Home » Kerkgeschiedenis

Categoriearchief: Kerkgeschiedenis

Predikanten uit de Gereformeerde Gemeente en onze vroegste geschiedenis (3) – Ds. C. Hegeman, De schat in de akker

De Schat in de akker’.1 Deze titel heeft het derde nummer in de Eskol Reeks meegekregen. Het is een preek van wijlen ds. C. Hegeman (1914-1981). De preek heeft als kerntekst Mattheüs 13:44.2 Hieronder kijken we vooral naar wat de predikant te zeggen heeft over onze vroegste geschiedenis van schepping, zondeval, zondvloed en spraakverwarring.

De (gevolgen van de) zondeval

In deze preek wordt van de bovengenoemde gebeurtenissen alleen de (gevolgen van de) zondeval beschreven. Ds. C. Hegeman geeft aan de we verloren liggen in onze ellendestaat. “De mens is vrijwillig en moedwillig van God afgevallen en de duivel toegevallen. En wij gáán niet verloren, maar wij liggen verloren in onze diepe val. Maar wij zien het niet en wij geloven het niet. Daar is een Godswonder nodig om dat te zien (…) Daar is een Godswonder voor nodig om te zien wat de mens geworden is in de diepe val. Maar de mens ligt daar verloren en hij is maar bezig op de aarde (…).3 Krachtens onze diepe val en deze ellendestaat zal een mens ‘nooit naar God vragen en naar de Heere zoeken. Maar de Heere moet uit vrije genade een mens aanslaan. Dat is een soeverein Godswerk. Dat moet een mens geschonken worden’.4In onze diepe van in Adams bondsbreuk zijn we alles kwijt. Maar de Heere heeft daar een Schat gesteld, een volkomen en een uitgewerkte zaligheid. Er is een weg der verlossing.5 We moeten volgens de predikant ‘afgesneden zijn van de oude Adam en in Christus ingelijfd zijn van Gods zijde’.6

Mozes

In orthodoxe kring wordt Mozes gezien als de auteur van de eerste vijf bijbelboeken. Net als de Evangeliën noemt ds. C. Hegeman dit ‘Mozes’. Hij noemt in deze preek de wet ‘Mozes’.7

Conclusie

De (gevolgen van de) zondeval neemt in de theologie van ds. C. Hegeman een belangrijke plaats in. De predikant wijst in de preek over de schat in de akker op het afgesneden worden van Adam en ingelijfd worden in Christus.

Voetnoten

Predikanten, theologen en andere christenen uit de 18e eeuw en onze vroegste geschiedenis (2) – Dr. Robert Traill (1793-1847), De troon der genade

De troon der genade’. In de serie ‘Bibliotheek Overjarig Koren‘ verscheen in 1988 een preek van de Ierse geestelijke dr. Robert Traill.1 Hieronder bestuderen we de preek op wat deze predikant zegt over onze vroegste geschiedenis. We doen dat in de chronologische volgorde zoals we die ook weergegeven vinden in Genesis 1-11.2

Licht van de natuur

Dr. Traill spreekt over Gods oordelen die over christenen en heidenen (ongelovigen) gaan. Hij wijst erop dat ook de heidenen kennis van God hebben door ‘het flauwe licht der natuur’. Traill op bladzijde 12: ‘Als de Heere deze oordelen over de heidenen brengt vanwege het misbruik van het flauwe licht der natuur, hoe veel te zwaarder en groter moeten de oordelen dan niet zijn voor het misbruik van het licht des Evangelies?3 Heidenen hebben dus het flauwe licht der natuur en dat kunnen ze misbruiken. Wat dit ‘licht der natuur’ inhoudt en hoe ze dat kunnen misbruiken wordt in deze preek niet uitgelegd.

Abel

Dr. Traill verwijst in de preek ook naar Hebreeën 12:24. In deze tekst wordt verwezen naar Abel uit Genesis 4.4 Hij stierf doordat zijn broer Kaïn hem doodsloeg. Wat de betekenis in deze tekst van het noemen van Abel is, wordt in deze preek door Traill niet duidelijk gemaakt.

Conclusie

Heidenen kunnen God kennen door het ‘flauwe licht der natuur’ en een tekst over Abel wordt aangehaald. Helaas blijft het bij een stelling en het citeren van de Abel-tekst en wordt dit in deze preek door Traill niet verder uitgewerkt.

Voetnoten

Slaven als zendingsterrein – Hoe de kerk sprak over mensenhandel

Ook christenen bedreven mensonterende slavernij. Tegelijk waren er die het wrede optreden veroordeelden. Toch wordt er vaak afkeurend geschreven over het racisme dat uit de vermeende christelijke superioriteit zou voortkomen. Ook voormannen van de Nadere Reformatie als Hoornbeeck en Voetius moeten het ontgelden. Terecht?

Slavernij in Brazilië. Geschilderd door Johann Moritz Rugendas in 1830. Bron: Wikipedia.

Er komt een groot onderzoek naar de rol van de kerken bij slavenhandel. Daarin staat de vraag centraal wat tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de visie van de Gereformeerde Kerk op slavernij was. De Protestantse Kerk in Nederland levert een bijdrage aan dit onderzoek. Zo’n onderzoek kan geen kwaad. We kunnen ons niet meer indenken wat de mensenhandel, het transport over zee in volgepropte schepen, het uit elkaar halen van gezinnen, de barbaarse straffen en de zware werkomstandigheden voor de slachtoffers betekenden.

Die mensonterende handel werd bedreven door christenen. Tegelijk waren er ook die dat wrede optreden afwezen en veroordeelden. Ondanks die afwijzing wordt er vaak afkeurend geschreven over de zogenoemde christelijke superioriteit waaruit racisme voortkwam. Dat is ook het geval in de onlangs verschenen bundel Slavernij en de stad Utrecht. Over de Utrechtse hoogleraren Voetius en Hoornbeeck wordt daarin op een kritische manier geschreven. Terecht?

Geestelijk welzijn

De Zierikzeese predikant Udemans (1581/1582-1649) schreef in zijn boek ‘t Geestelyck Roer van ‘t Coopmans schip dat hij de lichamelijke slavernij beschouwde als één van de gevolgen van de zondeval, waardoor elk mens slaaf van de zonde is geworden. Udemans schreef genuanceerd over slavernij. Eén van zijn stellingen was dat christenen geen medechristenen tot slaaf mochten maken of als slaaf verkopen. Bij heidenen en Turken – met de laatste bedoelde hij moslims – lag dat voor hem anders. Die mochten als slaaf gebruikt worden wanneer ze in een rechtvaardige oorlog gevangen waren genomen of door fatsoenlijke meesters verkocht waren.

Niet dat de eigenaars dan met hen konden doen wat ze wilden. Integendeel: ze waren verplicht om hen te behandelen volgens de voorschriften van de Bijbel, ‘in alle redelijkheid en vriendelijkheid’. De eigenaars moesten zorg dragen voor hun geestelijke welzijn, voor het heil van hun zielen. Als slaven slecht behandeld werden, hadden ze volgens Udemans het recht om weg te lopen. Mensen die deze gevluchten zagen, mochten hen niet naar hun meester terugbrengen.

Bijbelse waarden

Een vergelijkbare opvatting vind je bij Hoornbeeck, hoogleraar in Utrecht en later in Leiden. Ook hij keurde slavernij niet per definitie af. Als werkgevers niet op een ‘gewone’ manier aan werkkrachten konden komen, was het kopen van een slaaf volgens hem geoorloofd. Maar de eigenaar was wel verplicht om goed voor zijn slaven te zorgen. Het was hem bovendien verboden om zijn slaven aan ongelovigen te verkopen. Dat zou tegengesteld zijn aan het belangrijke doel en de opdracht van christenen om hun medemensen met het Evangelie in aanraking te brengen. Hoornbeeck was er een tegenstander van om slaven op zondag te laten werken. Dat zou in strijd zijn met het sabbatsgebod. En gehuwde slaven mochten niet afzonderlijk verkocht worden. Dat was onmenselijk.

