Home » Recensie

Categorie archieven: Recensie

Een tweetal inleidingen op het Oude Testament – Bespreking ‘Introduction to the Old Testament’ en ‘Prepare the Way of the Lord’

Bij uitgeverij Hendrickson Publishers verscheen in 2016 een herdruk van de klassieke inleiding van Roland Kenneth Harrison op het Oude Testament. Dit werk dat in 1969 voor het eerst werd gepubliceerd, is nog altijd zeer de moeite waard. Voor predikanten en studenten in de theologie is het een naslagwerk van blijvende waarde.

Het is de uitgebreidste conservatieve inleiding op het Oude Testament die ooit is verschenen. Aan de behandeling van de afzonderlijke boeken van het Oude Testament gaat een uitvoerige bespreking van de geschiedenis van de studie van het Oude Testament vooraf, de archeologie van het Midden-Oosten, de tekst en canon van het Oude Testament de godsdienst van Israël en de theologie van het Oude Testament. Dat verhoogt de waarde van dit standaardwerk.

Vragen naar de omvang van de zondvloed en de datering van de exodus komen aan de orde. Harrison geeft de voorkeur aan een datering van de exodus in de dertiende eeuw. Zelf meen ik dat er niet alleen in het licht van Bijbelse, maar mede in het licht van buiten-Bijbelse gegevens, meer te zeggen valt voor een datering in de vijftiende eeuw. Een standpunt dat wij in Neder­land in de Studiebijbel terugvinden.

Op de bespreking van de canonieke boeken van het Oude Testament volgt een bespreking van de apocriefe boeken. Het onderscheid tussen deze twee categorieën wordt door Harrison ten volle recht gedaan. Bij elke boek van het Oude Testament gaat Harrison in op het ontstaan, de historische achtergrond en de belangrijkste thema’s

Van recenter datum dan de inleiding op het Oude Testament van Harrison is die van R. Reed Lessing en Andrew E. Steinmann. Deze oudtestamentici behoren tot de Lutheran Church Missouri Synod, een zogenaamde main­line church die vasthoudt aan haar confessionele wortels. Hun inleiding kenmerkt zich door twee zaken. Dat is allereerst dat de auteurs maximaal recht wensen te doen aan het zelf­getuigenis van het Oude Testament. Dat blijkt niet in de laatste plaats bij de be­spreking van de Pentateuch, Jesaja en Daniël.

Daarnaast heeft hun inleiding meer dan die van Harrison sterk het karakter van een theolo­gische weergave van de oudtestamentische Bijbel­boeken. Zowel aan de eigenheid van het Oude Testament wordt recht gedaan als aan het feit dat het Oude Testament aangelegd is op het Nieuwe Testament. Bij elk oudtestamentisch Bijbelboek vinden we een paragraaf ‘zonde en genade’ en één over de plaats van Christus in het betreffende Bijbelboek.

De inleiding van Lessing en Steinmann is minder uitgebreid. Vooral omdat na een kort inleidend hoofdstuk direct de afzonderlijke boeken van het Oude Testament aan de orde komen. Dat maakt hem ook wat toegankelijker. Aan het einde van elk hoofdstuk wordt een korte opgave van werken voor verdere studie gegeven.

Omdat de inleiding van Lessing en Steinmann in 2014 verscheen, wordt ook naar de meer recente literatuur verwezen. De twee inleidingen vullen elkaar aan. Zelf zou ik hen die zich willen oriënteren op het Oude Testament die van Lessing en Steinmann als eerste aanraden, omdat deze zowel van recenter datum als overzichtelijker en toegankelijker is. Voor wie meer informatie wil, blijft de inleiding van Harrison een standaardwerk.

N.a.v.: R.K. Harrison, Introduction to the Old Testament: Including a comprehensive review of Old Testament studies and a special supplement on the Apocrypha (Peabody, MA: Hendrickson Publisher, 2016).

Reed Lessing en Andrew E. Steinmann, Prepare the Way of the Lord: An Introduction to the Old Testament (St. Louis: Concordia Publishing House, 2014).

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Dierenleed en Godsbeeld: ‘Geschapen om te doden?’ – Bespreking van ‘Teeth and Talons Whetted for Slaughter’

Dierenleed en Godsbeeld: ‘Geschapen om te doden?’ was de pakkende titel waarmee het Herman Bavinck centrum een symposium organiseerde over het boek Teeth and talons van prof. dr. P.J. Slootweg, een dissertatie waarmee hij eerder aan de VU Amsterdam promoveerde. De centrale vraag: heeft God dieren oorspronkelijk geschapen om andere dieren op te eten?

Het boek lijkt die vraag met ja te beantwoorden, maar dit blijkt genuanceerder te liggen. Op het symposium gaf Slootweg aan dat theïstische evolutie voor hem behoort tot de sfeer van voorveronderstellingen en niet tot experimentele wetenschap; en: Augustinus vond uiteindelijk ook dat dieren vegetarisch geschapen zijn. Soms is er verwarring over deze kerkvader omdat Augustinus vanuit zijn neoplatoonse filosofie de sterfelijkheid van dieren anders opvat dan die van mensen. Carnivorisme is volgens Augustinus een verschijnsel van na de zondeval.

Teeth and talons’ verwijst naar een Engelse uitdrukking die aangeeft dat de natuurlijke wereld zoals we die nu kennen gekenmerkt wordt door doden om te overleven. Een belangrijke vraag die de dissertatie van Slootweg onderzocht is of dierenleed als theologisch problematisch werd ervaren in de periode tussen 1600 en 1961 en welke verschuivingen er waren. Zijn conclusie is dat dierenleed ruim voor Darwin als theologisch probleem werd gezien in relatie tot het godsbeeld. Sinds het begin van de 17de eeuw waren door de Verlichting reeds dusdanige verschuivingen opgetreden dat dierenleed en een goede schepping door diverse theologen als verenigbaar werden gezien. Professor Slootweg vat het als volgt samen: ‘It was not only because of Darwin’s theory of evolution that people began to wonder what the suffering of animals meant for the belief in a God who lovingly cares for all living beings; they had been thinking about this since at least the first decades of the seventeenth century’ (409).

Het boek eindigt met een ethische conclusie over evolutie en dierenleed: ‘Rejecting evolution does not solve this problem and accepting evolution does not make it worse’ (410). Is dat zo? Teeth and Talons is een systematische studie van theologiegeschiedenis. Toch zou het interessant zijn om ook een principieel evolutionistisch, biografisch en ethisch perspectief toe te passen op deze stelling.

Principieel evolutionistisch: als de mens immers een zoogdier is dat met gebruik van ‘teeth and talons’ opgeklommen is via de piramide van de evolutie, dan heeft de mens niet meer de uitzonderingspositie die hij daarvoor in het westers denken bekleedde. Dan wordt dierenleed een theologische factor voor de mens. Het accepteren van evolutie als ontstaanstheorie laat dus wel een nieuw probleem ontstaan.

