Home » Kerkgeschiedenis

Categoriearchief: Kerkgeschiedenis

Predikanten uit de Vrije Oud Gereformeerde Gemeente en onze vroegste geschiedenis (1) – Ds. J. Goudriaan (1946-2023), Dragen of gedragen worden

Dragen of gedragen worden’.1 Deze titel heeft het achtendertigste nummer in de Eskol Reeks meegekregen. Het is een preek van wijlen ds. J. Goudriaan (1945-2016). De preek heeft als kernteksten Jesaja 46:1-42. Hieronder kijken we vooral naar wat de predikant te zeggen heeft over onze vroegste geschiedenis van schepping, zondeval, zondvloed en spraakverwarring.

Het wonder van de schepping

Ds. J. Goudriaan spreekt in deze preek over het wonder van de schepping. Het gaat om God ‘Die wonderen doet en werkt’. Jesaja roept op om naar die God, dat is Israëls God, te horen. “’Hoort naar mij’, Ik, de God, Die hemel en aarde heeft voortgebracht uit niets. Ik, de God, Die de Schepper van dezelve ben.” Hij is niet alleen de Schepper maar ook de Herschepper van Zijn uitverkorenen.3

Mesech

De predikant verwijst naar dit leven als ‘Mesech der ellenden’.4 Een kind van God zal, ‘op grond van hetgeen dat Hij [dat is Christus, JvM] gedragen en doordragen heeft’ mogen weten dat Hij hem of haar ‘zal dragen door dit Mesech’.5 Mesech komt ook voor in de volkerentafel van Genesis 10 als een van de zonen van Jafeth (Genesis 10:2). Waarom dit aardse leven het ‘Mesech der ellenden’ wordt genoemd legt de predikant in deze preek helaas niet uit.

Babylonische verwarring

Ds. Goudriaan geeft ook nog aan dat deze tijd ‘een tijd’ is ‘van de Babylonische verwarring’? Hij lijkt echter meer te verwijzen naar het Babel ten tijde van Jesaja, dan het Babel ten tijde van de torenbouw.6

Voetnoten

Tweede vooraankondiging van ‘Inzicht: Wetenschap voor Gods aangezicht’ – Bundel over geloof en wetenschap verschijnt eind maart 2023 D.V.

Vorig jaar schreven we al over de bundel over geloof en wetenschap met als titel ’Inzicht: Wetenschap voor Gods aangezicht’.1 Door omstandigheden liet de verschijning een jaar op zich wachten. Onder de bezielende leiding van en het vele werk door dr. Mart-Jan Paul is het toch mogelijk geworden de bundel te laten verschijnen. De verschijningsdatum staat nu gepland op eind maart 2023 D.V. De bundel is geredigeerd en ligt nu bij de drukker. De uitgever werkt momenteel ook aan de invulling van een presentatieavond. Wanneer daar meer informatie over beschikbaar is, zal dit worden gedeeld via deze website. Mocht u het boek alvast willen reserveren, dan kan dat hieronder via het reserveringsformulier.

Informatie op de achterkant

“Is het mogelijk geloof en wetenschap te combineren, of zijn het twee gescheiden werelden? In deze bundel komen achttien Nederlandstalige wetenschappers aan het woord die van harte een verbinding voorstaan. Op hun eigen wetenschapsgebied laten zij zien dat vooronderstellingen een grote rol spelen. Deze deskundigen wensen wetenschap te bedrijven ‘voor Gods aangezicht’. Naar hun overtuiging is het belangrijk rekening te houden met de Schepper van deze wereld en Zijn openbaring. Die houding geeft meer inzicht in onze werkelijkheid dan wetenschappelijke methodes op zichzelf kunnen bieden. De gangbare wetenschap houdt immers geen rekening met Gods handelen. In deze bundel staan artikelen over theologie, kerkgeschiedenis, wetenschapsvisie, natuurwetenschappen en biologie. Het doel van deze bijdragen is inzicht in Gods schepping, zodat we ons over Hem verwonderen.”

Catalogus De Banier

De onderstaande pagina is opgenomen in de voorjaarscatalogus van uitgeverij De Banier. Op deze pagina staan nog meer boekgegevens.

Mocht u voor uzelf, of voor anderen, alvast een boek reserveren dan kunt u hieronder uw gegevens achterlaten. Wanneer het dan zover is ontvangt u een factuur én de vraag hoe u het boek in bezit zou willen krijgen (via de post of tijdens de presentatieavond).

Boekexemplaar reserveren

Voetnoten

VU verloochent christelijke achtergrond door aanpassing votum

De wijziging van votum en lofprijzing binnen de VU in een meer ”inclusieve” tekst kwam voor veel medewerkers toch nog als een verrassing. Juist in de huidige tijd, vol zorgen rond psychische belasting van wetenschappers en studenten, is een onveranderlijk kernwaardenstelsel zeer belangrijk. Het Woord verder afstoten is daarmee niet verenigbaar.

In 1980 verscheen ter ere van het honderdjarig bestaan van de VU het prachtige boek ”Wetenschap en Rekenschap”. Er was destijds acht jaar aan gewerkt. Het staat vol bespiegelingen over studeren en onderzoeken aan een christelijke universiteit. De kerngedachte van dit boek sluit aan bij het hoofdredactioneel commentaar waarin wordt gewezen op de eeuwenlange geschiedenis waarop de VU voortbouwt (RD 3-12). Een geschiedenis die zelfs verder teruggaat dan het moment waarop Calvijn in zijn ”Institutie” neerschreef dat wetenschap als een gave van God moet worden beschouwd.

Het mag een student nog vergeven worden als deze vanuit een bijna puberale opstandigheid meent te moeten zeggen dat wetenschap en religie slecht verenigbaar zijn. Daarentegen ligt dit voor de wetenschappelijk onderzoekers in dienst van de VU volkomen anders. Van hen mag wel degelijk worden verwacht dat zij zich rekenschap geven van een lange geschiedenis van christelijke wetenschapsbeoefening. De wijze waarop aan de VU de promotieceremonie is ingericht, reflecteert dit heel erg goed. Het publieke karakter van de verdediging van het wetenschappelijke werk wordt daarbij in een kort gebed gerelateerd aan een verantwoording tegenover God.

Naast een moment van bezinning is dit tevens een uiting van dankbaarheid. Die dankzegging strekt zich uit naar de oprichters van de VU en het christelijk fundament waarop dit instituut steunt.

Arbeidsomstandigheden

Psychische arbeidsbelasting is al jaren een duidelijk probleem binnen het Nederlandse universitaire bestel. De VU vormt daarop helaas geen uitzondering. Voor veel onderzoekers is het moeilijk hun levensopdracht vorm te geven onder enorme werkdruk, met korte contracten en in een zeer competitieve werksfeer.

Een paar maanden geleden had ik samen met acht andere VU-medewerkers een gesprek met de rector, prof. dr. J. Geurts, over arbeidsomstandigheden en het nationale programma ”Erkennen en Waarderen”. In dit gesprek toonde Geurts zich opvallend openhartig en bezorgd over het probleem van psychische arbeidsbelasting en de gevolgen daarvan voor individuele wetenschappers. Ook over zeer schrijnende situaties was met hem het gesprek te voeren. Daarmee toonde Geurts zich een rentmeester van een van de belangrijkste waarden binnen de VU: als gemeenschap van onderzoekers hebben wij ook een opdracht om naar elkaar om te zien. Juist in het verlengde van deze waarde is de voorgestelde wijziging van het votum voor veel kerkgaande VU-medewerkers erg moeilijk te begrijpen.

