten willen deze werkelijkheid verstaan vanuit de Schrift. Gods Woord (de Bijbel) en Gods Vinger (de werkelijkheid) kunnen fundamenteel niet met elkaar in tegenspraak zijn. Als dat wel zo lijkt te zijn dan gaat de Schrift voorop. De vermeende tegenspraak die vanuit de werkelijkheid dan tot ons komt, wordt óf weersproken, óf genuanceerd, óf dissonant gelaten vanwege ons beperkte begripsvermogen en ontbrekende puzzelstukjes. Maar ook als de werkelijkheid consonant lijkt met de Schrift, wordt veelal gemaand tot voorzichtigheid!

Huijgen werpt tegen dat er meer vormen van waarheid zijn dan alleen historisch-feitelijke juistheid. Daar heeft hij volkomen gelijk in, maar dit ontkracht de historische betrouwbaarheid niet, integendeel, het vult deze alleen maar aan. De verschillende vormen van waarheid hoeven niet tegen elkaar opgezet te worden om zo te zorgen voor een vals dilemma, maar deze vormen vullen elkaar aan. Als creationist kan ik daar prima mee leven, sterker nog, ik sta daar helemaal achter.

Ook historisch gezien is de vergelijking van Huijgen onjuist, dat mensen die geloven dat Genesis (meer dan) historisch is vergeleken worden met rationalisten opbloeiend in de geest van Descartes.4 Was Augustinus ook rationalistisch bezig toen hij zich afvroeg hoe hoog het water stond tijdens de vloed en of dat alle dieren wel in de ark zouden passen?5 Waren de kerkvaders rationalistisch toen zijn probeerden te verklaren waar de vrouw van Kaïn vandaan kwam?6 Was Luther ook rationalistisch toen hij meer dan tweehonderd pagina’s wijdde aan de zondvloed en probeerde een chronologie te geven?7 Was Procopius van Gaza ook rationalistisch toen hij meende dat de zondvloed wel wereldwijd moest zijn geweest omdat er marien zeeleven op de bergtoppen gevonden wordt?8 Natuurlijk niet!

Het is uitermate jammer dat prof. Huijgen het niet over de hete hangijzers wil hebben, maar wel meent dat hij een karikatuurbeeld van creationisten moet neerzetten. Wil je het ene niet, doe dan ook het andere niet. ‘Lezen en laten lezen‘ zou prima floreren zonder anti-creationistisch geluid. Het zou mijns inziens zelfs beter floreren, bij mij zorgde uitspraken over creationisten voor teenkrommingen en drukte zo een stempel op het hele boek. In plaats van creationisten verbaal de hersens in te slaan, zou hij beter kunnen kiezen voor ‘liever langer luisteren’ naar creationisten.

Is historiciteit belangrijk voor het christelijk geloof?

Prof. Huijgen geeft aan dat niet alles in de Bijbel van gelijk gewicht is (p. 51). Ik geef hem hierin gelijk. Geloof in de historiciteit van opstanding is uitermate belangrijk voor het heil. Veel belangrijker dan bijvoorbeeld de historiciteit van ‘Petrus en de vis met het muntstuk’. Het lijkt erop dat Huijgen aangeeft dat het voor sommige zaken er minder toe doet of deze historisch zijn of niet. Het zou de betrouwbaarheid van de Schrift niet of minder aantasten. En dáár ben ik het niet mee eens. Uiteraard is niet alles in de Bijbel van gelijk gewicht, maar fouten in de Bijbel tasten uiteindelijk de betrouwbaarheid van de Schrift en van God zelf aan. Ik zal het proberen uit te leggen met een voorbeeld.

Pieter en Bea zijn gelukkig getrouwd. Ze hebben elkaar trouw beloofd in de kerk en op het gemeentehuis. Op een dag loopt de Bea met een vriendin door de stad en ze ziet in de verte Pieter hand-in-hand lopen met een andere vrouw. Bea schrikt zich wild en wordt boos, met stemverheffing beticht ze Pieter van overspel! Haar vriendin legt geruststellend haar hand op de schouder van Bea. Ze zegt: “Overdrijf je niet een beetje, niet alles wat jij overspel noemt is van gelijk gewicht. Met een andere vrouw hand-in-hand lopen moet kunnen. Ik zou je kunnen begrijpen als je Pieter zou betrappen op geslachtsgemeenschap met die vrouw. Dát is overspel”. Bea neemt zich voor bij thuiskomst een stevig gesprek met Pieter aan te knopen. Dat is het geval en met resultaat! Pieter belooft Bea dat hij nooit meer hand-in-hand zal lopen met een andere vrouw. Toch heeft het vertrouwen van Bea in Pieter een deuk (al is die mogelijk maar klein) opgelopen. En als dit keer op keer gebeurt zal de relatie van Pieter en Bea, vanwege deze in onze ogen kleine zaken, op de klippen lopen.

Om aan te sluiten bij het verhaal: de Bijbel is het ‘liefdesboek’ van de kerk. In de Schrift openbaart God dat er, in Christus, nog doen aan is voor een verloren zondaar. Dát is de kern. Als er fouten in de kern zitten zet dat de complete relatie en vertrouwensband met God op het spel, net zoals geslachtsgemeenschap met een ander meestal de eigen relatie compleet verwoest. Als er fouten zitten in, voor het oog, minder belangrijke zaken dan loopt het vertrouwen in Gods Woord een deuk op, net zoals hand-in-hand lopen met een andere vrouw dat bij Bea deed. Hoe meer fouten hoe meer deuken in de vertrouwensband en uiteindelijk zal dat zorgen voor (grote) relatieproblemen. Ook kleine druppels zorgen er uiteindelijk voor dat de emmer overloopt. Grote druppels en kleine druppels hebben niet hetzelfde gewicht, maar ze hebben uiteindelijk hetzelfde eroderende effect. Zelfs een, in onze ogen, heel klein druppeltje. Om in het voorbeeld te blijven: De Heere Jezus zegt dat wie een andere vrouw begeert al overspel heeft gedaan. Het stelen van een zak drop uit de winkel is van ander gewicht dan een overval op de bank, maar het blijft stelen. Een inwendige vloek is van ander gewicht dan een harde knettervloek in een sportpark, maar het blijft vloeken. De historische onbetrouwbaarheid van het Schriftwoord in Jozua is voor het oog van ander gewicht dan de historische onbetrouwbaarheid van het Schriftwoord inzake de opstanding, maar het blijft ‘onbetrouwbaarheid’. Gods Woord is voor het verstand niet altijd te rijmen en dat moet je ook niet willen, maar het is naast dat het geestelijk gezag heeft ook door en door historisch betrouwbaar. Niet omdat we dat empirisch of historisch aan kunnen tonen, maar omdat Gods Geest dit geloof werkt in het hart. Waarheid gaat om kennis én vertrouwen (truth en trust). Als het ene er niet is dan loopt alles scheef, maar als het andere er niet is óók.

Ontwijken hete hangijzers

In de inleiding geeft prof. Huijgen aan dat een aanleiding voor het schrijven van dit boek ‘de manier is waarop hermeneutische kwesties in gereformeerde kerken momenteel op scherp worden gezet,/em>’. Hij doelt dan op (1) vrouw in het ambt, (2) homoseksualiteit, en (3) schepping-of-evolutie. Je zou verwachten dat Huijgen in het hoofdstuk ‘proeven van omgang met de Bijbel’ dan bij elk heet hangijzer een hoofdstuk of een (aantal) tekst(en) neemt uit de Schrift en die ons gelovig ‘voorleest’. Dat is helaas niet het geval. Een gemiste kans! Juist een systematisch theoloog zou de huidige discussie van dienst kunnen zijn wanneer hij deze Schriftgegevens oudtestamentisch probeert uit te leggen ‘voor Gods aangezicht’ en met ‘Jezus Christus in het midden van de Schrift’. Durft of wil Huijgen zijn vingers er uiteindelijk toch niet aan branden?

Wat is de verhouding tussen de Schrift en de werkelijkheid?

Naast het uit de weg gaan van deze hete hangijzers, blijft er nog een andere vraag bij mij over. Huijgen gaat nauwelijks in op de relatie tussen de Schrift en de werkelijkheid. Hij verwerpt terecht het rationalisme en het reductionisme, maar gaat nauwelijks in op het ‘hoe dan wel’? Naast het lezen van de Schrift voor Gods aangezicht leven we ook in een wereld voor Gods aangezicht. Hoe de verhouding volgens Huijgen is tussen Schrift en werkelijkheid wordt uit het boek niet duidelijk. Hij houdt een pleidooi voor de ziel, maar hoe kijk je met een ‘bezielend’ oog naar deze werkelijkheid? Zeker in het licht van zijn bijdrage in het boek ‘En God zag dat het goed was’ is deze vraag belangrijk. Hij ruilt daar, vanwege een knieval voor de natuurwetenschappelijke consensus9, de traditionele visie op imago Dei in de zielsvermogens in voor een andere onduidelijke visie.10 Mijn idee: Laat deze naturalistische consensus los, waarbij wetenschap (al dan niet methodisch) wordt bedreven alsof God niet bestaat. Verklaar deze werkelijkheid ook ‘voor Gods aangezicht’ en in het Schriftlicht. In alle andere gevallen zal het waardevolle wat in het boek ‘Lezen en laten lezen’ over de Schrift wordt geschreven leiden tot een spagaat tussen de Schrift (voor Gods aangezicht) en het onderzoek naar deze werkelijkheid (alsof God niet bestaat). Binnen een creationistische wereldbeeld bestaat die spagaat niet omdat Gods Woord (de Schrift) en Gods Vinger (de werkelijkheid) bij elkaar horen en fundamenteel niet met elkaar in tegenspraak kunnen zijn.

De achterkant van het boek geeft aan:

“’Lezen en laten lezen’ vraagt aandacht voor de ziel als ruimte waarin de muziek van Gods Woord tot klinken komt. De vermeende tegenstellingen tussen denken en ervaring, tussen ziel en lichaam, verdwijnt in het licht van Gods waarheid.”

Deze tekst komt mijns inziens in het boek niet goed genoeg uit de verf. Aan de ene kant meent de auteur dat de Schrift (meer dan) historisch is. Aan de andere kant accepteert hij de consensus binnen de natuurwetenschappen (o.a. Universele Gemeenschappelijke Afstamming en Deep Time). Dit leidt onherroepelijk tot een spagaat. Huijgen krijgt deze zaken niet bij elkaar en wil dat ook niet. De auteur wil niet in een boedelscheiding verzeild raken, maar ontkomt daar fundamenteel niet aan. De oplossing is dat hij de natuurwetenschappelijke consensus loslaat en naar alternatieven zoekt.

Conclusie

Het is een waardevol boek om te lezen. Ten eerste omdat Huijgen elke keer weer aangeeft dat we de Schrift moeten lezen ‘voor Gods aangezicht’. Ten tweede omdat Huijgen de Schrift oudtestamentisch wil lezen. Ten derde omdat Huijgen de Schrift Christocentrisch wil lezen. Ten vierde omdat Huijgen aangeeft dat de Schrift meer is dan alléén historisch. Ten vijfde omdat Huijgen afstand neemt van het rationalisme en het reductionisme. Ten zesde omdat Huijgen een pleidooi voert voor bezieling. Ten zevende omdat Huijgen de Schrift voorop wil laten gaan. Toch blijf ik achter met een sterk onbevredigend gevoel. De recensie is lang geworden, maar heel veel punten heb ik niet kunnen aanstippen. Ik heb bijvoorbeeld ernstige bezwaren tegen zijn uitspraken over de Chicago Statement en zijn te snel afserveren van de Schrift als ‘onfeilbaar’. Ik vind dat hij onvoldoende Luther tegenspreekt als deze aangeeft dat het ‘verstand van de duivel is’. De Nederlandse Geloofsbelijdenis doet hij onvoldoende recht door niet in te gaan op NGB artikel 7. Zijn uitleg van 1 Petrus 3 vind ik dan wel weer mooi. De recensie zou met al die tegenwerpingen en dankwoorden veel langer geworden zijn dan de tekst in het boek ‘Lezen en laten lezen’. Ik laat daarom deze zaken maar rusten. Huijgen pakt creationisten onterecht hard aan. Als creationisten zouden denken zoals Huijgen ze beschrijft, dan geef ik hem helemaal gelijk. Maar dat is niet het geval, integendeel. Door vanuit meerdere invalshoeken naar de Bijbelteksten te kijken, staan creationisten dichterbij Huijgen dan hij zelf vermoedt. Helaas ontstaat er nu een karikatuurbeeld. Dat neem ik hem kwalijk. Als een van de voormannen van de CGK heeft hij een voorbeeldfunctie. Wie niets weet van creationisten wil dat na het lezen van dit boekje ten onrechte ook niet meer. Wie weinig tot niets weet van de intenties en het werk van creationisten moet met hen in gesprek gaan voordat er geschreven wordt. Graag nodig ik prof. Huijgen uit om bij mij thuis een bakje koffie te doen en eens van hart tot hart te spreken over het creationistische wereldbeeld. Naast onbegrip van en voor creationisten is er méér aan de hand. Relativeert prof. Huijgen de eerste ‘regel’ van de Quadriga niet teveel alsof die er minder toe doet? Ik zou prof. Huijgen willen oproepen de waardevolle zaken in dit boek te koesteren (en dat zijn er veel). De gehele Schrift op alle fronten te zien als (meer dan) historisch betrouwbaar. Niet om te eindigen in de historiciteit, maar om dit als startpunt te nemen zoals een goed gebruik van de Quadriga ook voorstaat en de Reformatie altijd benadrukt heeft. Om zo, met behulp van Gods Geest, de teksten, als het gaat om het geestelijke, nog dieper te kunnen peilen. Ik ben van mening dat hij (en wij met hem) dan niet alleen een rijker inzicht krijgt in de teksten, maar de Bijbel ook nog eens voluit creationistisch leest. Ziende op zijn uitleg van 1 Petrus 3 vermoed ik dat dit in zijn preken al lang de praktijk is en dat hij voor zowel de historische als de geestelijke aspecten oog heeft. Want Genesis is geschiedenis, maar in de eerste plaats is Genesis openbaring. Wie de Schrift alléén historisch leest is een beklagenswaardig mens en zonder hoop ronddolend op deze aarde!