Biografisch: Darwins leven reikt belangrijke gegevens aan die van invloed waren op zijn wereldbeeld en wetenschappelijke standpunten. Op persoonlijk vlak moet het gezinsleed van Darwin historisch gewogen worden, dat hem uiteindelijk (tot leedwezen van zijn unitarische vrouw) deed afscheid nemen van God. Door zijn evolutionistisch perspectief was dit menselijk lijden slechts gradueel te onderscheiden van dat van zoogdieren. Het is principieel biografisch dus een vorm van zoogdierleed geworden die hem God vaarwel deed zeggen. Dit was een uiterst pijnlijk proces dat onder tranen plaatsvond.

Ook de ethisch-exegetische implicaties, zowel voor de ethiek als voor de bijbelwetenschap, zijn niet gering als סָמָח (geweld) dat in de Tora gebruikt wordt om de gevolgen van een gevallen schepping bij uitstek weer te geven, via Darwin een scheppingsmethode wordt. De implicaties zijn duidelijk, ook al duurt het een paar generaties voordat dit door de samenleving verrekend wordt. Er is reeds bij Darwin een onuitgesproken verschuiving in het mensbeeld, van kroon van de schepping naar zoogdieren, die het godsbeeld ingrijpend beïnvloedt. Historisch zien we dan ook dat het niet zozeer de Origin of species is dat Darwin controversieel maakt in zijn tijd, maar het latere boek The Descent of Man, and Selection in Relation to Seks. Daar beperkt Darwin zich niet tot de beschrijving en verklaring van contemporaine biologische processen, maar komt hij met een nieuw mens- en wereldbeeld dat aanzienlijke verschuivingen impliceerde voor de ethiek en de geoorloofdheid van daarvoor als zondig beschouwd menselijk gedrag. Aanvankelijke medestanders Wallace en St. George Jackson Mivart konden dit niet meemaken, ten diepste om theologisch-ethische redenen. Het accepteren van darwinisme als ontstaanstheorie introduceert dus een probleem van ethische normativiteit omdat de Schepper wegvalt en de herintroductie van een Schepper binnen evolutionistisch kader exegetisch wringt met de primaire bronnen.

Op deze website hebben we in een aantal artikelen al aandacht besteed aan deze promotie en dit proefschrift (zie hier, hier, hier en hier). Dr. ir. Erik van Engelen schreef daarnaast deze bijdrage en dr. Benno Zuiddam hield deze bijdrage op het in de tekst genoemde symposium.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Theologia Reformata. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A. van, 2023, ‘Teeth and Talons Whetted for Slaughter’: Divine Attributes and Suffering Animals in Historical Perspective, Theologia Reformata 66 (1): 94-95.

De datering van de nieuwtestamentische geschriften – Bespreking van ‘Rethinking the Dates of the New Testament’

De vraag naar het gezag van de geschriften van het Nieuwe Testament valt niet zonder meer samen met de tijd van hun ontstaan. De grote vraag is of wij de geschriften van het Nieuwe Testament lezen, zoals zij zichzelf aandienen. Dat maakt de vraag naar de ontstaanstijd van de nieuwtestamentische geschriften niet onbelangrijk.

In mijn studententijd las ik de studie van J.A.T. Robinson Redating the New Testament. Deze kwam in 1976 uit. De liberale Engelse theoloog was in zijn benadering van de datering van het Nieuwe Testament opmerkelijk conservatief. Hij dateerde alle nieuwtestamentische geschriften vóór de val van Jeruzalem in 70 na Chr. Dat standpunt liet geen ruimte om de pastorale brieven en 2 Petrus als pseudoniem geschriften te zien. Daar hebben we dan ook een voorbeeld van het feit dat een late datering het gezag van nieuwtestamentische geschriften raakt.

Een late datering van bijvoorbeeld evangeliën maakt het gemakkelijker te beweren dat zij historisch minder nauwkeurig zijn. Bij een vroege datering waren er nog meerdere ooggetuigen in leven en konden die wijzen op historische onjuistheden. Naast de studie van Robinson wijs ik op die van John Wenham Redating Matthew, Mark and Luke: A Fresh Assault on the Synoptic Problem die in 1992 verscheen. Evenals Robinson bepleit hij een vroege datering van de synoptische evangeliën. Hij gaat niet in op de datering van andere nieuwtestamentische geschriften. Wenham behoorde, evenals bij ons dr. H. Mulder, tot de kleine minderheid van de nieuwtestamentici die, aansluitend bij de oudste vroegchristelijke getuigenissen, Mattheüs als het evangelie zien dat het eerst op Schrift werd gesteld.

De synoptische evangeliën zijn vóór 62 na Chr. geschreven

Jonathan Bernier die als hoofddocent Nieuwe Testament aan het Regis College van de Universiteit van Toronto is verbonden, schreef een studie die aansluit bij die van Robinson, maar hij probeert zich methodisch nauwkeuriger te verantwoorden dan Robinson. Evenals Robinson neemt hij naast de canonieke geschriften van het Nieuwe Testament 1 Clemens, de Didache, de Brief van Barnabas en de Herder van Hermas mee. De reden is dat deze vroegchristelijke geschriften ongeveer in dezelfde tijd geschreven zijn als de laatste boeken van het Nieuwe Testament.

Als het gaat om de synoptische evangeliën noemt hij de argumenten om Markus als het oudste evangelie te zien. Daarin volgt hij de overgrote meerderheid van de nieuwtestamentici. Dat Lukas het laatst is geschreven, is nog duidelijker aanwijsbaar. Bij de datering van de evangeliën is de vraag wanneer Handelingen is geschreven cruciaal.

Bernier betoogt dat de meest voor de hand liggende verklaring van het feit dat Lukas eindigt met het huisarrest van Paulus in Rome is dat het boek Handelingen in die tijd is geschreven. Dat betekent dat het evangelie naar Lukas al eerder werd geschreven. Lukas lijkt beter op de hoogte met de geografie van Macedonië dan van het land der vaderen. Bernier vermoedt dat Lukas zijn evangelie schreef toen Paulus te Caesarea gevangen zat. Hij heeft toen meerdere ooggetuigen gesproken en leerde in die tijd ook het land der vaderen kennen.

Markus is geschreven zo vermeldt het anti-marcionistische voorwoord op dit evangelie na het vertrek van Petrus. Bernier stelt voor dit niet op de dood van Petrus te betrekken, maar op zijn vertrek uit Rome. Hij bezocht volgens Eusebius deze stad al onder de regering van Claudius. Dat brengt Bernier ertoe het evangelie naar Markus ergens in de jaren veertig te dateren. Mattheüs moet chronologisch tussen Markus en Lukas worden geplaatst en is aan het begin van de jaren vijftig geschreven.

