Home » Kerkgeschiedenis

Categoriearchief: Kerkgeschiedenis

Irenaeus van Lyon en het gezag van de Bijbel – Dr. Bart van Egmond houdt een lezing over de Vroege Kerk

Op 22 juni 2021 plaatste ‘Samen Gereformeerd’ een lezing van dr. Bart van Egmond over de Vroege Kerk. De titel van de lezing luidt: ‘Irenaeus van Lyon en het gezag van de Bijbel‘. Hieronder wordt de lezing gedeeld.

Dierenleed in katholiek perspectief – Reactie van dr. Benno Zuiddam op ‘Teeth and Talons’

Mijn eerste reactie: ik ben het eens met hoofdthesis. De overtuiging dat dierenleed “is incompatible with the belief in a benevolent God who takes care of all living beings”, wordt pas vooral een overtuiging en argument tegen God wordt na de komst van de evolutietheorie.1 Bij Darwin ging een wissel om, maar de trein komt pas later op het station. De auteur constateert terecht dat het vooral vanaf 1920 is dat het een probleem raakt. Feitelijk stamt het probleem als argument dus uit die latere tijd. Dit is niet toevallig. In de twintigste eeuw dacht men uiteindelijk de motor voor de evolutie ontdekt te hebben die bij Darwin nog ontbrak, het mechanisme waardoor het construct ook daadwerkelijk kon plaatsvinden, in de vorm van de erfelijkheidswetten van Mendel. Vanaf dat moment, en in het filosofisch klimaat van die tijd, vielen alle oude weerhouders van de fysicotheologie uit de tijd van Newton en Boyle. Er was geen Ontwerper meer nodig, maar de materie ontwierp zichzelf, als product van tijd en toeval. Richard Dawkins legt het allemaal mooi uit in zijn Blind Watchmaker.

In het klimaat van oprukkend existentialisme en democratisering en daarmee samenhangende individualisering, kwam ook de vraag die het gebrek aan ontwerp en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheid ten diepste wilde omzeilen, of vaststellen dat deze verantwoordelijkheid er niet meer was: Hoe kan God, als hij al zou bestaan, goed zijn als hij een schepping heeft gemaakt die dierenleed insloot?

Die vraag was op zich al eerder gesteld. De Griekse filosofie probeerde al duizenden jaren geleden verklaringen te geven voor de om ons heen bestaande situatie. Niet alleen van dierenleed, maar van kwaad en sterfelijkheid. Plato kerkerde de ziel, en de gnostiek beschouwde het aardse als een lagere materiële werkelijkheid. Net als stromingen in het Hindoeïsme. Het gaat erom om geestelijk hogerop te komen en uiteindelijk ook letterlijk, want hier beneden is het niet. Dat geeft aan dat er een breed draagvlak onder de religieuze en wijsgerige mens geweest is om de aarde als een aangetaste of dan toch onwenselijke sfeer te zien. Waar het onrecht en de dood heerste en de leugen triomfeerde. Het verhaal van de kleipot van Pandorra spreekt boekdelen. De enige godheid bij de Grieken die enigszins onbaatzuchtig de belangen van de arme mensheid op het oog had was Prometheus, waarbij Zeus de carnivoriteit van een roofvogel inzet om dagelijks diens lever te eten terwijl Prometheus vastgeketend is aan een rots. De carnivoor als oordeel van de goden.

Zo komen we het in de heilige boeken van het Oude en Nieuwe Testament ook tegen. Samen met andere concepten die we in onze tijd verloren lijken te hebben. Mensen en dieren niet als losstaande individuen en wezens, maar deel van een samenhang die weer in relatie staat tot de Schepper God. Daarom spreekt de Schrift van zowel berit als kosmos, van verbond en de geschapen wereld. Die eerste wereld en goede schepping zijn deel van de eerste mens, de eerste Adam als
verantwoordelijk eigenaar en hoofd. Alle dieren kent hij met name, de mens in verhouding tot de dierenwereld. De rechtvaardige die goed is voor zijn beesten. Na de zondeval wordt de kosmos van de eerste Adam getroffen door Gods vloek. De dood zul je sterven; מות māweṯ en tijdelijkheid als zwarte schaduw en bedreiging voor de mens die voor de eeuwigheid geschapen was. Bij de Ugarieten was Mot de zoon van El (לֵ א ʾēl, maar waarschijnlijk te onderscheiden van יםִ להֱ ֹא ,ʾĚlōhīm).

In de Bijbel is Mot de vloek van Elohim. Deze begint in te treden als de mens Gods bedoelingen niet langer vertrouwt en zich laat leiden door begeerte. Het schepsel zucht. Evolutionaire aanpassing bij de nieuwe gevallen leefomgeving vindt plaats. Ja ook dat bestuurt God in zijn raad. In zijn toelatende wil bestuurt hij de aarde, -laat na de zontvloed toe dat de mens ook vlees mag eten – zelfs zo dat de Heere de jonge leeuwen spijzigt te zijner tijd (Ps. 145:15-16). Zelfs in het toelaten van de dood is God rechtvaardig en bestuurt barmhartig. Daarom vervolgt de Psalmist: De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken. (vs.17) Maar het blijft Paradise lost. Dat er iets onwenselijks zit in dieren die dieren eten, blijkt tot in de spijswetten toe, niet alleen die van het Oude Testament maar ook in de Koran. Dieren die dieren eten zijn voor de mens onrein.

Dat God zijn hand niet terugtrekt maar een gevallen wereld blijft besturen, is genade en verdraagzaamheid. Zoals de zondigende mens God pijn doet, God is immers meer dan een theorie?, wordt deze gebrokenheid blijvend weerspiegeld in de gevallen kosmos. Vanaf Genesis 3 is er hoop dat het werk van de boze uiteindelijk verbrijzeld zal worden. Jesaja zingt ervan in hoofdstuk elf. Dieren die weer gewassen van het veld zullen eten in plaats van elkaar, zoals in Genesis 1. Uiteindelijk is er niets minder nodig dan wedergeboorte. Niet alleen van de mens, geestelijk en uiteindelijk ook lichamelijk op de jongste dag. Maar ook een wedergeboorte van hemel en aarde, een wederoprichting van alle dingen, een kosmos waar rechtvaardigheid zal heersen, en zoals het eschaton proclameert: de dood niet meer zal zijn. Alzo lief had God de wereld, de kosmos. In de Bijbel gaat het om heel veel meer dan de ziel van de mens.

Onwillekeurig rijst de vraag of het magistrale werk van collega Slootweg niet meer aansluiting vindt bij de gnostiek dan bij de kerkvaders. De wereld is nu eenmaal het domein van de evolutionaire wetenschap. Het min of meer eeuwig bestaan van leed en dood als scheppings- en onderhoudingsbeginselen wordt in dit boek genormaliseerd. De interpretatie van de Bijbel wordt er vervolgens bij aangepast. Die zouden we anders moeten gaan lezen. Eigenlijk sluit Slootweg hierbij volledig aan bij een deel van het christendom van mijn jeugd: de oude vrijzinnigheid.

Echter: Als de Bijbel ten diepste onhistorisch over de grote zaken van leven en dood spreekt, is zij dan nog theologisch zinvol? Het grote panorama en het “nu jaagt de dood geen angst meer aan,-ook dieren zijn bang voor de dood- want alles is voldaan” stort dan wel ineen als een vertroostend maar ten diepste onhistorisch perspectief. De dood heerste ver voor Adam en zijn dierlijke voorouders. Predatory instinct als scheppingsregel om vooruit te komen, van plankton tot in het Cambrium. Als God dieren schiep om te doden en onze voorouders dieren waren, is de verzoening in Christus dan niet overbodig, ten diepste irrationeel en de opstanding en Christelijk-Joodse eschatologie ‘wishful thinking’ dat geestelijke ondersteuning kan bieden maar natuurlijk niet letterlijk opgevat dient te worden? Kunt u nog iets met de Bergrede van iemand die claimt de Schepper van hemel en aarde te zijn als dat predation als fundamenteel scheppings- en onderhoudingselement insloot vanaf het begin? Moet u ten principale niet zeggen, sorry jongens de oprichting van de GB honderd jaar geleden was een gevolg van een achterhaald wereldbeeld en een ten diepste naïeve Schriftbeschouwing?