Voetnoten

Melancholia: wat zal er gebeuren als ons zonnestelsel door een exoplaneet wordt verstoord?

Jaarlijks worden er tientallen exoplaneten rond andere sterren gevonden.1 Daar zitten grote gasreuzen bij die zelfs groter zijn dan ‘onze’ Jupiter. Wat zal er gebeuren als zo’n gasreus uit de baan rond zijn ster wordt gestoten en richting ons zonnestelsel afreist? Recent keek ik de speelfilm Melancholia. Deze film gaat hierover. Omdat alle christelijke normen en waarden met de voeten getreden worden zal ik deze film overigens niet nog een keer kijken.

Melancholia gaat over een gasreus die uiteindelijk in botsing komt met de aarde en onze planeet compleet vernietigd. De film is vernoemd naar de gasreus: Melancholia. De hoofdpersoon, Justine, is depressief. In het eerste deel van de film gaat Justine trouwen met Michael. Het is maar een vreemde bruiloft met weglopen, ontrouw, gevloek en afpersing. Uiteindelijk loopt het huwelijk van Justine en Michael dezelfde dag nog op de klippen. Ondertussen nadert de planeet Melancholia de aarde.

Op haar bruiloft ziet Justine een rode ster. Ze vraagt aan haar zwager John wat dat voor een ster is. Zwager John die veel weet van sterrenkunde en vaak door een telescoop naar de nachtelijke hemel tuurt, geeft aan dat het Antares is, een rode superreus en de helderste ster in het sterrenbeeld Schorpioen. Maanden na de bruiloft ziet Justine dat de ster verdwenen is en vraagt zich af wat dat te betekenen heeft. Later blijkt dat de planeet Melancholia het zicht op de ster heeft weggenomen. Hoe dichter de planeet bij de aarde komt, hoe banger Claire, de zus van Justine en de vrouw van John, wordt. John geeft aan dat ze niet bang hoeft te zijn en de doemdenkers niet teveel aandacht moeten geven. John laat haar weten het vertrouwen te stellen in de wetenschap.

Grenzeloos vertrouwen in de wetenschap

John, de zwager van Justine, is een echte sciëntist. Hij heeft alle vertrouwen in de wetenschap. De wetenschap heeft aangegeven dat Melancholia de aarde zal passeren en daarna voorgoed uit het zonnestelsel zal verdwijnen. Hij zegt tegen Claire: “De echte geleerden zijn het eens: Melancholia gaat ons passeren. En het wordt een schitterend schouwspel.” Als de planeet nog wat dichterbij vraagt Claire aan John of de geleerden geen fouten gemaakt hebben. John: “Ze hebben geen fouten gemaakt. (…) Ik beloof het je. Hij komt weer op. Dat komt door de rotatie van de aarde. Precies zoals ze hadden voorspeld.” Op de avond van de flyby kijken het gezin en Justine naar het passeren van de planeet. Na het verstrijken van de tijd wordt Melancholia weer kleiner en kleiner. Claire is gerustgesteld, de wetenschap had gelijk. De volgende dag echter is Melancholia toch nog erg groot. John zit al vroeg bij zijn telescoop en is er niet gerust op. Als de planeet steeds groter wordt verdwijnt John uit beeld en pleegt zelfmoord in de paardenstal. Het vertrouwen in de wetenschap is beschaamd. In de extra beelden geeft de astrofysicus dr. Michael J.D. Linden-Vørnle in het kader van deze gebeurtenis het volgende aan:

“Wetenschap onthult de meest waarschijnlijke blik op de wereld. We weten wel iets, maar leren steeds meer. Dus onze blik verandert. We kunnen niet alles bewijzen, maar kunnen wel bewijsmateriaal vinden hoe de wereld functioneert. Aangezien bewijsmateriaal slechts een deel van het antwoord is, weten we niets 100% zeker. Dingen kunnen veranderen of anders uitpakken, dus wetenschap is niet het absolute antwoord. Besef dat goed.”

In een tijd van grenzeloos vertrouwen in het menselijke kunnen, is dat een mooi antwoord.

Ramkoers

Het blijkt dat Melancholia helemaal niet uit het zonnestelsel verdwijnt. Op een gegeven ogenblik wordt zelfs duidelijk dat hij de aarde zal treffen. Omdat Melancholia veel groter is dan de aarde zal het de aarde vernietigen. Daar is niets meer aan te doen. Deze voorspelling komt nu ook daadwerkelijk uit. We zien Claire nog een pogingen doen om de ramp te ontvluchten. Maar door een botsing tussen het magnetisch veld van Melancholia en die van de aarde is het stroom uitgevallen en werken de accu’s van de auto’s en de golfkarretjes niet meer. We zien in beeld Melancholia steeds dichterbij komen totdat deze gasreus de aarde treft en het beeld daarna zwart wordt. In de extra beelden zien we dat, voordat de film in de première ging, dit ook met computerbeelden gesimuleerd is.

Mogelijk?

Is een scenario zoals hierboven geschetst realistisch? De filmmakers vroegen het aan de astrofysicus dr. Michael J.D. Linden-Vørnle. Hij heeft daarover nagedacht en geeft in de extra’s van de film het volgende aan:

“De kans dat een planeet de aarde zou raken, is héél klein. Maar de kans is niettemin aanwezig, als hij uit koers raakt en ons Melkwegstelsel zou betreden. Het zou kunnen. Maar de mogelijkheid is gering. Sinds 1995 kennen we pas andere planeten die om sterren draaien. Daarvoor wisten we niet dat ze bestonden. Nu kennen we er al 500 [rond het jaar 2010] en vinden er dagelijks meer. En ja, er bestaan gaswolkplaneten, zoals Melancholia. Als een planeet ons stelsel betreedt, hangt veel van de grootte af, dan hebben pas we de kans om hem voldoende te ontdekken. Als hij groot genoeg is, zien we hem al vele jaren vóór hij ons bereikt. Komt hij echter vanachter de zon vandaan, dan hebben we minder tijd. Een grote planeet als Melancholia zou een sterk magnetisch veld hebben, dan zou het onze energie en magnetische velden beïnvloeden.”

Tijdens het schrijven van deze recensie moet ik denken aan het spreken van de Heere Jezus over de eindtijd in relatie met de zondvloed. Hij zegt in Mattheüs 24:37-39 (SV):

“En gelijk de dagen van Noach waren, alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen. Want gelijk zij waren in de dagen voor den zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe, in welken Noach in de ark ging; En bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam, en hen allen wegnam; alzo zal ook zijn de toekomst van den Zoon des mensen.”

Seculier

De film is op veel fronten in strijd met de christelijke normen en waarden. Zo wordt er veel gevloekt in de film en zijn er naaktscenes te zien. In de interviews wordt over dat laatste nogal onbeschaamd gesproken. Verder zien we dat de hoofdpersoon vreemd gaat, nota bene op haar eigen bruiloft en de gevolgen van een zelfmoord. Ook het denken over de dood en de eeuwigheid is totaal seculier. Voor het geweten is het beter deze film niet te kijken. Sommigen volgers van deze website zullen het kijken van speelfilms overigens helemaal afkeuren.2

BEDREIGD DOOR KOSMISCH RUIMTEPUIN
Op deze website publiceren we een serie besprekingen van speelfilms waarin kosmisch ruimtepuin de aarde bedreigt. Alle besprekingen zijn hieronder weergegeven. In de volgorde waarin ze op deze website zijn verschenen.

Melancholia: ‘Melancholia: wat zal er gebeuren als ons zonnestelsel door een exoplaneet wordt verstoord?’.

Discussie tussen kinderen over Intelligent Ontwerp en het bestaan van God – Een bespreking van ‘Verscholen vijand’

“Hij pakt de kruk vast en trekt eraan. Hier moeten ze zitten, denkt hij. Ze zullen me niet ontkomen. Open, die deur! Nee, de deur vertikt het. Hij hoort achter de deur voeten schuifelen en als hij goed luistert, kan hij ook het gehijg van de jongens horen. ‘Los, laat los!’ brult hij ineens en geeft een veel hardere ruk.”

Wouter Gunnink en zijn vrienden voetbalden op straat. Dit is volgens een politieagent ten strengste verboden. De jongens vluchten weg en de agent zet achtervolging in. Een grappige scene uit het boek ‘Verscholen vijand’ van M. Kanis. Het is het tiende deel in de ‘Maarten Gunnink’-serie. De serie werd rond 2007 herdrukt door Uitgeverij De Banier. De eerste druk dateert van 1989. Prachtige deeltjes waar de kinderen van smullen. Het boek is ook erg geschikt om voor te lezen.

Inhoud

In dit deel is de Tweede Wereldoorlog afgelopen en maken we het eerste jaar ná de oorlog mee. Het land ligt nog deels in verwoesting. Het boek begint met een angstig avontuur. Er wordt door een van de kinderen namelijk nog een Duitser gevonden. Hoewel het in eerste opzicht lijkt dat deze Duitse soldaat nog leeft is hij dood. Het tweede hoofdstuk gaat over de voetbalscene van hierboven. In het derde hoofdstuk wordt de toren van de Lebuinuskerk (Deventer) door de vrienden bezocht en wordt een waaghalzerig moment beschreven. Het vierde hoofdstuk gaat over een klassenruzie en haantjesgedrag. Het laatste hoofdstuk wordt een grappig moment met een vlot beschreven en wordt afgesloten met een buurtruzie, dat gelukkig goed afloopt.

Schepping, oorlog en herschepping

Dit deel bevat ook een verwijzing naar onze vroegste geschiedenis. Dat gebeurt opvallend genoeg aan het begin én aan het einde van het boek. Vader leest aan het begin van het boek uit de Bijbel. Het gezin van Maarten Gunnink is namelijk christelijk. De vrienden van de Gunninks in Deventer zijn dat echter niet. Als de jongens naar binnen gluren zien ze vader uit de Bijbel lezen. Siemen (een van de jongens die naar binnen gluurt) herinnert zich nog een voorval:

“Eén keer had hij Maarten gevraagd: ‘Wat staat er allemaal in dat dikke boek?’ En Maarten had gezegd: ‘Verhalen over God’. ‘Over God?’ had Siemen verbaast gevraagd. ‘Is dat een sprookjesboek?’ Want God bestaat niet, zeggen bijna alle mensen uit de buurt en zo zal het wel zijn. Hij, Siemen, heeft God nog nooit gezien. Maarten had hem verontwaardigd aangeeken. ‘Een sprookjesboek? Je moet niet zo spotten. Het is allemaal echt gebeurd wat erin staat’ Toen had Siemen de schouders opgehaald. Goed, goed, als Maarten die verhaaltjes wil geloven, moet hij het zelf maar weten. Siemen zal zich niets wijs laten maken.”

Wanneer er geëindigd is ontstaat er buiten een gesprekje tussen de jongens:

“’Mooi uit de Bijbel gelezen?’ spot Prikkel. ‘Braaf hoor!’ Siemen die anders nogal bangig is, durft nu. ‘Ze geloven dat God bestáát’, zegt hij en begint te schateren. ‘Natuurlijk bestaat God’, zegt Maarten kwaad. ‘Jullie zijn grote ezels. De zon en de maan en de sterren zijn er toch niet zomaar gekomen? God heeft ze gemaakt’. Och, och, wat een onnozel jongentje is die Maarten toch! Om zich heen ziet hij spottende gezichten. Douwe trekt hem aan zijn mouw. ‘Laat ze maar praten’, wil hij zeggen. Maar dat kan die driftige Maarten nou net niet. ‘Als… als…’ hakkelt hij, als de Heere er niet was, hadden we ook geen bloemen.’ Hij wijst naar een polletje vergeet-mij-nietjes in de voortuin. ‘Hier, kijk zelf maar. Wie van de mensen kan een bloem of een dier maken? Niemand. O zo!’ ‘Laat me niet lachen’ zegt Prikkel. ‘Als God bestond, waarom heeft Hij dan niet gezorgd dat er geen oorlog kwam? God kan toch alles? Nou dan! Laat God dan zomaar mensen doodgaan van de honger of doodschieten door de moffen? Daar weet Maarten geen antwoord op. Hulpeloos kijkt hij naar Jasper, zijn oudste broer. Die bemoeit zich er niet mee. Die zegt alleen: ‘Gaan we nog verstoppetje doen, of hoe zit het?’”

Aan het einde van het boek nog een verwijzing naar onze vroegste geschiedenis. Wanneer de jongens na een buurtruzie hun zelfgemaakte kanon gebruiken om de ‘vijanden af te schrikken’ thuiskomen volgt er een gesprekje. Hier het laatste stukje ervan:

“’Mooi spelletje’, antwoordt vader. ‘Er had gemakkelijk iemand dood of zwaargewond kunnen zijn. Ik dacht dat de oorlog afgelopen was.’ Hij zucht. Zal hij nog meer zeggen? Dan pakt hij de Bijbel en leest het allereerste hoofdstuk uit het oude, dikke Boek. ‘En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed…’ Die woorden blijven in Maartens gedachten achter. Zeer goed… zeer goed. Zeer goed? Nee, zo is het nu niet meer, ook niet bij hem. Als vader de Bijbel langzaam sluit, zegt hij: ‘Moeder, zo was het, zo is het nu niet meer, maar zo zal het toch weer worden. Straks… als er geen zonde meer zal zijn. Laten we danken.’ Door vaders woorden heen klinkt alleen het eentonig getik van de klok.”

Mooi om zo de ‘Maarten Gunnink’-serie te beëindigen. Met een verwijzing naar de zeer goede schepping en de zeer goede herschepping.

De bespreking van het derde deel (‘Verboden voor Joden’) van de serie is hier te vinden.

Deze bespreking is onderdeel van het project ‘Onderwijzen en opvoeden voor de toekomst – Leren over onze vroegste geschiedenis in 2022’. In de komende maanden zal dit project verder uitgekristalliseerd worden. Een dergelijk opvoedings- en onderwijsproject zal ook onderdeel zijn van het jaarplan ‘Fundamentum 2022-2023’. Het boek is hier opgenomen in de lijst van gelezen kinder- en jeugdboeken.

Voetnoten

Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (3): Over de mens en evolutie

In dit derde deel van het vijfluik waarin het boek Onderzoek alle dingen – Bijbelstudies over geloof en wetenschap1 van Gijsbert van den Brink wordt besproken, ga ik in op het vijfde en zesde hoofdstuk ervan. Een wat langer artikel dit keer, want er is in deze twee hoofdstukken wat mij betreft sprake van veel dwalingen.