Bernier geeft de voorkeur aan de zienswijze dat Lukas van Mattheüs gebruik gemaakt heeft boven die dat zij samen van eenzelfde bron hebben gebruik gemaakt ter verklaring van datgene wat deze evangeliën samen, afgezien van de stof van Markus, gemeenschappelijk hebben. Bernier noemt dat niet als argument, maar de verspreiding van de christelijke kerk over een steeds groter gebied maakt het waarschijnlijk dat al in de jaren veertig de behoefte werd gevoeld om de mondelinge overlevering over Jezus op schrift te stellen.

De datering van het evangelie naar Johannes en de ontwikkeling van de christologie

Bij de datering van Johannes speelt ook de vraag mee op welke wijze zich de christologie heeft ontwikkeld. Meerdere nieuwtestamentici menen dat er sprake is van een ontwikkeling van ene lage naar een hoge christologie. Met een lage christologie wordt bedoeld dat in de tekening van Jezus weliswaar blijkt dat hij een unieke relatie met God had, maar hij wordt nadrukkelijk niet met God gelijk gesteld. Bij een hoe christologie is dat wel het geval.

Voorstanders van deze zienswijze zien in de synoptische evangeliën een voorbeeld van lage christologie en in het evangelie naar Johannes is dan sprake van een hoge christologie. De brieven van Paulus worden daartussen geplaatst.

Gaat men ervan uit dat er aanvankelijk sprake was van een zogenaamde lage christologie, dan zal men het evangelie naar Johannes zo laat mogelijk willen dateren. Meerdere gerespecteerde nieuwtestamentici hebben echter beargumenteerd dat de oudste christologie al een hoog karakter had. Hier moeten de namen van onder andere Martin Hengel, Richard Bauckham en Larry Hurtado worden genoemd.

Alleen door een ernstige reductie op de synoptische evangeliën toe te passen kan men stsellen dat hier sprake is van een lage christologie. De synoptische evangeliën laten vanuit de tekening van het optreden en ook het onderwijs van Jezus zien dat Hij meer is dan een schepsel. We hoeven maar te denken aan het antwoord van Jezus aan de hogepriester bij het verhoor voor het sanhedrin.

De proloog van het evangelie naar Johannes start bij Jezus die als het Woord niet alleen bij God was maar ook zelf God was en is. Het verschil tussen de synoptische evangeliën en het evangelie naar Johannes is niet de christologie als zodanig. Die is in beide gevallen hoog. Het verschil ligt in de wijze van presentatie.

Terecht stelt Bernier dat het bedenkelijk is op grond van een hypothetische ontwikkeling van de christologie het vierde evangelie laat te dateren. Zijn belangrijkste argument om het evangelie naar Johannes vóór 70 na Chr. te dateren, het jaar waarin Jeruzalem werd verwoest, is dat in Joh. 5:2 in de tegenwoordige tijd over het badwater Bethesda wordt gesproken met de vijf zuilengangen. Ik zou hier iets voorzichtiger zijn, omdat ik het niet onmogelijk acht dat wij hier een voorbeeld hebben van een historische praesens.

Ik acht de zienswijze dat Johannes, de zoon van Zebedeüs, al op hogere leeftijd was, toen hij zijn evangelie schreef het meest waarschijnlijk. Daarbij ga ik ervan uit – evenals onder andere P.H.R. van Houwelingen dat Johannes, de zoon van Zebedeüs, dezelfde is als Johannes de oudste en dat de vroegchristelijke schrijver Papias dezelfde persoon in twee categorieën noemt.

De overige nieuwtestamentische geschriften en de buiten-canonieke vroegchristelijke geschriften

Bernier wil ook het boek Openbaring nog vóór het jaar 70 dateren. Dat komt omdat hij aanneemt dat in Openbaring 11:1-2 naar de Tweede Tempel wordt verwezen. Echter, het boek Openbaring is een troostboek voor de nieuwtestamentische gemeente. Tal van zaken hebben een symbolische betekenis. Bij de tempel waarvan sprake is in Openb. 11:1-2 zullen we aan de nieuwtestamentische gemeente in overeenstemming met het taalgebruik van Paulus moeten denken.

Met Bernier ben ik van mening dat de brief aan de Hebreeën hoogstwaarschijnlijk is geschreven toen de Tweede Tempel nog intact was, alhoewel ik besef dat we ook in Heb. 10:1-3 met een historische praesens te maken kunnen hebben. Uitgaande dat Jacobus de broeder des Heeren de brief die op zijn naam staat schreef, moet deze brief nog vóór 62 na Chr. zijn geschreven. Omdat er geen verwijzingen naar Paulus zijn, is het niet onmogelijk dat deze brief bij de oudste nieuwtestamentisch geschriften behoort.

Een vroege datering van de meeste brieven van Paulus is onomstreden. Wel is het een vraag of de brief aan de Galaten na Paulus eerste of tweede zendingsreis is geschreven. Bernier kiest voor de eerste optie en met hem meen ik dat daar het meest voor te zeggen valt. Bij de brieven aan Efeze, Kolossenzen, Filippenzen en Filemon is de vraag tijdens welke gevangenschap ze zijn geschreven. Het traditionele standpunt is de door Lukas vermelde gevangenschap in Rome. Bernier geeft niet alleen voor Filippenzen maar ook voor de andere gevangenisbrieven de voorkeur aan Caesarea.

Bernier laat in het midden of de Pastorale Brieven werkelijk van Paulus zijn. Hij sluit die mogelijkheid echter niet uit. Hij weet dat het mogelijk is 1 Timotheüs en Titus tijdens de eerste zendingsreis van Paulus te dateren. Hij acht echter het meest waarschijnlijk dat deze drie brieven door Paulus na zijn vrijlating van de door Lukas beschreven gevangenschap zijn geschreven en dan blijkt uit 2 Timotheüs dat Paulus opnieuw gevangen is.

Ten aanzien van 2 Petrus volgt Bernier eenzelfde lijn als bij de Pastorale Brieven. Hij gaat niet zonder reserve uit van het auteurschap van Petrus, maar sluit dit ook niet uit. Dan moet 2 Petrus in de tweede helft van de jaren zestig zijn geschreven.

Ten aanzien van de niet-canonieke vroegchristelijke geschriften voert Bernier argumenten aan dat zij niet later dan het begin van de tweede eeuw zijn geschreven. Een eerdere datering lijkt mij moeilijk. Dan is zeker voor de Didachè moeilijk te begrijpen waarom het geen canonieke status kreeg.

