Home » Gastbijdrage » Tussen openbaring en rede – De blijvende erfenis van Thomas van Aquino

Tussen openbaring en rede – De blijvende erfenis van Thomas van Aquino

Vorig jaar was het achthonderd jaar geleden dat de beroemde middeleeuwse theoloog en kerkleraar Thomas van Aquino werd geboren. In de eeuwen na zijn dood is zijn werk een blijvende bron van debat en inspiratie gebleven onder theologen. Maar wie was Thomas van Aquino eigenlijk?

In 1225, mogelijk al in 1224, werd hij geboren in een kasteel in het Italiaanse plaatsje Roccasecca, in het graafschap Aquino, ergens tussen Rome en Napels. Zijn ouders, Landulf en Theodora, voedden hem op in het katholieke geloof en hoopten dat hij zich zou aansluiten bij de gerenommeerde kloosterorde van de benedictijnen.

Dominicaan

Geen wonder dat Thomas, als hij 5 jaar oud is, al naar de abdij van Monte Cassino wordt gestuurd. Rond zijn 20e levensjaar sluit hij zich echter, zeer tegen de zin van zijn ouders en familie, aan bij de orde van de dominicanen of predikheren, gesticht door Dominicus Guzman. Deze bedelorde richtte zich, naast een gemeenschappelijk leven in armoede, vooral op studie en prediking.

Na zijn studie in Napels in de zogeheten zeven vrije kunsten, een soort propedeuse voor de theologiestudie, bezoekt Thomas de kloosterschool van de dominicanen in Keulen. Vanwege zijn zwijgzaamheid werd hij daar ‘de stomme os’ genoemd.

Augustinus en Plato

In de dertiende eeuw, waarin Thomas leefde, schudde de Katholieke Kerk op haar grondvesten. Tot ongeveer 1200 was het denken van kerkvader Augustinus, aangevuld met ideeën van de Griekse filosoof Plato, richtinggevend voor de theologie. Centraal stonden daarin thema’s als het leven als pelgrimage, de nadruk op het bovenaardse en het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel. Het aardse leven was dus van ondergeschikt belang – de blik was vooral gericht op het eeuwige.

Aristoteles

In de dertiende eeuw bloeide de wetenschap op. Door de kruistochten kwam het Westen in contact met Joodse en Arabische geleerden en ontdekte men de geschriften van de Griekse filosoof Aristoteles, de leerling van Plato. Die werken waren intussen in het Arabisch vertaald en uitgebreid becommentarieerd door islamitische denkers als Averroës, Avicenna, Avicebron en Al-Farabi. Via de kruisvaarders vonden de boeken uiteindelijk hun weg naar Italië, waar ze al snel in het Latijn werden vertaald. Zo verloren Augustinus en Plato hun leidende positie, en nam Aristoteles het over. Zijn denken bood namelijk een unieke brug tussen geloof en rede. Wie beide met elkaar in harmonie wilde brengen, kon niet om Aristoteles heen.

Parijs

De invloed van Aristoteles nam een enorme vlucht toen zijn denken gezag kreeg aan de belangrijkste universiteit van die tijd: de Sorbonne in Parijs. Dankzij pauselijke steun wist Thomas, ondanks de tegenwerking die hij als lid van een bedelorde ondervond, toch een leerstoel te bemachtigen aan deze seculiere universiteit. Daar werd hij benoemd tot magister (hoogleraar) met als opdracht de Heilige Schrift te onderwijzen en te verklaren.

Thomas nam volop deel aan de beweging om het denken van Aristoteles te integreren in de theologie. Zijn doel was om de waarheden die hij bij Aristoteles vond te verzoenen met de Bijbel, en zo te komen tot een wetenschappelijke en verstandelijke doordenking van het christelijk geloof. De logica en redeneerstijl van Aristoteles achtte hij daar bijzonder geschikt voor. Waar de leer van Aristoteles echter botste met de Bijbel, gaf Thomas Gods openbaring altijd voorrang. Anders dan tijdgenoot en filosoof Siger van Brabant, die uitging van een dubbele waarheid, hield Thomas vast aan één waarheid waarin geloof en rede elkaar konden aanvullen. Aristoteles bleef voor hem vooral gezaghebbend op het terrein van de rede, niet op dat van het geloof. Vanuit die overtuiging schreef hij uitvoerige commentaren op de werken van Aristoteles.

Spanningen

De introductie van deze werken in de Parijse universiteit leidde echter tot grote spanningen, omdat veel van het aristotelische gedachtegoed op gespannen voet stond met het christelijk geloof. Het gevolg was dat in 1210 het onderwijs in de metafysica van Aristoteles verboden werd. Paus Gregorius IX zwakte dit verbod later weer af, waardoor vanaf 1240 de werken van Aristoteles weer werden gepromoot en in 1255 zelfs verplichte lesstof werden. Het gevolg was een ingewikkelde theologie: de scholastiek.

Bonaventura

Het is niet verwonderlijk dat de aanhangers van het augustinisme zich tegen deze ontwikkeling keerden. De bekendste tegenstander van Thomas was zijn collega-hoogleraar Bonaventura. Ook hij was afkomstig uit Italië en behoorde tot de andere grote bedelorde van die tijd: de franciscanen, oftewel de minderbroeders.

Bonaventura ging fel in tegen wat hij beschouwde als de aristotelische nieuwlichters. Hij wijdde er zelfs een heel boek aan: Collationes in Hexaëmeron (Het Zesdaags Werk). Daarin rekende hij af met wat hij noemde “het aristotelische water in de augustijnse wijn”, een omkering van het wonder te Kana. Thomas dacht daar heel anders over en stelde: wie filosofische inzichten gebruikt binnen de gehoorzaamheid aan het christelijk geloof, doet geen water bij de wijn, maar verandert juist water ín wijn.

