Honderd jaar na de synode van Assen blijft de kwestie rond de sprekende slang verrassend actueel. In 1926 werd dr. J.G. Geelkerken afgezet omdat hij vragen stelde bij de letterlijke betekenis van Genesis 2 en 3. Was dat een achterhaalde discussie, of staat er meer op het spel? Hans Reinders maakt duidelijk waarom deze strijd nog altijd doorwerkt in de kerken van vandaag.

Honderd jaar geleden, in maart 1926, werd de synode van de Gereformeerde Kerken in Assen bijeengeroepen. De reden was dat dr. Johannes Gerardus Geelkerken, predikant in Amsterdam, op 23 maart 1924 een preek had gehouden over zondag 3. In die preek stelde hij kritische vragen bij de sprekende slang.
Een gemeentelid, H. Marinus (1889-1947), klaagde hem aan, maar de kerkenraad deed de zaak in de doofpot. Toch smeulde het vuurtje door en kwam het bij de classis Amsterdam terecht. Die nam het wel in behandeling. Geelkerken werd ter verantwoording geroepen.
Geelkerken weigerde aanvankelijk om onderzoek te laten doen naar zijn visie, maar schreef in juni 1925 wel een brochure: Vragen mij voorgelegd door de classis Amsterdam der Gereformeerde Kerken, en mijn antwoord daarop. In die brochure gaf hij zijn visie op de sprekende slang te kennen. De brochure werd landelijk bekend en zo ging het balletje rollen. Uiteindelijk werd Geelkerken in maart 1926 op de synode in Assen afgezet.
De kritiek op Assen 1926
Er is destijds en vooral later veel kritiek gekomen op de synode van Assen. De reden was dat professor dr. Jan Ridderbos Geelkerken stevig aan de tand voelde. Hij vroeg om een eenduidig antwoord. Ridderbos zei: “Een boom is een boom en een slang is een slang. Dat is duidelijk. Zegt u maar: ja of neen!”
De geleerde Geelkerken kon daar geen antwoord op geven. Ds. J.J. Buskes noemde deze Schriftopvatting van Jan Ridderbos in zijn brochure Hoera voor het leven destijds “naïef-realistisch”.
Het zat bij Buskes vast op het woord “naïef”. Was deze visie niet te kinderlijk? Staan de zaken in Genesis 2 en 3 er zo eenvoudig voor? Er zijn namelijk nogal wat vragen bij te stellen, meende hij. Ik noem er drie. Vervolgens geef ik Bijbelse antwoorden op deze vragen. Tot slot kijken we hoe actueel Assen 1926 in 2026 nog is.
Drie vragen bij Genesis 2 en 3
Allereerst lezen we in Genesis 2:7 dat de HEERE God de mens boetseerde uit het stof van de aarde en dat Hij zijn adem in de neusgaten blies. Was dit geen beeldspraak? Boetseerde de HEERE God de mens echt? Blies de HEERE God echt Zijn adem in de neusgaten van de mens? En als dit beeldspraak is, hoe zit het dan met de levensboom, de boom van de kennis van goed en kwaad en met de slang?
Ten tweede is er bij de omliggende volken in hun mythen sprake van mythologische slangen. Heeft Israël dat niet eenvoudig overgenomen in Genesis 2 en 3? Ten derde wordt in het Nieuwe Testament, in Openbaring 12:9, de satan de oude slang genoemd. Was de slang dan niet gewoon de satan zelf die sprak in de hof?
Bijbelse antwoorden op deze vragen
Deze drie vragen zijn begrijpelijk, maar er zijn Bijbelse antwoorden op te geven.
Als we kijken naar de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad in Genesis 2:9, blijkt dat zij gewoon deel uitmaken van allerlei bomen op de aardbodem. Die bomen waren ook begerenswaardig om te zien. De levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad waren dus geen andere bomen dan alle andere bomen op de aardbodem. Die bomen waren reëel. Daarom waren ook de boom van de kennis van goed en kwaad en de levensboom reëel.
Van de slang lezen we dat die het slimste dier was van alle dieren van het veld. De dieren van het veld waren reële dieren. Dus ook de slang was reëel.
Inderdaad wordt de HEERE God in Genesis 2:7 in beeldspraak beschreven. Hij wordt mensvormig beschreven, maar dat komt veel vaker in de Bijbel voor. Zo lezen we in Jona 1:4: “Maar de HEERE wierp een hevige wind op zee.” Dat is uiteraard beeldspraak. Maar dit kan toch geen criterium zijn om heel het boek Jona als beeldspraak te lezen? Jezus duidt het boek Jona immers aan als echte geschiedschrijving (Mattheüs 12:40-41).
De slang en de mythen van de volken
Dat de slang bij de volken mythologische trekken krijgt, komt omdat zij Genesis 2 en 3 hebben verbasterd. Zie hiervoor De Satan van dr. A. de Bondt, p. 10. De volken stamden weliswaar af van Adam en zijn vrouw, maar zij zijn weggelopen uit Gods ware openbaring. Zij hebben het overgeleverde geschiedverhaal uit Genesis 2 en 3 vervormd naar eigen goeddunken.