Conclusie

Ik acht de studie van Bernier van groot belang en wel met name voor studenten in de theologie. Aan menige academische instelling worden late dateringen van nieuwtestamentische geschriften in colleges door nieuwtestamentici als vaste feiten gepresenteerd, maar dat zijn ze niet. De feiten die er zijn, geven ruimte voor meerdere interpretaties en Bernier laat zien dat er zeer goede argumenten zijn voor vroege dateringen. Dat is met name van belang als late dateringen gerelateerd zijn aan zienswijzen die strijdig zijn met het zelfgetuigenis van het Nieuwe Testament en dan denk ik niet in de laatste plaats aan het zelfgetuigenis over de persoon van Jezus Christus.

N.a.v.: Jonathan Bernier, 2022, ‘Rethinking the Dates of the New Testament: The Evidence for Early Composition’ (Grand Rapids: Baker Academic).

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

‘De wereld is rond, als je steeds naar het westen reist kom je in het oosten’ – Bespreking van ‘Stenen Wachter’

“Hugo steekt de fakkel zo hoog mogelijk op en wijst met zijn andere hand naar de zolder. Talloze zwarte gevouwen figuurtjes hangen daar. Rafael huivert. Hij deelt de kerker met een kolonie vleermuizen. ‘Een paar honderd zwarte duiveltjes om jou te vermaken,’ zegt een slepende stem. Een kleine man stapt achter Hugo vandaan. In zijn hand blinkt een dolk. Hij grijnst vol leedvermaak. ‘Zal ik mijn dolk eens omhooggooien? Dan gaan ze leuk fladderen.’ ‘Nee, niet doen,’ raspt Rafaël benauwd.”

In 2022 verscheen er bij Den Hertog opnieuw een tienerboek van de geschiedenisleraar Henk Koesveld. Het verhaal in ‘Stenen Wachter’ speelt zich af tijdens de honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk. Hoofdpersoon Rafaël is novice van een klooster nabij Coucy. Qua tijd speelt het verhaal zich specifiek af rond de Slag bij Poitiers.1, al wordt er ook met enige regelmaat terug gekeken naar de Slag bij Crécy.2 Al zijn de hoofdpersonen van het boek getuigen van de eerstgenoemde slag, is het hen daar toch niet om te doen. Ze zijn op zoek naar de schat van de Tempeliers. Maar ze zijn niet de enige die op zoek zijn. De hoofdpersonen worden iedere keer dwarsgezeten door Hugo en zijn mannen. Ook zij azen op deze schat van de ridders van de Tempelorde. Koesveld weet het meeslepend te schrijven, zodat je niet anders dan het boek in één adem uit wil lezen. Hoe zal het aflopen? Wat heeft de boodschap (het raadsel) op het perkament, ‘Stenen wachter waakt aan het water’, te maken met de schat van de Tempeliers? Uiteindelijk komen de hoofdpersonen achter de oplossing. Deze verklappen we hier niet, daarvoor moeten jullie echt het boek zelf lezen.

Boodschap

Naast een spannend jeugdboek bevat ‘Stenen Wachter’ ook zaken waar je even op moet kauwen. Bijvoorbeeld de uitspraak die schildknaap Christoffel deed toen hij Bernardus van Clairvaux citeerde: “In de stilte komt een mens stilaan thuis in zijn hart” (p.232). Daarnaast is het jeugdboek ook bijzonder leerzaam als het gaat om het dagelijkse leven in de middeleeuwen. Koesveld maakt korte metten met de gedachte dat men in de middeleeuwen geloofde dat de aarde plat was. Alhoewel we weten dat dit een mythe is, komt deze gedachte bij sommige atheïsten nog wel eens voor.3 Voor de volledigheid citeer ik Koesveld (p. 128-129):

“Rafaëls geduld is op. ‘Volgens de heer van Coucy staat er iets over de tempelridders in de oude annalen. Weet u dat?’ ‘Natuurlijk, daar heb ik al eens naar gezocht. “Tempelridders klopten in de nacht op de kasteelpoort van Coucy en werden binnengelaten. De volgende nacht vervolgden zij hun reis. Met zwaarbeladen wagens reden ze naar het westen.”’ ‘Het westen is zo ver, het kan overal zijn.’ ‘Juist, het westen gaat over de wereld tot in het oosten.’ ‘Dat snap ik niet.’ De oude monnik beschrijft een cirkel in de lucht. ‘De wereld is rond, als je steeds naar het westen reist kom je in het oosten, toch?’ ‘Wel een raar idee,’ mompelt Rafaël. De wereld rond, het zal best waar zijn. Waar reden de wagens van de tempelridders heen? Dat is veel belangrijker.”

Er wordt door Koesveld ook geciteerd uit Genesis (p. 174). Als monnik Antonie wordt begraven, slaat de abt een kruis en fluistert: ‘Pulvis es et in pulverem reverteris’. Dit wordt door novice Rafaël vertaald als ‘Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren’. In het sluitstuk van het boek wordt nog wat meer historische informatie gegeven. Zeer leerzaam!

Tenslotte

Stenen wachter’ is beslist de moeite van het lezen waard. Koesveld heeft niet alleen spannend geschreven voor tieners, ook volwassenen zullen het verhaal als meeslepend ervaren. De honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk is, voor gewone Nederlander, een relatief onbekend historisch thema. Het is dan mooi dat Koesveld dit nu voor het voetlicht brengt. Het boek is te bestellen via de website van Den Hertog, of bij een lokale (christelijke) boekhandel. Het is altijd goed om de middenstand te ondersteunen.

Voetnoten

‘Frame schreef een toegankelijke en aantrekkelijke systematische theologie’ – Bespreking van ‘Systematic Theology’

John Frame schreef een toegankelijke en aantrekkelijke systematische theologie. Dat vinden anderen blijkbaar ook, gezien de wat curieuze reeks (het zijn er werkelijk tientallen) loftuitingen van anderen die als introductie opgenomen zijn. Het boek is feitelijk een compilatie en samenvatting van de vier eerdere delen die hij schreef in de serie ‘A Theology of Lordship’. ‘Lordship’ is ook in deze studie de rode draad. Gods ‘Heerschappij’ kenmerkt zich volgens Frame door drie aspecten: autoriteit, controle en presentie. Deze attributen vooronderstellen en impliceren elkaar: als God alle dingen onder controle heeft, dan zijn Zijn bevelen gezaghebbend en Zijn tegenwoordigheid onvermijdelijk. Dat brengt Frame op de volgende epistemologische triade in zijn theologie: in elke situatie is er sprake van normen, feiten en subjectiviteit. Dit betekent –aldus Frame- dat er in elke situatie sprake is van een normatief, een situationeel en een existentieel aspect. Deze benadering wordt door Frame vervolgens betrokken op elk aspect van de geloofsleer. Dat levert soms verrassende inzichten op (en is soms vermoeiend). Epistemologie is een specialiteit van Frame en dat betekent dat deze systematische theologie veel aandacht vraagt voor vragen aangaande de kennisleer. Hierbij toont Frame zich een aanhanger van de presupposationalistische school in de traditie van Cornelius van Til. Christelijke kennis is kennis onder gezag; daarom kan de zoektocht naar kennis niet autonoom zijn, maar dient ze onderworpen te zijn aan de Schrift, de ultieme vooronderstelling van alle kennis.