In zijn boek over de bekering van heidenen schreef Hoornbeeck met verontwaardiging over de hardvochtige manier waarop rooms-katholieke Spanjaarden in Zuid-Amerika met de inheemse bevolking omgingen. Hij citeert in één van zijn boeken een indianenhoofdman, die een Spaanse perfect ontmoet. De hoofdman vraagt de Spanjaard wat hij komt doen. De Spanjaard antwoordt dat hij christen is, een kind van de Schepper van hemel en aarde en dat hij komt om deze gebieden de kennis van de Goddelijke wet te brengen. De hoofdman antwoordt dan: ‘Als uw God opdracht geeft om door landen van anderen te trekken en die te beroven, te verwoesten en de mensen daarin te doden, dan is het voor ons niet mogelijk in Hem of Zijn wet te geloven’. Hoornbeeck concludeerde dat het afkeurenswaardige gedrag van blanken de christelijke godsdienst verdacht maakte.

Zending

Theologen in de zeventiende en achttiende eeuw zagen dat slavernij mogelijkheden bood om mensen in contact te brengen met het Evangelie. Evenals de rooms-katholieken, die zich inspanden om hun leer te verbreiden onder de volken die zij overheersten, bedreven de protestanten zending. Bekering van zondaren was hun hoogste doel. Dat is de reden waarom Hoornbeeck zo’n uitvoerig boek schreef over zending. De titel van dit in het Latijn geschreven boek luidt: De conversione Indorum et gentilium: Over de bekering van Indiërs en heidenen.

Evangelie

Deze overtuigingen passen niet in het denken van veel 21e-eeuwse mensen, maar de mens van de zeventiende eeuw was een religieus denkend mens. In de Bijbel neemt naastenliefde een grote plaats in. Daarom schreven en spraken predikanten regelmatig in afkeurende zin over slavernij. De Middelburgse predikant Smytegelt noemde in zijn catechismusverklaring over het achtste gebod slavernij onomwonden ‘mensendiefstal’. Hij ging in dit opzicht verder dan Udemans en Hoornbeeck.

De mensen van die tijd beseften daarnaast dat de Bijbelse boodschap van zonde en genade niet alleen goed was voor mensen die trouw naar de kerk gingen, maar ook voor heidenen die nog nooit van God en Zijn gebod gehoord hadden. Ook voor hen was bekering tot God nodig. Vanuit het postmoderne denken, waarbij men ervan uitgaat dat iedereen zijn eigen waarheid heeft, is dat onbegrijpelijk. Dan komt men tot waardeoordelen, zoals in het boek Slavernij en de stad Utrecht. Daarin wordt slavernij en kolonialisme als instrumenten gezien ‘om die superieure calvinistische beschaving te verspreiden’.

Wie kennis neemt van de geschriften van predikanten die over de zending schreven, komt tot andere conclusies. Daarin kun je lezen dat ze aandrongen op een menselijke omgang met medemensen, dus ook met slaven. Evangelieverkondiging aan hen kan een middel zijn om hen te brengen van het grootste kwaad tot het hoogste goed.

Dit artikel is met toestemming uit de GezinsGids. De volledige bronvermelding luidt: Fieret, W., 2022, Slaven als zendingsterrein. Hoe de kerk sprak over mensenhandel, GezinsGids 74 (17): 46-49.

Proefschrift over Franciscus Ridderus (1620-1683) en het debat over onze vroegste geschiedenis

27 november 2008 was een heugelijke dag voor dr. Gijsbert Schaap. Om drie uur in de middag verdedigde hij aan de Theologische Universiteit Apeldoorn zijn proefschrift over Franciscus Ridderus (1620-1683).1 De theoloog deed onderzoek naar de theologie en de bronnen van deze zeventiende eeuwse geleerde en onderzocht ook zijn plaats binnen de Nadere Reformatie.2 Hieronder willen we het proefschrift bestuderen op Schriftgezag en onze vroegste geschiedenis.3

Franciscus Ridderus (1620-1683)

Wie was Franciscus Ridderus (1620-1683)? We weten niet precies wanneer en waar Franciscus Ridderus is geboren. Vermoedelijk in de maand januari 1620 in Leiden of Middelharnis. Over de jonge jaren van Ridderus weten we niet veel, wel werd hij ingeschreven als student filosofie aan de universiteit te Leiden. Op 22 oktober 1642 rondde hij zijn studie af met een verdediging van een aantal stellingen. Er is discussie over de vraag of hij gepromoveerd is of niet. Wel ontving Ridderus een eredoctoraat van de Universiteit Utrecht voor zijn wetenschappelijke werk. Hij werd predikant in de gereformeerde kerk en in 1643 beroepbaar. Van 1644 tot 1648 diende hij de gemeente van Schermerhorn. Op 19 januari 1649 werd hij verbonden aan de kerkelijke gemeente Brielle. Op 30 april 1656 preekte hij afscheid in Brielle vanwege zijn vertrek naar Rotterdam. Ridderus is tot aan zijn dood in Rotterdam gebleven. Ridderus is drie keer getrouwd geweest. Op 3 februari 1649 trouwde hij te Delft met Sara van der Mast (1620-1649). Acht maanden later verloor hij zijn vrouw. Hij hertrouwde te Brielle met Alida van Ophoven (?-±1656).Op 2 december 1659 trouwde Ridderus voor de derde maal, dit keer te Rotterdam met Anna Jansdr. van Loo (?-1710). Zij was eerder getrouwd geweest met Hendricus Goeree, predikant te Botersloot. Franciscus kreeg met die laatste vrouw drie kinderen: Anna, Johannes (die op achttienjarige leeftijd overleed) en Jacobus (die al in de kinderjaren overleden is). Franciscus overleed op 11 januari 1683.

De Bijbel en Schriftgezag

Dr. Schaap weet op bladzijde 15 te vermelden dat Franciscus Ridderus ‘altijd bijbelteksten citeert in de Statenvertaling en hoogst zelden van de uitleg van de kanttekeningen afwijkt‘.4

Ingeschapen Godskennis

In het hoofdstuk over ‘De gemeenschap met Christus‘ beschrijft dr. Schaap christelijke deugden en plichten zoals die te vinden zijn bij Ridderus. Volgens Ridderus hadden heidenvolken ook deugden. Deze deugden hebben ze uit de natuur en niet uit de genade van God. “Veel heidenen stonden in religieus en ethisch opzicht zeer hoog. Dat is, volgens Ridderus, een gevolg van het feit dat van het beeld van God in de mens nog enkele overblijfselen aanwezig zijn. Zo is het mogelijk dat onder veel volkeren dingen gezegd en gedaan zijn die verwant zijn aan het christendom, terwijl die volken nog nooit het evangelie gehoord hadden..”5 Wie zijn die heidenenvolken? Dr. Schaap legt het uit in voetnoot 34: “Ridderus bedoelt met heidenen de volken die uit Noachs drie zonen voortgekomen zijn en tot afgoderij vervallen zijn. Ze waren zonder rechte kennis van God en dus ook zonder de ware religie en hadden slechts een natuurreligie en ‘dwaze’ inzettingen van hun voorouders.” Schaap noemt het echter een raadsel hoe het mogelijk is dat deze volkeren, zoals we hierboven zien, in religieus en ethisch opzicht bijna even hoog stonden als de christenen. Schaap: “Ridderus vermoedt dat ze behalve uit de schepping, ook lering hebben weten te trekken uit hun kennis en zo hun wetten en ‘Zedenkonst’ hebben ontwikkeld. (…) Ridderus laat de mogelijkheid open dat enige tradities van de ware religie door Noach en zijn zonen aan de nakomelingen zijn overgeleverd, zodat ze onder hun nazaten nog bekend zijn. Ook is het niet onmogelijk dat verstrooide Joden weetgierige heidenen op de hoogte hebben gebracht of dat nu en dan predikanten [Leeraren] onder hen geweest zijn en hen met de ware religie hebben bekendgemaakt.” Als bron voor het bovenstaande gebruikt dr. Schaap ‘De Beschaemde Christen’ en dan het voorwoord ‘Onderrichtinge Aen den Leser‘.

Ook de hartstochten zijn de mens ingeschapen. Ridderus spreekt dan over affecten, verlangens en emoties waarbij ook de wil betrokken is. Door de zonde zijn dit verdorven lusten geworden, maar in de wedergeboorte worden de hartstochten vernieuwd.6

Winterlandschap met ijsvermaak. Geschilderd door Hendrick Avercamp, ‘de Stomme van Kampen’, rond 1608. Bron: Wikipedia.