Een standvastig kernwaardenstelsel kan alleen gestalte krijgen als het in hoofdzaak onveranderlijk is. Het moet niet buigen voor de laatste modegrillen en zich al helemaal niet schikken naar veranderlijke onderwerpen als ”inclusiviteit”, waarvan de interpretatie bijna maandelijks lijkt te wijzigen. De opdracht om zich rekenschap te geven van het verleden omvat ook het vasthouden en eerbiedigen van oorspronkelijke waarden. Professor Geurts zou er daarom goed aan doen het Woord niet af te stoten, maar juist af te stoffen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Hulst, A.C. van, 2022, VU verloochent christelijke achtergrond door aanpassing votum, Reformatorisch Dagblad 52 (215): 32-33 (artikel).

Augustinus wijst de mens zijn plaats als schepsel

„God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan.” Is zo’n zin niet typisch voor de traditie van Anselmus en Calvijn, waarin sterk in juridische termen gedacht wordt over de relatie God-mens. Zou dat nu niet anders moeten?

Het denken over de relatie tussen God en mens in rechtstermen is stevig verankerd in de theologie van de Vroege kerk. Hiermee richtte de kerk zich tegen de gnostiek. Dit kan inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van Augustinus’ discussie met de manicheeërs, een gnostische sekte waar hij zelf een lange tijd bij hoorde.

Volgens de manicheeërs zijn goed en kwaad twee substanties die eeuwig tegenover elkaar staan. Onze wereld is ontstaan doordat de kwade natuur tegen de goede god in opstand kwam. De stoffelijke wereld zoals wij die kennen, is kwaad, maar in alles zitten stukjes van god opgesloten. Dat geldt ook van de mens. Zijn ziel is een deel van god dat gevangen zit in een lichaam dat zelf hoort bij de kwade natuur. En in hem strijden die twee naturen steeds om de voorrang. De mens is ten diepste goddelijk, maar lijdt voortdurend onder de slechte invloed van externe krachten.

Augustinus ziet, op grond van de Bijbel, God als de almachtige Schepper en de wereld en de mens als zijn schepselen. De wereld is niet het product van een kosmische strijd tussen twee machten, maar het maaksel van de goede Schepper. Deze Schepper regeert zijn schepselen volgens zijn wet. Zijn schepselen zijn geroepen Gods wet te gehoorzamen. De zon, de maan, de planten en de dieren doen dat vanzelf; zij functioneren volgens hun aard. Maar mensen en engelen schiep God met een vrije wil. Zij moesten er bewust voor kiezen om God te gehoorzamen. God zou gehoorzaamheid belonen en ongehoorzaamheid straffen. Augustinus ziet de schepping als een rechtsstaat, die onderhouden en geregeerd wordt door een rechtvaardige én genadige koning.

Tegenover de manicheeërs benadrukt Augustinus dat het kwaad geen substantie is, evenmin iets buiten de mens dat hem overkomt. Het is allereerst de keuze van de mens zelf om zijn Schepper ongehoorzaam te zijn.

Het kwaad is allereerst zonde. Omdat God rechtvaardig is en rechtvaardig handelt, reageert hij op de zonde door die te straffen. Die straf bestaat in de ”corruptie” van de menselijke natuur naar ziel en lichaam. Door de zonde van Adam is geen mens meer in staat om het goede te willen en te doen, en bovendien krijgt hij een sterfelijk lichaam. Zijn lichaam gehoorzaamt niet meer aan zijn ziel. Omdat zijn ziel zijn meester (God) ongehoorzaam was, wordt nu de knecht van de ziel (het lichaam) diens meester ongehoorzaam.

Verlossing

Wat leren we voor vandaag van het verschil tussen Augustinus’ visie op het kwaad en die van de manicheeërs? Het manichese mensbeeld is vooral tragisch. De mens is zelf ten diepste goddelijk, maar zijn goddelijke kern wordt onderdrukt door machten van buiten. Die onderdrukking is het kwaad in zijn leven. Verlossing is dat de mens bevrijd wordt van die macht. Zolang die macht zijn innerlijke kern in de weg staat, kan hij zich niet ontplooien.

Bij Augustinus is het kwade allereerst zonde. Een daad van de mens tegenover God, waardoor hij Gods straf over zijn leven afgeroepen heeft. Verlossing betekent vooral dat de mens weer in de rechte verhouding tot God komt te staan, en daardoor van Gods straf wordt bevrijd.

Mijn indruk is dat christenen vandaag veel kunnen hebben aan Augustinus’ anti-manichese theologie. Onze cultuur wordt ook gekenmerkt door een grote verering van de subjectiviteit van de mens. Het innerlijk krijgt haast een goddelijke status, net zoals de ziel in de gnostiek. Je bent pas echt vrij als je uiting kunt geven aan je eigen ”ik”. Externe krachten die dat in de weg staan, zijn daarmee automatisch kwaad.

Christenen krijgen van deze kijk op de mens gemakkelijk een tik mee, juist omdat zowel het manicheïsme als het moderne liberalisme aansluiten bij de oerzonde van de mens: zich gelijk stellen met God. God wordt de grote bevestiger van ons eigen ”ik”. Of God ligt in elk geval in het verlengde van onze goede bedoelingen. Het onderscheid tussen God en ons verdwijnt in feite. Woorden als wet en gehoorzaamheid worden irritant, omdat ze eraan herinneren dat je als mens onder God staat en Hij geen verlengstuk van ons is (of wij van Hem).

Evangelie

De polemiek van Augustinus tegen de manicheeërs herinnert ons eraan dat de mens onder God staat en geschapen is in een rechtsrelatie tot Hem. Ook de leer van de verlossing staat in dat kader. Dat is geen uitvinding van Anselmus of Calvijn, maar behoort tot de antignostische erfenis van de kerkvaders. God de Schepper heeft recht op onze liefde en gehoorzaamheid, en wij zijn verplicht Hem die te geven, om te kunnen leven. En het Evangelie is nu dat Hij zelf de gerechtigheid aan ons geeft die Hij van ons eist.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Egmond, B. van, 2019, Augustinus wijst de mens zijn plaats als schepsel, Reformatorisch Dagblad 49 (196): 26-27 (artikel).

Heel de Bijbel had voor Luther onfeilbaar gezag

Wie zich op Luther wil beroepen om de moderne Schriftkritiek te legitimeren, behandelt de reformator niet fair. Voor de Bijbel dient men te buigen en alle bezwaren van het verstand te laten varen, luidde zijn visie.

Het artikel met als kop ”Het gevaar van Luthers stoerheid” van dr. C. P. de Boer (RD 29-10) riep bij mij vragen op. Allereerst de vraag of Luther met zijn ”was Christum treibt” een heldenstatus wilde creëren? De kop lijkt op het eerste gezicht die indruk te willen wekken. Luthers uitspraak „Wij voeren Christus aan tegen de Schrift” komt flink, sterk en onverschrokken over. Zo suggereren sommigen ook dat Luther op de Rijksdag van Worms bewust een publieke stunt wilde uithalen met zijn „Hier sta ik, ik kan niet anders”, enzovoorts.

Wilde Luther stoer doen, shockeren, met zijn bewering dat elke Bijbeltekst waarin hij Christus niet vond voor hem van minder waarde was dan de woorden waarin Hij helder straalt? Dr. De Boer zelf zegt dat niet met zoveel woorden. Hij schrijft alleen dat het „vandaag stoer klinkt”! Ja, maar voor wie? Bedoelt hij de theologen van gereformeerde origine die op de hermeneutiek van de confessie zijn uitgekeken? Wordt Luther nu de vaandeldrager van nieuwe hermeneutische inzichten? Ja, dat is inderdaad riskant. Voor henzelf en voor de gemeenten die zij dienen. Het slot van het artikel lijkt die kant op te gaan.