Wie Frame kent, herkent in dit boek zijn geheel eigen stijl. Die kenmerkt zich door weinig interactie met andere theologen en theologische discussies. Dat is een heel bewuste keus, die past bij de traditie van Westminster Theological Seminary en je ook tegenkomt bij zijn leermeester John Murray. In Frames optiek is theologie vooral Bijbelstudie, gericht op de toepassing hiervan op alle terreinen van het leven. Frame is kritisch op benaderingen die primair dogmenhistorisch zijn of al teveel ingaan op contemporaine discussies, terwijl de Schrift een marginale rol speelt. Hij wil vooral luisteren naar de Schrift zelf. De kracht daarvan is dat hij aandacht vraagt voor thema’s die soms weinig voor het voetlicht komen in handboeken voor systematische theologie. Heel bewust begint zijn boek dan ook met het schetsen van de hoofdlijn van het bijbelse verhaal aan de hand van kernwoorden als verbond, koninkrijk en Gods gezin.

De geloofsleer kent de volgende opzet: na de Godsleer volgt de Schriftleer en de kennisleer. Daarna volgt de leer aangaande de geestelijke wereld, de mens, de christologie, de pneumatologie, de ecclesiologie, de leer van de laatste dingen en een afsluitend gedeelte over de ethiek. Het is duidelijk te merken dat de eerstgenoemde drie delen het grootste deel van zijn boek innemen. Feitelijk zijn dit samenvattingen van zijn grotere publicaties over deze themata, aangevuld met een aantal nieuwe hoofdstukken die samen de hele geloofsleer completeren.

Sterk is Frame in zijn behandeling van notoir lastige aspecten uit de geloofsleer, zoals het probleem van het kwaad, Gods soevereiniteit en menselijke vrijheid e.d. Hij toont aan dat een calvinistische benadering van deze vragen sterke antwoorden geeft. Hoewel een calvinist gelooft dat Christus stierf om de zaligheid van de uitverkorenen te garanderen, betekent Zijn dood ook dat allen de mogelijkheid van redding verschaft wordt, zodat ook een calvinist volgens hem het volste recht om tegen mensen te zeggen dat God hen liefheeft – ook als zij uiteindelijk verloren gaan. Regelmatig wordt je getroffen door zijn inzichten (zoals de behandeling van Gods ootmoed in de eigenschappenleer) en zijn praktische advies hoe je in pastorale dilemma’s het Woord van God op de concrete situatie van anderen dient toe te passen.

Sommige thema’s worden wel erg beknopt behandeld (zoals de leer van de laatste dingen). Maar over het algemeen is het een complete geloofsleer die met name studenten en predikanten veel te bieden heeft en zich, juist vanwege de grote aandacht voor de Schriftgegevens, uitstekend leent als achtergrondmateriaal voor Bijbelstudie of preekvoorbereiding (bijv. leerdiensten).

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Theologia Reformata. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2017, John Frame, Systematic Theology, Theologia Reformata 60 (1): 100-101 (Artikel).

‘Cournet overvraagt steeds de wetenschap en constateert dan dat ze aan zijn verwachting niet voldoet’ – Bespreking van ‘Het absurde universum’

Je moet het maar durven: een boek schrijven met vier delen getiteld ‘Onmogelijkheden’, ‘Niets’, ‘Alles’ en ‘Absurdum’. Cournet deed het en met zulke titels trekt hij natuurlijk wel de aandacht. Om de aandacht er bij te houden wordt er wel heel wat van de lezer gevraagd. Het absurde universum gaat namelijk over de meest geavanceerde delen van de natuurwetenschappen en dat is geen eenvoudige kost.

Cournet legt het allemaal uit, maar doet dat voortdurend op een wat badinerende manier, omdat hij wil laten zien hoe verschrikkelijk abstract en ingewikkeld de theorieën in dit domein zijn. Daardoor wordt niet altijd recht gedaan aan de serieuze poging om iets van de ingewikkelde fysische werkelijkheid te begrijpen.

Het boek roept daarom dubbele gevoelens op. Enerzijds slaagt het er goed in om de lezer te overweldigen met de ogenschijnlijk absurde theorieën die in de moderne natuurwetenschappen ontwikkeld worden, anderzijds wordt op deze manier die wetenschap wel erg gemakkelijk weggezet. In zekere zin maakt de auteur wat misbruik van het feit dat hij schrijft voor niet-ingevoerden en die zijn natuurlijk veel makkelijker te overrulen dan de expert. Het is goed om te benadrukken dat de natuurwetenschappen beperkt zijn in hun vermogen om de fysische werkelijkheid te doorgronden. Tegelijk moet je je verwachtingen van de wetenschap afstemmen op die beperkingen en pas dan komt wetenschap tot zijn recht. Cournet overvraagt steeds de wetenschap en constateert dan dat ze aan zijn verwachting niet voldoet. Maar is dat een goede reden om de natuurwetenschappelijke theorieën dan naar het rijk der fabelen te verwijzen? Dat gaat toch wel erg ver. Hoe ingewikkeld de fysische werkelijkheid ook blijkt te zijn, zeker een christen-wetenschapper zal geloven dat ze op de een of andere manier orde vertoont, omdat haar Schepper die orde heeft ingesteld en onderhoudt. Dat die orde minder eenvoudig blijkt te zijn dan we vroeger dachten, mag zo zijn. Dat betekent niet dat we het zoeken naar de ingewikkeldere orde dan maar moeten staken.

Cournet pleit ervoor om het mysterie in de werkelijkheid te omarmen. Dat is helemaal terecht. Wetenschap neemt echter nooit het mysterie weg. Hoe het kan dat die werkelijkheid op zo’n complexe manier toch orde vertoont, is een raadsel dat zich alleen in het geloof in God oplost. Dan leidt natuurwetenschap tot verwondering over een God Die zo’n complexe werkelijkheid schiep dat het ons steeds meer tot verbijstering wekt.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit De Waarheidsvriend. De volledige bronvermelding luidt: Vries, M.J. de, 2024, Boekbesprekingen, De Waarheidsvriend 112 (19): 19.