‘Kleine IJstijd’

Bij de bespreking van staatkundige en maatschappelijke ontwikkelingen in de tijd waarin Ridderus leefde noemt dr. Schaap ook de ‘kleine ijstijd’. Volgens de theoloog was deze tijd niet alleen de Gouden eeuw, maar ook een koude eeuw. “Deze eeuw viel midden in de “Kleine ijstijd” (ca. 1430-ca. 1860). Bekend is dat overstromingen en zware stormen het land teisterden. De winters waren streng, vergezeld van veel sneeuw, en duurden tot in maart. In het midden van deze eeuw waren de winters nog relatief zacht te noemen, daarbuiten waren ze extremer. Dat betekent dat het binnenlandse scheepvaartverkeer stil lag. Velen leden onder de koude, hadden gebrek aan brandstoffen en voedsel.7 Schaap beschrijft ook andere rampen zoals pestuitbraken in steden en in dorpen. De levensverwachting, die in onze ogen al lager was, lag in dergelijke tijden nog lager. Volgens Schaap was het onder andere de slechte hygiëne die een rol speelde bij de verspreiding van ziekten.8

‘Noort-sterre’

Voor Ridderus zijn God en Zijn beloften het voorwerp van de hoop. De zeventiende eeuwse geleerde gebruikt hiervoor in het boek ‘Trappen en hinderpalen‘ een beeld uit de sterrenkunde. “Onze ziel is als de naald van het kompas die niet stilstaat dan wanneer ze de ‘Noort-sterre’ heeft gevonden.” In voetnoot 90 legt dr. Schaap uit dat dit beeld ontleend is aan de zeevaartkunde: “Men gebruikte het kompas om zich te oriënteren op het noorden, met name op de noordster.9 Door Ridderus wordt deze ster toegepast op God: “De gelovigen zoeken in hun grote benauwdheid hun rustpunt door naar de hemel te zien waar God is, zoals de trillende naald van het kompas op het noorden ziet“.10

Polaris of de poolster. Bron: Wikipedia.

Voetnoten

Creationisme officiële leer van Rooms-Katholieke Kerk

De laatste drie pausen hebben zich positief uitgelaten over de evolutietheorie. Toch is de Rooms-Katholieke Kerk officieel het creationisme toegedaan en dat zal zo blijven, stelt prof. dr. Benno Zuiddam.

Heeft paus Franciscus heimelijk afgerekend met het Bijbelse scheppingsverhaal? Is er een nieuwe officiële leer van de kerk die Genesis beziet door de bril van de evolutietheorie? Hoewel het artikel ”Herschreven schepping” (RD 25-9-2017) een andere indruk kan wekken, is het korte antwoord op deze vragen: nee.

Theïstisch evolutionisme of creationisme in de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad? Bron: Pixabay.

Er is regelmatig verwarring over de scheppingsleer van de Rooms-Katholieke Kerk. De media helpen daaraan mee. Zodra de paus iets zegt wat progressief lijkt, wordt het opgeblazen. Toen Franciscus in 2014 zei dat de big bang en evolutie prima samengaan met het Bijbelse scheppingsverhaal, leverde dat allerlei sensationele krantenkoppen op. De paus zou in het kamp van de evolutionisten zijn geland. Toch zei de paus niets anders dan zijn twee voorgangers al eerder hadden gedaan. Eigenlijk paste wat Franciscus inhoudelijk zei niet bij evolutie maar bij intelligent design. Daarover bleven de media echter stil. Men gebruikt deze paus graag voor de eigen agenda.

Nu is het inderdaad zo dat de laatste drie pausen uitspraken hebben gedaan die neigen naar het theïstisch evolutionisme. In een lezing in 1996 sprak Johannes Paulus II positieve woorden over evolutie als wetenschappelijk feit. Wat de media toen verzwegen, was dat de paus het over kosmologische evolutie had (natuurwetenschappelijke ontwikkeling van het universum). Over evolutie in biologische zin was Johannes Paulus II uiterst terughoudend en vooral kritisch. Zijn opvolger Benedictus XVI was gewoonlijk zeer diplomatiek in zijn taalgebruik en benadrukte dat evolutie een hypothese is die zijn functie vooral heeft als pragmatische theorie voor toetsbare verschijnselen.

Deze verschuiving in het persoonlijk spreken van de laatste drie hoofdbewoners van het Vaticaan heeft mede te maken met de druk van uit hun omgeving. Met name de jezuïetenorde, die grotendeels het rooms-katholieke onderwijs beheerst, speelt hierin een grote rol. Uit hun gelederen kwam Georges Lemaître, de briljante Belgische uitvinder van de big bang. Ook Pierre Teilhard de Chardin, die met zijn synthese van het christelijk geloof en de evolutietheorie veel invloed had, was jezuïet.

Verder is het voor buitenstaanders belangrijk om te beseffen dat in de Rooms-Katholieke Kerk een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen de persoonlijke mening van een paus en officiële uitspraken die hij doet als vertegenwoordiger van Christus, het magisterium. Historisch en dogmatisch gesproken is het magisterium van de Roomse Kerk het creationisme toegedaan.

De meest gedetailleerde leeruitspraak dateert van ruim honderd jaar geleden (1909). Toen sprak de Pauselijke Bijbelcommissie zich uit over de eerste hoofdstukken van Genesis. Samen met relevante gedeelten uit de encycliek Humani Generis vormt dit de laatste gezaghebbende leeruitspraak van de kerk over de evolutietheorie en Genesis. Elke rooms-katholiek die dit openlijk betwijfelt, belaadt zich krachtens een pauselijke ex-cathedra-uitspraak uit 1907 met ”culpa gravi”, ofwel doodzonde.

“Belangrijk is dat de Pauselijke Bijbelcommissie vaststelde dat de kerkvaders nagenoeg unaniem zijn in hun letterlijke interpretatie van Genesis 1-3 als een historisch gebeuren. Allen geloofden in een jonge aarde.” Bron: Pixabay.

Jonge aarde

In navolging van de apostelen, kerkvaders en concilies leert de Rooms-Katholieke Kerk dat de eerste drie hoofdstukken van Genesis een letterlijke en historische betekenis hebben. Specifiek moet elke katholiek aanvaarden als geschiedenis: de onmiddellijke schepping van de mens, de schepping van Eva uit Adam en het letterlijk gebeuren van de zondeval, de rol van de slang ingesloten. Exegeten zijn echter vrij in hun interpretatie van het woord ”dag” in Genesis. Zowel de eigenlijke (sensu proprio) als oneigenlijke betekenis (sensu improprio) is toelaatbaar, mits aan de eerder genoemde voorwaarden voldaan is.

Belangrijk is dat de Pauselijke Bijbelcommissie vaststelde dat de kerkvaders nagenoeg unaniem zijn in hun letterlijke interpretatie van Genesis 1-3 als een historisch gebeuren. Allen geloofden in een jonge aarde. Deze lijn werd voortgezet door het vierde Lateraans Concilie. De grootste geleerde van de middeleeuwen, Thomas van Aquino, leerde specifiek sensu proprio.

Deze opvatting bleef algemeen in de Rooms-Katholieke Kerk tot in de twintigste eeuw. Toen begonnen prominente wetenschappers, zoals De Chardin, mythologie in de Bijbelwetenschappen en darwinisme elders te promoten. Toch bleven de uitspraken van de Bijbelcommissie de officiële leer van de kerk. Dat bleek in 1948, toen de Franse kardinaal Suhard probeerde om de pauselijke uitspraken over Genesis te laten intrekken. Daarvan wilde het Vaticaan geenszins weten.

“Toch bleven de uitspraken van de Bijbelcommissie de officiële leer van de kerk. Dat bleek in 1948, toen de Franse kardinaal Suhard probeerde om de pauselijke uitspraken over Genesis te laten intrekken. Daarvan wilde het Vaticaan geenszins weten.” Bron: Pixabay.

Voorzichtig

De persoonlijke uitspraken van de laatste drie pausen ten gunste van theïstisch evolutionisme geven de indruk dat zij inderdaad niet langer volledig de uitspraken van de Bijbelcommissie geloven. Een goede paus maakt echter onderscheid tussen dat waar hij persoonlijk geloof aan hecht en dat wat de doorgaande en gezaghebbende leer van de apostolische kerk is. De oude leer wordt niet openlijk ontkend –welke paus wil zich trouwens schuldig maken aan doodzonde?– en men hoedt zich ervoor om niet aan voorbijgaande wetenschappelijke theorieën de status van feit of dogma te geven.