Ik veronderstel dat dr. De Boer wil zeggen dat hedendaagse exegeten en hermeneuten van reformatorische origine Luther goed denken te kunnen gebruiken als baanbreker om ruimte te maken voor vernieuwende inzichten, in de trant van: ”Kijk maar, Luther slikte ook niet alles wat hem in de Bijbel voorgeschoteld werd. Hij had de moed om Christus zo nodig tegen de Schrift uit te spelen.”

Vrolijke ruil

Zij die Luthers werk als vrijbrief voor moderne Bijbeluitleg denken te kunnen gebruiken, moeten wel eerst bedenken wat de reformator bewoog om uitspraken te doen als: „Wij voeren Christus aan tegen de Schrift.” Het ging Luther om het Evangelie van de vergeving van de zonden. De rechtvaardiging van de zondaar. Dat was voor hem de kern van heel de Bijbel. Hét Woord van God is de belofte van onvoorwaardelijke vrijspraak van de zondaar die door de genade van het geloof Christus aangrijpt en zodoende bevrijd wordt van schuld en eeuwige straffen. De zondaar geeft zijn zonden aan Christus en krijgt Zijn gerechtigheid ervoor terug. Ja, de ”vrolijke ruil” noemde Luther dat.

Door die persoonlijke ontdekking was Luther inderdaad zo vrolijk, dat hij in heel de Bijbel die ruil terug wilde vinden. Dit Evangelie was voor hem hét Woord van zijn God. En zij die dat hebben ervaren, weten wat hij bedoelt.

Geen heilige

Dat Luther soms onbehoorlijk kon doorslaan, is alom bekend. Zijn onstuimige boekje ”Von den Juden und ihren Lügen” zou niet voor de Nobelprijs voor de vrede in aanmerking komen. Luther zelf zou overigens geen moete hebben gehad met mensen die hem niet als een heilige en perfecte gelovige en exegeet vereren. Van Lutherverering was hij niet gediend: „Christus is heilig, ik niet.” En wij vergeven hem zijn tirade tegen Jakobus, die ons volgens Luther in zijn brief te veel werk en te weinig genade en geloof laat lezen. In zijn latere werk matigde hij trouwens zijn kritiek op Jakobus.

Voorkeuren

Eén ding is zeker: Luthers moeite met bepaalde passages in de Bijbel betreft niet de geloofwaardigheid van de Bijbel zelf. De Duitse theoloog Paul Althaus, die persoonlijk de historische kritiek op de Bijbel accepteert, heeft dat in zijn belangrijke boek ”Die Theologie Martin Luthers” duidelijk gemaakt. Luther speurde in de Schrift naar zijn lieve Jezus Christus, maar vond Hem niet altijd zo gauw als hij verlangde. „Nur da, wo Luther Verdunkelung des Evangeliums in der Schrift findet, bestreitet er den Charakter als Wort Gottes”, aldus Althaus. Maar dat de Bijbel als geheel het betrouwbare Woord van God is, daar twijfelde hij niet aan: „Das Wort sollen Sie stehen lassen!

Luther doolde als een speurhond over Gods wegen in de Bijbel om de reuk van Christus en Zijn genade te ervaren. Hij had voorkeuren, jazeker. De Bijbel bevatte voor zíjn beleving niet op elke plaats even veel karaat goud. Maar ondanks zijn voorkeur voor het Evangelie van Johannes en vooral voor de brief van Paulus aan de Romeinen bestreed hij niet het gezag van de Bijbel als geheel.

Althaus onderstreept dat in zijn boek over Luthers visie op de Schrift. De Schrift is voor hem boven alles het door de Heilige Geest opgestelde Boek en als zodanig van onfeilbaar gezag. Voor dat Boek dient men te buigen en alle protesten en bezwaren van het verstand te laten varen.

Tijdgeest

Luther is geen baanbreker voor de 18e-eeuwse Verlichting, die de Bijbel, met zijn ”onbegrijpelijke” teksten over wonderen, verzoening, opstanding, verkiezing en voleinding, de oorlog verklaarde. En wat er verder volgde. Nee, Luther is zeker geen vader van de historisch-kritische hermeneutiek. Zijn heel persoonlijke christocentrische benadering van Bijbelteksten is van een radicaal ander gehalte dan het loslaten van de onstabiele tijdgeest op Gods openbaring in de Bijbel.

Bij Luther vindt het omgekeerde plaats. Hij gaat juist heel flink en onverschrokken met de Bijbel op de tijdgeest af en laat er niets van heel. Want het is een geest die de eigen vroomheid boven Christus verkiest. De tijdgeest heeft geen verstand van de ”vrolijke ruil”. Toen niet en nu ook niet.

Moderne exegeten en hermeneuten willen Luther voor hun karretje spannen, maar Luther leent zich daar niet voor. Hij trekt dat niet, om zo te zeggen. Moderne exegeten zijn Luthers vrienden juist niet, omdat zij, anders dan de reformator uit Wittenberg, de confrontatie ontlopen. Zij trekken Christus steeds weer de modieuze kleren van hun eigen tijd aan en maken van Hem een herkenbare en acceptabele moraalridder. De eindeloze aanpassingen aan de smaak van het publiek getuigen niet van moed. Ze bieden ook geen uitkomst. Het gevolg is de ontkerstening van Christus en daar moet je bij Luther niet mee aankomen.

Wie met een beroep op Luthers vermeende stoerheid uitdraagt dat actuele filosofische en psychologische inzichten in de hermeneutiek de dienst moeten gaan uitmaken, moet Luther met rust laten. Die tapte echt uit een ander vaatje.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Meij, L.W. van der, 2022, Heel de Bijbel had voor Luther onfeilbaar gezag, Reformatorisch Dagblad 52 (189): 38-39 (artikel).

Augustinus’ waarschuwing

Augustinus blijft populair onder christenen die geloven dat God de wereld door middel van evolutie en ”survival of the fittest” geschapen heeft. Met name een passage van de kerkvader over „christenen die wetenschappelijke onzin verkondigen” scoort hoog.

De bedoelde aanhaling van Augustinus wordt met groot gemak toegepast op mensen die nog durven uit te gaan van de historische betrouwbaarheid van de Schrift (zie ”Roekeloos wetenschappelijke onzin roepen citaat”). Concreet, wanneer het om de bestrijding van creationisme gaat, verdwijnen soms de basale fatsoensregels uit de discussie. In verschillende publicaties sturen theïstisch evolutionisten een medechristen weg met een citaat uit Augustinus’ verklaring van Genesis dat impliceert dat de creationist wetenschappelijk volslagen onkundig zou zijn. Hij zou bovendien anderen van het geloof afhouden door zijn mond open te doen. Zo’n benadering getuigt van diepe minachting voor het creationistische standpunt. De bewuste aanhaling van Augustinus staat ook op pro-evolutiewebsites en in academische publicaties zoals het ”Counter-creationism Handbook” (2007) van Mark Isaak.

Geloofsboek

In de strijd tegen het creationisme wordt Augustinus gewoonlijk in het Engels aangehaald, niet in het Latijn of het Nederlands. Dat geeft reeds aan dat de bron zelf niet is ingezien. Het Engelse citaat komt overigens uit een boek uit 1982 dat bijna niemand bezit, laat staan gelezen heeft. Het typisch evolutionistische gebruik van deze passage is dan: „Blijkbaar had Augustinus in zijn tijd moeite met mensen die wetenschappelijke conclusies trokken over de wereld op grond van de overtuiging dat Genesis natuurwetenschappelijke informatie verschaft.” De Bijbel is volgens die evolutionistische opvatting niet meer dan een geloofsboek en mag niet anders worden gebruikt.