Ja, kennelijk is er tussen het begin van de reformatie – Luther en Calvijn en met het schuivend wereldbeeld van de 18de tot 20ste eeuwse westerse mens ook binnen het Nederlands calvinisme toch heel veel veranderd. De exegese van Luther en Calvijn is volstrekt helder. Dierenleed, in ieder geval dieren als voedsel, is een gevolg van de val van de kosmos. Het hoorde er oorspronkelijk niet bij. De vraag is dan ook of wat Slootweg als verschuivingen in de visie op dierenleed op rekening van de reformatie plaatst niet veeleer op conto van Spinoza “het boek uit de hel”, Descartes en de Verlichting geplaatst moeten worden? Als het wereldbeeld van de kerkvaders en de reformatoren achterhaald is en hun exegese niet bij de tijd, is het dan geen tijd om afscheid te nemen van dit erfgoed als iets wat wetenschappelijk en geestelijk uitgediend is?

Hoewel ik de hoofdstelling van Slootweg deel – na Darwin werd dierenleed een reden om God te betwijfelen, besef ik dat hij daarmee meer vragen oproept dan beantwoordt. Deze spanning is ook zichtbaar in het boek. Aan de ene kant worden de kerkvaders, middeleeuwse theologen en reformatoren op een minimalistische manier geïnterpreteerd zodat toch vooral dierenleed voor de zondeval geen duidelijk probleem zou zijn. Aan de andere kant laat de auteur zelf doorschemeren, tot in de samenvatting en conclusies toe, dat het toch wel de algemene opvatting van de Kerk tot aan Calvijn toe was dat er voor de zondeval geen carnivoriteit was in het dierenrijk. Hij noemt dat zelfs “de traditionele visie”.2 Met andere woorden, wat hij zegt aangetoond te hebben in de eerste hoofdstukken, heeft geen eenduidige basis in de bronnen.

Dat klopt. Wat de kerkvaders betreft, worden de noties van verbond en eschatologie en de implicaties die de vroege kerk daaraan verbond nagenoeg niet verrekend. Het doel van het verzoenend werk van de tweede Adam was de wederoprichting van alle dingen, de wereld met zichzelf verzoenende. Het is een beperkte voorstelling van zaken als gedaan wordt of slechts Irenaeus en Theofilus deze opvatting hadden. Papias baseerde zich op de leer der apostelen in zijn verwachting dat de schepping van dood en verderf bevrijd zou worden. Volgens Justinus Martyr gaat de leeuw weer gras eten zoals de os. Als Theophilus en Irenaeus zeggen dat alle dieren weer in harmonie met elkaar zullen leven, bevestigt dit dus een oud en wijd verspreid geloof dat nergens in de vroege kerk tegenspraak oproept. In het Oosten wordt dit bevestigd door Efraïm de Syriër en Johannes Damascenus. Het gaat dus om een onbestreden en in Oost en West bevestigd geloven dat we tegenkomen bij alle kerkvaders die er duidelijk over spreken. Eigenlijk logisch en wat historisch in de lijn der verwachting ligt, want vanuit de profeten en de apocalyptiek was dit een vertrouwd onderdeel van de leer.

Dat we bij de Capadosische vaderen als Basileus zowel het geloof in een vegetarisch dierenrijk bij de schepping aantreffen en de realiteit van een gevallen werkelijkheid die naar Gods raad bestuurd wordt, hoeft geen bevreemding op te roepen. Soms komen schijnbare tegenstellingen voort uit onze bril of gebrek aan verrekening van context. Dat God nu ook carnivoren spijzigt in zijn bestuur van de wereld, is bij deze kerkvaders gevolg van zijn toelating niet van zijn oorspronkelijke bedoeling. Hoewel dit voor Slootweg tegenstrijdig lijkt, levert dit Basilius en andere vaders geen spanning op en staat dit in harmonie naast Genesis 1. In de Schrift zelf ook trouwens. De psalmist onderkent dat God naar zijn raad ook nu alle dingen zo bestuurt dat de wereld niet vergaan is, maar dat zelfs de jonge leeuwen spijze mogen verwachten ter bestemder tijd. Alle ogen wachten op u Heere.

Simeon de nieuwe theoloog is van belang omdat hij het denken van alle kerkvaders heeft samengevat: de aarde was eerst onvergankelijk maar werd door de vloek vergankelijk. Als gevolg van de zonde van Adam deed de dood zijn intrede in de kosmos. Wie dit wil beperken tot een groep primaten met sterfelijke voorgangers, mag zich afvragen of hij niet uiterst vrijzinnig omgaat met de Schrift.

Bezwaarlijk in dit boek is de behandeling van Augustinus.3 Het is belangrijk om een kerkvader in context te lezen. Vooral een gigant als de bisschop van Hippo Regius. Het kan de beste overkomen, zoals St Thomas die zich voor Augustinus baseerde op een compendium van Beda en niet op de kerkvader zelf, en toen tot de conclusie kwam dat Augustinus dacht dat de onveranderlijke natuur van dieren maakte dat zij ook voor de zondeval elkaar gedood en opgegeten zouden hebben. Collega Slootweg bevindt zich dus in goed Aristoteliaans gezelschap.4 Echter, wij hebben de verzameling van MPL en moderne vertalingen van bijna al diens werk. Daarbij moeten we in context lezen. Meningen krijgen daardoor een verschillende zwaarte. Aan het eind van zijn leven loopt Augustinus al zijn eerdere opvattingen nog eens langs en verteld waar hij fout zat. Als juist in dat boek een andere opvatting klinkt, dan moet dit beschouwd worden als zijn uiteindelijke gedachte over een onderwerp: volgens Augustinus waren dieren oorspronkelijk niet geschapen om te doden.5

Waarschijnlijk was het een overreactie op zijn Manichees verleden (vegetarisch) dat Augustinus aanvankelijk dood in het dierenrijk als scheppingsmatig zag. Tegen het eind van zijn leven veranderde hij echter van gedachten. In zijn commentaar op de mededeling van Mozes dat de dieren het gras gegeven was om te eten, trekt Augustinus zijn eerdere figuurlijke opvatting van Genesis 1:29-30 terug en zegt dat er geen bezwaar is om dit letterlijk te nemen:

Nogmaals, op grond van het feit dat er viervoeters en gevleugelde wezens zijn die uitsluitend vleesetend lijken te zijn, volgt niet dat we slechts in allegorische zin kunnen interpreteren wanneer het boek Genesis stelt dat het groene gras en de fruitbomen als voedsel aan wilde dieren van elke soort worden gegeven en aan alle vogels en alle slangen.