‘Van den Dikkenberg laat duidelijk zien op welke punten theïstische evolutie in strijd is met de Bijbel’ – Bespreking van ‘De werken van Zijn handen’

Kun je de Bijbel lezen in het licht van de evolutietheorie? Veel christelijke wetenschappers en theologen vandaag de dag doen dat. Maar volgens Bart van den Dikkenberg leidt dat tot grote problemen.

In zijn boek De werken van Zijn handen, een kritisch commentaar op theïstische evolutie pakt Bart van den Dikkenberg, wetenschapsredacteur bij het Reformatorisch Dagblad, de visie bij de kladden dat God de kosmos door middel van evolutie tot stand heeft doen komen (theïstische evolutie).

Overzichtelijk

Van den Dikkenberg begint met het uitleggen van wat wetenschap is en hoe de wetenschappelijke methode werkt. Na deze ʻinleidingʼ gaat de auteur in op allerlei natuurwetenschappelijke en theologische problemen van evolutie in het algemeen en theïstische evolutie in het bijzonder. Op overzichtelijke wijze behandelt hij op chronologische volgorde het naturalistische ontstaansmodel, van de oerknal tot en met het ontstaan en de evolutie van het leven op aarde. Hierbij geeft Van den Dikkenberg allerlei creationistische tegenargumenten, waarvan er een aantal ook al eens in de Weet aan de orde is gekomen. Na een soort ʻintermezzoʼ over de tekst en de aard van de scheppingsverslagen in Genesis, verschuift de focus van wetenschap naar theologie. Hierin komen allerlei theologische problemen met theïstische evolutie naar boven, zoals wat je aan moet met het rusten van God op de zevende dag als de schepping door evolutie nog steeds voortgaat, of wanneer in het evolutieproces de menselijke ziel is ontstaan. De laatste hoofdstukken wijdt Van den Dikkenberg aan de verschillen tussen een theïstisch evolutionistische en een creationistische kijk op de Bijbel, om vervolgens af te sluiten met een hoofdstuk waarin hij een verband legt tussen het accepteren van de evolutietheorie onder gereformeerden en kerkverlating.

Totstandkoming

In het voorwoord maakt Van den Dikkenberg duidelijk dat dit boek is ontstaan omdat er onder andere bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland een behoefte was aan een Bijbels gefundeerd antwoord. Dat zie je ook terug in de bewoording van De werken van Zijn handen: het boek is vooral geschreven voor de reformatorische doelgroep. Voor veel Weet-lezers zal dat geen probleem zijn; voor lezers uit andere richtingen is het mogelijk even wennen. Van den Dikkenberg gebruikt regelmatig moeilijke woorden en vakjargon, wat hij doorgaans wel uitlegt, maar waardoor de tekst voor vooral jeugdige lezers toch over de hoofden heen zal gaan. Gelukkig bevat het boek, naast veel verduidelijkende tabellen en illustraties, ook een uitgebreide verklarende woordenlijst.

Mooie toevoeging

Dit boek is een mooie toevoeging aan je boekenplank. Van den Dikkenberg geeft je een behoorlijk compleet overzicht van de argumenten tegen naturalistische én theïstische evolutie, en laat duidelijk zien op welke punten theïstische evolutie in strijd is met de Bijbel (en welke desastreuze gevolgen dat heeft).

WEET MAGAZINE: NOG GEEN ABONNEE?
Het bovenstaande artikel is overgenomen uit Weet Magazine nummer 86 (zie hiernaast). Weet Magazine is een populair-wetenschappelijk creationistisch tijdschrift waarin ingewikkelde wetenschappelijke onderwerpen eenvoudig worden uitgelegd en op een bijbelgetrouwe manier worden besproken. Daarnaast brengt het tijdschrift bij kennis over creationistische wetenschapsbeoefening. Nog geen abonnee van Weet Magazine? Dat kan natuurlijk niet! Ga snel naar de website van Weet Magazine en sluit vandaag nog een abonnement af!

Dit artikel is met toestemming van de redactie overgenomen uit het Weet Magazine. De bronvermelding luidt: Redactie, 2024, De werken van Zijn handen, Weet Magazine 86: 50.

‘De ontwikkeling van de natuurwetenschappen in Europa kan niet worden begrepen zonder kennis van religie’ – Dr. Henk Hofman recenseert de bundel ‘Inzicht: Wetenschap voor Gods aangezicht’

Op het moment van schrijven loopt er een tentoonstelling in Museum Catharijneconvent met de naam De schepping van de wetenschap. Volgens de website van het museum hebben religie en wetenschap meer gemeen met elkaar dan velen denken. De ontwikkeling van de natuurwetenschappen in Europa kan niet worden begrepen zonder kennis van religie. Het boek Inzicht spoort helemaal met deze opvatting en diept het thema geloof-wetenschap grondig uit.

In het Woord vooraf schrijven de drie redacteuren: “Het christelijk geloof heeft eeuwenlang een positieve rol gespeeld in de ontwikkeling van de wetenschappen. Dat heeft te maken met de orde die door God in de schepping gelegd is. Hij heeft de natuurwetten ingesteld.” Alle auteurs van dit boek onderschrijven het standpunt dat binnen hun vakgebied geloof en wetenschap prima samen kunnen gaan.

Het boek is opgebouwd rondom vier thema’s:

  • Het eerste thema behandelt materiaal over de historiciteit van Bijbelse gegevens, de schepping van de mens en het Bijbelse mensbeeld.
  • Het tweede thema bespreekt de relatie tussen geloof en wetenschap in het verleden. Veel wetenschappers waren in het verleden overtuigde christenen: Blaise Pascal, Isaac Newton, Herman Boerhave, Robert Boyle, Jan Swammerdam, Bernard Nieuwentijt, William Paley. De lijst is lang. Al deze natuurvorsers waren onder de indruk van de harmonie, doelmatigheid en schoonheid van de schepping. De gedachte dat het leven in al zijn veelkleurigheid en veelvormigheid spontaan en bij toeval zou zijn ontstaan wijzen ze als ongeloofwaardig van de hand.
  • Het derde thema gaat in op de verhouding tussen wetenschap en filosofie. Het gaat over vooronderstellingen als uitgangspunt voor onderzoek en de kracht maar ook de beperking van wetenschappelijke kennis.
  • Het vierde thema gaat in op de natuurwetenschappelijke stand van zaken. Natuurconstanten zijn zodanig precies afgesteld dat leven op aarde mogelijk is geworden. Een geringe wijziging in één van die constanten zou menselijk leven al onmogelijk maken. Levende organismen zijn al op het niveau van de eenvoudigste cel ongelooflijk complex en voorzien van digitale informatie die niet evolutionair ontwikkeld kan zijn. De kennis die de mens krijgt door onderzoek van de natuur levert toepassingen op voor technologische ontwikkelingen. Voorbeelden hiervan zijn waterafstotende coatings, honingraatpanelen, klittenband, het ontwerp van vliegtuigvleugels. De mens imiteert als het ware de natuur (biomimetica).