De kerk heeft daar lange tijd anders over gedacht. Augustinus ook. De boodschap van hoop en genade rustte volgens de kerkvader op de historische realiteit van zonde, dood en oordeel. Dood, ziekte, verderf kwamen in de wereld als gevolg van de zondeval. De hoop en genade in de Schrift hebben een historisch-feitelijke context.

Die notie ontbreekt bij het theïstisch evolutionisme in zijn huidige gedaante; dat mist een Bijbels Godsbeeld. Het maakt van Christus een Scheppingswoord (Logos) dat schiep door middel van een bittere overlevingsstrijd van miljoenen jaren van dood en verderf. De dood is binnen deze leer niet de laatste vijand, maar Christus’ trouwe bondgenoot die hem al bijna 5 miljard jaar dient als scheppingsmechanisme. God mocht het resultaat uiteindelijk dan ”zeer goed” vinden, maar alle creaturen die verdrukt, verdrongen en afgeslacht werden voordat het ‘scheppingsproces’ dit punt bereikt had, zullen daar beslist anders over ‘gedacht’ hebben.

Bij dit soort theïstische evolutie-opvattingen gaat de traditionele leer over God, de mens en de zonde op de schop. De genadeleer verliest zijn historische basis en de Christus van de evangeliën Zijn oprechtheid. De eschatologie raakt op de achtergrond.

Letterlijk

Augustinus’ boek ”Genesis letterlijk beschouwd” (De Genesi ad litteram) kwam tot stand in een periode van veertien jaar. De kerkvader had er dus goed over nagedacht. Het boek is een voorbeeld van hoe Augustinus met het voortschrijden van de tijd om principiële redenen letterlijke Bijbeluitleg ging verkiezen boven allegorische. Symbolische exegese bleef een legitieme plaats houden, maar dan als illustratie voor geestelijke waarheden die elders in de Schrift gevonden werden. Letterlijke exegese is eerst nodig om Gods bedoeling met de tekst zelf na te speuren. Augustinus vond dat aanvankelijk erg moeilijk. Vandaar dat hij het een aantal keren probeerde, opgaf en weer opnieuw begon.

Het wekt bevreemding dat wetenschappers die Augustinus zo vol vertrouwen aanhalen ter ondersteuning van hun evolutionistische standpunt, zich klaarblijkelijk niet realiseren met wie ze te maken hebben. Alleen al uit seculier-wetenschappelijk oogpunt zou het duidelijk moeten zijn dat Augustinus en neodarwinisme niet samen gaan. In 1946 heeft prof. Guinagh, die zeer sympathiek stond ten opzichte van theïstische evolutie, al aangetoond dat Augustinus geen ”transformist” was: de kerkvader geloofde niet in biologische evolutie.

Maar afgezien daarvan: beseffen aanhangers van de evolutieleer dat Augustinus in termen van vandaag een ”fundamentalist” en ”creationist” was? Augustinus nam de Bijbel historisch en letterlijk. Hij was er daarom van overtuigd dat de mensheid nog maar een paar duizend jaar bestond (”De Civitate Dei”, liber 12, c. 11). Overal waar de Schrift duidelijk sprak, moest ze geloofd worden. Augustinus geloofde daarom dat beide scheppingsverhalen in Genesis feitelijk klopten. Hij geloofde in een wereldwijde zondvloed en was er stellig van overtuigd dat Mozes de enige menselijke auteur van de Pentateuch was. De revisies van zijn uitleg van Genesis tegen het einde van zijn leven (”Retractiones” 24.1-2) betreffen geen historische of natuurkundige zaken, maar slechts theologische.

Context

Wie het citaat in context bekijkt, ziet meteen dat Augustinus daar geen algemene uitspraak doet over de relevantie van Genesis voor de natuurwetenschappen. Hij leert zijn lezers omgaan met vreemde en schijnbaar obscure teksten in de Schrift. Daarbij moet het verstand niet uitgeschakeld worden.

De duistere tekst waarop Augustinus zijn raad concreet toepast, is Genesis 1:3, over de schepping van het licht als verschijnsel voor dat van de concrete lichtdragers als zon, maan en sterren. Dan moeten christenen geen surrogaatuitleg voorstellen die tegen de feiten van wetenschappelijke waarneming ingaat. Wie dat toch doet, maakt zichzelf belachelijk. Wat erger is: doordat hij voorgeeft aan Bijbeluitleg te doen, veroorzaakt hij dat mensen met kennis de betrouwbaarheid van de Schrift niet serieus nemen.

Het is eveneens van belang om te benadrukken dat Augustinus’ waarschuwing gaat over feitelijk waarneembare zaken. De kerkvader heeft het in deze passage niet over heersende wetenschapstheorieën of metafysica. Vertaald naar onze tijd: voor zover evolutionaire processen in de natuur feitelijk, waarneembaar en toetsbaar zijn, moeten ze inderdaad serieus worden genomen.

Wetenschappers die uitgaan van de historische betrouwbaarheid van de Bijbel hebben over het algemeen oog voor de feiten die de natuurwetenschappen onderzoeken. Echter, op basis van Gods openbaring geloven zij in een andere verklaring voor het ontstaan van hemel en aarde.

Ook de aard van de evolutionaire processen wordt anders geduid. Omdat dood, ziekte en overlevingsstrijd pas in de wereld kwamen na een historische zondeval, kunnen processen die daarvan het gevolg zijn niet gebruikt worden om terug te extrapoleren naar de schepping zelf. De zondeval en het daaropvolgende oordeel van God over de schepping veroorzaakten een historische „kosmische omwenteling” (C. S. Lewis). Volgens de Schrift moet deze historische gebeurtenis verantwoordelijk gehouden worden voor de ”chamas”, voor datgene wat Gods goede schepping geweld aandoet – maar tegenwoordig onderdeel is van de natuurwetenschappelijke werkelijkheid.

Augustinus waarschuwt niet voor het letterlijk historisch opvatten van Genesis; hij moedigt zijn lezers juist aan om dit te doen. Ze moeten alleen hun gebrek aan exegetisch inzicht bij moeilijke verzen niet proberen te verbloemen door feitelijk verkeerde dingen te gaan zeggen over natuurverschijnselen.

Inlegkunde

Het citaat van Augustinus wordt dus verkeerd gebruikt. De kerkvader bestrijdt geen creationisme, maar beveelt juist een letterlijk lezen van Genesis aan. Toch is het belangrijk dat christenen die Gods Woord in Genesis willen geloven, vervolgens niet overgaan tot de orde van de dag. Er zijn aspecten van deze passage in Augustinus waarvan iedere christen kan leren.

In de eerste plaats is voor Augustinus het Woord van God heilig. Dit vraagt om integriteit, vroomheid en diepgaande kennis van de Schriften. De Bijbel is te heilig voor inlegkunde en onze speculaties.

In de tweede plaats: een klein beetje kennis is niet alleen gevaarlijk, maar kan ook bijzonder irritant zijn voor anderen die zo veel meer weten. Voor een theïstisch evolutionist met een wetenschappelijke achtergrond kan het nogal een beproeving zijn om „alweer een creationist” tegen te komen die een paar artikelen gelezen heeft en zich als een expert gedraagt.

Natuurlijk heeft dit een bepaalde achtergrond. Het onderwijs aan universiteiten en hogescholen is bijna geheel geseculariseerd; de afgelopen twintig jaar in versneld tempo. Wie in het openbaar vraagtekens durfde te plaatsen bij de leer van Darwin of bij Schriftkritiek moest dat vaak bekopen met het uitblijven van carrièreperspectieven.