De boetsering van de mens

Op pagina 70 stelt Van den Brink de grote vraag of Adam en Eva wel bestaan hebben. De hedendaagse wetenschap lijkt, zo stelt hij, immers “onverenigbaar met het verhaal van Genesis 2” (p. 70). Ik zou willen stellen dat dit niet alleen zo lijkt, maar zo ís. Althans, als het gaat om het gedeelte van de hedendaagse wetenschap dat interpretaties aangaande onze ontstaansgeschiedenis betreft. Maar, zoals Van den Brink in dezelfde alinea schrijft: “Laten we kijken waar de Bijbeltekst ons brengt.”

De Bijbeltekst in kwestie is Genesis 2:4-25. Na lezing hiervan vangt Van den Brink aan met het bekende idee van ‘twee scheppingsberichten’. Hij stelt op pagina 71 dat het “een gangbare gedachte” is dat Genesis 2 als het ware inzoomt op de in Genesis 1:27 genoemde schepping van de mens. Zo legt bijvoorbeeld ook Mart-Jan Paul dit uit in zijn in een eerder deel van deze artikelenreeks al genoemde boek Oorspronkelijk – Overwegingen bij schepping en evolutie.2 Van den Brink pleit er echter voor dat deze opvatting onjuist is, en dat dit bij goed lezen duidelijk wordt. “Dan zie je namelijk dat volgens Genesis 2 de mens geschapen werd voordat de flora (vs. 4-5) en de fauna (vs. 19) geschapen werden. Volgens Genesis 1 was het juist andersom: op de derde dag werd het plantenrijk geschapen, op de vijfde en zesde dag het dierenrijk, en pas aan het einde van de zesde dag de mens.” (p. 71)

Welnu, laten we eens goed lezen. Allereerst blijkt nergens te staan dat de mens pas “aan het eind van de zesde dag” geschapen werd. Maar er is meer. De flora waarvan Van den Brink spreekt, is in Genesis 2 niet dezelfde als die in Genesis 1. Genesis 1 spreekt van zaad- en vruchtdragende gewassen, in Genesis 2 gaat het om “struik des velds” en “kruid des velds” (SV). Specifieke planten dus, die gecultiveerd moeten worden. In vers 8 lezen we bovendien dat God de hof van Eden gemaakt had en dat daarin de mens geplaatst wordt, waarna in vers 9 staat dat God al het geboomte “had” doen “uitspruiten” (SV).3 Anderzijds schrijft de NBV21 dat het gaat om “allerlei” (niet: alle) bomen. In hetzelfde vers wordt hoe dan ook gesproken van de situatie in de tuin. De context noopt derhalve tot de duiding dat deze bomen in de tuin opkomen; het gaat dus niet zozeer om alle gewassen op de gehele aarde, maar om het te cultiveren deel in de hof van Eden. In The Genesis Account – A theological historical and scientific commentary on Genesis 1-11 legt Jonathan Sarfati dit alles aan de hand van het gebruikte Hebreeuws uitgebreid uit: in Genesis 2 wordt de toevoeging ha-sadeh gegeven, die de betekenis ‘van het veld (de akker)’ heeft.4

Zelfs als het echter wél om dezelfde planten zou gaan, dan hoeft er geen tegenspraak te zijn, zo laat Mart-Jan Paul met een mogelijke vertaling zien: “Vanuit de veronderstelling dat toch dezelfde planten bedoeld zijn, is het mogelijk op de volgende manier te vertalen (zonder tegenspraak met het eerste hoofdstuk): ‘Toen er nog geen veldgewas op aarde was, en geen akkergewas opgekomen was [dus voor de derde dag], omdat de HEERE God het nog niet had laten regenen op de aarde, en er geen mensen waren om de akker te bebouwen, (6) toen stegen stromen op uit de aarde en drenkten de hele oppervlakte van de aarde [zodat de vegetatie kon opkomen], (7) en de HEERE God vormde [daarna, later] de mens, stof van de aardbodem, en blies in zijn neus de levensadem, en de mens werd tot een levend wezen.’ Op deze wijze vormt vers 7 een vervolg van de gebeurtenissen op de zesde scheppingsdag.”5

Van den Brink maakt verder een punt van de vertaling van vers 9 in de “oude” Statenvertaling in de voltooid verleden tijd: “Want als [= nadat] de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds (…) gemaakt had, zo bracht Hij die [later die dag?] tot [de inmiddels ook geschapen] Adam.” (p. 71-72) Hij noemt dit een vage constructie die “taalkundig wat gekunsteld” is. Taalkundig is hier echter juist sprake van een logische situatie: bij woorden die zowel in de onvoltooide als de voltooide tijd kunnen worden vertaald, zoals het geval is met het hier gebruikte werkwoord, dient een vertaler deze keuze op de context te baseren. In het Hebreeuws bepaalt de context bij een werkwoord per definitie de keuze. Dat is geen afwijking van de Statenvertalers; de Engelstalige New International Version (NIV) vertaalt vers 19 bijvoorbeeld ook zo. Waarom dit “gekunsteld” zou zijn, vertelt Van den Brink niet. Daar komt bij dat dit alles nog los staat van de mogelijkheid dat het in Genesis 2 slechts gaat om in de hof van Eden geschapen dieren.

Een derde reden die Van den Brink geeft voor de vermeende tegenstelling tussen Genesis 1 en 2 is het gebruik van de benaming van God. In Genesis 1 is die ‘God’, in Genesis 2 meestal ‘HE(E)RE’. In de grondtaal staat hier respectievelijk ‘Elohim’ en ‘JHWH’. Zoals Mart-Jan Paul uitlegt, gaat het hier om een verschil in nadruk tussen God als majesteit en schepper in Genesis 1 en de God van het verbond, die een relatie aangaat met de mens, in Genesis 2. Van het aan de zogenaamde ‘documentairehypothese’6 ontleende idee van een ‘Elohist’ of ‘Priestercodex’ in Genesis 1 en een ‘Jahwist’ in Genesis 2 en 3, en dus van twee verschillende scheppingsberichten (en twee verschillende goden!), is geen sprake.

Het lijkt erop dat Van den Brink hier echter graag voor pleit, omdat hij ernaartoe wil dat Genesis geen historie biedt: “De gang van zaken onderstreept nog weer eens dat we zowel Genesis 1 als Genesis 2 niet zozeer moeten lezen vanuit de historische vraag ‘Wat gebeurde er als eerste en wat deed God toen?’ (want dan lopen we vast), maar veel meer vanuit de theologische vraag ‘Wat wordt ons hier gezegd over de verhouding tussen goed, mens en wereld?’” (p. 72) Maar als we goed lezen, dan zien we dat wat er “als eerste” gebeurde en wat God “toen” deed, juist precies is wat er verteld wordt, getuige alleen al de duiding van het verloop van de scheppingsdagen met een avond en een morgen (en dat niet alleen – denk bijvoorbeeld aan de besproken werkwoordtijden, die per definitie een tijdverloop aangeven). Iets anders ervan maken is geen exegese (uitlegkunde), maar eisegese (inlegkunde). Gedegen hermeneutiek gaat uit van wat de tekst zelf wil zeggen, niet van wat wij deze graag willen laten zeggen.

Het probleem waar Van den Brink tegenaan loopt is dat als Genesis 1 en 2 geen geschiedenis weergeven, er ook geen theologische inzichten op gebaseerd kunnen worden, zoals Jason Lisle uitlegt in zijn kritische bespreking van het recent verschenen boek The Historical Adam van William Lane Craig: “It would be absurd to attempt to explain a present reality on the basis of fiction. And yet this is exactly what William Lane Craig has been attempting to do with Genesis. There can be no doubt that the events recorded in Genesis form the foundational basis of the biblical worldview held by Old Testament believers and New Testament Christians. Even Craig admits this when he says, “The primaeval history of Genesis 1–11, including the stories of Adam and Eve, functions as Israel’s foundational myth, laying the basis of Israel’s worldview.” Yet, Craig also insists that the events in Genesis are myth, and did not literally happen. If he were correct, then the biblical worldview would be wrong since truth cannot be based on falsehood. Craig professes to be a Christian. And yet, he rejects the foundational truths of Genesis upon which the Christian worldview is based! Such thinking is dreadfully inconsistent.7 Hetgeen Lisle over Craig schrijft, geldt uiteraard evenzeer voor Van den Brink.

Dan schrijft Van den Brink op pagina 73 iets wonderlijks: “Historisch gezien is het goed om te weten dat de strikt-letterlijke benadering van de eerste hoofdstukken van de Bijbel pas van recente datum is.” Een bevreemdende uitspraak, want ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen dat iemand van het kaliber van Van den Brink niet op de hoogte zou zijn van de geschiedenis van de duiding van de eerste hoofdstukken van Genesis.8 Wellicht bedoelt hij iets anders dan wat ik eruit opmaak, want het lijkt me niet dat hij bewust pertinente onwaarheden in zijn boek op zou nemen. Mijns inziens is het een algemeen bekend gegeven dat zeker in de periode van de Reformatie tot de Verlichting, maar ook bij de vroege kerkvaders, een “strikt-letterlijke benadering van de eerste hoofdstukken van Genesis” gangbaar was, maar laat ik dit vooral nog even kort onderbouwen.

William VanDoodewaard schrijft in zijn boek The Quest for the Historical Adam – Genesis, Hermeneutics, and Human Origins over de vroege kerkvaders: “Despite the movement of the Alexandrian School of interpretation to both allegorize the six days of creation and hold a special, temporally immediate creation of Adam and Eve, many patristic writers continued to hold the latter in the context of a literal interpretation of the early chapters of Genesis as historical narrative.9 Over de Reformatie schrijft hij onder meer: “The Reformation recovery of a literal hermeneutic brought with it a literal exegesis of Genesis 1 and 2 and texts describing the special creation of Adam from the dust and Eve from Adam’s rib. It was also key to the broader Reformation recovery of and growth in scriptural doctrine.10 Voornoemde auteur laat in zijn boek zien dat dit de lijn is die de boventoon heeft gevoerd tot en met de post-Reformatie, ondersteund met talloze voorbeelden en citaten. Natuurlijk was deze benadering niet de enige, maar “pas van recente datum” is hij aantoonbaar niet.

Een andere opvallende uitspraak die Van den Brink doet is deze: “Voor het eerst ging men [aan het begin van de twintigste eeuw] wetenschappelijke betekenis toekennen aan de zondvloed (Gen. 7-8), als verklaringsbron voor de inmiddels talloze aangetroffen fossielen.” (p. 73) Ook dit is aantoonbaar onjuist, zoals blijkt uit bijvoorbeeld het boek The Great Turning Point van geologiehistoricus Terry Mortenson,11 waarin hij de historische ontwikkeling van de geologie beschrijft en inzoomt op enkele wat hij wel noemt “scriptual geologists”: Granville Penn (1761-1844), George Bugg (1769-1851), Andrew Ure (1778-1857), George Fairholme (1789-1846), John Murray (1786?-1851), George Young (1777-1848) en William Rhind (1797-1874). Ver daarvoor kende bijvoorbeeld Nicolaus Steno (1638-1686), bekend van zijn geologische ‘wetten’ of ‘principes’,12 al “wetenschappelijke betekenis” toe aan de zondvloed.

Literatuurhistoricus Tess Somervell schrijft in haar Studies of Romanticism (2019): “The seventeenth-century European proto-geologists who developed the discipline of Earth history did so whilst maintaining their implicit belief that the Deluge as recorded in the Book of Genesis had really occurred. The Deluge offered a fitting explanation for some of the most perplexing features of the Earth: notably the marine fossils found in inland, upland areas, even on mountaintops; and erratic boulders, huge rocks in peculiar locations which were frequently accounted for as diluvial relics that had been carried and left by the floodwater.13 Niet voor niets wilde Charles Lyell “de wetenschap bevrijden van Mozes”.14

Onder het kopje ‘Preadamieten?’ borduurt Van den Brink voort op de suggestie van twee verschillende scheppingsverhalen in Genesis 1 en 2, en spreekt hij van “het verband” ertussen en de vraag hoe “degenen die het boek Genesis samenstelden [dat] nu precies willen leggen” (p. 73). Wat mij betreft vooral suggestieve woorden: alsof er onbestemde personen (anders dan Mozes dus kennelijk) waren die op eigen houtje (en dus niet geleid door de Geest) hebben geprobeerd twee verhalen in elkaar te knutselen. Die indruk wekt de tekst van Van den Brink hier bij mij althans.

Hoe dan ook, waar de auteur naartoe wil is dat er in Genesis 1 sprake is van de schepping van de mensheid in zijn algemeenheid, en in Genesis 2 van die van Adam en Eva. Dat zou dan op een of andere manier niet gaan “om ‘preadamieten’, mensen of mensachtigen die voorafgaand aan Adam en Eva geschapen werden naar Gods beeld” (p. 74), maar wel om “veel meer mensen” dan Adam en Eva. Dit idee zou worden gestaafd door dat we “in Genesis nogal wat aanwijzingen [vinden] voor het bestaan van tijdgenoten van Adam en Eva die toch geen nakomelingen van hen lijken te zijn.” (p. 75)

Het bekende voorbeeld dat Van den Brink geeft is Kaïn. Met de vrij gebruikelijke uitleg dat het bij diens vrouw zal zijn gegaan om zijn zuster (iets wat pas veel later verboden werd, zo lezen we in Leviticus 18:10) is Van den Brink niet tevreden, want “dan moet je wel enorm veel invullen wat er niet staat.” (p. 75). Hier lijkt mij de bekende uitdrukking over de pot en de ketel van toepassing, want het is toch Van den Brink die de gehele evolutietheorie in de tekst wil schuiven!