Augustinus zegt dat dit ook nu nog het geval was geweest indien de zondeval niet had plaatsgevonden:6

Het kan immers kunnen gebeuren [indien de zondeval niet had plaatsgevonden] dat carnivoren door mensen gevoed zouden zijn met de vruchten van de aarde, als mensen, in ruil voor de gehoorzaamheid waarmee ze God hadden kunnen dienen zonder enig kwaad te doen, het recht hadden verdiend dat alle beesten en vogels die hen op elke denkbare manier zouden hebben gediend. (Retractationes 1.10.2)

Samengevat, de Kerk van alle tijden getuigt dat God de dieren niet heeft geschapen om te doden. De dood is een vloek waaraan zowel de mens als de bijbehorende kosmos onderworpen zijn en smachten naar verlossing. Sola Scriptura betekent niet existentiële individuele zingeving, het spiritueel zinvol maken van een religieuze tekst voor een geheel ander wereldbeeld. Eigenlijk moet ik bij dit thema zeggen: levensbeschouwing. Want het gaat over zaken van leven en dood. Wie Sola Scriptura samen met de Kerk van alle tijden leest, wordt gedreven door dat diepste verlangen dat ook de heiligen verhalen inspireerde. Dat God het weer goed zal maken, ook met de schepping. Wanneer dieren een band opbouwen met waarlijk heilige mensen, dan verliezen zij hun carnivore trekken. De leeuw van Hieronymus is daarvan een van de mooiste voorbeelden. Een leeuw die nog spreekt, nadat hij gestorven is.

Dit artikel is een weergave van de lezing die dr. Zuiddam hield op het symposium rondom het verschijnen van de handelseditie van het proefschrift van prof. dr. Piet Slootweg. Het artikel is met toestemming overgenomen van de auteur. Het origineel is via zijn website te raadplegen.

Voetnoten

Predikanten uit de Gereformeerde Gemeente en onze vroegste geschiedenis (3) – Ds. C. Hegeman, De schat in de akker

De Schat in de akker’.1 Deze titel heeft het derde nummer in de Eskol Reeks meegekregen. Het is een preek van wijlen ds. C. Hegeman (1914-1981). De preek heeft als kerntekst Mattheüs 13:44.2 Hieronder kijken we vooral naar wat de predikant te zeggen heeft over onze vroegste geschiedenis van schepping, zondeval, zondvloed en spraakverwarring.

De (gevolgen van de) zondeval

In deze preek wordt van de bovengenoemde gebeurtenissen alleen de (gevolgen van de) zondeval beschreven. Ds. C. Hegeman geeft aan de we verloren liggen in onze ellendestaat. “De mens is vrijwillig en moedwillig van God afgevallen en de duivel toegevallen. En wij gáán niet verloren, maar wij liggen verloren in onze diepe val. Maar wij zien het niet en wij geloven het niet. Daar is een Godswonder nodig om dat te zien (…) Daar is een Godswonder voor nodig om te zien wat de mens geworden is in de diepe val. Maar de mens ligt daar verloren en hij is maar bezig op de aarde (…).3 Krachtens onze diepe val en deze ellendestaat zal een mens ‘nooit naar God vragen en naar de Heere zoeken. Maar de Heere moet uit vrije genade een mens aanslaan. Dat is een soeverein Godswerk. Dat moet een mens geschonken worden’.4In onze diepe van in Adams bondsbreuk zijn we alles kwijt. Maar de Heere heeft daar een Schat gesteld, een volkomen en een uitgewerkte zaligheid. Er is een weg der verlossing.5 We moeten volgens de predikant ‘afgesneden zijn van de oude Adam en in Christus ingelijfd zijn van Gods zijde’.6

Mozes

In orthodoxe kring wordt Mozes gezien als de auteur van de eerste vijf bijbelboeken. Net als de Evangeliën noemt ds. C. Hegeman dit ‘Mozes’. Hij noemt in deze preek de wet ‘Mozes’.7

Conclusie

De (gevolgen van de) zondeval neemt in de theologie van ds. C. Hegeman een belangrijke plaats in. De predikant wijst in de preek over de schat in de akker op het afgesneden worden van Adam en ingelijfd worden in Christus.

Voetnoten

Predikanten, theologen en andere christenen uit de 18e eeuw en onze vroegste geschiedenis (2) – Dr. Robert Traill (1793-1847), De troon der genade

De troon der genade’. In de serie ‘Bibliotheek Overjarig Koren‘ verscheen in 1988 een preek van de Ierse geestelijke dr. Robert Traill.1 Hieronder bestuderen we de preek op wat deze predikant zegt over onze vroegste geschiedenis. We doen dat in de chronologische volgorde zoals we die ook weergegeven vinden in Genesis 1-11.2

Licht van de natuur

Dr. Traill spreekt over Gods oordelen die over christenen en heidenen (ongelovigen) gaan. Hij wijst erop dat ook de heidenen kennis van God hebben door ‘het flauwe licht der natuur’. Traill op bladzijde 12: ‘Als de Heere deze oordelen over de heidenen brengt vanwege het misbruik van het flauwe licht der natuur, hoe veel te zwaarder en groter moeten de oordelen dan niet zijn voor het misbruik van het licht des Evangelies?3 Heidenen hebben dus het flauwe licht der natuur en dat kunnen ze misbruiken. Wat dit ‘licht der natuur’ inhoudt en hoe ze dat kunnen misbruiken wordt in deze preek niet uitgelegd.

Abel

Dr. Traill verwijst in de preek ook naar Hebreeën 12:24. In deze tekst wordt verwezen naar Abel uit Genesis 4.4 Hij stierf doordat zijn broer Kaïn hem doodsloeg. Wat de betekenis in deze tekst van het noemen van Abel is, wordt in deze preek door Traill niet duidelijk gemaakt.

Conclusie

Heidenen kunnen God kennen door het ‘flauwe licht der natuur’ en een tekst over Abel wordt aangehaald. Helaas blijft het bij een stelling en het citeren van de Abel-tekst en wordt dit in deze preek door Traill niet verder uitgewerkt.

Voetnoten

Slaven als zendingsterrein – Hoe de kerk sprak over mensenhandel

Ook christenen bedreven mensonterende slavernij. Tegelijk waren er die het wrede optreden veroordeelden. Toch wordt er vaak afkeurend geschreven over het racisme dat uit de vermeende christelijke superioriteit zou voortkomen. Ook voormannen van de Nadere Reformatie als Hoornbeeck en Voetius moeten het ontgelden. Terecht?

Slavernij in Brazilië. Geschilderd door Johann Moritz Rugendas in 1830. Bron: Wikipedia.

Er komt een groot onderzoek naar de rol van de kerken bij slavenhandel. Daarin staat de vraag centraal wat tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de visie van de Gereformeerde Kerk op slavernij was. De Protestantse Kerk in Nederland levert een bijdrage aan dit onderzoek. Zo’n onderzoek kan geen kwaad. We kunnen ons niet meer indenken wat de mensenhandel, het transport over zee in volgepropte schepen, het uit elkaar halen van gezinnen, de barbaarse straffen en de zware werkomstandigheden voor de slachtoffers betekenden.

Die mensonterende handel werd bedreven door christenen. Tegelijk waren er ook die dat wrede optreden afwezen en veroordeelden. Ondanks die afwijzing wordt er vaak afkeurend geschreven over de zogenoemde christelijke superioriteit waaruit racisme voortkwam. Dat is ook het geval in de onlangs verschenen bundel Slavernij en de stad Utrecht. Over de Utrechtse hoogleraren Voetius en Hoornbeeck wordt daarin op een kritische manier geschreven. Terecht?

Geestelijk welzijn

De Zierikzeese predikant Udemans (1581/1582-1649) schreef in zijn boek ‘t Geestelyck Roer van ‘t Coopmans schip dat hij de lichamelijke slavernij beschouwde als één van de gevolgen van de zondeval, waardoor elk mens slaaf van de zonde is geworden. Udemans schreef genuanceerd over slavernij. Eén van zijn stellingen was dat christenen geen medechristenen tot slaaf mochten maken of als slaaf verkopen. Bij heidenen en Turken – met de laatste bedoelde hij moslims – lag dat voor hem anders. Die mochten als slaaf gebruikt worden wanneer ze in een rechtvaardige oorlog gevangen waren genomen of door fatsoenlijke meesters verkocht waren.