Daar zijn goede redenen voor. Als evolutie Gods scheppingsmechanisme was, dan was er voor de erfzonde geen plaats meer. Wie theïstisch evolutiegeloof aanhangt en consequent wil zijn, moet uiteindelijk zijn godsbeeld bijstellen. De god van het theïstisch evolutionisme voltrekt zijn schepping langs de weg van een eindeloze hel van lijden, dood en verderf, waaruit uiteindelijk na biljoenen jaren de mens opstaat. Op zijn best stopt God zielen in ellendige humanoïden die een kansloos begin moeten maken in een wereld die reeds lang onderworpen was aan een kosmische vloek. Dat staat theologisch mijlenver af van Genesis en de liefdevolle Vader, Die sprak dat het zeer goed was.

Het is niet te verwachten dat de officiële rooms-katholieke scheppingsleer wordt herzien. De kerk heeft daar behalve goede theologische argumenten ook kerkrechtelijke redenen voor. De scheppingsleer is niet alleen gekoppeld aan het gezag van de Schrift en de unanimiteit van de kerkvaders, maar ook aan de uitspraken van meerdere concilies en het magisterium van de kerk.

Inderdaad, creationisme is soms roomser dan de paus.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2017, Creationisme officiële leer van Rooms-Katholieke Kerk, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 47 (156): 6-7 (artikel).

‘De Kerk van alle tijden’ – Het eerste deel van de kerkgeschiedenis van dr. L. Praamsma en onze vroegste geschiedenis

Rond 1980 verscheen bij ‘Uitgeverij T. Wever’ de vierdelige kerkgeschiedenis van dr. L. Praamsma. Dr. Louis Praamsma werd geboren in 1910 en promoveerde in 1945 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam op een proefschrift met als titel ‘Abraham Kuyper als kerkhistoricus‘. Hij was van 1936-1958 predikant van de Gereformeerde Kerken in Nederland en vertrok daarna naar Canada om te dienen in, de toen wat rechtzinnigere, Christian Reformed Church. Later werd hij hoogleraar aan het Calvin College te Grand Rapids. Hij overleed in 1984 op 74-jarige leeftijd. We bestuderen zijn omvangrijke kerkgeschiedenis op het thema ‘geloof en wetenschap’, met daaraan verbonden Schriftgezag en Schriftuitleg inzake onze vroegste geschiedenis.

Het interieur van de Cunerakerk te Rhenen. Geschilderd door Bartholomeus van Bassen in 1638. Olieverf op paneel. Het schilderij hangt in de National Gallery te Londen. Bron: Wikipedia.

Voorzichtig

Praamsma geeft in de inleiding aan dat hij uiterst voorzichtig te werk wil gaan. Enerzijds niet al te gemakkelijk oordelend (Matth. 7:1), anderzijds de geesten beproevend of ze uit God zijn (1 Joh. 4:1). Met andere woorden, moeten we elke keer weer keuzes maken. De geleerde wijst erop dat er geen neutrale geschiedeniswetenschap bestaat, ‘er heeft nog nooit een neutrale beoefening van wetenschap der kerkgeschiedenis bestaan: altijd werd en wordt ze beïnvloed door de ‘geest van de tijd’.1 In de 16e en 17e eeuw droeg de kerkgeschiedenis een polemisch karakter. In de 18e eeuw was men deze strijd moe en werd de kerkgeschiedenis pragmatischer van aard. In de 19e eeuw kwam achtereenvolgens en/of gelijktijdig het romantisch, idealistisch en evolutionair denken op. De evolutietheorie werd eerst op de geschiedenis van Israël toegepast, maar later ook op de kerkgeschiedenis. In de 20e eeuw komt n.a.v. de secularisatie de seculaire kerkgeschiedenisopvatting op.2 Kerkgeschiedenis is voor Praamsma niet zomaar geschiedenis. Nee het gaat volgens de geleerde over Gods bijzondere zorg voor Zijn volk en alle schepselen (zoals vogels en lelies3). Een fundamenteel thema onder de kerkgeschiedenis is Christus als Hoofd van de kerk. Dit is een geloofsuitspraak. Het geloofs-apriori van het beoefenen van kerkgeschiedenis. Het beoefenen van kerkgeschiedenis is geen neutrale bezigheid. Praamsma: “Wanneer de kerkhistoricus zich niet in merg en been aan het Woord verbonden weet, schrijft hij als een blinde over kleuren.”4

De volheid des tijds

Praamsma begint zijn kerkgeschiedenis met de komst van Christus. Hij spreekt de Catechismus na die erover spreekt dat ‘de Zoon van God Zich een gemeente vergadert vanaf het begin der wereld tot aan het einde‘.5 De gewijde geschiedenis noch de kerkgeschiedenis is te vatten ‘in de vormen van een door geleerde ontworpen evolutie-proces‘.6 Praamsma verwijst hierbij naar Romeinen 11: 33-34. De kerkhistoricus wijst erop dat zogenoemde 20e eeuwse progressieve christenen ‘glimlachen als ze van de maagdelijke geboorte en andere ‘mythische elementen’ van de Schrift spreken‘. De schrijver noemt dit een ‘ontstellend religieus vacuüm gepaard gaande aan een diepgaande scepsis‘.7 Dit gold ook voor het denkklimaat van de Griekse en Romeinse wijsgeren. De grote bloeitijd van de Griekse wijsbegeerte was tijdens Jezus omwandeling op aarde voorbij, en er werd veel geredetwist om detailzaken. Hoe dat ervaren werd blijkt wel uit het citaat van Lucianus op bladzijde 17:

“Verworven levensinzicht had mij overtuigd van het absurde en laag-bij-de-grondse, waarvan alle wereldse idealen doortrokken zijn. Onder de indruk hiervan dacht ik het beste te handelen door de waarheid te zoeken bij de filosofen. Ik zocht de meest prominente uit – althans te oordelen naar de ernst van hun voorkomen, de bleekheid van hun gelaatskleur en de lengte van hun baard. Ik plaatste mijzelf geheel in hun handen. Ik moest eerst een geldsom betalen, en later meer wanneer mijn opvoeding in de school der wijsheid voltooid zou zijn; ik zou onderwijs ontvangen in de ordening van het heelal. Ongelukkigerwijze slaagden zij er niet in mijn vroegere onwetendheid weg te nemen, maar brachten ze mij meer en meer in de war met hun dagelijkse stortbuien van woorden aangaande eerste en laatste dingen, atomen en ledige ruimten, dingen van inhoud en vorm. Mijn grootste moeilijkheid was dat, ofschoon ieder zijn eigen mening had en al wat ze zeiden wemelde van tegenstrijdigheden, ieder verwachtte dat ik hem geloven zou en me van de juistheid van zijn mening trachtte te overtuigen. Zo’n wijsgeer kon me dikwijls niet precies vertellen hoevel mijlen het was van Megara naar Athene, maar hij toonde niet de minste aarzeling in het bepalen van de afstand van de zon naar de maan.”

Volgens de kerkhistoricus bevinden we ons in deze tijd ook in een dergelijk vacuüm ‘zowel in religieuze als wijsgerige zin‘. We komen ook nog een derde voorbeeld tegen in deze tijd: de morele decadentie.

Wordt vervolgd.

Voetnoten

Alexander Comrie (1706-1774) en zijn proefschrift ‘De moralitatis fundamento et natura virtutis’

De theoloog Alexander Comrie, predikant te Woubrugge, studeerde in Groningen en in Leiden. Hij was een Schot van geboorte (1706), die op ongeveer 20-jarige leeftijd naar Nederland kwam. Na kort op een handelskantoor gewerkt te hebben, ging hij in Groningen theologie studeren om predikant te worden. In 1733 vertrok hij naar Leiden en volgde daar onder andere de colleges van de internationaal befaamde Willem Jacob ‘s Gravesande, die de denkbeelden van Newton in Nederland introduceerde. In 1717 begon de voormalige jurist ‘s Gravesande zijn loopbaan als hoogleraar astronomie en wiskunde, waar hij vele studenten uit binnen- en buitenland inleidde in de nieuwe experimentele natuurwetenschap in Newtoniaanse geest. Niet alleen de wiskunde en de natuurwetenschappen hadden zijn belangstelling, maar ook de ethica en de metafysica. Hij werd dan ook op 12 juli 1734 benoemd tot hoogleraar in de “gehele filosofie”. Mogelijk heeft de faam van ‘s Gravesande bij Comrie de doorslag gegeven om bij hem in de filosofie te promoveren. Dat gebeurde op 5 oktober 1734 op een dissertatie De moralitatis fundamento et natura virtutis (Over het fundament van de moraal en de natuur van de deugd). In 1735 werd Comrie bevestigd tot predikant in Woubrugge, waar hij in 1773 met emeritaat ging. Hij vertrok naar Gouda en overleed er eind 1774.