De rode draad in het boek is de opvatting dat wetenschap toetsbaar moet zijn en experimenten herhaalbaar. Daarom kan de wetenschap geen uitspraken doen over het ontstaan van leven. Niemand was erbij toen leven ontstond en niemand kan het in een laboratorium nabootsen. Dat leven spontaan en toevallig kan ontstaan na een Big Bang van een paar miljard jaar geleden is een onbewezen vooronderstelling. De auteurs van dit boek zien overal in de natuur doelgerichte ontwikkeling (in plaats van toevallige), orde en schoonheid. Er is om die reden volgens hen sprake van een ontwerp en dat wijst op het bestaan van God. De bevestiging van hun zienswijze vinden ze terug in de Bijbel.

Dit boek bevat diepgravende bijdragen. De meeste zijn desondanks heel leesbaar. Voor sommige bijdragen geldt dat een bèta-achtergrond een voordeel is. Het boek is vooral bedoeld voor jonge mensen/studenten en voor christenen die geïnteresseerd zijn in dit onderwerp. Daarnaast constateer ik dat Inzicht een waardevolle rol kan spelen in de discussie met wetenschappers die geen christelijke achtergrond hebben. Inzicht baseert zich op gedegen onderzoek en stelt op basis daarvan lastige vragen over wetenschappelijke conclusies die moeilijk houdbaar zijn geworden. Er is geen enkele reden om hautain neer te zien op christelijke wetenschappers. Er is eerder alle reden om kennis te nemen van de resultaten van hun onderzoek en de terechte vragen die in dit boek worden gesteld te pareren. Als christelijke wetenschappers de moeite nemen om zich grondig te verdiepen in het werk van andersdenkenden mag het omgekeerde ook verwacht worden.

Alle auteurs van Inzicht zijn gepromoveerd in hun vakgebied. Het merendeel is verbonden aan een universiteit, een HBO-instelling of een onderzoeksinstelling. Ik wil geen namen noemen om niemand te kort te doen, want alle bijdragen zijn van een hoog niveau.

Wel noem ik graag de naam van de enige niet-academicus in dit gezelschap. Dat is Jan van Meerten, die geen bijdrage schreef, wel redacteur was en tevens de initiatiefnemer is van deze bundel. Als kartrekker heeft hij onvermoeibaar gezwoegd om het werk van twintig auteurs te coördineren. Het resultaat mag er zijn en die lof geldt ook de andere drie redacteuren.

Het boek is uiteraard voorzien van een uitgebreid notenapparaat en een beknopt register, bij sommige hoofdstukken is een verklarende woordenlijst opgenomen, en tot slot zijn van alle auteurs de personalia vermeld. Inmiddels is van dit prima boek al een tweede druk verschenen.

Dit boek is te bestellen via dit bestelformulier. Een overzicht van alle besprekingen van deze bundel is hier te vinden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website Leestafel. Het originele artikel is hier te vinden.

Zijn degenen die vasthouden aan Gods Woord ‘niet meer van deze tijd’? – Bespreking van ‘De werken van Zijn handen’

Regelmatig verschijnen er artikelen en boeken van voor- en tegenstanders van de evolutieleer. Het boek van dr. G. van den Brink (VU, Amsterdam, niet te verwarren met dr. G. van den Brink van de TUA Apeldoorn) met als titel ‘En de aarde bracht voort’, heeft bij verschijnen in 2017 veel teweeggebracht. Kort hierop heeft het Deputaatschap Onderwijs, Opvoeding en Catechese (DOOC) aan dhr. L.C. (Bart) van den Dikkenberg (inmiddels ouderling te Ochten) gevraagd om voor onze jongeren in een brochure de bezwaren tegen theïstische evolutie uiteen te zetten. Hieronder wordt verstaan ‘de visie dat God de schepping heeft voortgebracht via natuurwetten en natuurlijke processen’. Het resultaat van zijn studie – de geraadpleegde literatuur omvat ca. 1000 voornamelijk Engelstalige artikelen en boeken – heeft de brochurevorm ruimschoots overschreden en heeft uiteindelijk geleid tot het huidige boek.

Ongeveer de helft van het boek omvat een zeer gedegen beschrijving van de theorieën en meningen, maar ook de weerleggingen ervan, van een groot aantal wetenschappers uit verschillende disciplines. Naast theologen betreft het biologen, (bio)chemici, filosofen, genetici, natuurkundigen en wiskundigen. Verschillende illustraties heb ik eerder gezien in universitaire studieboeken. Ieder die meer wil weten over bijvoorbeeld de nevelhypothese, de Haeckels-recapitulatietheorie, atavismen, enz. kan hier terecht. Elk hoofdstuk heeft aan het eind een paragraaf ‘Evaluatie’. Ondanks fundamentele kritiek heeft de evolutietheorie zich een belangrijke plaats verworven in de wetenschap en in de maatschappij. Vanuit wetenschappelijk oogpunt is schepping uit niets onvoorstelbaar. Degenen die vasthouden aan Gods Woord worden vaak beschouwd als ‘niet meer van deze tijd’ te zijn. Evolutie wordt als een vaststaand feit gezien.

Het tweede gedeelte van het boek beschrijft hoe een en ander zich verhoudt tot de eerste hoofdstukken van het Bijbelboek Genesis. In dit gedeelte wordt onder andere de visie van Van de Brink weerlegd (zoals beschreven in zijn hierboven genoemde boek). Volgens dr. Van den Brink is aanpassing van de klassieke uitleg van Genesis noodzakelijk. Theïstisch-evolutionistische theologen pogen het conflict tussen de Bijbel en de evolutieleer op te lossen door te claimen dat Genesis 1-3 geen feitelijke historie weergeeft. Velen gaan niet meer uit van de historiciteit van Genesis 1-11.

Ronduit schokkend is te lezen wat dit voor gevolgen heeft. Sommigen zien God als een kosmisch goochelaar. Adam en Eva zijn geen echt historische, maar mythische personen, literaire figuren die de mensheid symboliseren. Anderen zien hen als een oorspronkelijk echtpaar te midden van ongeveer 10.000 mensen die 200.000 jaar geleden ergens in Afrika leefden. De zondeval is niet echt gebeurd, maar is meer een beeldend, mythisch verhaal. De toestand voor de zondeval was allesbehalve perfect. Enzovoorts…

Van den Dikkenberg toont aan dat het in twijfel trekken van Bijbelse waarheden leidt tot kerkverlating en uiteindelijk tot atheïsme. Hij verdient veel waardering voor het resultaat van zijn grondige studie. De ondertitel ‘Een kritisch commentaar op theïstische evolutie’ is geheel waargemaakt. De argumenten waarmee (theïstische) evolutie verdedigd wordt, zijn wetenschappelijk zwak of onjuist. Duidelijk is dat we ons, ondanks de visie van moderne theologen, onverkort kunnen vasthouden aan hetgeen de Bijbel ons leert. Het lezen van dit boek vereist minimaal hbo-niveau. Het lijkt me ook zeer geschikt om door studenten in studiegroepen bestudeerd te worden.