In de derde plaats: geleerdheid op een bepaald gebied betekent niet meer dan dat. Het oude ”schoenmaker, blijf bij je leest” is juist in dit verband een goed spreekwoord. Wees bescheiden. Lever alleen passende bijdragen en laat discussies waar nodig over aan de experts in eigen kring. Geef toe wanneer je niet toegerust bent om een adequaat antwoord te geven. Laat de vakmensen hun werk doen en ondersteun hun zaak. Zelfs al ben je gepromoveerd in het ene vakgebied, dat maakt je nog geen specialist in het andere.

Keizer

Ten slotte, het voortdurend gebruik van Augustinus ter morele ondersteuning van evolutie in neodarwinistische zin doet denken aan het sprookje van Hans Christiaan Andersen over ”de nieuwe kleren van de keizer” (1837).

In dit sprookje had de keizer –volgens de nieuwste mode– kleren aan die niemand kon zien. Niemand durfde toe te geven dat de keizer in zijn blootje liep, want dat zou aantonen dat hij onbevoegd was voor zijn positie, of een dwaas. Geen kostuum dat Keizer Evolutie ooit had gedragen, was zo’n volslagen succes als zijn Augustinusmantel. „Maar hij heeft helemaal niets aan”, zei een klein kind. Men hoeft geen vakbekwaam kleermaker te zijn om te benoemen wat zichtbaar voor iedereen is.

Wie een enkele blik werpt op secundaire bronnen over Augustinus’ visie op Genesis zal de kerkvader niet gauw aanhalen om ‘fundamentalisme’ te bestrijden. Ook wie geen Latijn kent maar wel goede wetenschappelijke publicaties over het boek ”Genesis letterlijk beschouwd” van Augustinus leest, beseft dat een boek dat zijn best doet om Genesis overal letterlijk op te vatten, waarschijnlijk niet het juiste materiaal is om de historische betrouwbaarheid van de Bijbel mee te ondermijnen. Als een citaat dat toch lijkt te doen, is het verstandig om eerst eens te kijken naar wat de auteur precies bedoelt.

ROEKELOOS WETENSCHAPPELIJKE ONZIN ROEPEN
Natuurlijk weet een niet-christen gewoonlijk ook het een en ander over de aarde, de hemelen, en de andere elementaire dingen van deze wereld, over de beweging en baan van de sterren en de onderlinge afstand van de sterrenbeelden, over de voorspelbare verduisteringen van de zon en de maan, over de jaargetijden en seizoenen, over soorten dieren, gewassen, stenen en soortgelijke dingen meer; en van deze kennis is hij zeker op grond van zijn verstand en ervaring. Het is echter uitermate schandelijk en verwoestend –iets wat dan ook ten zeerste vermeden moet worden– dat men een christen grote onzin hoort spreken over deze zaken als hij zogenaamd bezig is om te preken uit de christelijke Schriften; dat men nauwelijks zijn lachen kan inhouden, aangezien hij het duidelijk verkeerd heeft over de hele hemel. Dat een dwalend mens uitgelachen wordt, is niet zo’n probleem, maar wel wanneer mensen van buiten de kerk denken dat onze schrijvers er dat soort gedachten op nahouden; dat deze voor dom uitgemaakt en verworpen worden, tot groot verderf van hen voor wier zaligheid we arbeiden. Want als iemand een aantal christenen betrapt op fouten in een zaak die men zelf goed kent, en tot het oordeel komt dat onze Schriften waardeloos zijn, hoe moeten ze dan die Boeken geloven over de opstanding van de doden, en over de hoop van het eeuwig leven en het koninkrijk der hemelen, wanneer het zonder twijfel vast is komen te staan dat die op allerlei plaatsen fouten bevatten over toetsbare zaken? Want welk een moeite en verdriet leggen ze op wijzere broeders, roekeloos en onbevoegd als ze zijn, wanneer ze betrapt worden op een van hun kromme en onware aanspraken” (vertaald uit: ”De Genesi ad litteram” 1.19).

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2016, Augustinus’ waarschuwing, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 46 (151): 2-3 (artikel).

Congres over ‘Bijbel & Wetenschap’ 2022 – 2. dr. Benno Zuiddam – De rol van Schriftgezag in de Vroege Kerk

Op 22 oktober 2022 organiseerden Fundamentum, Geloofstoerusting en Logos Instituut een congres over ‘Bijbel & Wetenschap’.1 Theoloog en classicus dr. Benno Zuiddam gaf een lezing met als titel ‘De rol van Schriftgezag in de Vroege Kerk’. Veel zegen bij het kijken en luisteren! Vragen kunnen gesteld worden via het contactformulier: https://oorsprong.info/contact/.

Voetnoten

Een gat in de scheppingsleer van C.H. Spurgeon

Door een wakkere lezer werden wij erop geattendeerd dat de bekende prediker C.H. Spurgeon (1834–1892), de eerdere predikant van de Metropolitan Tabernacle in London, niet alleen een afwijkende doopvisie had, maar ook een afwijkende scheppingsleer. Deze kritische lezer meende dat Spurgeon een gaptheorie (soort theïstische evolutie) voorstond.

De vraag was: “is het wel wijs om de ene dwaalleer te bestrijden met een andere door bijvoorbeeld een artikel van dr. Peter Masters, de huidige predikant van de Metropolitan Tabernacle, in Gereformeerd Venster te plaatsen?”

Andere doopvisie

Het is bekend dat niet alleen Spurgeon, maar ook John Bunyan (1628–1688), John Warburton (1776–1857) en Strict Baptists zich stellen op het standpunt van de volwassendoop, en daarmee de kinderdoop afwijzen. Ondanks deze afwijkende doopvisie, denk ik niet dat er velen zijn in de gereformeerde gezindte die de godzaligheid van deze mannen in twijfel trekken. Dat blijkt uit de vele drukken die hun boeken ontvangen, maar ook uit initiatieven zoals de John Bunyanstichting1 en de Stichting Vrienden van The Gospel Standard2. Voor laatstgenoemde stichting werk ik zelf mee aan het stichtelijke blad Metgezel. We kunnen van deze mannen leren over het bevindelijke leven met de Heere en het leven in Gods voorzienigheid.

Evolutieleer en gaptheorie

De negentiende eeuw was een tijd waarin er allerlei theorieën werden ontwikkeld over het ontstaan van de aarde. Te denken valt aan het bekende boek van de natuuronderzoeker Charles R. Darwin (1809–1882) On the origin of species, by means of natural selection (1859). De theologie vormde in dit proces van theorievorming over het ontstaan van de aarde geen uitzondering, alhoewel dit niet betekende dat men de theorie van Darwin een-op-een overnam. Spurgeon heeft het darwinisme op de hak genomen, wat laat zien dat hij deze theorie niet serieus nam. Wel geloofde hij dat de aarde aanzienlijk ouder moest zijn dan tot dan toe gedacht. Ook theologen zoals Charles Hodge (1797–1878) en Thomas Chalmers (1780–1847) dachten na over de ouderdom van de aarde en de gaptheorie (‘gap’ betekent letterlijk een gat of een kloof) waarbij er ruimte in tijd zit tussen de schepping van de aarde enerzijds en de schepping in zes dagen. Deze lezing verschilt van die van de kanttekeningen op de Statenvertaling. Daar lezen we dat de hemel en de aarde op de eerste dag geschapen zijn. In enkele preken heeft Spurgeon laten blijken dat hij tot het inzicht gekomen was van de gaptheorie. De christelijke gereformeerde theoloog Jan van Genderen (1923–2004) verwees in zijn dogmatiek ook naar het onderscheid tussen de eerste schepping (creatio prima) en de tweede schepping (creatio secunda) dat hij ontleende aan de gereformeerde theoloog Herman Bavinck (1854–1921)3:

“Of er tussen de schepping van hemel en aarde (Gen. 1:1) en de eerste dag, waarop God zei: Er zij licht (Gen. 1:3) een kortere of langere tijd lag, kan door de exegese niet beslist worden. Dat betekent, dat de aarde er al lang geweest kan zijn, voordat de mens geschapen werd.”