Niet dat de eigenaars dan met hen konden doen wat ze wilden. Integendeel: ze waren verplicht om hen te behandelen volgens de voorschriften van de Bijbel, ‘in alle redelijkheid en vriendelijkheid’. De eigenaars moesten zorg dragen voor hun geestelijke welzijn, voor het heil van hun zielen. Als slaven slecht behandeld werden, hadden ze volgens Udemans het recht om weg te lopen. Mensen die deze gevluchten zagen, mochten hen niet naar hun meester terugbrengen.

Bijbelse waarden

Een vergelijkbare opvatting vind je bij Hoornbeeck, hoogleraar in Utrecht en later in Leiden. Ook hij keurde slavernij niet per definitie af. Als werkgevers niet op een ‘gewone’ manier aan werkkrachten konden komen, was het kopen van een slaaf volgens hem geoorloofd. Maar de eigenaar was wel verplicht om goed voor zijn slaven te zorgen. Het was hem bovendien verboden om zijn slaven aan ongelovigen te verkopen. Dat zou tegengesteld zijn aan het belangrijke doel en de opdracht van christenen om hun medemensen met het Evangelie in aanraking te brengen. Hoornbeeck was er een tegenstander van om slaven op zondag te laten werken. Dat zou in strijd zijn met het sabbatsgebod. En gehuwde slaven mochten niet afzonderlijk verkocht worden. Dat was onmenselijk.

In zijn boek over de bekering van heidenen schreef Hoornbeeck met verontwaardiging over de hardvochtige manier waarop rooms-katholieke Spanjaarden in Zuid-Amerika met de inheemse bevolking omgingen. Hij citeert in één van zijn boeken een indianenhoofdman, die een Spaanse perfect ontmoet. De hoofdman vraagt de Spanjaard wat hij komt doen. De Spanjaard antwoordt dat hij christen is, een kind van de Schepper van hemel en aarde en dat hij komt om deze gebieden de kennis van de Goddelijke wet te brengen. De hoofdman antwoordt dan: ‘Als uw God opdracht geeft om door landen van anderen te trekken en die te beroven, te verwoesten en de mensen daarin te doden, dan is het voor ons niet mogelijk in Hem of Zijn wet te geloven’. Hoornbeeck concludeerde dat het afkeurenswaardige gedrag van blanken de christelijke godsdienst verdacht maakte.

Zending

Theologen in de zeventiende en achttiende eeuw zagen dat slavernij mogelijkheden bood om mensen in contact te brengen met het Evangelie. Evenals de rooms-katholieken, die zich inspanden om hun leer te verbreiden onder de volken die zij overheersten, bedreven de protestanten zending. Bekering van zondaren was hun hoogste doel. Dat is de reden waarom Hoornbeeck zo’n uitvoerig boek schreef over zending. De titel van dit in het Latijn geschreven boek luidt: De conversione Indorum et gentilium: Over de bekering van Indiërs en heidenen.

Evangelie

Deze overtuigingen passen niet in het denken van veel 21e-eeuwse mensen, maar de mens van de zeventiende eeuw was een religieus denkend mens. In de Bijbel neemt naastenliefde een grote plaats in. Daarom schreven en spraken predikanten regelmatig in afkeurende zin over slavernij. De Middelburgse predikant Smytegelt noemde in zijn catechismusverklaring over het achtste gebod slavernij onomwonden ‘mensendiefstal’. Hij ging in dit opzicht verder dan Udemans en Hoornbeeck.

De mensen van die tijd beseften daarnaast dat de Bijbelse boodschap van zonde en genade niet alleen goed was voor mensen die trouw naar de kerk gingen, maar ook voor heidenen die nog nooit van God en Zijn gebod gehoord hadden. Ook voor hen was bekering tot God nodig. Vanuit het postmoderne denken, waarbij men ervan uitgaat dat iedereen zijn eigen waarheid heeft, is dat onbegrijpelijk. Dan komt men tot waardeoordelen, zoals in het boek Slavernij en de stad Utrecht. Daarin wordt slavernij en kolonialisme als instrumenten gezien ‘om die superieure calvinistische beschaving te verspreiden’.

Wie kennis neemt van de geschriften van predikanten die over de zending schreven, komt tot andere conclusies. Daarin kun je lezen dat ze aandrongen op een menselijke omgang met medemensen, dus ook met slaven. Evangelieverkondiging aan hen kan een middel zijn om hen te brengen van het grootste kwaad tot het hoogste goed.

Dit artikel is met toestemming uit de GezinsGids. De volledige bronvermelding luidt: Fieret, W., 2022, Slaven als zendingsterrein. Hoe de kerk sprak over mensenhandel, GezinsGids 74 (17): 46-49.

Proefschrift over Franciscus Ridderus (1620-1683) en het debat over onze vroegste geschiedenis

27 november 2008 was een heugelijke dag voor dr. Gijsbert Schaap. Om drie uur in de middag verdedigde hij aan de Theologische Universiteit Apeldoorn zijn proefschrift over Franciscus Ridderus (1620-1683).1 De theoloog deed onderzoek naar de theologie en de bronnen van deze zeventiende eeuwse geleerde en onderzocht ook zijn plaats binnen de Nadere Reformatie.2 Hieronder willen we het proefschrift bestuderen op Schriftgezag en onze vroegste geschiedenis.3

Franciscus Ridderus (1620-1683)

Wie was Franciscus Ridderus (1620-1683)? We weten niet precies wanneer en waar Franciscus Ridderus is geboren. Vermoedelijk in de maand januari 1620 in Leiden of Middelharnis. Over de jonge jaren van Ridderus weten we niet veel, wel werd hij ingeschreven als student filosofie aan de universiteit te Leiden. Op 22 oktober 1642 rondde hij zijn studie af met een verdediging van een aantal stellingen. Er is discussie over de vraag of hij gepromoveerd is of niet. Wel ontving Ridderus een eredoctoraat van de Universiteit Utrecht voor zijn wetenschappelijke werk. Hij werd predikant in de gereformeerde kerk en in 1643 beroepbaar. Van 1644 tot 1648 diende hij de gemeente van Schermerhorn. Op 19 januari 1649 werd hij verbonden aan de kerkelijke gemeente Brielle. Op 30 april 1656 preekte hij afscheid in Brielle vanwege zijn vertrek naar Rotterdam. Ridderus is tot aan zijn dood in Rotterdam gebleven. Ridderus is drie keer getrouwd geweest. Op 3 februari 1649 trouwde hij te Delft met Sara van der Mast (1620-1649). Acht maanden later verloor hij zijn vrouw. Hij hertrouwde te Brielle met Alida van Ophoven (?-±1656).Op 2 december 1659 trouwde Ridderus voor de derde maal, dit keer te Rotterdam met Anna Jansdr. van Loo (?-1710). Zij was eerder getrouwd geweest met Hendricus Goeree, predikant te Botersloot. Franciscus kreeg met die laatste vrouw drie kinderen: Anna, Johannes (die op achttienjarige leeftijd overleed) en Jacobus (die al in de kinderjaren overleden is). Franciscus overleed op 11 januari 1683.