Ook het feit dat Genesis 4:14 impliceert dat er meerdere mensen op de aarde zijn en dat Kaïn volgens vers 17 een ‘stad’ bouwt, een term die volgens Van den Brink “alleen maar [kan] slaan op een nederzetting met aardig wat inwoners” (p. 75) – terwijl de gebruikte Hebreeuwse term ir evengoed een eenvoudig kampement kan aanduiden –, dragen eraan bij dat de auteur concludeert: “Kortom, in de tekst van Genesis 2-4 wordt niet erg gehecht aan het idee dat alle latere mensen van Adam en Eva zouden afstammen, al is de tekst naderhand wel vaak zo gelezen.” (p. 75) Maar het punt is nu juist dat de tekst “naderhand wel vaak zo gelezen” is omdat dit precies is wat de tekst wél impliceert. De lezing wordt pas absurd wanneer men bijvoorbeeld zou uitgaan van een wereldbevolking die zich al talloze jaren voortplant, terwijl God ineens besluit een man te creëren uit de aarde en diens vrouw uit zijn rib (of, zoals Van den Brink meent, wellicht zijde – wat in tegenstelling tot hetgeen hij beweert echter een incorrecte vertaling is),15 waarna het nageslacht van die speciaal geschapenen zich vervolgens voortplant met de niet naar Gods beeld geschapen mensen (die we dan toch maar ‘preadamieten’ zullen moeten noemen), waarbij Jezus Christus dan aan het kruis gestorven zou zijn voor de gehele groep, zowel voor hen die vóór Adams zondeval leefden als voor hen erna – want Adam representeert slechts de mensheid, maar is niet werkelijk de eerste mens, aldus kennelijk Van den Brink.

Terug naar Kaïn, want als enige voorbeeld van de “nogal wat aanwijzingen voor het bestaan van tijdgenoten van Adam en Eva die toch geen nakomelingen van hen lijken te zijn” is dit waarmee we het als lezer zullen moeten stellen. Nu wil het geval – en het lijkt mij dat Van den Brink hier toch op de hoogte van zou moeten zijn als auteur van boeken die zo focussen op de controverse tussen schepping en evolutie – dat hier uiteraard al lang en breed over geschreven en gediscussieerd is. Zo gaat Robert Carter van Creation Ministries International in zijn artikel How old was Cain when he killed Abel?16 uit 2014 uitgebreid in op de door Van den Brink ingebrachte punten. Nog veel uitvoeriger wordt er op de kwestie ingegaan in het boek Hoe bestaat het! – 60 vragen over schepping, evolutie en de Bijbel (2010), geschreven door Don Batten, Jonathan Sarfati, Carl Wieland en David Catchpoole.17 Het voert te ver om wat daar staat hier allemaal te herhalen, maar wie hier meer van wil weten leze vooral hoofdstuk 8 van dat boek.18

Uit het artikel van Carter blijkt dat het helemaal niet gezegd is dat Seth pas het derde kind van Adam en Eva was; hij wordt slechts als derde naam genoemd, maar we lezen ook dat Adam andere zonen en dochters kreeg (Genesis 5:4). Adam was al 130 jaar toen hij Seth kreeg (Genesis 5:3), en gezien de opdracht tot vermenigvuldiging die in Genesis 1:28 gegeven wordt, mogen we aannemen dat er niet pas om de 43 jaar een kind geboren werd bij Adam en Eva. De situatie rond de ‘stedenbouw’ van Kaïn valt goed te plaatsen in de tijd dat Seth geboren werd, dus het nageslacht van Adam en Eva kan zich dan al heel wat decennia hebben voortgeplant en verspreid. Bovendien moeten we, wanneer we Van den Brink volgen, aannemen dat de opdracht tot vermenigvuldiging en om te heersen over de aarde zoals beschreven in Genesis 1:28 aan ‘preadamieten’ gegeven is! En dit terwijl die conform diens uitleg niet toerekeningsvatbaar waren tot er 45.000 jaar geleden een zogenaamde ‘culturele oerknal’ zou hebben plaatsgehad.

Van den Brink schrijft op pagina 78: “Wetenschappelijk gezien is het bijvoorbeeld onmogelijk dat de hele mensheid uit slechts één enkel paar voorouders afkomstig is.” Even later, op pagina 79, voegt hij hier aan toe: “Wat opvallend genoeg wetenschappelijk gezien wel mogelijk lijkt, is dat alle huidige mensen van Adam en Eva afstammen.” Het punt met de eerste uitspraak is, dat het een argument is dat alleen maar opgaat wanneer uit wordt gegaan van de evolutietheorie, en daarmee is het gebruik ervan hier een voorbeeld van circulair redeneren, zoals Elizabeth Mitchell duidelijk maakt in haar artikel Did We All Come from Adam and Eve? (2013): “The claim that human genetic diversity could not have arisen from only two original people is actually not new at all. This assertion comes from mathematical simulations done in the 1990s. These simulations assume evolution happened in order to prove evolution is true. The reasoning is entirely circular and therefore invalid.19 Wanneer we echter uitgaan van geschapen genetische diversiteit, vervalt het eerste punt, terwijl het tweede overeind blijft, zoals Nathaniel Jeanson laat zien in zijn artikel Getting Enough Genetic Diversity (2016)20 en nog veel uitgebreider en zijn boek Replacing Darwin – The New Origin of Species (2017).21

Van den Brink meent ook dat het feit dat Christus in 1 Korintiërs 15:45 de ‘laatste Adam/Mens’ genoemd wordt, terwijl er na Christus nog vele andere mensen geboren zijn, een argument vormt voor de veronderstelling dat Adam niet de eerste mens was (p. 76). Een non sequitur,22 want in Christus komt Gods werk tot voltooiing, dat met Adam begonnen is. Dát is waarom Paulus deze vergelijking maakt. Theologische inzichten worden dus door Van den Brink als het kind met het badwater weggegooid, om maar te kunnen bepleiten dat de evolutietheorie niet in tegenspraak met de Bijbel is.

Onder het kopje ‘Het wetenschappelijke verhaal’ stelt Van den Brink “dat we de resultaten van de huidige wetenschap niet moeten terug willen lezen in de Bijbel. Dat is telkens weer een grote verleiding. Daarom zijn we hierboven bewust bij de Bijbel begonnen zonder nog naar de wetenschap te kijken.” (p. 76) Terecht noemt hij niettemin even verderop al wel de “opkomende Bijbelwetenschap” als factor die meespeelt. Ook vermeldt hij dat de opvatting van twee scheppingsverhalen in Genesis 1 en 2 al teruggaat tot het midden van de zeventiende eeuw. Hier doelt de auteur op de door hem op pagina 74 al even besproken Joodse calvinist Isaac La Peyrère en wat die bepleit in zijn boek Prae-Adamitae (in het Engels uitgebracht als Men before Adam), dat in 1655 in Amsterdam voor het eerst werd uitgegeven. Het punt hiermee is echter dat La Peyrère met deze door de rest van Europa als schokkend ervaren inzichten kwam onder de invloed van occult Judaïsme. Hij gebruikte het idee van twee scheppingsverhalen als het centrale argument voor de veronderstelling dat Genesis 1 de schepping van de niet-Joden beschrijft, en Genesis 2 de schepping van de Joden, met als gevolg een afglijdende schaal van andere inzichten (zondige mensen vóór Adam, een lokale zondvloed en het verwerpen van Mozes’ auteurschap van de Pentateuch).23

Ondanks de relativerende woorden waarmee hij de hier besproken paragraaf van Onderzoek alle dingen begint, trapt Van den Brink in dezelfde valkuil als La Peyrère ooit deed, alleen is het idee van een apart geschapen Joodse lijn bij hem vervangen door het idee van evolutie. Het gevolg is ook bij Van den Brink een vergelijkbare afglijdende schaal van andere inzichten omtrent de Bijbel. Op pagina 77 bespreekt hij vervolgens het door hem zo genoemde ‘kleurenpalet’ waarmee Genesis 2 “een schets van een belangrijke fase uit de oergeschiedenis van de mensheid” beschrijft. Dat zou een landbouwcultuur laten doorschemeren, waaraan echter een cultuur van jagers-verzamelaars vooraf zou zijn gegaan. Ironisch genoeg vervolgt hij dit met de uitspraak: “Kortom, als je puur naar de tekst zelf kijkt (dus helemaal los van de evolutietheorie) en je wilt daar exegetisch verantwoord mee omgaan [verantwoord ten opzichte van wie?], dan blijkt eigenlijk al dat je haar niet letterlijk moet lezen, zoals veel creationisten voorstaan.” (p. 77) Het ironische is, dat het idee van een opvolging van jagers-verzamelaars door landbouwers ontleend is aan het aspect van de geschiedenis waarbij de evolutionaire ontwikkeling van de mens centraal staat.

Dit “hedendaagse wetenschappelijke verhaal over de oorsprong van de Homo sapiens” (p. 77) is dan ook waar Van den Brink direct op overgaat. Natuurlijk is dat “vele malen complexer […] dan het bericht in Genesis 2”, maar volgens Van den Brink gaat het zo “wel vaker in de Bijbel. […] De Bijbelschrijvers legden nu eenmaal accenten. Omdat ze bepaalde dingen helder wilden belichten, lieten ze allerlei andere dingen weg.” (p. 77) Met andere woorden: het scheppingsverhaal in Genesis 2 is een accent uit de evolutietheorie? Moeten de lezers van Onderzoek alle dingen dit serieus nemen?

De auteur herhaalt dan in een notendop het seculiere verhaal over het ontstaan van de mens. “Daarbij stammen wij weliswaar niet ‘van de apen af’, maar hebben we wel gemeenschappelijke voorouders met hen.” (p. 77) Het klinkt allemaal heel erudiet (en het wordt maar al te vaak verkondigd),24 maar volgens recente ‘wetenschappelijke inzichten’ was die geheimzinnige voorouder waarschijnlijk ook gewoon een aap.25 “Zo’n 6 à 7 miljoen jaar geleden zou de tak die uitmondde in de mens afgesplitst zijn van de tak die leidde tot de chimpansee, het dier dat van alle bestaande soorten het meest met ons gemeen heeft,” weet Van den Brink zijn lezers op dezelfde pagina te vermelden.

Tegen dit idee zijn ernstige wetenschappelijke bezwaren in te brengen. Geneticus Jeffrey Tomkins beschrijft ze uitvoerig in zijn recent verschenen boek Chimps and Humans – A Geneticist Discovers DNA Evidence That Challenges Evolution (2021).26 Om te beginnen komen mensen en chimpansees niet, zoals vaak beweerd wordt, rond de 98 procent overeen wat betreft hun DNA, maar slechts zo’n 84 procent. Eerdere analyses waren gebaseerd op ‘vermenselijkte’ DNA-sequenties, maar recente vergelijkingen (zowel van Tomkins zelf als vanuit de evolutiebiologie) komen uit op een veel groter verschil dan doorgaans wordt vermeld in de populaire media, namelijk ongeveer 16 procent.27 Een verschil dat veel te groot is om via neodarwinistische mechanismen te bereiken binnen het vermeende tijdsbestek van “6 à 7 miljoen jaar”.

En zo beschrijft Tomkins nog enkele grote problemen voor de notie van een gemeenschappelijke voorouder met de chimpansee. Problemen met een vermeende fusie van chromosoom 2A en 2B als ‘bewijs’ voor gemeenschappelijke afstamming, het feit dat het zeer stabiele (niet gevoelig voor mutaties zijnde) Y-chromosoom enorme verschillen vertoont tussen mensen en chimpansees, de aanwezigheid van vele mens-specifieke genen, vermeende ‘pseudogenen’ die zouden duiden op gemeenschappelijke afstamming maar die helemaal geen ‘pseudogenen’ blijken, het fenomeen Incomplete Lineage Sorting (verschillen tussen vermeende afstammingslijnen en DNA-overeenkomsten), verschillende functies van genen in mensen en chimpansees, epigenetische verschillen (verschillen in erfelijke veranderingen die de DNA-sequentie intact laten) en het grote, hierboven al aangehaalde probleem dat het verschil tussen mens en chimpansee er nooit via neodarwinistische wegen gekomen kan zijn binnen de aangenomen zes tot zeven miljoen jaar sinds de vermeende afsplitsing van een gemeenschappelijke voorouder.

Dit laatste probleem wordt wel het Waiting Time Problem genoemd. Geneticus John Sanford publiceerde er samen met enkele anderen in 2015 een onderzoek over dat vergaande implicaties heeft (of in elk geval zou moeten hebben) voor het door Van den Brink aangehangen idee van een gemeenschappelijke voorouder.28 Daarnaast zijn er ook de nodige (onoverkomelijke) problemen met de door Van den Brink op pagina 78 omschreven Out of Africa-hypothese, zoals paleontoloog Günter Bechly laat zien in zijn artikel Human Origins: Out of Africa, or Out of Germany? (2017). 29 Hoewel Van den Brink beweert dat “deze [door hem in het hier besproken hoofdstuk opgesomde] hoofdlijnen wetenschappelijk gezien tamelijk sterk [staan]” (p. 78), valt er dus het nodige op af te dingen. Alleen lijkt de auteur daarvan geen notie te hebben, of alle bezwaren bewust achterwege te laten.

In de paragraaf ‘Gods bijzondere zorg voor de mens’ schrijft Van den Brink dat het belangrijk is “dat we de tekst van Genesis 2 op zijn eigen merites lezen, los van de wetenschap dus, net zoals bij Genesis 1 tastend naar wat de Heilige Geest ons erdoorheen wil zeggen.” (p. 80) Dat het “op zijn eigen merites lezen” hier een illusie betreft, blijkt alleen al uit het woordje ‘erdoorheen’. Wanneer je de tekst werkelijk “op zijn eigen merites” leest, ga je er namelijk van uit dat wat er staat ook als werkelijke geschiedenis bedoeld is. De bedoeling van de schrijver is dan niet het weergeven van een niet-gebeurde gang van zaken waar wél een boodschap uit te destilleren valt.

Op pagina 80 en 81 bespreekt de auteur het scheppen van Adam uit de aardbodem, wat volgens hem niet per se rechtstreeks hoeft te zijn gegaan, maar heel goed via de dieren gegaan kan zijn. Dit is volgens hem evenwel “hier niet het springende punt”: waar het om gaat is “de diepe verbondenheid van de mens met de aardbodem”. Niettemin is het niet-springende punt mijns inziens weer een staaltje inlegkunde dat erbij wordt gesleept om de evolutietheorie toch weer aannemelijk te maken. Maar Van den Brink wijkt daarvan af wanneer het zo uitkomt, zo blijkt op pagina 82. Hier schrijft hij namelijk: “Niet alleen ons lichaam is door God tot stand gebracht, maar Hij heeft ook zorggedragen voor onze geest en die op een bijzondere manier aan ons lichaam verbonden, zodat een gebalanceerde twee-eenheid van lichaam en geest ontstond. Ook als we ons het ontstaan van de mens langs evolutionaire lijnen indenken, is het van belang dat we recht doen aan de specifieke rol van de menselijke geest of ziel.” Dit terwijl de ‘hedendaagse wetenschappelijke inzichten’ toch echt zijn dat ook onze ‘geest of ziel’ via deze evolutionaire lijnen ontstaan is, en niet apart. Hoe moeten we dit zien?