De eigenlijke tekst van Comrie’s proefschrift beslaat 17 bladzijden. Daarna volgen er, naast een lofdicht, onder het kopje Annexa, 25 stellingen over diverse filosofische onderwerpen. De stellingen 15-23 zijn gewijd aan de natuurwetenschappen. In stelling 20 komen we de naam van Newton tegen en stelling 15 verwoordt de eerste “regula philosophandi” uit Newtons Philosophiae naturalis principia mathematica. Voorafgaand aan de tekst van Comrie’s proefschrift vinden we de opdracht aan zijn weldoeners en aan de “wijd vermaarde, zeer kundige en scherpzinnige” ‘s Gravesande, zijn “allervoortreffelijkste promotor”, gevolgd door een stoet Leidse en Groningse hoogleraren. De tekst van de dissertatie bestaat uit de capita “De Moralitatis Fundamento” (p.1-9) en “De Natura Virtutis” (p.9-17). Elk hoofdstuk is onderverdeeld in twee secties (resp. pag.1-5, 5-9, 9-15, 15-17). Elke sectie bestaat uit een serie vrij korte paragrafen. Een groot aantal namen van filosofen uit de Oudheid en van eigentijdse wijsgeren passeren de revue. Opvallend is de afwezigheid van Middeleeuwse denkers.

In hoofdstuk I stelt Comrie dat hij eerst wil laten zien dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen goed en kwaad. Hij bestrijdt oude en moderne filosofen (van Plato tot Hobbes) die deugd en ondeugd koppelen aan veranderlijke wetten en regels waarin door mensen is vastgelegd wat al dan niet moreel aanvaardbaar is. Ruime aandacht krijgt de opvatting van Descartes dat goed en kwaad, orde of wet niet in de natuur gefundeerd zijn, maar uitsluitend van Gods wil afhangen. Comrie waardeert het in de Franse filosoof dat hij de moraal niet aan menselijke wetten maar aan God bindt, maar diens theologisch voluntarisme wijst hij af. Als goed en kwaad van Gods wil afhangen, zou God buiten het bestaan van de wereld om geen voorkeur hebben voor wat moreel goed is boven wat moreel verwerpelijk is. Je kunt niet alles tot Gods wil herleiden. Ook Descartes zelf herleidt immers het bestaan van God niet tot Zijn wil om te bestaan. God heeft niets willen scheppen zonder er wezenlijke eigenschappen aan te geven. De essenties van de dingen zijn dan ook eeuwig en onveranderlijk.

In hoofdstuk II definieert Comrie de deugd als het streven van een redelijk wezen om zo te handelen dat hij niet tegen ware uitspraken ingaat, die het wezen van een ding en het morele karakter van de in het ding vervatte betrekkingen uitdrukken. Liefde dient altijd de drijfveer van ons moreel handelen te zijn en dat handelen dient dan ook beoordeeld te worden naar de intentie van degene die handelt. Wanneer niet tot moreel handelen wordt overgegaan, terwijl dat wel vereist wordt, is er is sprake van zonde. Het goede en het ware zijn voor Comrie in feite synoniem. Hij levert kritiek op filosofen die deugd definiëren als betamelijkheid of als liefde tot het juiste inzicht (Geulincx). Wie met Plato de deugd omschrijft als dat wat met God overeenkomt, zal middelen moeten aanreiken om die overeenstemming te realiseren. In de laatste paragraaf ontmoeten we de theoloog-in-spe: Het komt er uiteindelijk op aan dat we in al onze levensuitingen God eren. Hem vragen we ons krachten te verlenen om te volharden in de beoefening van de deugd.

Kerkvaders kozen partij voor de dieren

Zijn dood en verderf in de dierenwereld Gods scheppingsmethode geweest of zijn ze zijn een rechtstreeks gevolg van de zondeval van de mens? Het theïstische evolutionisme van tegenwoordig gaat uit van het eerste, vooraanstaande theologen in de Vroege Kerk geloofden het laatste: ook het dierenrijk zal in de nieuwe hemel en aarde in zijn oorspronkelijke staat van vrede worden hersteld. De kerk van tegenwoordig is hierover opvallend stil.

De scheppingsleer was in de Vroege Kerk bepalend voor de manier waarop de eerste christenen tegen hun wereld aankeken, hoe ze God zagen en wat ze van Hem verwachtten voor de toekomst. Dood, kanker en verdrukking door machtigen en rijken waren volgens hen negatieve zaken, rechtstreekse gevolgen van de zondeval. De vroegste kerkvaders zouden daarom nooit geloofd hebben in de Jezus van het theïstisch evolutionisme, die schiep door miljoenen jaren van vreselijke ellende. Met Darwin zouden zij mogelijk grif de realiteit van natuurlijke selectie in haar huidige vorm om ons heen erkend hebben. Ze zouden deze zaken echter als vloek hebben bestempeld. Dat doet trouwens elk mens. Niemand is blij met ziekte, dood of keiharde competitie met concurrenten. Misschien heeft dat te maken met een natuurlijk aanvoelingsvermogen van de mens die toch naar Gods beeld geschapen is, in de zin van de Romeinenbrief.

Als theologen zich in duizend bochten moeten wringen om zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat het proces van evolutie –een fabriek van de dood die tot op heden ‘vrolijk’ door blijft draaien– toch gekarakteriseerd kan worden als een zeer goede schepping, dan getuigt dat meer van zelfhypnose dan van realiteitszin. Ook Darwin geloofde terecht niet dat de huidige schepping goed is. De vroegste kerkvaders konden daarmee ook niet uit de voeten. Met Darwin en vele anderen vandaag de dag, geven ze hun portie liever ‘aan Fikkie’ dan dat ze hun korte leven op aarde zouden wijden aan een onmachtige, wreedaardige god die een slechte schepping ”goed” noemt.

De kerkvaders Irenaeus van Lyon (ca. 180) en Theophilus van Antiochië (ca. 168) geloven dat het begin van de wereld alles te maken heeft met de christelijke toekomstverwachting. Ze zijn ervan overtuigd dat de paradijselijke staat van de dierenwereld door de zonde van Adam en Eva verloren is gegaan. Het lijden en sterven van dieren maakt geen deel uit van Gods goede schepping; dat komt in de wereld wanneer het hoofd van de schepping valt. De mens sleurt in zijn val alles mee wat zich onder zijn gezag bevindt. Beide kerkvaders verwachten dat dierenleed op de nieuwe aarde tot het verleden zal gaan behoren.

Boosdoener

De mens is in hun ogen de boosdoener. De kerk in de tijd na de apostelen windt geen doekjes om en wijst de mens aan als oorzaak van het lijden in de dierenwereld. Tegenwoordig is de kerk hierover opvallend stil. Maar een theoloog als Irenaeus laat er geen enkel misverstand over bestaan. Hij stelt dat dieren oorspronkelijk geen vlees aten. Dieren zoals de leeuw, die nu als carnivoren door het leven gaan, waren volgens hem vegetarisch geschapen.

In zijn boeken ”Tegen de ketterij” beschrijft Irenaeus dat Christus een einde gaat maken aan het dierenleed. Hij zal de oorspronkelijke goede en harmonieuze schepping herstellen. De kerkvader baseert zich daarvoor op de profetieën van Jesaja (11:6-9, 65:25).

„Ik weet dat sommigen deze teksten metaforisch laten verwijzen naar woeste mensen uit allerlei volken en achtergronden die tot geloof komen; en die vervolgens in harmonie met de rechtvaardigen leven. Hoewel dat nu plaatvindt met mensen uit allerlei naties die tot de ene leer van het geloof toetreden, zal dat niettemin in de opstanding van de rechtvaardigen gebeuren met deze dieren zelf, zoals we gezegd hebben. Want God is rijk in alle dingen. Wanneer de wereld hersteld is in zijn oorspronkelijke staat moeten alle dieren gehoorzaam en onderdanig zijn aan de mens en terugkeren naar het oorspronkelijke voedsel dat God hun gaf (Genesis 1:29 en 30; 9:3, BZ); precies zoals ze voor de ongehoorzaamheid onderdanig waren aan Adam en plantaardig voedsel aten” (Adversus Haereses 5.33).