De Bijbel en Schriftgezag

Dr. Schaap weet op bladzijde 15 te vermelden dat Franciscus Ridderus ‘altijd bijbelteksten citeert in de Statenvertaling en hoogst zelden van de uitleg van de kanttekeningen afwijkt‘.4

Ingeschapen Godskennis

In het hoofdstuk over ‘De gemeenschap met Christus‘ beschrijft dr. Schaap christelijke deugden en plichten zoals die te vinden zijn bij Ridderus. Volgens Ridderus hadden heidenvolken ook deugden. Deze deugden hebben ze uit de natuur en niet uit de genade van God. “Veel heidenen stonden in religieus en ethisch opzicht zeer hoog. Dat is, volgens Ridderus, een gevolg van het feit dat van het beeld van God in de mens nog enkele overblijfselen aanwezig zijn. Zo is het mogelijk dat onder veel volkeren dingen gezegd en gedaan zijn die verwant zijn aan het christendom, terwijl die volken nog nooit het evangelie gehoord hadden..”5 Wie zijn die heidenenvolken? Dr. Schaap legt het uit in voetnoot 34: “Ridderus bedoelt met heidenen de volken die uit Noachs drie zonen voortgekomen zijn en tot afgoderij vervallen zijn. Ze waren zonder rechte kennis van God en dus ook zonder de ware religie en hadden slechts een natuurreligie en ‘dwaze’ inzettingen van hun voorouders.” Schaap noemt het echter een raadsel hoe het mogelijk is dat deze volkeren, zoals we hierboven zien, in religieus en ethisch opzicht bijna even hoog stonden als de christenen. Schaap: “Ridderus vermoedt dat ze behalve uit de schepping, ook lering hebben weten te trekken uit hun kennis en zo hun wetten en ‘Zedenkonst’ hebben ontwikkeld. (…) Ridderus laat de mogelijkheid open dat enige tradities van de ware religie door Noach en zijn zonen aan de nakomelingen zijn overgeleverd, zodat ze onder hun nazaten nog bekend zijn. Ook is het niet onmogelijk dat verstrooide Joden weetgierige heidenen op de hoogte hebben gebracht of dat nu en dan predikanten [Leeraren] onder hen geweest zijn en hen met de ware religie hebben bekendgemaakt.” Als bron voor het bovenstaande gebruikt dr. Schaap ‘De Beschaemde Christen’ en dan het voorwoord ‘Onderrichtinge Aen den Leser‘.

Ook de hartstochten zijn de mens ingeschapen. Ridderus spreekt dan over affecten, verlangens en emoties waarbij ook de wil betrokken is. Door de zonde zijn dit verdorven lusten geworden, maar in de wedergeboorte worden de hartstochten vernieuwd.6

Winterlandschap met ijsvermaak. Geschilderd door Hendrick Avercamp, ‘de Stomme van Kampen’, rond 1608. Bron: Wikipedia.

‘Kleine IJstijd’

Bij de bespreking van staatkundige en maatschappelijke ontwikkelingen in de tijd waarin Ridderus leefde noemt dr. Schaap ook de ‘kleine ijstijd’. Volgens de theoloog was deze tijd niet alleen de Gouden eeuw, maar ook een koude eeuw. “Deze eeuw viel midden in de “Kleine ijstijd” (ca. 1430-ca. 1860). Bekend is dat overstromingen en zware stormen het land teisterden. De winters waren streng, vergezeld van veel sneeuw, en duurden tot in maart. In het midden van deze eeuw waren de winters nog relatief zacht te noemen, daarbuiten waren ze extremer. Dat betekent dat het binnenlandse scheepvaartverkeer stil lag. Velen leden onder de koude, hadden gebrek aan brandstoffen en voedsel.7 Schaap beschrijft ook andere rampen zoals pestuitbraken in steden en in dorpen. De levensverwachting, die in onze ogen al lager was, lag in dergelijke tijden nog lager. Volgens Schaap was het onder andere de slechte hygiëne die een rol speelde bij de verspreiding van ziekten.8

‘Noort-sterre’

Voor Ridderus zijn God en Zijn beloften het voorwerp van de hoop. De zeventiende eeuwse geleerde gebruikt hiervoor in het boek ‘Trappen en hinderpalen‘ een beeld uit de sterrenkunde. “Onze ziel is als de naald van het kompas die niet stilstaat dan wanneer ze de ‘Noort-sterre’ heeft gevonden.” In voetnoot 90 legt dr. Schaap uit dat dit beeld ontleend is aan de zeevaartkunde: “Men gebruikte het kompas om zich te oriënteren op het noorden, met name op de noordster.9 Door Ridderus wordt deze ster toegepast op God: “De gelovigen zoeken in hun grote benauwdheid hun rustpunt door naar de hemel te zien waar God is, zoals de trillende naald van het kompas op het noorden ziet“.10

Polaris of de poolster. Bron: Wikipedia.

Voetnoten

Creationisme officiële leer van Rooms-Katholieke Kerk

De laatste drie pausen hebben zich positief uitgelaten over de evolutietheorie. Toch is de Rooms-Katholieke Kerk officieel het creationisme toegedaan en dat zal zo blijven, stelt prof. dr. Benno Zuiddam.

Heeft paus Franciscus heimelijk afgerekend met het Bijbelse scheppingsverhaal? Is er een nieuwe officiële leer van de kerk die Genesis beziet door de bril van de evolutietheorie? Hoewel het artikel ”Herschreven schepping” (RD 25-9-2017) een andere indruk kan wekken, is het korte antwoord op deze vragen: nee.

Theïstisch evolutionisme of creationisme in de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad? Bron: Pixabay.

Er is regelmatig verwarring over de scheppingsleer van de Rooms-Katholieke Kerk. De media helpen daaraan mee. Zodra de paus iets zegt wat progressief lijkt, wordt het opgeblazen. Toen Franciscus in 2014 zei dat de big bang en evolutie prima samengaan met het Bijbelse scheppingsverhaal, leverde dat allerlei sensationele krantenkoppen op. De paus zou in het kamp van de evolutionisten zijn geland. Toch zei de paus niets anders dan zijn twee voorgangers al eerder hadden gedaan. Eigenlijk paste wat Franciscus inhoudelijk zei niet bij evolutie maar bij intelligent design. Daarover bleven de media echter stil. Men gebruikt deze paus graag voor de eigen agenda.

Nu is het inderdaad zo dat de laatste drie pausen uitspraken hebben gedaan die neigen naar het theïstisch evolutionisme. In een lezing in 1996 sprak Johannes Paulus II positieve woorden over evolutie als wetenschappelijk feit. Wat de media toen verzwegen, was dat de paus het over kosmologische evolutie had (natuurwetenschappelijke ontwikkeling van het universum). Over evolutie in biologische zin was Johannes Paulus II uiterst terughoudend en vooral kritisch. Zijn opvolger Benedictus XVI was gewoonlijk zeer diplomatiek in zijn taalgebruik en benadrukte dat evolutie een hypothese is die zijn functie vooral heeft als pragmatische theorie voor toetsbare verschijnselen.

Deze verschuiving in het persoonlijk spreken van de laatste drie hoofdbewoners van het Vaticaan heeft mede te maken met de druk van uit hun omgeving. Met name de jezuïetenorde, die grotendeels het rooms-katholieke onderwijs beheerst, speelt hierin een grote rol. Uit hun gelederen kwam Georges Lemaître, de briljante Belgische uitvinder van de big bang. Ook Pierre Teilhard de Chardin, die met zijn synthese van het christelijk geloof en de evolutietheorie veel invloed had, was jezuïet.

Verder is het voor buitenstaanders belangrijk om te beseffen dat in de Rooms-Katholieke Kerk een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen de persoonlijke mening van een paus en officiële uitspraken die hij doet als vertegenwoordiger van Christus, het magisterium. Historisch en dogmatisch gesproken is het magisterium van de Roomse Kerk het creationisme toegedaan.

De meest gedetailleerde leeruitspraak dateert van ruim honderd jaar geleden (1909). Toen sprak de Pauselijke Bijbelcommissie zich uit over de eerste hoofdstukken van Genesis. Samen met relevante gedeelten uit de encycliek Humani Generis vormt dit de laatste gezaghebbende leeruitspraak van de kerk over de evolutietheorie en Genesis. Elke rooms-katholiek die dit openlijk betwijfelt, belaadt zich krachtens een pauselijke ex-cathedra-uitspraak uit 1907 met ”culpa gravi”, ofwel doodzonde.

“Belangrijk is dat de Pauselijke Bijbelcommissie vaststelde dat de kerkvaders nagenoeg unaniem zijn in hun letterlijke interpretatie van Genesis 1-3 als een historisch gebeuren. Allen geloofden in een jonge aarde.” Bron: Pixabay.