De suggestie die Van den Brink doet is deze: “Ook toevallige mutaties gaan op de een of andere manier niet buiten Gods leiding om.” (p. 82) Een contradictio in terminis, want ‘toeval’ is per definitie onvoorzien. Wat voor ons mensen toevallig lijkt, is dat voor God niet, zal de strekking hier echter zijn. Alleen: moeten we dan niet aannemen dat God álle mutaties stuurt; dat ook de overgrote hoeveelheid mutaties die schadelijk is – waardoor ziekten als kanker veroorzaakt worden – door Hem zo geleid zijn?30 De ‘laatste vijand’ die gebruikt wordt als middel voor de ‘zeer goede’ schepping? Tot dergelijke absurditeiten leiden dit soort inzichten helaas.

Van den Brink eindigt dit hoofdstuk met de bespreking van het scheppen van Eva uit de rib van Adam, wat volgens hem niet werkelijk gebeurd is, maar een visioen betreft. We kunnen ons wat hem betreft dus “beter meteen op de boodschap richten: God heeft mannen en vrouwen voor elkaar bestemd in een levenslange verbintenis.” (p. 84) Dat een dergelijke manier van lezen leidt tot problemen met de tekst zelf blijkt uit bijvoorbeeld Genesis 2:23, waarin Adam (conform de NBV21) uitroept: “Dit is ze! Mijn eigen gebeente, mijn eigen vlees en bloed. Vrouw wordt zij genoemd, genomen uit een man.” Is dit dan geen boodschap die belangrijk is? Wanneer Eva niet werkelijk uit de rib van Adam gemaakt is, maar er slechts sprake is geweest van een visioen, is er namelijk geen enkele grond voor. Helaas is dit de tendens van het hier besproken hoofdstuk van Onderzoek alle dingen: boodschappen die moeten worden gehaald uit niet gebeurde zaken. Maar op dingen die niet gebeurd zijn, valt niets te baseren dat er in de werkelijkheid toe doet.

De evolutie van zonde en dood

Voor hoofdstuk 6 van Onderzoek alle dingen staat Romeinen 5:12-21 op het leesprogramma, waarin Paulus handelt over de genade van Jezus Christus die groter is dan het gevolg van de zonde van één mens. Die ene mens is Adam. Van den Brink spreekt van “het ingewikkelde stuk uit Romeinen 5” (p. 86). Maar waarom ‘ingewikkeld’? In feite zegt Paulus iets heel eenvoudigs: door de kruisdood van Jezus Christus is aan allen de genade geschonken, zowel hen die onder de ‘wet’ gezondigd hebben (sinds Mozes) als aan hen die daarvoor al zondigden, na de zondeval van Adam. De dood is de straf die allen verdienen, maar die Jezus door Zijn sterven op Zich heeft genomen, waardoor zij uiteindelijk eeuwig leven aangereikt hebben gekregen.

De reden waarom Van den Brink het stuk ‘ingewikkeld’ noemt, zal er vermoed ik mee te maken hebben dat het stuk ingewikkeld wórdt wanneer je, zoals Van den Brink, uitgaat van miljoenen jaren lijden en sterven vóór Adams zondeval. Wat er dan vaak gedaan wordt, is de door Paulus hier besproken dood beperken tot slechts een ‘geestelijke’ dood. Van den Brink bespreekt deze mogelijkheid, maar terecht schrijft hij hierover op pagina 95: “Ook in Romeinen 5 is overduidelijk de lichamelijke dood aan de orde. Paulus heeft immers net gesproken over de dood van Christus (vs. 8-10), en daarmee bedoelde hij toch echt diens uiterst pijnlijke lichamelijke dood aan het kruis. Het is dan gekunsteld om te doen alsof hij twee verzen later ineens een heel andere dood op het oog heeft. We zullen bij de uitleg van Romeinen 5:12 dus een andere kant uit moeten denken, en wel één die helemaal in lijn is met wat ons in Genesis 2 en 3 verteld wordt.”

Met deze uitspraak ben ik het roerend eens, maar tegelijk zit hier nu juist het probleem dat Van den Brink mijns inziens heeft: datgene “wat ons in Genesis 2 en 3 verteld wordt” is, wanneer je uitgaat van de juistheid van de evolutietheorie en aanverwante ontstaansideeën, helemaal niet zo gebeurd! Als de hooflijnen van het verhaal van ‘de hedendaagse wetenschap’, zoals Van den Brink schrijft, inderdaad “wetenschappelijk gezien tamelijk sterk [staan]” (p. 78), dan is er helemaal geen apart geschapen Adam geweest met een vrouw tegen wie een slang gesproken heeft en die vervolgens van een boom van goed en kwaad gegeten heeft. En dan is het relaas van Paulus niets meer dan een op door een oud oosters wereldbeeld ingegeven mythe gebaseerd misverstand.

De auteur lijkt dit zelf anders te zien. Op pagina 90 schrijft hij: “De vraag waar we nu voor staan is of dit laatste – dat Adam de dood in de wereld bracht – niet in strijd is met wat we wetenschappelijk vandaag weten, of in elk geval denken te weten.” Dit leidt vervolgens tot de gekunstelde poging de zondeval van Adam en de intrede van de dood te rijmen met de hedendaagse evolutietheorie, die in essentie nu juist in het leven geroepen is om het leven te verklaren zónder goddelijke bemoeienis. De goedkope (en onjuiste) oplossing van de ‘geestelijke’ dood is niet de weg die Van den Brink daarmee gaat, maar hij focust in plaats daarvan op het soort lichamelijke dood waarover Paulus het in dit Bijbelgedeelte heeft, met daarbij de vraag: betreft deze al het leven, of alleen de mens?

Onder het kopje ‘Zonder dood geen leven’ schetst de auteur de uit 1992 stammende tijdlijn waarop één jaar wordt vergeleken met de 13,8 miljard jaar die sinds de vermeende oerknal zou zijn verstreken. Hierbij komt de mens pas “op 31 december om 22:30 uur” (p. 90) ten tonele (waarbij de kanttekening gegeven wordt dat deze vergelijking weliswaar wat verouderd kan zijn, maar op hoofdlijnen nog steeds zal gelden). Een idee dat in schril contrast staat met wat Jezus zegt in Marcus 10:6: “Maar van het begin der schepping heeft Hij hen als man en vrouw gemaakt” (NBG51). Willen we, zoals Van den Brink kennelijk zelf ook voorstaat, niet te veel “invullen wat er niet staat” (p. 75), dan bedoelt Jezus hier de schepping in zijn algemeenheid, en niet slechts die van Adam en Eva. Anders stond er wel “hun schepping” in plaats van “de schepping”, maar die vertaling ben ik nog nooit ergens tegengekomen.

Niettemin schrijft Van den Brink op pagina 91: “Hoe je het ook wendt of keert, de conclusie dat de aarde heel oud is en het heelal nog vele malen ouder, valt moeilijk te ontkomen. Ook jongeaardecreationisten geven doorgaans toe dat als we de empirische gegevens eerlijk op ons in laten werken, alles wijst op een oude aarde waarop zich al vele miljoenen jaren levende wezens bevinden (de redenen waarom ze dat dan toch niet geloven, hangen uitsluitend samen met hun Bijbeluitleg).” Welke jongeaardecreationisten “doorgaans” toegeven dat “alles” hierop wijst weet ik niet, maar de bekende organisaties die voorstaan wat Van den Brink ‘jongeaardecreationisme’ noemt beweren zelf iets beduidend anders. Zo schrijft Don Batten van Creation Ministries International in zijn artikel Age of the earth – 101 evidences for a young age of the earth and the universe (2009)31:

“Ages of millions of years are all calculated by assuming the rates of change of processes in the past were the same as we observe today—called the principle of uniformitarianism. If the age calculated from such assumptions disagrees with what they think the age should be, they conclude that their assumptions did not apply in this case, and adjust them accordingly. If the calculated result gives an acceptable age, the investigators publish it.

Examples of young ages listed here are also obtained by applying the same principle of uniformitarianism. Long-age proponents will dismiss this sort of evidence for a young age of the earth by arguing that the assumptions about the past do not apply in these cases. In other words, age is not really a matter of scientific observation but an argument about our assumptions about the unobserved past.

The assumptions behind the evidences presented here cannot be proved, but the fact that such a wide range of different phenomena all suggest much younger ages than are currently generally accepted, provides a strong case for questioning the accepted ages.”

De lijst met 101 aanwijzingen voor een niet-zo-oude aarde en heelal in dit artikel vertelt een heel ander verhaal dan Van den Brinks bewering dat “alles” volgens jongeaardecreationisten “wijst op een oude aarde waarop zich al vele miljoenen jaren levende wezens bevinden.” En natuurlijk is ouderdom hier relatief, want in vergelijking met 13,8 miljard jaar is zesduizend jaar inderdaad jong, maar als dat werkelijk alle verstreken tijd is sinds het begin van de schepping, is het de langste tijdsperiode die we kennen. Dit maar even los van de discussie over een ouderdom van de aarde van zesduizend jaar, meer richting achtduizend jaar of wellicht nog een veel groter aantal jaren, die ook binnen het zogenoemde ‘jongeaardecreationisme’ wel gevoerd wordt.32 Hier moet bovendien in acht worden genomen dat dergelijke discussies inderdaad gestoeld zijn op “hun Bijbeluitleg”, maar dat de in het artikel van Batten gegeven wetenschappelijk vastgestelde parameters die begrenzingen van de ouderdom van aarde en heelal aangeven, van een andere orde zijn. Empirische gegevens zeggen per definitie niets over het verstrijken van voorbije tijd in het verre verleden; het zijn slechts parameters die met een bepaalde interpretatie ervan daarvoor gebruikt kunnen worden. Een interpretatie die in essentie niet is ingegeven door deze gegevens zelf, maar door een bepaalde wereldbeschouwing, die in het ‘wetenschappelijke’ verhaal van Van den Brink allesbehalve Bijbels is.33

Terug naar de dood. Van den Brink geeft het voorbeeld van autotrofe bacteriën (bacteriën die zichzelf voeden door gebruik te maken van ander organisch materiaal). Deze moeten wel op enig moment zijn doodgegaan, omdat er anders geen ander leven op aarde mogelijk was geweest. Dit is een typisch voorbeeld van het projecteren van hedendaagse condities op de wereld van vóór de zondeval, bovendien een voorbeeld dat er feitelijk niet toe doet binnen de context van de dood waar het hier om gaat. Bacteriën worden namelijk Bijbels gezien niet in dezelfde zin als ‘levend’ beschouwd als de mens en de dieren waarin volgens Genesis 1:30 ‘leven’ (Hebreeuws: nèfèsj) is.

Hoe dan ook, de oplossing die Van den Brink biedt voor het probleem met de dood in Romeinen 5:12-21 is dat de hier besproken dood slechts mensen geldt, en niet dieren. Ook binnen het door Van den Brink zo genoemde ‘jongeaardecreationisme’ zijn er stemmen die hiervoor opgaan. Zo schrijft Jeff Miller voor Apologetics Press in zijn artikel Could There Have Been Any Death Before The Fall? (2016): “The implication of the text seems clear on the matter: animals throughout the Earth, not made in the image of God, were never intended to live forever. They always had the ability to die, from the beginning. They were designed to die. Like plants, they were not made in the image of God. Their deaths are not in the same category of importance as that of humans. No wonder God, Himself, killed animals in order to clothe Adam and Eve properly (Genesis 3:21), even though there is no indication that those animals did anything to deserve death. It seems that animal death, like the “death” of a plant, is not a moral evil, but rather is part of God’s plan for animals. Notice God’s words to Noah and his sons after the Flood. After sanctioning the killing of animals as food for humans, God highlighted an important distinction: “Whoever sheds man’s blood, by man his blood shall be shed; >for [i.e., because] in the image of God He made man” (Genesis 9:6, emp. added). Human death is said to be significant, because we, unlike animals, are like God.”34

Anderzijds zijn er die pleiten voor de onsterfelijkheid van dieren voor de zondeval, zoals Paul Price in diens op de website van Creation Ministries International verschenen artikel Animal death before the Fall – Cruelty to animals is contrary to God’s nature (2020).35 Wat betreft de tekst van Paulus, lijkt het mijns inziens beide kanten op te kunnen, al neig ik naar de laatstgenoemde uitleg. Wat bovendien opvalt, is dat Paulus in Romeinen 5:12 schrijft: “Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en de dood voor ieder mens is gekomen omdat ieder mens heeft gezondigd …” (NBV21, nadruk van mij). Het dikgedrukte gedeelte lijkt overbodig als het alleen om de menselijke dood zou gaan; dan zou Paulus immers hebben kunnen volstaan met: “Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen […] en de dood voor ieder mens is gekomen omdat ieder mens heeft gezondigd …” Als dit inderdaad het geval is, dan zou dat erop kunnen duiden dat het in vers 12 hierboven vetgemaakte tekstgedeelte de dood in zijn algemeenheid betreft (dus ook die van de dieren), waarna Paulus deze toespitst op de mens.

Ter verdediging van het standpunt dat er al wel dierlijk lijden en sterven was vóór de zondeval vermeldt Van den Brink op pagina 92 Psalm 104:21, waar staat: “De jonge leeuwen brullen om een prooi en verlangen van God hun voedsel.” (HSV) De twee volgende verzen luiden echter: “22 Wanneer de zon opgaat, trekken ze zich terug en leggen zich neer in hun holen. 23 De mens gaat dan naar zijn werk, naar zijn dienstwerk, tot de avond toe.” Hoewel een gedeelte van deze psalm de schepping lijkt te betreffen, noopt de context van de verzen 21-23 ertoe dat het daar gaat om de huidige wereld; die van ná de zondeval.