De kerkvader beschrijft ook dat de vijandschap tussen hedendaagse carnivoren en hun prooi tot het verleden zal behoren. Een klein, weerloos jongetje zal veilig zijn tussen grote stieren en leeuwen; ze zullen zelfs doen wat hij zegt. Hoewel Irenaeus aangeeft over dingen te spreken die vanuit onze gevallen werkelijkheid moeilijk te peilen zijn, geeft hij wel aan dat het stro van de nieuwe aarde zo voedzaam zal zijn dat een leeuw er meer dan genoeg aan heeft. Irenaeus is in de tweede eeuw geen buitenbeentje met zijn scheppingsleer en eschatologie. Zijn collega-bisschop Theophilus van Antiochië denkt er hetzelfde over. Beiden zijn vooraanstaande theologen, maar ze wonen ver uit elkaar. Dat laat wel zien hoe wijd verspreid deze gedachtegang is. Uit vroege bronnen weten we dat Theophilus opziener wordt in de gemeente van Antiochië rond 168, in het achtste jaar van de regering van Marcus Aurelius. De tijd van de apostelen is voor hem net zo dichtbij als voor ons de Tweede Wereldoorlog.

Giftig

Theophilus zegt dat dieren niet slecht of giftig door God waren gemaakt. „Het woord voor wilde dieren (in het Grieks, BZ) komt doordat erop gejaagd wordt; niet dat ze in den beginne slecht of giftig zijn gemaakt, want God heeft niets slechts gemaakt, maar alle dingen goed, ja zeer goed. Het is echter de zonde van de mens die het kwade over hen heeft gebracht. Daarom, wanneer de mens zal zijn teruggekeerd tot zijn oorspronkelijke staat, en niet langer kwaad doet, dan zullen ook deze (de dieren, BZ) hersteld worden tot hun oorspronkelijke zachtaardigheid” (Ad Autolycum 2.17).

De hoofdlijn is dezelfde als bij Irenaeus: met de val van de mens valt het dierenrijk. Het ontaardt en komt terecht te midden van dood, verderf, ziekte en overleving van de sterkste. De goede schepping maakt plaats voor de vloek van natuurlijke selectie. Het is de zonde van de mens die deze vloek over de aarde heeft gebracht. Theophilus gelooft dat met de verlossing van de mens in de volheid des tijds ook de negatieve gevolgen van de zondeval voor de dierenwereld ongedaan zullen worden gemaakt.

Juist omdat de vroege christenen Gods boodschap over een goede schepping geloven, kunnen ze Hem vertrouwen voor het heden en de toekomst. Ze geloven dat Hij aan de kant staat van hen die het slachtoffer van ”natuurlijke selectie” geworden zijn: armen, weduwen en wezen. De zachtmoedigen en nederigen van geest zullen Gods zegen en de aarde beërven, niet de macht van het geld en brute kracht.

Katholiciteit

Kan de christenheid nog aanspraak maken op de katholiciteit en apostoliciteit als die zich meer laat leiden door geld, opinies van mensen en getallen dan door het Evangelie? Natuurlijke selectie heerst volop; helaas ook in de kerk. Kijk maar eens hoe het al jaren toegaat in het beroepingswerk.

Onze enige hoop is gelegen in de Heere van Zijn kerk. Hij is eschatologisch de God van armen en verdrukten, de Opener van ogen, Genezer van zieken. Hij is machtiger dan de brute evolutionistische krachten van dood en ziekte. Dat geloofden de vroege kerkvaders. De kerk van onze tijd zou er beter uitzien als de christenen in hun voetspoor zouden gaan.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2013, Kerkvaders kozen partij voor de dieren, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 43 (201): 2-3 (artikel).

Voor kerkvaders is Genesis betrouwbare informatiebron

De Vroege Kerk was van mening dat de Bijbel betrouwbare feiten bevat over de schepping, de zondeval, het verlossingswerk van Christus en het toekomstige herstel van al het geschapene, betoogt prof. dr. Benno A. Zuiddam.

Als christenen van het eerste uur stonden de kerkvaders relatief dicht bij de tijd van de apostelen. Voor velen van hen was de apostolische tijd net zo lang geleden als voor ons het optreden van Abraham Kuyper en de Eerste Wereldoorlog. Hun opa’s hadden het nog meegemaakt.

Het spreken van God in de Schriften was voor hen gezaghebbend en allesbepalend. Dat gaven ze ook aan anderen door. Dit blijkt bij allemaal en overal. Of je nu Irenaeus in Frankrijk, Clemens in Egypte, Theophilus in Syrië of Hippolytus in Rome leest, je ontdekt dat Gods openbaring voor hen gezaghebbende informatie bevatte. Niet slechts voor geloof en geestelijke theorieën, maar evenzeer voor feitelijke kennis.

De Bijbel was er voor theologie en wetenschap, voor geloof en filosofie. God was er en Hij sprak echt. De kerkvader Theophilus zegt van de menselijke auteurs van de Bijbel: „Maar deze mannen van God waren van God geleerd, heilig en rechtvaardig, aangezien ze de Heilige Geest in zich droegen en profeten werden, aangezien ze geïnspireerd en wijs gemaakt waren door God. Daarom ook werden ze waardig geacht om deze beloning te ontvangen dat ze instrumenten van God zouden worden en de wijsheid zouden hebben die van Hem afkomt. Door die wijsheid verkondigden ze zowel over de schepping van de wereld als over andere zaken” (”Ad Autolycus” 2.9).

Voor de kerkvaders was het spreken van God betrouwbaar en doorslaggevend. Augustinus vat dat mooi samen: „Wij daarentegen steunen in de geschiedenis die onze godsdienst ons biedt op goddelijk gezag: al wat daarmee strijdig is, beschouwen we dus zonder te twijfelen als volstrekt onwaar, afgezien van de waarde van wat die wereldse geschriften verder nog inhouden” (”De Civitate Dei” 18.40).

Geschiedenis

Traditioneel wentelde de christelijke geschiedbeschouwing rond de schepping en de incarnatie. Vroeger spraken we daarom van ”anno Domini”, het jaar onzes Heeren. Daarmee werd verwezen naar de incarnatie rond 25 maart, naar de boodschap van de engel Gabriël aan Maria. De geboorte van de Heere Jezus, negen maanden later, was ook een groot moment, maar het eigenlijke wonder was dat Gods Zoon mens werd, de incarnatie. Daarom begon vroeger in de meeste westerse landen het nieuwe jaar in maart.

In de oosterse, Byzantijnse kerk was al vroeg gekozen voor een begin van het jaar op 1 september. Dat kwam omdat de kerk de schepping van de wereld plaatste rond 1 september, ongeveer 5500 jaar voor Christus. In 537 besloot de christelijke keizer Justinianus dat alle staatsdocumenten voortaan met ”anno mundi” (in het jaar van de schepping der wereld) gedateerd moesten worden. Het liturgisch jaar van alle oosterse en westerse kerken begint daarom nog steeds op 1 september.

Het kerkelijk jaar hebben we dus niet omdat dan de zomervakantie voorbij is en het verenigingsseizoen weer begint, maar om te vieren dat God als echte en historisch aanwijsbare Schepper aan het begin van alle dingen staat. De manier waarop we met tijd omgaan, is niet neutraal. Wat is er mooier dan onze jaren te laten wentelen rond God als de Schepper en Verlosser van deze wereld? We zijn niet van onszelf, maar geschapen met een doel: anno mundi. We zijn niet van onszelf, maar Hij heeft ons gekocht: anno Domini. Maart en september hebben een parallel in het Oude Testament. Maart was ook de eerste maand bij de Israëlieten, maar het nieuwe jaar werd gevierd in september. Omdat ook volgens de Joden de schepping een echte, concrete historische gebeurtenis was, die na te rekenen viel.

Van het besef dat de Bijbel historische mededelingen doet die bepalend zijn voor hoe we tijd en geschiedenis beschouwen, waren ook de kerkvaders doortrokken. Zelfs christelijke geleerden die in andere opzichten verdacht waren, zoals Origenes, zagen Genesis als echte geschiedenis.