Het boek bevat een verklarende woordenlijst en is voorzien van een aanbeveling door ds. D.E. van de Kieft. We hopen dat de beloofde brochure, waarin de belangrijkste zaken in eenvoudige taal beschreven worden, er spoedig komt.

Dit artikel is met toestemming van de redactie overgenomen uit De Wachter Sions. De volledige bronvermelding luidt: Verboom, W., 2024, Boekbesprekingen, De Wachter Sions 71 (30): 7.

Denken om te dienen – 125 jaar Theologische Universiteit Apeldoorn

In 2019 bestond de Theologische Universiteit te Apeldoorn 125 jaar. Ter gelegenheid van dit jubileum schreef dr. Niels van Driel1 een handzaam boekje over de geschiedenis van deze Christelijke Gereformeerde universiteit, met als titel Denken om te dienen. Hieronder een korte inleiding en een weergave van het debat rond (de historiciteit van) Genesis op deze Apeldoornse universiteit.

Dr. Van Driel wil geen zeer uitgebreide geschiedenis schrijven van de universiteit. “In chronologisch-thematisch geordende flitsen en fragmenten schetst dit boekje een beeld van deze opleiding” (p. 9). De Theologische school voor de Christelijke Gereformeerde Kerken start in 1894. Eerst in Den Haag vijfentwintig jaar later (in 1919) verhuist de school naar Apeldoorn. Vanaf 1928 worden de docenten voortaan hoogleraar genoemd. Vanaf 1953 zijn er voor het eerst in de geschiedenis ook ‘gedoctoreerde hoogleraren’, dr. B.J. Oosterhoff en dr. J. van Genderen, die college geven. “Oosterhoff en Van Genderen, geven samen met hun collega’s een nieuwe impuls aan het wetenschappelijk niveau van het onderwijs” (p. 39). Sinds 1968 mogen ook studenten uit andere kerkgenootschappen studeren in Apeldoorn, tenminste ‘die bereid zijn instemming te betuigen met de drie Formulieren van Enigheid’ (p. 49). Vanaf 1975 is het ook mogelijk om te promoveren in Apeldoorn, ‘de eerste promovendus laat overigens nog vele jaren op zich wachten’ (p. 57). Sinds 1989 heet de hogeschool in Apeldoorn voortaan ‘Theologische Universiteit’. In 1992 promoveert dr. H.G.L. Peels als eerste promovendus van ‘eigen kweek’ op een proefschrift met als titel ‘De wraak van God. De betekenis van de wortel NQM en de functie van NQM-teksten in het kader van de oudtestamentische Godsopenbaring’.2 Sindsdien zijn er tientallen3 geleerden gepromoveerd aan de Theologische Universiteit Apeldoorn (de TUA). Dr. Van Driel stelde een kort, bondig en lezenswaardig boekje samen over 125 jaar Theologische Universiteit Apeldoorn.

(De historiciteit van) Genesis

Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de (toen nog) Hogeschool, verscheen de bundel Woord en Kerk. In de bundel volgen de Apeldoornse hoogleraren ‘de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken kritisch en verontrust’ (p. 47). Dr. J.P. Versteeg schrijft voor de bundel een artikel over de historische Adam contra dr. Harry Kuitert. De bundel krijgt lovende recensies en die zorgen er voor dat de bundel twee keer wordt herdrukt. De bijdrage van dr. Versteeg is in 2012 ook in het Engels vertaald.4

Als het gaat om (de historiciteit) van Genesis en de Theologische Universiteit Apeldoorn is de geschiedenis van prof. dr. B.J. Oosterhof bekend. Oosterhoff gaf eind jaren zestig zijn mening over het lezen van de paradijsgeschiedenis. De kerken willen graag nadere toelichting van deze uitleg, ‘maar zien er óók tegenop’. In 1972 verschijnt zijn boek Hoe lezen wij Genesis 2 en 3? In dit boek geeft Oosterhoff aan dat ‘deze hoofdstukken historische feiten zijn weergegeven in profetisch-symbolische taal’. Kritiek komt van verontruste synodaal-gereformeerden en vooral van gereformeerd-vrijgemaakten. Ook in eigen kerken blijft de kritiek niet uit. “Die komen in de vorm van bezwaarschriften op de agenda van het curatorium. Ze leveren heel wat gespreksstof op. Op zijn Genesis-uitleg laat de hoogleraar zich niet vangen. Moeilijker heeft hij het waar hij zijdelings de dogmatiek raakt: hoe kijkt hij nu precies tegen de toerekening van Adams schuld aan? De curatoren concluderen dat Oosterhoff niet in strijd met de belijdenis komt, maar er zijn er onder hen die meen dat de belijdenis wel ‘iets meer’ zegt dan hij” (p. 55). Een afgevaardigde van de synode van 1974 stelt, in reactie op de commotie rond Hoe lezen wij Genesis 2 en 3, voor om toezicht uit te oefenen op de publicaties. Dit wordt ontraden. “Zij willen op dit punt wel aanspreekbaar zijn, maar dit betekent niet dat het curatorium als ‘een soort censuur-commissie’ moet gaan werken. De synode steunt hen in deze taakopvatting. Later nemen de curatoren wel degelijk een toezichthoudende rol in” (p. 53).

Hoe zit het met het verdedigen van de historiciteit van Genesis aan de Theologische Universiteit Apeldoorn anno 2020? Sinds het verschijnen van het boekje Denken om te dienen hebben twee van de vier hoogleraren en een twee docenten meegewerkt aan de bundel En God zag dat het goed was. Alle aan de TUA verbonden scribenten in deze bundel geven aan geen problemen te hebben met de evolutietheorie en stellen een andere lezing van Genesis voor of verdedigen een boedelscheiding (zo lijkt het tenminste) tussen geloof en wetenschap. Het ‘evolutie om het even’-antwoord in de Gewone Catechismus zorgde ook voor verontrusting binnen de achterban van de universiteit. Het laatste woord is over deze twee publicaties (terecht) nog niet gezegd. We hopen dat de universiteit zich wil (blijven) inzetten voor een verdediging van de historiciteit van Genesis (en van heel de Schrift), want Genesis is óók geschiedenis.

Dit artikel werd in 2020 geschreven.

Voetnoten