Een andere tekst die de auteur op dezelfde pagina aanhaalt is Numeri 14:7, waar staat: “[…] Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een bijzonder goed land.” (HSV) Volgens Van den Brink staat hier letterlijk “zeer zeer goed” (Hebreeuws: meᶦôd meᶦôd ţôbe) en valt dat te vergelijken met het “zeer goed” (Hebreeuws: meᶦôd ţôbe) van Genesis 1:31. Van den Brink schrijft hierover: “De uitdrukking betekent [in Numeri 14:7] duidelijk dat het land in potentie enorm goed was. Het liet zich zo bewerken dat het helemaal tot bloei kon komen en iedereen kon voeden. Precies dat lijkt ook de gedachte in Genesis 1. Wat God geschapen heeft, kan gaan functioneren zoals God het bedoeld heeft. De aarde is een huis waarin de mens zal kunnen floreren. Dat planten en dieren op hun tijd sterven, staat daar los van.” (p. 92)

Wat mij betreft is dat hier echter niet het eigenlijke punt. Waar het vooral om gaat, is het feit dat Van den Brinks interpretatie inhoudt dat er al ver vóór Adams zondeval vele mensen gestorven zijn aan een dood die volgens Paulus pas zijn intrede doet vanwege Adams zondeval. Iets wat Van den Brink zelf ook erkent op pagina 93. De oplossing vindt hij in het nog niet bewust zijn van goed en kwaad bij deze mensen, waardoor ze ontoerekeningsvatbaar zijn: “Zulk bewustzijn (bijvoorbeeld van een regel als ‘ik mag niet doden’) is er niet bij de dieren – ook niet bij de ‘hogere’ diersoorten. Het kan er eigenlijk ook nog niet eens geweest zijn bij de eerste generaties van de Homo sapiens. Die hadden wel onze lichaamsbouw, maar hun bewustzijn was nog lang niet zover ontwikkeld dat ze kennis konden hebben van goed en kwaad.” (p. 97)

De vraag is welke evolutiebioloog of paleoantropoloog iets zou kunnen met het idee dat de mens tijdens diens vermeende evolutionaire ontwikkeling van de ene op de andere generatie ineens een bewustzijn ontwikkeld heeft dat schuldbewust en toerekeningsvatbaar is. Dit is een allesbehalve wetenschappelijke notie, die in totale tegenspraak is met welk evolutiescenario dan ook. Ga je met het evolutionaire verhaal mee, dan moeten er heel wat ‘zelfbewuste’ en ‘toerekeningsvatbare’ mensen vóór Adam en Eva zijn geweest, maar dan raakt de Bijbelse tekst (zowel die van Genesis als die van Romeinen 5) kant noch wal. Hier blijkt de volstrekte inconsequentie van de Bijbelinterpretatie zoals Van den Brink die geeft in Onderzoek alle dingen.

Ruimte voor een weerwoord nodig

Deze bespreking van de hoofdstukken 5 en 6 uit Onderzoek alle dingen is langer geworden dan de voorgaande twee delen van het vijfluik over dit boek, omdat hier mijns inziens heel veel misvattingen te berde worden gebracht door Van den Brink. Zonder op elke slak zout te willen leggen, zijn er nu eenmaal veel punten die naar mijn idee toch besproken moeten worden. Op de nietsvermoedende lezer kan wat Van den Brink schrijft waarachtig overkomen, en zeker waar het zijn verslag van ‘hedendaagse wetenschappelijke inzichten’ betreft voor de Bijbelgetrouwe lezer misschien zelfs intimiderend. Ik hoop dat deze bespreking de lezers van genoemd werk in elk geval een ruimer inzicht en stof tot nadenken geeft, waarbij ieder zijn of haar eigen afweging kan maken op een bredere basis dan slechts de Bijbelinterpretatie die hem of haar door Van den Brink wordt voorgeschoteld.

Voetnoten

Uit huis geplaatst en scheppingsverwondering – Bespreking van ‘Coming Home’

“’Maris, waarom mag ik niet bij jou blijven?’ De stem van Roselynn trilt gevaarlijk. Zal ze weer gaan huilen? Maar dan gaat zij ook huilen. Ze weet het antwoord niet. Haar maag draait bijna om als ze eraan denkt hoe het allemaal verder moet. Van het ene op het andere moment is haar leven veranderd. Kon ze maar vluchten, ja vluchten, waarheen?”

Gebroken wereld

We leven in een gebroken wereld. Een wereld na de zondeval. Dit wordt duidelijk bij het lezen van ‘Coming Home’ van Anita Kramer-Post. Kramer schreef in 2019 voor ‘Om Sions Wil’ een lezenswaardig boek over de uit het huisplaatsing van een gezin. De hoofdpersoon is de tiener Damaris. Damaris wordt met haar broertjes en zusjes uit het huis geplaatst omdat het thuis niet meer gaat. Een aangrijpend verhaal en voor kinderen die daarmee te maken hebben (gehad) ook een herkenbaar verhaal. De meeste kinderen willen net als Damaris niet uit het huis geplaatst worden en begrijpen óók niet goed waarom juist hun ouders niet voor hen kunnen zorgen. Uiteindelijk mag Damaris weer thuiskomen. Dit wordt op een mooie wijze beschreven door de auteur.

Knap geschreven

Het boek is knap geschreven, omdat er twee verhaallijnen door elkaar heen geweven worden. Het tweede verhaal speelt zich namelijk af in de Tweede Wereldoorlog en gaat over de ‘Razzia van Putten’.1 De hoofdpersoon van deze verhaallijn is Wout. Hij maakt vele ontberingen mee in diverse werkkampen. Aan het einde van de oorlog mag Wout gelukkig ook weer thuiskomen. Wout blijkt de opa te zijn van Damaris. Wat ik vooral knap geschreven vind is dat de verhaallijnen per hoofdstuk worden afgewisseld en dat de laatste woorden van het ene hoofdstuk (dus de ene verhaallijn) óók de eerste woorden zijn van het andere hoofdstuk (dus de andere verhaallijn).

Scheppingsverwondering

Voordat Damaris uit het huis geplaatst wordt gaat ze met haar zusje naar het bos. Ze geniet van de prachtige herfstkleuren in het bos. De auteur brengt de lezer scheppingsverwondering bij. Lees maar mee op bladzijde 23:

“Damaris ziet haar een paar seconden naar de tak staren. ‘Wat heeft de Heere dat mooi gemaakt, Maris.’ Haar zusje kijkt haar aan. ‘Heeft Hij de eikels ook gemaakt?’ Ze kan alleen maar knikken. ‘Maar waarom laat Hij ze dan uit de boom vallen?’ ‘Dat gebeurt in de herfst, Roos. Heeft de juf dat niet verteld? ‘Jawel.’ ‘In de herfst vallen de bladeren op de grond. In de winter worden de bomen kaal. In het voorjaar komen er nieuwe knoppen en daaruit komen nieuwe blaadjes en in de zomer schitteren de bladeren aan de bomen.’ Roselynn plukt een blaadje van de tak. ‘Wat gebeurt er als ze op de grond vallen?’ ‘Ze verdorren of ze worden meegenomen door de wind’. ‘En dan?’ ‘Dan vormen ze weer een voedingslaag voor de bomen, zodat de bomen weer nieuwe blaadjes kunnen maken.’ ‘Best jammer dat deze blaadjes niet mogen blijven leven.’ Ze blijft staren naar de tak.”

Of op bladzijde 24:

“Als Damaris eerlijk is, heeft ze nog niet veel zin om naar huis te gaan. Ze kijkt naar de bomen die langzaam verkleuren. Ze kijkt naar de heldere lucht. Wat is Gods schepping mooi! Net als Roselynn kan ze hier erg van genieten. En toch moet ze ook weer naar huis.”

Met de kinderen naar het bos om te genieten van Gods schepping. Dat is een goed idee! Mooi dat de auteur kinderen scheppingsverwondering wil bijbrengen.

Dit boek zal binnenkort ook in onze webshop te koop worden aangeboden.

Anita Kramer-Post heeft nog meer lezenswaardige tienerboeken geschreven. Zoals het boek ‘Welcome Twins’. Een bespreking van dat boek is hier te vinden.

Deze bespreking is onderdeel van het project ‘Onderwijzen en opvoeden voor de toekomst – Leren over onze vroegste geschiedenis in 2021’. In de komende maanden zal dit project verder uitgekristalliseerd worden. Een dergelijk opvoedings- en onderwijsproject zal ook onderdeel zijn van het meerjarenplan ‘Fundamentum 2022-2023’, met uiteraard ieder jaar een ander jaartal. Het boek is hier opgenomen in de lijst van gelezen kinder- en jeugdboeken.

Voetnoten

Onderzoek alle dingen – Een kritische bespreking (1): Over wereldbeelden en wetenschap

12 En wij vragen u, broeders, hen te erkennen die onder u arbeiden, u leiding geven in de Heere en u terechtwijzen,
13 en hen uitermate hoog te achten in liefde, om hun werk. Leef in vrede met elkaar.
14 En wij roepen u ertoe op, broeders, hen die ordeloos leven terecht te wijzen, de moedelozen te bemoedigen, de zwakken te ondersteunen, en met allen geduld te hebben.
15 Pas op dat niemand een ander kwaad met kwaad vergeldt, maar jaag altijd het goede na, én voor elkaar én voor allen.
16 Verblijd u altijd.
17 Bid zonder ophouden.
18 Dank God in alles. Want dit is de wil van God in Christus Jezus voor u.
19 Blus de Geest niet uit.
20 Veracht de profetieën niet.
21 Beproef alle dingen, behoud het goede.
22 Onthoud u van elke vorm van kwaad.
(1 Tessalonicenzen 5, HSV)

In 2021 verscheen het boekje Onderzoek alle dingen – Bijbelstudies over geloof en wetenschap1 van Gijsbert van den Brink, hoogleraar Theologie en wetenschap aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hierin beoogt de auteur te verduidelijken wat “een oud boek als de Bijbel in onze hypermoderne tijd nog te zeggen” heeft. “Dat gebeurt aan de hand van tien diepteboringen naar concrete Bijbelteksten, die telkens in verband gebracht worden met de hedendaagse wetenschap,” aldus de flaptekst. Het boek bevat tien Bijbelstudies, die telkens worden afgesloten met enkele gespreksvragen en met een idee voor een “alternatieve groepsverwerking” .In een reeks van vijf artikelen, waarvan dit het eerste deel is, zal ik kort op elke Bijbelstudie ingaan. Daarbij volg ik de hoofdstukindeling van het boek. Per artikel worden er twee van de in totaal tien hoofdstukken besproken.

Het doel van deze reeks artikelen is om te handelen in de geest van wat Paulus gebiedt in 1 Tessalonicenzen 5 vers 21: “Onderzoek alles, behoud het goede” (NBV21). Gijsbert van den Brink, zo mogen we aannemen getuige de titel van zijn boek, zal hetzelfde doel nastreven. Onderzoek alle dingen is bedoeld voor zowel persoonlijke verdieping als bespreking in kringverband. Wat krijgen de lezers hiervan door de auteur voorgeschoteld? Wat is ‘het goede’ dat ‘behouden’ wordt na de onderzoekingen in dit boekje te hebben gelezen? Als we denken aan Matteüs 18:6, Marcus 9:42 en Lukas 17:2 beseffen we dat het een niet geringe taak is jonge mensen2 de juiste lering mee te geven richting behoud door het geloof in Jezus Christus. Daarom deze kritische analyse van Onderzoek alle dingen. In dit eerste van vijf artikelen bespreek ik het ‘Woord vooraf’ en de hoofdstukken ‘Wijsheid en wetenschap’ en ‘Het wereldbeeld achter de Bijbel’.

Woord Vooraf

Van den Brink begint zijn inleiding met het door prof. H.W. de Knijff gegeven voorbeeld van de kraan als een alledaags, maar niettemin enorm invloedrijk staaltje techniek. Dit koppelt hij aan het ‘wetenschappelijk wereldbeeld’ dat wij vandaag de dag hebben en de gevolgen daarvan “voor onze beleving van het geloof”. Volgens Van den Brink is onze wereld “onttoverd” geraakt. Hoe verhoudt de huidige stand van wetenschappelijke ontwikkeling zich tot de Bijbel? Een vraag die Van den Brink zegt te benaderen met de Bijbel als uitgangspunt: “Daarbij is de Bijbel ons uitgangspunt. We beschouwen de Bijbel als het Woord van God, waardoorheen Hij tot ons mensen spreekt en ons de weg wijst, ook vandaag.” (p. 9)

Dat klinkt hoopvol voor de Bijbelgetrouwe lezer. Maar de dan volgende zinnen onthullen waar het heen zal gaan: “Tegelijk beseffen we dat de Bijbel ook voluit een boek van mensen is, geschreven door mensen van gelijke beweging als wij. Zij werden geïnspireerd door Gods Geest, maar werden daardoor zoals we zullen zien niet per se boven hun persoonlijke, culturele en historische achtergronden uitgetild. Op tal van plaatsen in de Bijbel vinden we dan ook de sporen van die achtergronden terug. Juist wetenschappelijk onderzoek heeft daar ons oog voor geopend, en in veel van de Bijbelstudies die in dit boekje zijn opgenomen, zullen we daar speciaal op letten.” Even verderop worden de contouren van het boekwerkje al duidelijker: “We zullen ons in de hierna volgende Bijbelstudies richten op de verhouding tussen geloof en wetenschap in het algemeen.” En anderhalve pagina verder lezen we waar het uiteindelijk allemaal om te doen lijkt: “We besteden in deze uitgave speciale aandacht aan de kwestie die vandaag de dag geldt als het conflictgebied bij uitstek in de verhouding tussen geloof en wetenschap: de vraag of de biologische evolutietheorie zoals die ontwikkeld werd door Charles Darwin en verder uitgewerkt door latere biologen verenigbaar is met Bijbel en geloof.” (p. 11)

Wie een beetje tussen de regels doorleest, voelt al wel aan hoe die verhouding volgens Van den Brink ligt. Al snel komt de tot mens ontwikkelde aap dan ook uit de mouw: “In 2017 schreef ik een afzonderlijk boek over de vraag of christelijk geloof en neodarwiniaanse evolutie verenigbaar zijn (En de aarde bracht voort, Utrecht: Boekencentrum). Sommige lezers van dat boek vonden het jammer dat ik daarin wel uitvoerig op theologische kwesties inga, maar (afgezien van de bekende hoofdstukken Genesis 1-3) niet allerlei Bijbelteksten bespreek die in het geding zijn. Vandaar dat ik in deze uitgave vanuit een aantal Bijbelstudies op deze thematiek wil ingaan (vooral in de hoofdstukken 4-7).” En dan volgt de zin waarmee de auteur zijn intenties helemaal blootgeeft: “Wanneer we er voor de zekerheid van uitgaan dat de evolutietheorie min of meer klopt, lukt het dan nog om een overtuigende uitleg te geven van belangrijke Bijbelpassages die een andere kant op lijken te wijzen, of wordt dat gekunsteld?” (p. 11) Het heeft er alle schijn van dat Van den Brink zijn lezers bij de eerste ontmoeting gerust wil stellen met de belofte van Bijbelgetrouwheid, maar zodra ze zijn reikende hand hebben aangepakt, ze met enkele soepele bewegingen een heel andere richting in leidt. Het is in essentie de teneur van dit boek: veel semantisch gedraai om recht te praten wat krom is. Hoe goed bedoeld ook.