Jonge schepping

Een belangrijk kenmerk van kerkvaders was dat men op grond van de Bijbel durfde in te gaan tegen heersende ‘wetenschappelijke’ opvattingen. Dat blijkt het duidelijkst uit het feit dat ze op grond van Genesis de ouderdom van de aarde of het begin van de schepping berekenden, en dat gebruikten om de heidense wetenschap te vertellen dat ze het bij het verkeerde eind had. In tegenstelling tot wat Griekse en oosterse filosofen beweerden, was de schepping volgens hen jong. Waarom? Omdat God het zei. Hij was er immers bij geweest. Als God de waarheid is en echt door Mozes sprak, moest het wel zo zijn.

Zonder uitzondering meenden de kerkvaders God op zijn Woord te kunnen geloven waar het ging om de beschrijving van historische gebeurtenissen. Hippolytus van Rome zet uitgebreid uiteen hoe hij op grond van de Bijbel geloofde in een concreet begin van de schepping rond 5500 voor Christus (”Over Daniël” 2.4-6). Dit soort conclusies zijn geen uitzondering, maar algemeen in de Vroege Kerk. Van vroeg tot laat en van Oost tot West. De berekeningen komen meestal uit rond 5600 voor Christus. Dat is bijvoorbeeld te zien bij Clemens van Alexandrië in Egypte. Eusebius (Chronicon 1) is een uitzondering met 5200 voor Christus, maar dat komt doordat hij niet terugrekent naar de schepping, maar naar de zondeval.

Al met al was het Gods openbaring in de Bijbel die voor alle kerkvaders doorslaggevend was. Augustinus weerspiegelt wat de hele kerk in die tijd vond: „Zij zijn misleid door zeer onbetrouwbare geschriften die menen dat de geschiedenis (van de aarde) al vele duizenden jaren is, hoewel, gerekend vanuit de heilige Schrift, wij menen dat er nog geen zesduizend jaren voorbij zijn gegaan” (”De Civitate Dei” 12.10, cf. 12.12).

De Vroege Kerk geloofde dat de schepping oorspronkelijk goed was. God maakte door Zijn spreken onmiddellijk iets wat werkelijk goed was. Irenaeus stelt dat de dieren in de oorspronkelijke schepping geen vleeseters waren. Hij brengt dat ook in verband met de toekomstverwachting en verwijst naar de visioenen van Jesaja dat de dieren in vrede met elkaar zullen omgaan (Jes. 11:6-9; 65:25). Wanneer de schepping hersteld wordt, zal de vrede terugkeren tot het dierenrijk en zullen de vleeseters weer vegetarisch zijn (”Adversus Haereses” 5.33.4).

Basilius van Caesarea en Gregorius van Nyssa (circa 335-394) beklemtonen evenzeer (”Hexameron” en ”De Hominis Opificio”) dat er oorspronkelijk geen prooi- of aasdieren waren. Ook de mens was niet geschapen om dieren te eten. Chrysostomos zegt eveneens dat er van dieren voor de zondeval geen gevaar uitging. Volgens hem stond de mens oorspronkelijk in een goede en veilige verhouding tot dieren (Chrysostomus, ”Genesis hom.” 9.4).

Man en vrouw

Met de goede schepping hangen de scheppingsordinanties samen. Dat zijn ook voor nu geldige regelingen die voortkomen uit Gods bedoelingen met de schepping. Zo is de vrouw uit de man genomen en gemaakt als hulp. Op die manier stamt de hele mensheid van Adam en Eva af en delen de geslachten in Gods oorspronkelijke doel (Ambrosius, ”Paradijs” 10.48). Het rentmeesterschap, inclusief de daarmee gepaard gaande geestelijke verantwoordelijkheid, is ook een scheppingsordinantie.

De Vroege Kerk maakte zich bijzonder sterk voor de historische oorsprong en blijvende geldigheid van zulke zaken. Bijbelteksten zoals 1 Timotheüs 2:11-15 (het verbod aan vrouwen om te preken in de gemeente) werden door de vroege christenheid als blijvend geldig gezien, omdat het Gods scheppingsinstellingen waren. De aanname dat vrouwen daarom in de Vroege Kerk geen leiding of onderwijs mochten geven, is goed gedocumenteerd. Sterker nog, al het degelijke wetenschappelijke onderzoek leidt tot de conclusie dat de kerk het schandelijk vond als vrouwen in het openbaar onderwijs gaven of toespraken hielden. Vrouwen mochten wel aan andere vrouwen lesgeven (bijvoorbeeld in een kloostersituatie), maar niet in het openbaar aan een gemengd gezelschap van volwassenen. Ook werd het als een ontaarding van het publieke leven gezien wanneer vrouwen overheidsposities bekleedden.

Het is dus niet toevallig dat, waar Genesis niet meer als echte geschiedenis gelezen wordt, men meestal vrij snel ook de scheppingsordinanties loslaat. Bij het lezen van kerkgeschiedenisboeken over de twintigste eeuw en daarna valt op dat in kerken waar “de vrouw in het ambt” kwam, gewoonlijk reeds verschuivingen in het denken over de historiciteit van Genesis hadden plaatsgevonden. De goede schepping en Gods bedoelingen hangen samen.

Zondeval

Ook in de tijd van de Vroege Kerk had men te maken met de opvatting dat de mens en de andere schepselen van het begin af sterfelijk geschapen waren, en dat ziekte en dood dus geen gevolg waren van de zondeval. Dit is dus geen uitvinding van het theïstisch evolutionisme. De Vroege Kerk bestreed die gedachte al in het jaar 419, tijdens het concilie van Carthago: „Wie ook maar zegt dat Adam, de eerste mens, sterfelijk geschapen was, zodat hij gestorven zou zijn wat het lichaam betreft, of hij nu gezondigd had of niet; dat is, uit het lichaam uitgaan niet op grond van de zonde, maar als natuurlijke onvermijdelijkheid, hij zij vervloekt” (”Canon” 109).

De Vroege Kerk zag op grond van de Bijbel de zondeval als een echte gebeurtenis, met kosmische gevolgen. Dood, ziekte en zonde behoorden oorspronkelijk niet tot deze wereld, maar deden hun intrede met de zondeval. Zelfs zij die geneigd zijn de Schrift zinnebeeldig uit te leggen, zien in de beschrijving van de zondeval in Genesis 3 een historisch verslag. Zo vertelt Origenes hoe de ideale staat van de mens in het paradijs verloren ging door de zonde. Hij spreekt in dat verband over „Mozes in zijn verslag van de schepping van de wereld” (”Contra Celsum” 6.39).

Wereldwijde zondvloed

Net als wij had de Vroege Kerk al te maken met de gedachte dat de zondvloed niet meer dan een plaatselijke overstroming zou zijn geweest. Tertullianus stelde dat de Grieken het verkeerd hadden met hun ”lokale overstroming”. Hij verzekerde zijn lezers op grond van Genesis dat de vloed over de gehele aardbol kwam. De aanwezigheid van zeeschelpen op de bergen is voor Tertullianus niet vreemd, maar dit bevestigt voor hem de Bijbelse vermelding dat zelfs de hoge plaatsen met golven overstroomd werden (”De Pallium” 2).

Vergelijkbare opvattingen treffen we aan bij Hippolytus, die erop wees dat ook de Griekse schrijver Xenophanes (vijfde eeuw v.Chr.), op grond van schelpen in de bergen en fossielen in steengroeven, uitging van een grote vloed die de hele aarde bedekt had (”Refutatio omnium Haeresium” 1.12).

Volgens de kerkvaders gaf Mozes weer wat er werkelijk gebeurd was. Theophilus van Antiochië schreef: „Mozes liet zien dat de vloed veertig dagen en veertig nachten duurde, terwijl het water uit de hemel stroomde en de fonteinen van de diepte openbraken, zodat de wateren vijftien el boven de hoogste bergen kwamen. En op deze wijze werd het gehele geslacht der mensheid die toen bestond, vernietigd. Alleen zij die veilig in de ark zaten, werden gered. Dat waren, zoals we al zeiden, acht mensen. En wat de ark betreft, de overblijfsels daarvan kunnen tot vandaag toe gezien worden in de bergen van Arabië. Dat is, samengevat, de geschiedenis van de vloed” (”Ad Autolycus” 3.19)

Toekomst

Het geloof in een werkelijk goede schepping legde voor de Vroege Kerk de basis voor een positieve toekomstverwachting. Het verlossingswerk van Christus bevrijdt van de gevolgen van de zondeval. Ook de door Gods vloek aangetaste schepping wordt bevrijd en gaat toe naar een nieuwe hemel en aarde. Dat wordt onder meer zichtbaar in het herstel van het oorspronkelijke dieet van dieren. De opstanding der rechtvaardigen zal samengaan met een herstel van het dierenrijk naar de oorspronkelijke bedoeling.