Jonge aarde

In navolging van de apostelen, kerkvaders en concilies leert de Rooms-Katholieke Kerk dat de eerste drie hoofdstukken van Genesis een letterlijke en historische betekenis hebben. Specifiek moet elke katholiek aanvaarden als geschiedenis: de onmiddellijke schepping van de mens, de schepping van Eva uit Adam en het letterlijk gebeuren van de zondeval, de rol van de slang ingesloten. Exegeten zijn echter vrij in hun interpretatie van het woord ”dag” in Genesis. Zowel de eigenlijke (sensu proprio) als oneigenlijke betekenis (sensu improprio) is toelaatbaar, mits aan de eerder genoemde voorwaarden voldaan is.

Belangrijk is dat de Pauselijke Bijbelcommissie vaststelde dat de kerkvaders nagenoeg unaniem zijn in hun letterlijke interpretatie van Genesis 1-3 als een historisch gebeuren. Allen geloofden in een jonge aarde. Deze lijn werd voortgezet door het vierde Lateraans Concilie. De grootste geleerde van de middeleeuwen, Thomas van Aquino, leerde specifiek sensu proprio.

Deze opvatting bleef algemeen in de Rooms-Katholieke Kerk tot in de twintigste eeuw. Toen begonnen prominente wetenschappers, zoals De Chardin, mythologie in de Bijbelwetenschappen en darwinisme elders te promoten. Toch bleven de uitspraken van de Bijbelcommissie de officiële leer van de kerk. Dat bleek in 1948, toen de Franse kardinaal Suhard probeerde om de pauselijke uitspraken over Genesis te laten intrekken. Daarvan wilde het Vaticaan geenszins weten.

“Toch bleven de uitspraken van de Bijbelcommissie de officiële leer van de kerk. Dat bleek in 1948, toen de Franse kardinaal Suhard probeerde om de pauselijke uitspraken over Genesis te laten intrekken. Daarvan wilde het Vaticaan geenszins weten.” Bron: Pixabay.

Voorzichtig

De persoonlijke uitspraken van de laatste drie pausen ten gunste van theïstisch evolutionisme geven de indruk dat zij inderdaad niet langer volledig de uitspraken van de Bijbelcommissie geloven. Een goede paus maakt echter onderscheid tussen dat waar hij persoonlijk geloof aan hecht en dat wat de doorgaande en gezaghebbende leer van de apostolische kerk is. De oude leer wordt niet openlijk ontkend –welke paus wil zich trouwens schuldig maken aan doodzonde?– en men hoedt zich ervoor om niet aan voorbijgaande wetenschappelijke theorieën de status van feit of dogma te geven.

Daar zijn goede redenen voor. Als evolutie Gods scheppingsmechanisme was, dan was er voor de erfzonde geen plaats meer. Wie theïstisch evolutiegeloof aanhangt en consequent wil zijn, moet uiteindelijk zijn godsbeeld bijstellen. De god van het theïstisch evolutionisme voltrekt zijn schepping langs de weg van een eindeloze hel van lijden, dood en verderf, waaruit uiteindelijk na biljoenen jaren de mens opstaat. Op zijn best stopt God zielen in ellendige humanoïden die een kansloos begin moeten maken in een wereld die reeds lang onderworpen was aan een kosmische vloek. Dat staat theologisch mijlenver af van Genesis en de liefdevolle Vader, Die sprak dat het zeer goed was.

Het is niet te verwachten dat de officiële rooms-katholieke scheppingsleer wordt herzien. De kerk heeft daar behalve goede theologische argumenten ook kerkrechtelijke redenen voor. De scheppingsleer is niet alleen gekoppeld aan het gezag van de Schrift en de unanimiteit van de kerkvaders, maar ook aan de uitspraken van meerdere concilies en het magisterium van de kerk.

Inderdaad, creationisme is soms roomser dan de paus.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2017, Creationisme officiële leer van Rooms-Katholieke Kerk, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 47 (156): 6-7 (artikel).

‘De Kerk van alle tijden’ – Het eerste deel van de kerkgeschiedenis van dr. L. Praamsma en onze vroegste geschiedenis

Rond 1980 verscheen bij ‘Uitgeverij T. Wever’ de vierdelige kerkgeschiedenis van dr. L. Praamsma. Dr. Louis Praamsma werd geboren in 1910 en promoveerde in 1945 aan de Vrije Universiteit te Amsterdam op een proefschrift met als titel ‘Abraham Kuyper als kerkhistoricus‘. Hij was van 1936-1958 predikant van de Gereformeerde Kerken in Nederland en vertrok daarna naar Canada om te dienen in, de toen wat rechtzinnigere, Christian Reformed Church. Later werd hij hoogleraar aan het Calvin College te Grand Rapids. Hij overleed in 1984 op 74-jarige leeftijd. We bestuderen zijn omvangrijke kerkgeschiedenis op het thema ‘geloof en wetenschap’, met daaraan verbonden Schriftgezag en Schriftuitleg inzake onze vroegste geschiedenis.

Het interieur van de Cunerakerk te Rhenen. Geschilderd door Bartholomeus van Bassen in 1638. Olieverf op paneel. Het schilderij hangt in de National Gallery te Londen. Bron: Wikipedia.

Voorzichtig

Praamsma geeft in de inleiding aan dat hij uiterst voorzichtig te werk wil gaan. Enerzijds niet al te gemakkelijk oordelend (Matth. 7:1), anderzijds de geesten beproevend of ze uit God zijn (1 Joh. 4:1). Met andere woorden, moeten we elke keer weer keuzes maken. De geleerde wijst erop dat er geen neutrale geschiedeniswetenschap bestaat, ‘er heeft nog nooit een neutrale beoefening van wetenschap der kerkgeschiedenis bestaan: altijd werd en wordt ze beïnvloed door de ‘geest van de tijd’.1 In de 16e en 17e eeuw droeg de kerkgeschiedenis een polemisch karakter. In de 18e eeuw was men deze strijd moe en werd de kerkgeschiedenis pragmatischer van aard. In de 19e eeuw kwam achtereenvolgens en/of gelijktijdig het romantisch, idealistisch en evolutionair denken op. De evolutietheorie werd eerst op de geschiedenis van Israël toegepast, maar later ook op de kerkgeschiedenis. In de 20e eeuw komt n.a.v. de secularisatie de seculaire kerkgeschiedenisopvatting op.2 Kerkgeschiedenis is voor Praamsma niet zomaar geschiedenis. Nee het gaat volgens de geleerde over Gods bijzondere zorg voor Zijn volk en alle schepselen (zoals vogels en lelies3). Een fundamenteel thema onder de kerkgeschiedenis is Christus als Hoofd van de kerk. Dit is een geloofsuitspraak. Het geloofs-apriori van het beoefenen van kerkgeschiedenis. Het beoefenen van kerkgeschiedenis is geen neutrale bezigheid. Praamsma: “Wanneer de kerkhistoricus zich niet in merg en been aan het Woord verbonden weet, schrijft hij als een blinde over kleuren.”4

De volheid des tijds

Praamsma begint zijn kerkgeschiedenis met de komst van Christus. Hij spreekt de Catechismus na die erover spreekt dat ‘de Zoon van God Zich een gemeente vergadert vanaf het begin der wereld tot aan het einde‘.5 De gewijde geschiedenis noch de kerkgeschiedenis is te vatten ‘in de vormen van een door geleerde ontworpen evolutie-proces‘.6 Praamsma verwijst hierbij naar Romeinen 11: 33-34. De kerkhistoricus wijst erop dat zogenoemde 20e eeuwse progressieve christenen ‘glimlachen als ze van de maagdelijke geboorte en andere ‘mythische elementen’ van de Schrift spreken‘. De schrijver noemt dit een ‘ontstellend religieus vacuüm gepaard gaande aan een diepgaande scepsis‘.7 Dit gold ook voor het denkklimaat van de Griekse en Romeinse wijsgeren. De grote bloeitijd van de Griekse wijsbegeerte was tijdens Jezus omwandeling op aarde voorbij, en er werd veel geredetwist om detailzaken. Hoe dat ervaren werd blijkt wel uit het citaat van Lucianus op bladzijde 17:

“Verworven levensinzicht had mij overtuigd van het absurde en laag-bij-de-grondse, waarvan alle wereldse idealen doortrokken zijn. Onder de indruk hiervan dacht ik het beste te handelen door de waarheid te zoeken bij de filosofen. Ik zocht de meest prominente uit – althans te oordelen naar de ernst van hun voorkomen, de bleekheid van hun gelaatskleur en de lengte van hun baard. Ik plaatste mijzelf geheel in hun handen. Ik moest eerst een geldsom betalen, en later meer wanneer mijn opvoeding in de school der wijsheid voltooid zou zijn; ik zou onderwijs ontvangen in de ordening van het heelal. Ongelukkigerwijze slaagden zij er niet in mijn vroegere onwetendheid weg te nemen, maar brachten ze mij meer en meer in de war met hun dagelijkse stortbuien van woorden aangaande eerste en laatste dingen, atomen en ledige ruimten, dingen van inhoud en vorm. Mijn grootste moeilijkheid was dat, ofschoon ieder zijn eigen mening had en al wat ze zeiden wemelde van tegenstrijdigheden, ieder verwachtte dat ik hem geloven zou en me van de juistheid van zijn mening trachtte te overtuigen. Zo’n wijsgeer kon me dikwijls niet precies vertellen hoevel mijlen het was van Megara naar Athene, maar hij toonde niet de minste aarzeling in het bepalen van de afstand van de zon naar de maan.”

Volgens de kerkhistoricus bevinden we ons in deze tijd ook in een dergelijk vacuüm ‘zowel in religieuze als wijsgerige zin‘. We komen ook nog een derde voorbeeld tegen in deze tijd: de morele decadentie.

Wordt vervolgd.

Voetnoten

Alexander Comrie (1706-1774) en zijn proefschrift ‘De moralitatis fundamento et natura virtutis’

De theoloog Alexander Comrie, predikant te Woubrugge, studeerde in Groningen en in Leiden. Hij was een Schot van geboorte (1706), die op ongeveer 20-jarige leeftijd naar Nederland kwam. Na kort op een handelskantoor gewerkt te hebben, ging hij in Groningen theologie studeren om predikant te worden. In 1733 vertrok hij naar Leiden en volgde daar onder andere de colleges van de internationaal befaamde Willem Jacob ‘s Gravesande, die de denkbeelden van Newton in Nederland introduceerde. In 1717 begon de voormalige jurist ‘s Gravesande zijn loopbaan als hoogleraar astronomie en wiskunde, waar hij vele studenten uit binnen- en buitenland inleidde in de nieuwe experimentele natuurwetenschap in Newtoniaanse geest. Niet alleen de wiskunde en de natuurwetenschappen hadden zijn belangstelling, maar ook de ethica en de metafysica. Hij werd dan ook op 12 juli 1734 benoemd tot hoogleraar in de “gehele filosofie”. Mogelijk heeft de faam van ‘s Gravesande bij Comrie de doorslag gegeven om bij hem in de filosofie te promoveren. Dat gebeurde op 5 oktober 1734 op een dissertatie De moralitatis fundamento et natura virtutis (Over het fundament van de moraal en de natuur van de deugd). In 1735 werd Comrie bevestigd tot predikant in Woubrugge, waar hij in 1773 met emeritaat ging. Hij vertrok naar Gouda en overleed er eind 1774.

De eigenlijke tekst van Comrie’s proefschrift beslaat 17 bladzijden. Daarna volgen er, naast een lofdicht, onder het kopje Annexa, 25 stellingen over diverse filosofische onderwerpen. De stellingen 15-23 zijn gewijd aan de natuurwetenschappen. In stelling 20 komen we de naam van Newton tegen en stelling 15 verwoordt de eerste “regula philosophandi” uit Newtons Philosophiae naturalis principia mathematica. Voorafgaand aan de tekst van Comrie’s proefschrift vinden we de opdracht aan zijn weldoeners en aan de “wijd vermaarde, zeer kundige en scherpzinnige” ‘s Gravesande, zijn “allervoortreffelijkste promotor”, gevolgd door een stoet Leidse en Groningse hoogleraren. De tekst van de dissertatie bestaat uit de capita “De Moralitatis Fundamento” (p.1-9) en “De Natura Virtutis” (p.9-17). Elk hoofdstuk is onderverdeeld in twee secties (resp. pag.1-5, 5-9, 9-15, 15-17). Elke sectie bestaat uit een serie vrij korte paragrafen. Een groot aantal namen van filosofen uit de Oudheid en van eigentijdse wijsgeren passeren de revue. Opvallend is de afwezigheid van Middeleeuwse denkers.

In hoofdstuk I stelt Comrie dat hij eerst wil laten zien dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen goed en kwaad. Hij bestrijdt oude en moderne filosofen (van Plato tot Hobbes) die deugd en ondeugd koppelen aan veranderlijke wetten en regels waarin door mensen is vastgelegd wat al dan niet moreel aanvaardbaar is. Ruime aandacht krijgt de opvatting van Descartes dat goed en kwaad, orde of wet niet in de natuur gefundeerd zijn, maar uitsluitend van Gods wil afhangen. Comrie waardeert het in de Franse filosoof dat hij de moraal niet aan menselijke wetten maar aan God bindt, maar diens theologisch voluntarisme wijst hij af. Als goed en kwaad van Gods wil afhangen, zou God buiten het bestaan van de wereld om geen voorkeur hebben voor wat moreel goed is boven wat moreel verwerpelijk is. Je kunt niet alles tot Gods wil herleiden. Ook Descartes zelf herleidt immers het bestaan van God niet tot Zijn wil om te bestaan. God heeft niets willen scheppen zonder er wezenlijke eigenschappen aan te geven. De essenties van de dingen zijn dan ook eeuwig en onveranderlijk.

In hoofdstuk II definieert Comrie de deugd als het streven van een redelijk wezen om zo te handelen dat hij niet tegen ware uitspraken ingaat, die het wezen van een ding en het morele karakter van de in het ding vervatte betrekkingen uitdrukken. Liefde dient altijd de drijfveer van ons moreel handelen te zijn en dat handelen dient dan ook beoordeeld te worden naar de intentie van degene die handelt. Wanneer niet tot moreel handelen wordt overgegaan, terwijl dat wel vereist wordt, is er is sprake van zonde. Het goede en het ware zijn voor Comrie in feite synoniem. Hij levert kritiek op filosofen die deugd definiëren als betamelijkheid of als liefde tot het juiste inzicht (Geulincx). Wie met Plato de deugd omschrijft als dat wat met God overeenkomt, zal middelen moeten aanreiken om die overeenstemming te realiseren. In de laatste paragraaf ontmoeten we de theoloog-in-spe: Het komt er uiteindelijk op aan dat we in al onze levensuitingen God eren. Hem vragen we ons krachten te verlenen om te volharden in de beoefening van de deugd.

Kerkvaders kozen partij voor de dieren

Zijn dood en verderf in de dierenwereld Gods scheppingsmethode geweest of zijn ze zijn een rechtstreeks gevolg van de zondeval van de mens? Het theïstische evolutionisme van tegenwoordig gaat uit van het eerste, vooraanstaande theologen in de Vroege Kerk geloofden het laatste: ook het dierenrijk zal in de nieuwe hemel en aarde in zijn oorspronkelijke staat van vrede worden hersteld. De kerk van tegenwoordig is hierover opvallend stil.