Het gevolg van dit alles was dat Étienne Tempier, de bisschop van Parijs, in 1270 het aristotelisme veroordeelde. Hij kwam met een lijst van 219 ketterse stellingen, waaronder de ontkenning door Aristoteles van de wederopstanding van het lichaam en dat het geluk in dit aardse leven gevonden moet worden.

Theologie

Al deze ontwikkelingen drukten hun stempel op Thomas’ theologie. Volgens hem beschikte de mens vóór de zondeval zowel over natuurlijke als bovennatuurlijke genade. Daardoor konden we niet alleen de wereld om ons heen begrijpen, maar ook God kennen. Na de zondeval raakten we de bovennatuurlijke genade kwijt, maar de natuurlijke bleef behouden. Dat betekende dat de mens puur door zintuiglijke waarneming, zonder de verlichting van de Heilige Geest, tot betrouwbare kennis kan komen op het gebied van natuurwetenschappen en filosofie. Thomas ging zelfs zo ver dat hij met behulp van de rede alleen probeerde te bewijzen dat God bestaat. De bovennatuurlijke genade kon de mens volgens hem echter slechts opnieuw ontvangen via de sacramenten, binnen de kerk.

Werken

De Summa Theologiae wordt algemeen beschouwd als Thomas’ belangrijkste werk, zijn grootse overzicht van de gehele theologie. Daarnaast schreef hij tal van andere werken, waaronder de Summa contra Gentiles, een geloofsverantwoording tegenover niet-christenen, Preken over de Geloofsbelijdenis (van Nicea, HL), Over de waarheid, Over het zijnde en het wezen en Over de wet. Thomas was een echte workaholic: in een van zijn gebeden bad hij eens: “Moge ik mijn genoegen vinden in het werken voor U.”

Mystieke ervaring

Op 6 december 1273m tijdens de viering van de eucharistie, kreeg Thomas een bijzondere mystieke ervaring. Hij had iets zo bijzonders van de Heere te zien gekregen, dat hij tegen zijn secretaris, die hem aanspoorde om zijn onafgewerkte werken te voltooien, zei: “Ik kan niet meer. Alles wat ik geschreven heb, lijkt mij stro in vergelijking met wat ik heb gezien.”

Daardoor zijn meerdere werken van Thomas onvoltooid gebleven. In zijn commentaar op Johannes 21:25 schreef hij: “Een oneindig aantal menselijke woorden kan niet het éne Woord van God bereiken. Indien de wereld honderdduizend jaar zou blijven bestaan, zou geen van de boeken die over Jezus geschreven konden worden volmaakt uitdrukking geven aan wat Hij gezegd en gedaan heeft.”

Concilie van Lyon

Eind januari of begin februari 1274 vertrok Thomas naar Lyon om deel te nemen aan het concilie dat paus Gregorius X had bijeengeroepen, met als doel verzoening te brengen tussen de Oosterse en de Westerse kerk. Onderweg, rijdend op een ezel, stootte hij vermoedelijk zijn hoofd tegen een overhangende tak, wat leidde tot een hersenbloeding. Na een korte periode van verzorging bij zijn nicht op het kasteel van Maenza overleed hij op 7 maart 1274 in de cisterciënzerabdij van Fossanova. Zijn stoffelijke resten rusten tegenwoordig in de Jacobijnenkerk in Toulouse.

Invloed

Helaas droeg de invloed van Aristoteles’ denken binnen de laatmiddeleeuwse kerk bij aan een zekere verwereldlijking. Een treffend symbool daarvan is te zien in Rafaëls beroemde fresco ‘De school van Athene’. Plato wijst in dat fresco met zijn hand omhoog naar het hogere, eeuwige werkelijkheid, terwijl Aristoteles met zijn uitgestrekte arm de aandacht richt op de wereld hier beneden, op wat tastbaar en voorhanden is.

Het is dan ook niet vreemd dat Luther, die Thomas “een kletskous in het kwadraat” noemde, in zijn tijd terugkeerde naar de theologie van Augustinus. In zijn 97 stellingen van september 1517 keerde de hervormer zich fel tegen de invloed van de scholastiek en de logica binnen de theologie. Hij schreef daarin dat “de duivel de Bijbel van ons wegnam en ons de vervloekte aristotelische verzinsels gaf”.  Voor Luther was dit de “theologie van de gloria” in plaats van de “theologie van het kruis”. Hij twijfelde daarom zelfs aan het eeuwig heil van Thomas.

Calvijn was minder scherp in zijn oordeel, maar liet in zijn Institutie wel weten dat hij zich niet wenste bezig te houden met Aristoteles en zijn haarkloverij.

Na Luther

Theologen als Beza, Zanchius, Vermigli, Ramus, Voetius, Comrie en anderen maakten, ondanks Luthers waarschuwing, later volop gebruik van de scholastieke methode, inclusie Aristoteles. De negentiende-eeuwse theoloog Allard Pierson beweerde zelfs: “Het protestantisme heeft nog geen dogmaticus voortgebracht die in de schaduw kan staan van de grote leraar der Dominikanerorde, Thomas Aquinas.” Dat is wel erg veel eer voor iemand die zijn eigen werk uiteindelijk als stro beschouwde. Karl Barth zag het een eeuw later scherper: volgens hem had Thomas de God van de Schrift ingeruild voor de Onbewogen Beweger van Aristoteles. Een rake observatie – en waarschuwing die blijft staan.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit De Waarheidsvriend. De volledige bronvermelding luidt: Liefting, H., 2025, Tussen openbaring en rede. De blijvende erfenis van Thomas van Aquino, De Waarheidsvriend 113 (46): 8-10 (artikel).