Irenaeus zegt daarover: „Hoewel reeds nu het geloof harmonie brengt tussen mensen uit tegenstrijdige volken, zal dat in de opstanding van de rechtvaardigen ook met de dieren die Jesaja noemt gebeuren. Want God is rijk in alle dingen. Het is gepast dat, wanneer de schepping hersteld wordt, alle dieren weer gehoorzaam en onderdanig aan de mens worden (want oorspronkelijk waren ze gemaakt om onderdanig aan Adam te zijn), en dat ze terugkeren naar het voedsel dat God hun oorspronkelijk gaf, dat is plantaardig eten” (”Adversus Haereses” 5.33.4).

De schepping van het Oude Testament en herschepping van het Nieuwe vertonen eenzelfde patroon: God spreekt door Zijn Geest en schept door Zijn Woord. De goedheid van de eerste schepping is de basis voor de goedheid van de nieuwe hemel en aarde, waarop vrede en gerechtigheid zullen heersen. Chrysostomos (”Romeinen, hom.” 14) benadrukt dat in een bespreking van Romeinen 8:20-21. Door de redding van de mens is er daarom ook weer hoop voor de schepping. De vloek die tot een aangetaste werkelijkheid voor de hele kosmos leidde, zal weggenomen worden met het herstel van de mens in Christus. Uiteindelijk zal God ook de schepping bevrijden.

Gregorius van Nyssa verwoordt het als volgt: „Zo was het met de eerste schepping en zo zal het zijn met het toekomstige herstel. De mensheid zal weer terugkeren tot zijn oude staat: een leven zonder kwaad en niet meer terneergedrukt door verantwoordelijkheden of slavernij van de ziel aan dagelijkse zorgen. Ontslagen van al deze dingen zal hij terugkeren tot het paradijselijk leven; niet langer in de macht van de lusten van het vlees, maar vrij om dicht bij God te leven als deelgenoot van het leven van de engelen” (”De Hominis Opificio” 2:6-7).

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2018, Voor kerkvaders is Genesis betrouwbare informatiebron, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 48 (18): 6-7 (artikel). Benno Zuiddam heeft ook een eigen website. Deze is hier te vinden.

Kerk geloofde niet in platte aarde – Christelijke wetenschappers door eeuwen heen nagenoeg unaniem dat de wereld rond is

Het is een misvatting dat de kerk eeuwenlang geloofd heeft dat de aarde plat is, betoogt prof. Benno Zuiddam. De mythe van het geloof in een platte aarde is in de 19e eeuw bedacht door antichristelijke wetenschappers.

Onlangs was het weer zo ver. Zowel een emeritus hoogleraar en oud-rector als een in opspraak geraakte christelijke tv-presentator vertelde de RD-lezers tijdens het paasweekeinde dat de kerk, de Bijbel, of allebei ten onrechte eeuwenlang geleerd hebben dat de aarde plat is. Gelukkig weten we na de verlichting nu beter.

De gedachte dat de middeleeuwse en de Vroege Kerk algemeen geloofden in een platte aarde is echter even onjuist als onwetenschappelijk. Het is een theorie van 19e-eeuwse wetenschappers die het christendom slecht gezind waren. In het buitenland weet men dit allang, maar kennelijk loopt Nederland in dit opzicht achter. De Lage Landen zijn altijd al ‘platter’ geweest dan de rest van de wereld. Het is een moderne misvatting dat de kosmologie van de Vroege Kerk en de middeleeuwen de aarde zag als plat. Dwars door haar geschiedenis hebben leraars en doctors van de kerk vrij algemeen de gedachte aangehangen dat de aarde rond is. Bij de meeste vroege kerkvaders speelt het onderwerp geen rol, maar zij die het wel bespreken, beschouwden de aarde gewoonlijk als rond of sferisch. Een citaat uit onverdachte bron, de evolutionistische professor Stephen J. Gould: „Er was nog nooit een periode van ”platteaardeduisternis” onder geleerden (onafhankelijk van hoe het algemene publiek onze planeet toen en nu beschouwd mag hebben). De Griekse kennis van sferiteit is nooit vervaagd en alle belangrijke middeleeuwse wetenschappers aanvaardden de ronde aarde als een bewezen feit van de kosmologie.

Pannenkoek

Eigenlijk is er maar een handjevol bekende vroege schrijvers te vinden dat de gedachte van een platte aarde bevordert. De eerste was Lactantius (245-325). Na zijn bekering verwierp hij de Griekse filosofen en derhalve ook de reeds in de oudheid aangehangen gedachte dat de aarde rond is. Deze visie was algemeen verbreid. Men had gezien hoe schepen onder de horizon verdwijnen. Derhalve had Eratosthenes 250 jaar voor Christus reeds de omtrek van de aarde wiskundig uitgewerkt. Hij was bepaald geen uitzondering in de overtuiging dat de aarde bolvormig was en geen platte pannenkoek. Lactantius, in tegenstelling tot de meeste kerkvaders, verwierp echter alle Griekse filosofie na zijn bekering en daarmee ook de ronde aarde. Zijn werk werd door de kerk echter als ketters beschouwd en hij bleef derhalve vrij onbekend tot aan de renaissance, toen men zijn Latijn leuk begon te vinden. Toen werd ook zijn geloof in een platte aarde weer nieuw leven ingeblazen. In het Oosten was er in de zesde eeuw nog Indicopleustes die geloofde in een platte aarde onder een hemelboog. Zijn werk werd evenmin positief ontvangen in de kerk.

De mythe van een kerk die geloofde in een platte aarde is bedacht in de 19e eeuw. Dat was in een tijd van grote vijandigheid tussen wetenschap en godsdienst. Het begon al vóór Darwin, die niet uit de lucht is komen vallen. In 1834 verspreidde de Franse archeoloog Jean Antoine Letronne de leugen dat de kerkvaders (Augustinus, Ambrosius en Basilius ingesloten!) zouden hebben geloofd in een platte aarde. De Engelsman John William Draper (”History of the Conflict between Religion and Science”, 1874) en de Amerikaan Andrew Dickson White (”History of the Warfare of Science with Theology in Christendom”, 1896) deden later hetzelfde.

Belachelijk

Historisch is veel van de mythe terug te voeren op de publicatie van Washington Irvings boek over Columbus (1828) dat door sommigen voor wetenschappelijk aangezien is. Kerkelijke vertegenwoordigers waarschuwen Columbus daarin dat zijn expeditie van de aarde af gaat vallen omdat de Bijbel zou zeggen dat de aarde plat is. Wat Irving schrijft, is grote onzin. Zowel Columbus als zijn tegenstanders wisten dat je via het Westen naar Indië kon zeilen. De vraag was alleen of de schepen van die tijd zo’n lange reis konden doorstaan. Professor Jeffrey Russell (University of California) heeft er een boek over geschreven (”Inventing the flat Earth”). Zijn conclusie: van de oudheid tot aan de tijd van Columbus waren Christelijke wetenschappers nagenoeg unaniem van mening dat de wereld rond was.

Het wereldbeeld van een kerk die geloofde in een platte aarde is dus een misvatting. De hoogtijdagen van de mythe waren tussen 1870 en 1920, toen darwinisten deze leugen gebruikten in hun strijd tegen de kerk over de evolutietheorie. Scheppingsgeloof moest vereenzelvigd worden met een platte aarde en belachelijk gemaakt worden. De atheïstische professor Dawkins in Oxford doet het nog steeds zo. Van hem kun je dat verwachten. Het is echter jammer dat deze mythe ook in Bijbelgetrouw Nederland als waarheid verspreid wordt.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2009, Kerk geloofde niet in platte aarde. Christelijke wetenschappers door eeuwen heen nagenoeg unaniem dat de wereld rond is, Reformatorisch Dagblad 39 (12): 13 (artikel). Benno Zuiddam heeft ook een eigen website. Deze is hier te vinden.