De gaptheorie bij Spurgeon

Spurgeon poneerde dat wij niet precies deze tijd tussen de schepping en de eerste dag weten, maar hij meende wel dat het om miljoenen jaren ging. Op 17 juni 1855 hield hij in New Park Street in London een preek over de kracht van de Heilige Geest, waarbij hij ook inging op de schepping4:

“In het tweede vers van het eerste hoofdstuk van Genesis lezen we: ‘En de aarde was zonder vorm en ledig, en duisternis lag op de bodem. En de Geest van God bewoog zich over de wateren.’ Wij weten niet hoe lang de periode van de schepping van deze aardbol geleden is – zeker vele miljoenen jaren vóór de tijd van Adam. Onze planeet heeft verschillende stadia van bestaan doorgemaakt, en op haar oppervlak hebben verschillende soorten van schepselen geleefd, die allemaal door God zijn gevormd. Maar voordat dit tijdperk aanbrak, waarin de mens de voornaamste bewoner en vorst zou zijn, gaf de Schepper de wereld over aan verwarring. Hij liet de innerlijke vuren van onderen oplaaien en alle vaste materie smelten, zodat alle soorten stoffen werden samengevoegd in één grote massa van wanorde. De enige naam die je aan de wereld kon geven, was dat het een chaotische massa materie was; wat het zou moeten zijn, kon je niet raden of definiëren. Zij was geheel ‘zonder vorm en leegte, en duisternis lag op de diepte’. De Geest kwam en strekte zijn brede vleugels uit om de duisternis te verdrijven, en terwijl Hij eroverheen bewoog, kwamen alle verschillende delen van de materie op hun plaats, en het was niet langer ‘zonder vorm en leegte’, maar het werd rond, zoals zijn zusterplaneten, en bewoog, terwijl het de hoge lof van God zong – niet disharmonisch, zoals het eerder had gedaan, maar als één grote noot in de grote schaal van de schepping.”

Diverse stadia van ontwikkeling

Spurgeon meende dat de planeet diverse stadia (various stages) heeft doorlopen, voordat God de mens schiep. Ook zouden toen al verschillende schepselen (creatures) hebben geleefd. Daarna volgde een periode waarin alles samensmolt tot een chaotische massa, waarna de Geest weer orde schiep in de chaos. Op 2 september van het jaar 1855 stelde Spurgeon opnieuw het begin van de wereld in een preek aan de orde. Hieruit zien we dat zijn gedachten op dit punt zich ontwikkeld hebben. Eerder was hij de zogeheten gaptheorie niet toegedaan. Hij zegt5:

“Kan iemand mij vertellen wanneer het begin was? Jaren geleden dachten we dat het begin van deze wereld was toen Adam daarop kwam; maar we hebben ontdekt dat God duizenden jaren daarvoor chaotische materie aan het voorbereiden was om er een geschikte woonplaats voor de mens van te maken, door er schepsels op te zetten die zouden kunnen sterven en de sporen van Zijn handwerk en wonderbaarlijke vaardigheid achterlaten, voordat Hij Zijn hand op de mens zou leggen.”

Spurgeon geen aanhanger van Darwin

Op 1 oktober 1861 gaf Spurgeon een lezing in de Metropolitan Tabernacle over de pas ontdekte Afrikaanse gorilla en zijn zogenaamde evolutionaire verwantschap met de mens. In deze lezing maakte hij goed duidelijk dat hij tegenover Darwins theorie niet geloofde in de evolutie van soorten.6 Op een vraag over evolutie antwoordde hij als volgt:

Westwood, 5 februari 1887

Geachte heer:

Bedankt voor uw uitstekende en hoffelijke brief. Ik heb veel over het onderwerp gelezen, en heb nog nooit een feit, of de staart van een feit, gezien dat wees op het ontstaan van de ene diersoort uit de andere. De theorie is vastgelegd, en feiten opgevist om het te ondersteunen. Ik geloof dat het een monsterlijke fout is in de filosofie, die binnen twintig jaar een onderwerp van spot zal zijn.

In de theologie zou de invloed ervan dodelijk zijn; en dat is alles waar ik om geef. Over de wetenschappelijke kwestie doet u er goed aan uw eigen oordeel te gebruiken.

De Heere zegene u, en leide u meer en meer in Zijn waarheid!

Van harte,

C.H. Spurgeon

Spurgeon beantwoordde ook de vraag van een theologiestudent of hij de theorie van Darwin of een andere theorie over evolutie kon aanvaarden. Dat was in de tuin van Spurgeon waar hij op vrijdag samen was met de studenten.7 Volgens Spurgeon kon de evolutietheorie niet in overeenstemming gebracht worden met de Heilige Schrift.

Evaluatie

Spurgeon was duidelijk geen aanhanger van de evolutietheorie van Darwin. Hij verwachtte niet dat deze theorie op de lange termijn houdbaar zou zijn. Toch kent zijn scheppingsleer, net als die van andere gereformeerde theologen uit de negentiende eeuw zoals Herman Bavinck, een speculatief moment. Ook van Spurgeon geldt dat hij een kind was van zijn tijd. De speculatieve lezing van Genesis 1 betekent geenszins dat we niets van hem kunnen leren. Bekend is dat Spurgeon veel heeft betekend voor de verspreiding van het evangelie, niet alleen in London, maar over heel de wereld. Velen hebben zegen ervaren door het lezen van zijn preken. Hij was een besliste verdediger van orthodox Bijbelse waarheden.8 Zo stond hij pal voor de onfeilbaarheid en inspiratie van de Heilige Schrift, het plaatsvervangende lijden van Christus en het bestaan en de eeuwigheid van de hel voor allen die geen zaligmakend geloof in Christus hebben.
© Gereformeerd Venster. Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de digitale nieuwsbrief Gereformeerd Venster. Abonneren kan via info@gereformeerdvenster.nl of www.gereformeerdvenster.nl. Een abonnee op deze nieuwsbrief is gratis!

Irenaeus van Lyon en het gezag van de Bijbel – Dr. Bart van Egmond houdt een lezing over de Vroege Kerk

Op 22 juni 2021 plaatste ‘Samen Gereformeerd’ een lezing van dr. Bart van Egmond over de Vroege Kerk. De titel van de lezing luidt: ‘Irenaeus van Lyon en het gezag van de Bijbel‘. Hieronder wordt de lezing gedeeld.

Dierenleed in katholiek perspectief – Reactie van dr. Benno Zuiddam op ‘Teeth and Talons’

Mijn eerste reactie: ik ben het eens met hoofdthesis. De overtuiging dat dierenleed “is incompatible with the belief in a benevolent God who takes care of all living beings”, wordt pas vooral een overtuiging en argument tegen God wordt na de komst van de evolutietheorie.1 Bij Darwin ging een wissel om, maar de trein komt pas later op het station. De auteur constateert terecht dat het vooral vanaf 1920 is dat het een probleem raakt. Feitelijk stamt het probleem als argument dus uit die latere tijd. Dit is niet toevallig. In de twintigste eeuw dacht men uiteindelijk de motor voor de evolutie ontdekt te hebben die bij Darwin nog ontbrak, het mechanisme waardoor het construct ook daadwerkelijk kon plaatsvinden, in de vorm van de erfelijkheidswetten van Mendel. Vanaf dat moment, en in het filosofisch klimaat van die tijd, vielen alle oude weerhouders van de fysicotheologie uit de tijd van Newton en Boyle. Er was geen Ontwerper meer nodig, maar de materie ontwierp zichzelf, als product van tijd en toeval. Richard Dawkins legt het allemaal mooi uit in zijn Blind Watchmaker.