Wijsheid en wetenschap

Voorafgaand wordt Spreuken 1:1-7 gelezen. Van den Brink duidt nader aan wat de essentie van het boek Spreuken is, waarbij hij via uitlegging van het begrip wijsheid toewerkt naar het idee dat het volgens de Spreukendichter (“Koning Salomo, op wiens naam deze woorden staan”, p. 17-18) van belang is steeds weer kennis te vergaren. Meteen geeft Van den Brink hier aan dat het hier niet zozeer gaat om het soort kennis “waar de hedendaagse wetenschap naar streeft” (p. 20), om even later op dezelfde pagina toch ernaartoe te werken dat het ook niet gaat om “twee totaal verschillende dingen”.

Dan begint de auteur met het leggen van een fundament bij de lezer waarop waardering voor de hedendaagse wetenschap moet gaan rusten. Met aanhaling van Karl Popper wordt het beeld duidelijk gemaakt dat het in Spreuken genoemde begrip ‘vermaning’ kan worden doorgetrokken naar het openstaan voor kritiek van de hedendaagse wetenschap. Dit wordt gevolgd door het begrip ‘onderscheiden’, waarvan het vermogen ertoe een deugd is van de wetenschapper. Deze moet daarnaast ‘horen’ en is bovendien als het goed is ‘integer’. Al deze begrippen worden uitgelegd.

Hierna worden nog kort de begrippen ‘beleid’, ‘overleg’ en ‘bedachtzaamheid’ toegevoegd aan het rijtje wetenschappelijke deugden. Van den Brink koppelt een en ander aan de actualiteit rondom de coronaproblematiek, om vervolgens, toewerkend naar het begrip ‘levenskunst’, ook de link te leggen met het predikantenwerk.

Tot dusver wat mij betreft niets om veel op aan te merken. De eerste voorzichtige nattigheid kan wellicht onder het kopje ‘Eerbied voor God als kenbron’ (p. 24) worden gevoeld, wanneer Van den Brink begint over het “oud-oosterse wereldbeeld”. Het is “niet ondenkbaar” dat de Bijbelse spreuken ontleend zijn aan de Egyptische wijsheidsboeken, aldus de auteur. Het laatste kan goed als argument worden gezien voor het toedichten van de Spreuken aan Salomo, contra exegetische inzichten die pleiten voor een veel latere datering van het boek, aangezien de Egyptische wijsheidsboeken al van veel eerder dateren. Het is vooral het “oud-oosterse wereldbeeld” dat wat zorgen begint te baren, zij het dat het hier slechts blijft bij een verholen vooruitwijzing op wat er verder in het boekje gaat komen.

Van den Brink eindigt dit hoofdstuk met het correcte inzicht dat “de vreze des Heeren” het “beginsel der wijsheid” is (p. 25) en dat de moderne wetenschap in elk geval een “enorme impuls” heeft gekregen van het christendom ten tijde van de Reformatie. Ook de gespreksvragen bij dit hoofdstuk spelen hierop in.

Het wereldbeeld achter de Bijbel

In dit hoofdstuk, waarvoor Exodus 20:1-17 gelezen dient te worden, gebruikt Van den Brink de Tien Geboden als voorbeeld van het “doorschemeren” van het “wereldbeeld van destijds” op “allerlei plaatsen in de Bijbel”(p. 28). Na vermelding van het feit dat we ons huidige wereldbeeld te danken hebben aan de inzichten van de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus (1473-1543), geeft Van den Brink voorbeelden uit de Tien Geboden die duiden op het agrarische bestaan en de hiërarchische verhouding van de Bijbelse tijd. In dit geval gaat het volgens hem om “’het wereldbeeld in brede zin’: het geheel van historisch en cultureel bepaalde voorstellingen en gewoonten die in een bepaalde tijd gangbaar zijn” (p. 30).

In de volgende paragraaf, “Wereldbeelden in engere zin”, wijst Van den Brink op uitdrukkingen als “de aarde op pilaren” en de “vier hoeken” ervan. Hij stelt correct dat deze uitdrukkingen symbolisch bedoeld kunnen zijn, maar vermeldt dan dat deze ook dan doorgaans teruggaan op “wat in een eerder stadium wel ‘echt geloofd’ werd” (p. 31). De vraag is nu: is dat zo? Hoe weet Van den Brink dat deze duidelijk symbolische uitdrukkingen “in een eerder stadium” echt geloofd werden, met andere woorden: letterlijk genomen hadden kunnen worden? In welk stadium zou dat zijn geweest? En hoe weten we dat dit het geval is; welke geschriften getuigen hiervan?

Dan komt op pagina 33 het bekende type afbeelding dat de lezer misschien al aan voelde komen: de schematische weergave van het “drielagige universum uit het vroege Midden-Oosten zoals dat doorschemert in diverse bijbelteksten”. Een type afbeelding dat zijn oorsprong kent in de negentiende eeuw. In zijn boek Oorspronkelijk – Overwegingen bij schepping en evolutie3 bespreekt Mart-Jan Paul uitgebreid de problemen met deze typering van de Israëlieten als een volk met een voorwetenschappelijke en naïeve kijk op het universum. Het voert te ver om die hier te herhalen, maar waar het om gaat is dit: Van den Brink gebruikt deze dubieuze duiding van het wereldbeeld van de Bijbel als opmaat naar waar het hem om te doen lijkt, namelijk aantonen dat het Bijbelse wereldbeeld niet overeenkomt met de werkelijkheid, en dat daarmee ook het ontstaan van het universum zoals de Bijbel dit beschrijft niet overeenkomt met de werkelijkheid. Het vermeende foutieve wereldbeeld van de Bijbel heeft volgens Van den Brink namelijk ook betrekking op het ontstaan van de kosmos: “Wereldbeelden hebben nu eenmaal niet alleen betrekking op de structuur van de kosmos (‘hoe zit de wereld in elkaar?’), maar ook op het ontstaan ervan (‘hoe en wanneer is ze tot stand gekomen?’).” Fout wereldbeeld en verkeerd ingeschatte ontstaansgeschiedenis.

Maar wat als deze duiding van het Bijbelse wereldbeeld niet klopt? Wat als de beeldspraak in de Bijbel inderdaad gewoon beeldspraak is? Ligt dit niet meer voor de hand, of zou het werkelijk zo zijn dat bijvoorbeeld zowel de uitdrukking “de vier hoeken der aarde” als “het rond der aarde” gebaseerd is op hoe men over de werkelijke vorm van de aarde dacht? Mijns inziens heeft Mart-Jan Paul overtuigend aangetoond dat van het laatste geen sprake kan zijn. De Bijbel gebruikt op diverse plaatsen beeldspraak, maar het gaat dan ook duidelijk om beeldspraak. Dat die ontleend zou zijn aan letterlijke veronderstellingen over de vorm van aarde en hemel is helemaal niet aangetoond en zelfs onwaarschijnlijk. De Bijbel gebruikt bovendien de taal van de waarneming, net zoals wij dat doen wanneer we zeggen dat de zon ondergaat. Bedoelen we daarmee dat de zon om de aarde draait in plaats van andersom? Uiteraard niet. Waarom zouden we dergelijke inzichten dan wel opleggen aan de Bijbelschrijvers? In het geval van Van den Brink wordt dat snel duidelijk: om de lezer het idee te geven dat de Bijbelschrijvers het bij het verkeerde eind hadden als het gaat om onze ontstaansgeschiedenis. Geen schepping, maar evolutie. Terwijl de auteur in het volgende hoofdstuk zelf onderkent dat de Bijbel de taal van de waarneming spreekt (blz. 45-46).

Wat uit het ‘Woord vooraf’ en de eerste twee hoofdstukken van Onderzoek alle dingen valt op te maken, is dat de auteur pleit voor acceptatie van hedendaagse wetenschappelijke bevindingen, waar op zich niets mis mee is. Helaas stelt hij vervolgens de evolutietheorie in zijn huidige (neodarwinistische) vorm gelijk aan ‘de wetenschap’, en stelt hij hiertegenover dat de Bijbel een onwetenschappelijk wereldbeeld heeft. Het komt er in deze hoofstukken dus op neer dat de Bijbel volgens Van den Brink een onjuiste voorstelling van zaken geeft als het gaat om ontstaansgeschiedenis. Wat mij betreft een zorgelijke insteek. In volgende artikelen gaan we in op de rest van Onderzoek alle dingen.

Mart-Jan Paul en Jan Hoek schrijven een boek over betekenis van Gods spreken voor Schriftgezag en Schriftuitleg

Uit de Bijbel weten we dat God spreekt tot mensen. Maar hoe kunnen wij Gods stem verstaan en welke middelen gebruikt Hij daarvoor? Daarover gaat het onlangs verschenen boek ‘Een stem uit de hemel’ van oudtestamenticus prof. dr. Mart-Jan Paul en systematisch theoloog prof. dr. Jan Hoek. Een waardevolle studie over het spreken van God in/en de Bijbel.

Vorige maand verscheen bij uitgeverij De Banier het boek ‘Een stem uit de hemel – Gods spreken in de Bijbel en in onze tijd’. De auteurs zijn Mart-Jan Paul en Jan Hoek.1 Het betreft een grondige studie naar de betekenis van Gods spreken voor Schriftgezag en Schriftuitleg. Na een inleiding gaat het in de hoofdstukken twee tot en met acht over het spreken van God in zowel OT als NT. Er is veel aandacht voor het eerste bijbelboek, Genesis. Uit de omschrijving kunnen we opmaken dat de geleerden Genesis lezen vanuit het klassieke scheppingsgeloof. Het boek gaat onder andere verder met een hoofdstuk over Gods spreken in zowel de Schrift als in de schepping (hoofdstuk 10). Er wordt stilgestaan bij moderne wetenschappelijke verklaringen (zoals neurofysiologische verklaringen) én er is aandacht voor het oude Midden-Oosten, de context waarin het Oude Testament ontstaan is. Om niet meer te noemen: er wordt stilgestaan bij verschillende inspiratietheorieën en over de plaats van de hermeneutiek. In een tijd waarin ook minder- of niet-Schriftgetrouwe boeken verschijnen over het spreken van God is het goed dat de auteurs het thema opgepakt en dit uitgewerkt hebben in een boek van ruim 400 pagina’s. Dat de auteurs daarbij niet over een nacht ijs gegaan zijn blijkt wel uit het aantal geraadpleegde bronnen.

Deze week ontvingen we van de uitgever een recensie-exemplaar. Begin volgend jaar hopen we een recensie te schrijven voor deze website. We hopen natuurlijk dat u dit boek voor die tijd al zelf gelezen heeft. Het boek zal ook te koop worden aangeboden in de nog op te richten webshop van Fundamentum. Tot die tijd verwijzen wij u, voor de aanschaf van het boek, graag door naar de website van De Banier.2

Voetnoten

Historiciteit van de Bijbel onder druk in Huijgens boek ‘Lezen en laten lezen’ (2)

Dit artikel is een vervolg op het onlangs verschenen eerste deel.

Wat is waarheid?

In hoofdstuk 4.3 schrijft Huijgen over de stemming en afstemming van het hart, die nodig zijn om de Bijbel te lezen. Zijn boek wil ons daarin een hulpmiddel zijn, maar het is de vraag of dit mensen werkelijk tot de Christus der Schriften brengt. Hij vergelijkt de ziel met een klankkast waarin de waarheid van de Schrift moet resoneren. “Het hart dient afgestemd te worden op de waarheid, dat is op het hart van God. Waarheid is, zoals eerder duidelijk werd, niet zozeer een overeenstemming van een mentale voorstelling met een feitelijke stand van zaken. Waarheid gaat niet over overeenstemming en ze vraagt niet om intellectuele toestemming, maar ze draait om afstemming en vraagt om instemming.”1

Het gaat volgens Huijgen dus niet om het waarheidsgehalte van feiten in de Bijbel, maar om waarheid in het binnenste. Die laatste woorden klinken ons heel bekend, maar betekenen niet hetzelfde als die uitdrukking gebruikt wordt in kringen waar de Schriftuurlijk-bevindelijke prediking voorgestaan wordt. Blijkbaar moet het woord nog waarheid worden in het hart.

Als we de Bijbel onderzoeken moet het hart worden afgestemd, maar moeten we ook samenstemmen met de kerk.2 Bij het lezen van Lezen en laten lezen vraag ik mij als lezer af of de schrijver nog instemt met de Vroege Kerk en de kerk van de Reformatie. De Vroege Kerk en de kerk van de Reformatie heeft de historische betrouwbaarheid van de Schrift niet gerelativeerd. Hoewel Huijgen met de kerk van de Reformatie de focus op Christus als het midden van de Schrift wil hebben bij het Bijbellezen, ontstaat er toch een groot verschil in de waardering van de Schrift.