Het lezen van de Bijbel vanuit de mythologische visie van de volken op de slang is daarom de omgekeerde wereld. Niet de volken beïnvloedden de Bijbel, maar de Bijbel heeft de volken beïnvloed. Zij hebben die geschiedverhalen verbasterd. Teruglezen is dus geen goed idee. Dan raakt Gods zuivere openbaring vervuild en verbasterd.
De slang en de satan
Dat de slang in Openbaring 12:9 de oude slang wordt genoemd en dus de satan is, is juist. In Johannes 8:44 zegt Jezus tegen de Joden: “U bent uit uw vader de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af.”
Jezus tekent satan dus als de mensenmoordenaar van het begin. Doordat Adam en zijn vrouw luisterden naar de satan, moesten Adam en zijn vrouw en hun nageslacht sterven. Maar volgens Genesis 3 werden Adam en zijn vrouw verleid door een reële slang. Is dat volgens de schrijvers van het Nieuwe Testament dan anders?
Heel eenvoudig. Allereerst bevestigt het Nieuwe Testament dat Eva verleid is door een reële slang. Zo schrijft Paulus in 2 Korinthe 11:3: “Maar ik vrees dat, zoals de slang met zijn sluwheid Eva verleid heeft, zo ook misschien uw gedachten bedorven worden.”
Ten tweede werkt de satan bijna altijd middellijk. Zo lezen we van Judas in Johannes 13:26-27: “En toen Hij het stuk brood ingedoopt had, gaf Hij het aan Judas Iskariot, de zoon van Simon. En met het nemen van het stuk brood voer de satan in hem.” Sindsdien handelde Judas overeenkomstig de satan en waren zij als het ware twee handen op één buik.
Dit gebeurde ook in het paradijs. Achter de slang bevond zich de satan. Daarom wordt hij in Openbaring 12:9 de oude slang genoemd en door Paulus in 2 Korinthe 11:3 tegelijk als de reële slang aangeduid.
Satan werkt bijna altijd verhullend. Soms gaat hij zelfs rond als een engel van het licht. Dan werkt hij eveneens middellijk. We lezen in 2 Korinthe 11:13-14: “Want zulke lieden zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.” De satan werkte dus volgens Paulus door deze valse apostelen.
Waarom Assen 1926 nog steeds actueel is
De synode van Assen betrok dus terecht de wacht bij de Schrift. De slang is zowel een reële slang (2 Korinthe 11:3) als de oude slang, de satan (Openbaring 12:9). Geelkerken knabbelde echter aan de historiciteit van Genesis 2 en 3. Maar daar bleef het helaas niet bij. Zeven jaar na de dood van Geelkerken, die in 1960 stierf, werd zijn visie in 1967 gerehabiliteerd.
Met name jongeren gingen er anders over denken. Docenten aan de Vrije Universiteit, zoals de hoogleraar biologie Jan Lever, hebben daar krachtig aan meegewerkt. Later doken er zelfs meerdere ‘Geelkerkens’ op. Op ethisch vlak Harry Kuitert, op dogmatisch vlak Herman Wiersinga en op nieuwtestamentisch vlak Cees den Heyer.
Toen braken alle gezaghebbende dijken door en stroomden de Gereformeerde Kerken leeg. Lege preken, lege banken. Maar de situatie is nu nog veel erger. Want gaat het er in andere kerken niet net zo aan toe?
Ook in andere kerken kwam de discussie over de historiciteit van Genesis terug. In de Christelijke Gereformeerde Kerken ontstond aan het einde van de twintigste eeuw debat rond publicaties van diverse theologen over de uitleg van Genesis 2 en 3. Daarbij stonden vragen centraal over de verhouding tussen Schriftgezag, beeldspraak en historische werkelijkheid.
Critici menen dat in deze discussies dezelfde vragen terugkeerden als in de tijd van Geelkerken. Anderen vinden juist dat hiermee geprobeerd werd de Bijbel serieus te nemen in gesprek met nieuwe wetenschappelijke en exegetische inzichten. Feit is dat deze vragen de kerken tot op vandaag blijven bezighouden.
Een gebed voor de kerk
Ten slotte dit. Het voorgaande zou ons gemakkelijk moedeloos kunnen maken. Daarom eindig ik met het nederige gebed uit antwoord 123 van de Heidelbergse Catechismus. Laat dit het gebed van ons allen zijn: “Uw Koninkrijk kome.”
Dat betekent: regeer ons zó door Uw Woord en Geest, dat wij onszelf steeds meer aan U onderwerpen. Zorg voor Uw kerk en breid haar uit. Belemmer het werk van de duivel en elke macht die tegen U in opstand komt. Verhinder ook alle slechte plannen of dwaalleer die tegen Uw Woord ingaan. Totdat de tijd komt waarin Uw Koninkrijk volmaakt is en Uw gezag over alles en iedereen zal zijn.
Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.
[…] jaar strijd om de sprekende slang: beeldspraak of werkelijkheid? Wie niet ingelogd is, kan het hier lezen. Zoals de titel al zegt, worden beeldspraak en werkelijkheid tegenover elkaar gezet. Een […]