In het klimaat van oprukkend existentialisme en democratisering en daarmee samenhangende individualisering, kwam ook de vraag die het gebrek aan ontwerp en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheid ten diepste wilde omzeilen, of vaststellen dat deze verantwoordelijkheid er niet meer was: Hoe kan God, als hij al zou bestaan, goed zijn als hij een schepping heeft gemaakt die dierenleed insloot?

Die vraag was op zich al eerder gesteld. De Griekse filosofie probeerde al duizenden jaren geleden verklaringen te geven voor de om ons heen bestaande situatie. Niet alleen van dierenleed, maar van kwaad en sterfelijkheid. Plato kerkerde de ziel, en de gnostiek beschouwde het aardse als een lagere materiële werkelijkheid. Net als stromingen in het Hindoeïsme. Het gaat erom om geestelijk hogerop te komen en uiteindelijk ook letterlijk, want hier beneden is het niet. Dat geeft aan dat er een breed draagvlak onder de religieuze en wijsgerige mens geweest is om de aarde als een aangetaste of dan toch onwenselijke sfeer te zien. Waar het onrecht en de dood heerste en de leugen triomfeerde. Het verhaal van de kleipot van Pandorra spreekt boekdelen. De enige godheid bij de Grieken die enigszins onbaatzuchtig de belangen van de arme mensheid op het oog had was Prometheus, waarbij Zeus de carnivoriteit van een roofvogel inzet om dagelijks diens lever te eten terwijl Prometheus vastgeketend is aan een rots. De carnivoor als oordeel van de goden.

Zo komen we het in de heilige boeken van het Oude en Nieuwe Testament ook tegen. Samen met andere concepten die we in onze tijd verloren lijken te hebben. Mensen en dieren niet als losstaande individuen en wezens, maar deel van een samenhang die weer in relatie staat tot de Schepper God. Daarom spreekt de Schrift van zowel berit als kosmos, van verbond en de geschapen wereld. Die eerste wereld en goede schepping zijn deel van de eerste mens, de eerste Adam als
verantwoordelijk eigenaar en hoofd. Alle dieren kent hij met name, de mens in verhouding tot de dierenwereld. De rechtvaardige die goed is voor zijn beesten. Na de zondeval wordt de kosmos van de eerste Adam getroffen door Gods vloek. De dood zul je sterven; מות māweṯ en tijdelijkheid als zwarte schaduw en bedreiging voor de mens die voor de eeuwigheid geschapen was. Bij de Ugarieten was Mot de zoon van El (לֵ א ʾēl, maar waarschijnlijk te onderscheiden van יםִ להֱ ֹא ,ʾĚlōhīm).

In de Bijbel is Mot de vloek van Elohim. Deze begint in te treden als de mens Gods bedoelingen niet langer vertrouwt en zich laat leiden door begeerte. Het schepsel zucht. Evolutionaire aanpassing bij de nieuwe gevallen leefomgeving vindt plaats. Ja ook dat bestuurt God in zijn raad. In zijn toelatende wil bestuurt hij de aarde, -laat na de zontvloed toe dat de mens ook vlees mag eten – zelfs zo dat de Heere de jonge leeuwen spijzigt te zijner tijd (Ps. 145:15-16). Zelfs in het toelaten van de dood is God rechtvaardig en bestuurt barmhartig. Daarom vervolgt de Psalmist: De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken. (vs.17) Maar het blijft Paradise lost. Dat er iets onwenselijks zit in dieren die dieren eten, blijkt tot in de spijswetten toe, niet alleen die van het Oude Testament maar ook in de Koran. Dieren die dieren eten zijn voor de mens onrein.

Dat God zijn hand niet terugtrekt maar een gevallen wereld blijft besturen, is genade en verdraagzaamheid. Zoals de zondigende mens God pijn doet, God is immers meer dan een theorie?, wordt deze gebrokenheid blijvend weerspiegeld in de gevallen kosmos. Vanaf Genesis 3 is er hoop dat het werk van de boze uiteindelijk verbrijzeld zal worden. Jesaja zingt ervan in hoofdstuk elf. Dieren die weer gewassen van het veld zullen eten in plaats van elkaar, zoals in Genesis 1. Uiteindelijk is er niets minder nodig dan wedergeboorte. Niet alleen van de mens, geestelijk en uiteindelijk ook lichamelijk op de jongste dag. Maar ook een wedergeboorte van hemel en aarde, een wederoprichting van alle dingen, een kosmos waar rechtvaardigheid zal heersen, en zoals het eschaton proclameert: de dood niet meer zal zijn. Alzo lief had God de wereld, de kosmos. In de Bijbel gaat het om heel veel meer dan de ziel van de mens.

Onwillekeurig rijst de vraag of het magistrale werk van collega Slootweg niet meer aansluiting vindt bij de gnostiek dan bij de kerkvaders. De wereld is nu eenmaal het domein van de evolutionaire wetenschap. Het min of meer eeuwig bestaan van leed en dood als scheppings- en onderhoudingsbeginselen wordt in dit boek genormaliseerd. De interpretatie van de Bijbel wordt er vervolgens bij aangepast. Die zouden we anders moeten gaan lezen. Eigenlijk sluit Slootweg hierbij volledig aan bij een deel van het christendom van mijn jeugd: de oude vrijzinnigheid.

Echter: Als de Bijbel ten diepste onhistorisch over de grote zaken van leven en dood spreekt, is zij dan nog theologisch zinvol? Het grote panorama en het “nu jaagt de dood geen angst meer aan,-ook dieren zijn bang voor de dood- want alles is voldaan” stort dan wel ineen als een vertroostend maar ten diepste onhistorisch perspectief. De dood heerste ver voor Adam en zijn dierlijke voorouders. Predatory instinct als scheppingsregel om vooruit te komen, van plankton tot in het Cambrium. Als God dieren schiep om te doden en onze voorouders dieren waren, is de verzoening in Christus dan niet overbodig, ten diepste irrationeel en de opstanding en Christelijk-Joodse eschatologie ‘wishful thinking’ dat geestelijke ondersteuning kan bieden maar natuurlijk niet letterlijk opgevat dient te worden? Kunt u nog iets met de Bergrede van iemand die claimt de Schepper van hemel en aarde te zijn als dat predation als fundamenteel scheppings- en onderhoudingselement insloot vanaf het begin? Moet u ten principale niet zeggen, sorry jongens de oprichting van de GB honderd jaar geleden was een gevolg van een achterhaald wereldbeeld en een ten diepste naïeve Schriftbeschouwing?

Ja, kennelijk is er tussen het begin van de reformatie – Luther en Calvijn en met het schuivend wereldbeeld van de 18de tot 20ste eeuwse westerse mens ook binnen het Nederlands calvinisme toch heel veel veranderd. De exegese van Luther en Calvijn is volstrekt helder. Dierenleed, in ieder geval dieren als voedsel, is een gevolg van de val van de kosmos. Het hoorde er oorspronkelijk niet bij. De vraag is dan ook of wat Slootweg als verschuivingen in de visie op dierenleed op rekening van de reformatie plaatst niet veeleer op conto van Spinoza “het boek uit de hel”, Descartes en de Verlichting geplaatst moeten worden? Als het wereldbeeld van de kerkvaders en de reformatoren achterhaald is en hun exegese niet bij de tijd, is het dan geen tijd om afscheid te nemen van dit erfgoed als iets wat wetenschappelijk en geestelijk uitgediend is?