De schrijver van Lezen en laten lezen meent te moeten zeggen dat het gezag niet aan de Schrift moet worden opgedrongen en dat de Schrift haar eigen gezag moet definiëren. Volgens hem zou in het Chicago Statement te weinig beleden worden met betrekking tot het gezag van de Schrift. Niets is minder waar. Het Chicago Statement is juist ontstaan, omdat God voor de totstandkoming van de Schrift heeft gezorgd door de Heilige Geest en dat de Schrift daarom met gezag bekleed is. De beschuldiging van Huijgen ten aanzien van dit geschrift is een valse voorstelling van zaken.3

Bonhoeffer en Noordmans

Bij het lezen moeten we volgens Huijgen samenstemmen met de kerk. In hoofdstuk 6 blijkt welk meerstemmig lied van andere theologen mee resoneert in het hart van professor Huijgen. Graag laat Huijgen iets zien van de hermeneutiek van Bonhoeffer en Noordmans. Dat kan soms leerzaam zijn. Bonhoeffer leest de Bijbel in het licht van Christus en met de kerk.4 De Bijbel is het boek van de kerk. Blijkbaar is de Bijbel niet het boek van de Heilige Geest. Volgens Huijgen verzet Bonhoeffer zich tegen de leer van de verbale inspiratie. “Hij ziet die leer als een poging om het geheim van Gods openbaring in de vingers te krijgen. De Bijbel zou als boek heilig worden verklaard ten koste van de heiligheid van God. Dat is een te eenzijdige kijk van Bonhoeffer op deze leer, maar hij maakt in ieder geval duidelijk hoe belangrijk hij het vindt dat wij mensen geen macht uitoefenen over het Woord van God. Wij zijn ontvangers, meer niet.”5

Ook hier worden zaken omgedraaid en wordt het orthodox christendom beschuldigd van machtsoefening over de Schrift. Een absolute verdraaiing van zaken. Immers, omdat de Schrift macht over ons uitoefent door de werking van de Heilige Geest, erkennen wij het gezag waarmee de Schrift van Godswege bekleed is. Daarom durven wij van het Woord Gods niets af te doen en wensen wij niet te behoren bij de sadduceeën die het bestaan van engelen ontkennen en niet geloven in de opstanding uit de doden, daar hun Bijbel er duidelijk van getuigt. Voor hen was het gezag van de Schrift duidelijk niet door de Schrift zelf vooraf gedefinieerd, maar meenden zij zelf te kunnen bepalen wat in de Schrift wel en wat in de Schrift geen gezag had.

Het lijkt erop dat professor A. Huijgen zich in datzelfde voetspoor van de sadduceeën begeeft. Van Noordmans geldt, net als van Bonhoeffer, dat hij de Schrift leest met het oog op Christus. “Pas als Christus de tekst gaat hanteren, gaat de tekst helemaal open”, zo leert Noordmans.[6] Noordmans wilde ook verder gaan in het spoor van de allegorese, maar niet met loslating van de letterlijke tekst. Dat allegorisch lezen dient dan ook trinitarisch te geschieden.[7] Bij Noordmans ligt het accent sterk op de leer van de Heilige Geest.[8] “Kennelijk helpt een leer van Gods Drie-eenheid, die er mee rekent dat Christus door Zijn Geest nog altijd aanwezig is, om existentieel en bloedwarm met de Schrift om te gaan.”

Deze benadering van Noordmans lijkt zeer schoon. Er is grote waardering voor een geestelijke leeswijze van de Bijbel. De grote vraag blijft echter of de Schrift objectief gezag toegeschreven mag worden. Krijgt de Schrift pas gezag door het lezen met behulp van de Geest of heeft de Schrift gezag, omdat de Geest de Bijbelschrijvers heeft gedreven?

Petrus leert ons het volgende over de gehele Schrift: “En wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt, als op een licht, schijnende in een duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de Morgenster opga in uw harten. Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken” (2 Pet. 1:19–21).

Heel duidelijk leert Petrus dat de Geest heilige mensen Gods gedreven heeft om te spreken en te schrijven. De woorden van Paulus in 2 Tim. 3:16 krijgen zijdelings aandacht, maar de woorden van Petrus krijgen in het geheel geen aandacht in Lezen en laten lezen.

De teneur van het boek is dat God in Christus spreken moet, wil het Woord als waarheid ervaren kunnen worden. Dat kan echter inhouden dat bepaalde historische gedeelten in de Bijbel alleen waar zijn voor wat hun boodschap betreft in voorbijgaan van het feitelijk gehalte. Bijna nergens zegt Huijgen dat God gesproken heeft in de Schrift. Steeds schrijft hij dat God spreekt, maar weinig dat God gesproken heeft. De nadruk valt met Noordmans helemaal op de ervaring van de mens.

Slechts tweemaal wordt in Lezen en laten lezen verwezen naar de Schriftopvatting van Karl Barth. Ook Karl Barth bracht het gewicht van het geschreven Woord in mindering op het geheel van de openbaring van Jezus Christus.6 De tweede keer dat Huijgen Karl Barth ter sprake brengt, doet hij dat indirect. Op pagina 157 onderstreept hij een uitdrukking die bij Barth vandaan komt, namelijk dat de Bijbel geen papieren paus is. Volgens Karl Barth is niet alles in de Bijbel Gods Woord. Alleen datgene van de Bijbel is Gods Woord als God dat aan je openbaart.

Professor A. Huijgen belijdt niet dat Gods Woord van begin tot het einde historisch betrouwbaar is, maar beweert ten diepste met Barth en Noordmans dat een bijzondere openbaring van God door de Geest noodzakelijk is om Gods Woord als waarheid te ervaren. Het werk van de Geest in het Woord is blijkbaar niet betrouwbaar en genoegzaam.

Hoewel professor Huijgen aan de historiciteit van de maagdelijke geboorte van Christus, Zijn kruisiging en opstanding wil vasthouden, geeft hij de lezer helaas geen vastigheid in de belijdenis zoals deze is verwoord in de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

Nederlandse Geloofsbelijdenis

“Wij geloven dat deze Heilige Schrift den wil Gods volkomenlijk vervat, en dat al hetgeen de mens schuldig is te geloven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de gehele wijze van den dienst dien God van ons eist, aldaar in het lange beschreven is, zo is het den mensen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriften; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, zo blijkt daaruit wel dat de leer daarvan zeer volmaakt en in alle manieren volkomen is.

Men mag ook gener mensen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de successie van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten; want alle mensen zijn uit zichzelven leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelve.

Daarom verwerpen wij van ganser harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt, gelijk ons de apostelen geleerd hebben, zeggende: Beproeft de geesten of zij uit God zijn. Insgelijks: Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis” (Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 7).

Karl Barth aanvaardde niet alles van de Bijbel als het Woord van God. Blijkbaar had het Woord van God zo weinig gezag voor hem dat hij naast zijn wettige vrouw zijn secretaresse als zijn ‘liefste’ vrouw beminde. Het zevende gebod was wellicht waar voor hem, maar niet zo loodrecht uit de hemel dat het hem deed breken met deze zonde tegen het zevende gebod.

De ‘vrome’ leeswijze van Huijgen kan leiden tot een geheel andere visie op homoseksualiteit en de vrouw in het ambt, wat in de praktijk helaas gebeurt. Hoewel er leerzame gedeelten te vinden zijn in Lezen en laten lezen, zou ik het lezen ervan alleen aanbevelen aan mensen die theologisch voldoende onderlegd zijn en enige onderscheidingsgaven hebben.

De HEERE geve ons allen hartstocht voor Zijn heerlijk en heilig Woord.

© Gereformeerd Venster. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de digitale nieuwsbrief Gereformeerd Venster. Abonneren kan via info@gereformeerdvenster.nl of www.gereformeerdvenster.nl. Een abonnee op deze nieuwsbrief is gratis!

‘Sporen van Comries rechtvaardigingsleer’ – Op zoek naar onze vroegste geschiedenis en debat ‘geloof en wetenschap’ in proefschrift dr. D. Baarssen

Vrijdag 10 september 2021 was het een heugelijke dag voor dr. Dirk Baarssen.1 De theoloog promoveerde deze vrijdag op de rechtvaardigingsleer van dr. Alexander Comrie (1706-1774).2 Hoe zag Comrie de rechtvaardiging? “Comrie zag de rechtvaardiging als juridisch begrip waarin de zondaar uit genade rechtvaardig verklaard wordt. Het gevolg van deze verklaring is dat de zondaar vrijgesproken is van schuld en straf. De zonden zijn hem vergeven (blz. 17).”3 De kersverse doctor in de theologie heeft naar de receptie van deze rechtvaardigingsleer binnen de Gereformeerde Gezindte onderzoek gedaan. We bestuderen het proefschrift op het voor deze website relevante thema ‘geloof en wetenschap’ en onze vroegste geschiedenis. De rechtvaardigingsleer laten we dus, hoewel erg belangrijk binnen de theologie, zo veel mogelijk buiten beschouwing.

Dr. Alexander Comrie (1706-1774)

Dr. Alexander Comrie werd op 16 december 1706 geboren in Schotland. Ongeveer twintig jaar later verhuisde de geleerde, om een voor ons onbekende reden, naar Nederland. Daar studeerde hij theologie in Groningen en promoveerde in 1734 te Leiden op een dissertatie over ‘het fundament van de moraal en de natuur van de deugd‘. De titel van zijn proefschrift was: ‘Dissertatio philosophica inauguralis de moralitatis fundamento, et natura virtutis‘.4 Baarssen: “Hij nam in zijn proefschrift stelling tegen René Descartes (1596-1650), die wilde breken met de traditie van Aristoteles“. Na zijn promoveren werd hij in 1735 tot predikant bevestigd in zijn enige gemeente, Woubrugge. Comrie overleed op 10 december 1774 te Gouda. Zijn theologie heeft veel mensen na hem geïnspireerd, zoals de kerkelijke voormannen dr. Abraham Kuyper (1837-1920) en ds. Gerrit Hendrik Kersten (1882-1948), zodat Comrie nog spreekt nadat hij gestorven is.

Wordt de komende tijd op deze pagina vervolgd.

Voetnoten

Het borduurwerk en de tornado – Bespreking van ‘Tornado’

“Het gigantische monster bestaat uit een donkere onweerswolk met een enorme slurf. Aan het einde van de slurf lijkt een soort zak te hangen, die als een razende stofzuiger over het meer jaagt. De hele lucht rond de tornado is in beweging. Het blijft onophoudelijk lichten en donderen. Peer moet denken aan een documentaire die hij ooit op school had gezien over wetenschappers die een tornado achterna reden om onderzoek te doen. Ze leken in extase toen ze de tornado naderden. Peer had het toen wat overdreven gevonden, maar nu hij zelf de tornado ziet, snapt hij het gevoel.”

Korte beschrijving

Vorig jaar (2020) verscheen er een mooi tienerboek bij uitgeverij Den Hertog. De schrijver van het boek is Rijk Arends. Het boek ‘Tornado’ is geschikt voor tieners vanaf 11 jaar. Hoofdpersoon Peer woont in Nederland, samen met zijn vader en zijn zusje Laura. Moeder is overleden toen Peer jong was na een auto-ongeluk. De opa en oma van Peer wonen in Canada. De vader van Peer heeft een nieuwe liefde opgedaan in het land en omdat opa al oud is voor het werk op de boerderij wordt aan de vader van Peer gevraagd het werk over te nemen. Maar gaat het Peers vader alleen om de boerderij, of ook om de nieuwe liefde Rachel. Peer heeft het er moeilijk mee: hij wil geen nieuwe moeder. Rachel is evenals Peers vader weduwe en heeft ook twee kinderen: Mike en Eva. Ook Mike heeft moeite met een ‘nieuwe’ vader. Samen smeden ze een complot om het huwelijk van Rachel en Peers vader te stoppen. Een vakantie met een tornado is nodig om de neuzen dezelfde kant op te krijgen. Hoe dat gaat? Daarvoor moet je het boek zelf lezen.

Borduurwerk

Peer heeft het moeilijk met het feit dat zijn vader wil trouwen met een andere vrouw! Hij heeft het verlies van zijn moeder nog niet (helemaal) verwerkt. Hij wil geen nieuwe moeder. Arends weet de gedachtegang van deze tiener goed te beschrijven. Op een avond pakt hij voordat hij gaat slapen zijn Bijbeltje, maar legt hem ongelezen weer terug. Hij prevelt gedachteloos wat worden en probeert dan te gaan slapen. Dat lukt niet, gedachten malen door zijn hoofd. Citaat:

“Hij prevelt de woorden die hij altijd gebruikt, maar voor zijn gevoel kan hij net zo goed niet bidden. Zou dat inderdaad door de schietspellen komen die hij de laatste tijd speelt? Of omdat hij zich steeds meer af gaat vragen waarom juist zijn moeder… Als God bestaat, waarom is dan dat ongeluk gebeurd? Hij had het er ooit met tante Wilma over gehad. Ze had hem toen de achterkant van een borduurwerk laten zien. Hij zag alleen verschillende kleuren wol en knoopjes, maar het boerderijtje dat op de voorkant was geborduurd, was er niet in te zien. ‘Zo is het ook met het leven Peer,’ had ze gezegd. ‘Wij zien de achterkant. God ziet de voorkant en heeft ook een plan met jouw leven. Maar begrijpen doen wij het meestal niet.’ Het had hem toen getroost, maar nu heeft hij een beter antwoord nodig.”

Als de tornado uitgeraasd is dan komt het borduurwerk weer terug in de gedachten van Peer. Citaat:

“Hij had vandaag een paar keer aan het voorbeeld van tante Wilma moeten denken. Wij zien de achterkant van het borduurwerk. God de voorkant. Alleen God kon weten dat er een tornado voor nodig was om hem anders naar Rachel te laten kijken.”

Het is mooi dat de schrijver met dit eenvoudige voorbeeld tieners wil bereiken. Er moet ruimte zijn in gesprekken en in tienerboeken voor dit soort moeilijke vragen. In het boek wordt ook het machtige natuurverschijnsel tornado uitgelegd.1 Het boek is vanwege de leerzame en spannende verhaallijn een aanrader om te lezen.

Rijk Arends heeft nog meer tienerboeken geschreven. Dit jaar verscheen ‘De andere wereld’. Een bespreking van dit tienerboek over Betuwse streekgeschiedenis is hier te vinden.

Dit boek zal binnenkort in onze webshop te koop worden aangeboden.

Deze bespreking is onderdeel van het project ‘Onderwijzen en opvoeden voor de toekomst – Leren over onze vroegste geschiedenis in 2021’. In de komende maanden zal dit project verder uitgekristalliseerd worden. Een dergelijk opvoedings- en onderwijsproject zal ook onderdeel zijn van het meerjarenplan ‘Fundamentum 2022-2027’, met uiteraard ieder jaar een ander jaartal. Het boek is hier opgenomen in de lijst van gelezen kinder- en jeugdboeken.

Voetnoten