De scheppingsleer was in de Vroege Kerk bepalend voor de manier waarop de eerste christenen tegen hun wereld aankeken, hoe ze God zagen en wat ze van Hem verwachtten voor de toekomst. Dood, kanker en verdrukking door machtigen en rijken waren volgens hen negatieve zaken, rechtstreekse gevolgen van de zondeval. De vroegste kerkvaders zouden daarom nooit geloofd hebben in de Jezus van het theïstisch evolutionisme, die schiep door miljoenen jaren van vreselijke ellende. Met Darwin zouden zij mogelijk grif de realiteit van natuurlijke selectie in haar huidige vorm om ons heen erkend hebben. Ze zouden deze zaken echter als vloek hebben bestempeld. Dat doet trouwens elk mens. Niemand is blij met ziekte, dood of keiharde competitie met concurrenten. Misschien heeft dat te maken met een natuurlijk aanvoelingsvermogen van de mens die toch naar Gods beeld geschapen is, in de zin van de Romeinenbrief.

Als theologen zich in duizend bochten moeten wringen om zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat het proces van evolutie –een fabriek van de dood die tot op heden ‘vrolijk’ door blijft draaien– toch gekarakteriseerd kan worden als een zeer goede schepping, dan getuigt dat meer van zelfhypnose dan van realiteitszin. Ook Darwin geloofde terecht niet dat de huidige schepping goed is. De vroegste kerkvaders konden daarmee ook niet uit de voeten. Met Darwin en vele anderen vandaag de dag, geven ze hun portie liever ‘aan Fikkie’ dan dat ze hun korte leven op aarde zouden wijden aan een onmachtige, wreedaardige god die een slechte schepping ”goed” noemt.

De kerkvaders Irenaeus van Lyon (ca. 180) en Theophilus van Antiochië (ca. 168) geloven dat het begin van de wereld alles te maken heeft met de christelijke toekomstverwachting. Ze zijn ervan overtuigd dat de paradijselijke staat van de dierenwereld door de zonde van Adam en Eva verloren is gegaan. Het lijden en sterven van dieren maakt geen deel uit van Gods goede schepping; dat komt in de wereld wanneer het hoofd van de schepping valt. De mens sleurt in zijn val alles mee wat zich onder zijn gezag bevindt. Beide kerkvaders verwachten dat dierenleed op de nieuwe aarde tot het verleden zal gaan behoren.

Boosdoener

De mens is in hun ogen de boosdoener. De kerk in de tijd na de apostelen windt geen doekjes om en wijst de mens aan als oorzaak van het lijden in de dierenwereld. Tegenwoordig is de kerk hierover opvallend stil. Maar een theoloog als Irenaeus laat er geen enkel misverstand over bestaan. Hij stelt dat dieren oorspronkelijk geen vlees aten. Dieren zoals de leeuw, die nu als carnivoren door het leven gaan, waren volgens hem vegetarisch geschapen.

In zijn boeken ”Tegen de ketterij” beschrijft Irenaeus dat Christus een einde gaat maken aan het dierenleed. Hij zal de oorspronkelijke goede en harmonieuze schepping herstellen. De kerkvader baseert zich daarvoor op de profetieën van Jesaja (11:6-9, 65:25).

„Ik weet dat sommigen deze teksten metaforisch laten verwijzen naar woeste mensen uit allerlei volken en achtergronden die tot geloof komen; en die vervolgens in harmonie met de rechtvaardigen leven. Hoewel dat nu plaatvindt met mensen uit allerlei naties die tot de ene leer van het geloof toetreden, zal dat niettemin in de opstanding van de rechtvaardigen gebeuren met deze dieren zelf, zoals we gezegd hebben. Want God is rijk in alle dingen. Wanneer de wereld hersteld is in zijn oorspronkelijke staat moeten alle dieren gehoorzaam en onderdanig zijn aan de mens en terugkeren naar het oorspronkelijke voedsel dat God hun gaf (Genesis 1:29 en 30; 9:3, BZ); precies zoals ze voor de ongehoorzaamheid onderdanig waren aan Adam en plantaardig voedsel aten” (Adversus Haereses 5.33).

De kerkvader beschrijft ook dat de vijandschap tussen hedendaagse carnivoren en hun prooi tot het verleden zal behoren. Een klein, weerloos jongetje zal veilig zijn tussen grote stieren en leeuwen; ze zullen zelfs doen wat hij zegt. Hoewel Irenaeus aangeeft over dingen te spreken die vanuit onze gevallen werkelijkheid moeilijk te peilen zijn, geeft hij wel aan dat het stro van de nieuwe aarde zo voedzaam zal zijn dat een leeuw er meer dan genoeg aan heeft. Irenaeus is in de tweede eeuw geen buitenbeentje met zijn scheppingsleer en eschatologie. Zijn collega-bisschop Theophilus van Antiochië denkt er hetzelfde over. Beiden zijn vooraanstaande theologen, maar ze wonen ver uit elkaar. Dat laat wel zien hoe wijd verspreid deze gedachtegang is. Uit vroege bronnen weten we dat Theophilus opziener wordt in de gemeente van Antiochië rond 168, in het achtste jaar van de regering van Marcus Aurelius. De tijd van de apostelen is voor hem net zo dichtbij als voor ons de Tweede Wereldoorlog.

Giftig

Theophilus zegt dat dieren niet slecht of giftig door God waren gemaakt. „Het woord voor wilde dieren (in het Grieks, BZ) komt doordat erop gejaagd wordt; niet dat ze in den beginne slecht of giftig zijn gemaakt, want God heeft niets slechts gemaakt, maar alle dingen goed, ja zeer goed. Het is echter de zonde van de mens die het kwade over hen heeft gebracht. Daarom, wanneer de mens zal zijn teruggekeerd tot zijn oorspronkelijke staat, en niet langer kwaad doet, dan zullen ook deze (de dieren, BZ) hersteld worden tot hun oorspronkelijke zachtaardigheid” (Ad Autolycum 2.17).

De hoofdlijn is dezelfde als bij Irenaeus: met de val van de mens valt het dierenrijk. Het ontaardt en komt terecht te midden van dood, verderf, ziekte en overleving van de sterkste. De goede schepping maakt plaats voor de vloek van natuurlijke selectie. Het is de zonde van de mens die deze vloek over de aarde heeft gebracht. Theophilus gelooft dat met de verlossing van de mens in de volheid des tijds ook de negatieve gevolgen van de zondeval voor de dierenwereld ongedaan zullen worden gemaakt.

Juist omdat de vroege christenen Gods boodschap over een goede schepping geloven, kunnen ze Hem vertrouwen voor het heden en de toekomst. Ze geloven dat Hij aan de kant staat van hen die het slachtoffer van ”natuurlijke selectie” geworden zijn: armen, weduwen en wezen. De zachtmoedigen en nederigen van geest zullen Gods zegen en de aarde beërven, niet de macht van het geld en brute kracht.

Katholiciteit

Kan de christenheid nog aanspraak maken op de katholiciteit en apostoliciteit als die zich meer laat leiden door geld, opinies van mensen en getallen dan door het Evangelie? Natuurlijke selectie heerst volop; helaas ook in de kerk. Kijk maar eens hoe het al jaren toegaat in het beroepingswerk.

Onze enige hoop is gelegen in de Heere van Zijn kerk. Hij is eschatologisch de God van armen en verdrukten, de Opener van ogen, Genezer van zieken. Hij is machtiger dan de brute evolutionistische krachten van dood en ziekte. Dat geloofden de vroege kerkvaders. De kerk van onze tijd zou er beter uitzien als de christenen in hun voetspoor zouden gaan.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2013, Kerkvaders kozen partij voor de dieren, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 43 (201): 2-3 (artikel).