Hoewel ik de hoofdstelling van Slootweg deel – na Darwin werd dierenleed een reden om God te betwijfelen, besef ik dat hij daarmee meer vragen oproept dan beantwoordt. Deze spanning is ook zichtbaar in het boek. Aan de ene kant worden de kerkvaders, middeleeuwse theologen en reformatoren op een minimalistische manier geïnterpreteerd zodat toch vooral dierenleed voor de zondeval geen duidelijk probleem zou zijn. Aan de andere kant laat de auteur zelf doorschemeren, tot in de samenvatting en conclusies toe, dat het toch wel de algemene opvatting van de Kerk tot aan Calvijn toe was dat er voor de zondeval geen carnivoriteit was in het dierenrijk. Hij noemt dat zelfs “de traditionele visie”.2 Met andere woorden, wat hij zegt aangetoond te hebben in de eerste hoofdstukken, heeft geen eenduidige basis in de bronnen.

Dat klopt. Wat de kerkvaders betreft, worden de noties van verbond en eschatologie en de implicaties die de vroege kerk daaraan verbond nagenoeg niet verrekend. Het doel van het verzoenend werk van de tweede Adam was de wederoprichting van alle dingen, de wereld met zichzelf verzoenende. Het is een beperkte voorstelling van zaken als gedaan wordt of slechts Irenaeus en Theofilus deze opvatting hadden. Papias baseerde zich op de leer der apostelen in zijn verwachting dat de schepping van dood en verderf bevrijd zou worden. Volgens Justinus Martyr gaat de leeuw weer gras eten zoals de os. Als Theophilus en Irenaeus zeggen dat alle dieren weer in harmonie met elkaar zullen leven, bevestigt dit dus een oud en wijd verspreid geloof dat nergens in de vroege kerk tegenspraak oproept. In het Oosten wordt dit bevestigd door Efraïm de Syriër en Johannes Damascenus. Het gaat dus om een onbestreden en in Oost en West bevestigd geloven dat we tegenkomen bij alle kerkvaders die er duidelijk over spreken. Eigenlijk logisch en wat historisch in de lijn der verwachting ligt, want vanuit de profeten en de apocalyptiek was dit een vertrouwd onderdeel van de leer.

Dat we bij de Capadosische vaderen als Basileus zowel het geloof in een vegetarisch dierenrijk bij de schepping aantreffen en de realiteit van een gevallen werkelijkheid die naar Gods raad bestuurd wordt, hoeft geen bevreemding op te roepen. Soms komen schijnbare tegenstellingen voort uit onze bril of gebrek aan verrekening van context. Dat God nu ook carnivoren spijzigt in zijn bestuur van de wereld, is bij deze kerkvaders gevolg van zijn toelating niet van zijn oorspronkelijke bedoeling. Hoewel dit voor Slootweg tegenstrijdig lijkt, levert dit Basilius en andere vaders geen spanning op en staat dit in harmonie naast Genesis 1. In de Schrift zelf ook trouwens. De psalmist onderkent dat God naar zijn raad ook nu alle dingen zo bestuurt dat de wereld niet vergaan is, maar dat zelfs de jonge leeuwen spijze mogen verwachten ter bestemder tijd. Alle ogen wachten op u Heere.

Simeon de nieuwe theoloog is van belang omdat hij het denken van alle kerkvaders heeft samengevat: de aarde was eerst onvergankelijk maar werd door de vloek vergankelijk. Als gevolg van de zonde van Adam deed de dood zijn intrede in de kosmos. Wie dit wil beperken tot een groep primaten met sterfelijke voorgangers, mag zich afvragen of hij niet uiterst vrijzinnig omgaat met de Schrift.

Bezwaarlijk in dit boek is de behandeling van Augustinus.3 Het is belangrijk om een kerkvader in context te lezen. Vooral een gigant als de bisschop van Hippo Regius. Het kan de beste overkomen, zoals St Thomas die zich voor Augustinus baseerde op een compendium van Beda en niet op de kerkvader zelf, en toen tot de conclusie kwam dat Augustinus dacht dat de onveranderlijke natuur van dieren maakte dat zij ook voor de zondeval elkaar gedood en opgegeten zouden hebben. Collega Slootweg bevindt zich dus in goed Aristoteliaans gezelschap.4 Echter, wij hebben de verzameling van MPL en moderne vertalingen van bijna al diens werk. Daarbij moeten we in context lezen. Meningen krijgen daardoor een verschillende zwaarte. Aan het eind van zijn leven loopt Augustinus al zijn eerdere opvattingen nog eens langs en verteld waar hij fout zat. Als juist in dat boek een andere opvatting klinkt, dan moet dit beschouwd worden als zijn uiteindelijke gedachte over een onderwerp: volgens Augustinus waren dieren oorspronkelijk niet geschapen om te doden.5

Waarschijnlijk was het een overreactie op zijn Manichees verleden (vegetarisch) dat Augustinus aanvankelijk dood in het dierenrijk als scheppingsmatig zag. Tegen het eind van zijn leven veranderde hij echter van gedachten. In zijn commentaar op de mededeling van Mozes dat de dieren het gras gegeven was om te eten, trekt Augustinus zijn eerdere figuurlijke opvatting van Genesis 1:29-30 terug en zegt dat er geen bezwaar is om dit letterlijk te nemen:

Nogmaals, op grond van het feit dat er viervoeters en gevleugelde wezens zijn die uitsluitend vleesetend lijken te zijn, volgt niet dat we slechts in allegorische zin kunnen interpreteren wanneer het boek Genesis stelt dat het groene gras en de fruitbomen als voedsel aan wilde dieren van elke soort worden gegeven en aan alle vogels en alle slangen.

Augustinus zegt dat dit ook nu nog het geval was geweest indien de zondeval niet had plaatsgevonden:6

Het kan immers kunnen gebeuren [indien de zondeval niet had plaatsgevonden] dat carnivoren door mensen gevoed zouden zijn met de vruchten van de aarde, als mensen, in ruil voor de gehoorzaamheid waarmee ze God hadden kunnen dienen zonder enig kwaad te doen, het recht hadden verdiend dat alle beesten en vogels die hen op elke denkbare manier zouden hebben gediend. (Retractationes 1.10.2)

Samengevat, de Kerk van alle tijden getuigt dat God de dieren niet heeft geschapen om te doden. De dood is een vloek waaraan zowel de mens als de bijbehorende kosmos onderworpen zijn en smachten naar verlossing. Sola Scriptura betekent niet existentiële individuele zingeving, het spiritueel zinvol maken van een religieuze tekst voor een geheel ander wereldbeeld. Eigenlijk moet ik bij dit thema zeggen: levensbeschouwing. Want het gaat over zaken van leven en dood. Wie Sola Scriptura samen met de Kerk van alle tijden leest, wordt gedreven door dat diepste verlangen dat ook de heiligen verhalen inspireerde. Dat God het weer goed zal maken, ook met de schepping. Wanneer dieren een band opbouwen met waarlijk heilige mensen, dan verliezen zij hun carnivore trekken. De leeuw van Hieronymus is daarvan een van de mooiste voorbeelden. Een leeuw die nog spreekt, nadat hij gestorven is.

Dit artikel is een weergave van de lezing die dr. Zuiddam hield op het symposium rondom het verschijnen van de handelseditie van het proefschrift van prof. dr. Piet Slootweg. Het artikel is met toestemming overgenomen van de auteur. Het origineel is via zijn website te raadplegen.

Voetnoten