Het mag niet zo zijn dat foeticide, het doden van een foetus in de baarmoeder, als een oplossing wordt aangeboden om het levend baren van een kind te voorkomen. Daarmee wordt een ethische en wettelijke grens flink overschreden.

In Medisch Contact (6-8) wordt gesteld dat abortus een recht is dat in de wet is vastgelegd. Daaruit zou een zorgplicht voortvloeien voor artsen om desgevraagd een zwangerschap tot 24 weken af te breken. Er zou echter een tekort zijn aan artsen die dat doen. Dat vraagt om goede afspraken over de uitvoer en ruimte voor artsen met gewetensbezwaren. Maar gaat het hier wel om een zorgplicht, die je door middel van een proefproject in ziekenhuizen zou kunnen bevorderen? Kun je daarmee experimenteren?
Grens overschreden
Het is namelijk een misverstand dat de zogenoemde abortusgrens van 24 weken in de wet is vastgelegd (Trouw 7-8-2026). Het staat nergens met deze precieze woorden. En daaruit kunnen dus geen rechten of (zorg)plichten volgen. De wet geeft wel uitleg aan de term ”van het leven beroven”. In artikel 82a van het Wetboek van Strafrecht staat het volgende: „Onder een ander, of een kind bij of kort na de geboorte, van het leven beroven wordt begrepen: het doden van een vrucht die naar redelijkerwijs verwacht mag worden in staat is om buiten het moederlichaam in leven te blijven.” Daarmee is dus de levensvatbaarheid van een ongeboren kind bepalend geworden.
We kennen het begrip ”late” uit de regeling voor late zwangerschapsafbreking. Deze regeling gaat in vanaf het moment waarop de duur van 24 weken zwangerschap is bereikt. En we weten dat een pasgeboren kind van 22 of 23 weken door de huidige medische zorg inmiddels levenskansen heeft.
Het mag dus niet zo zijn dat foeticide als een oplossing wordt aangeboden om het levend baren van een kind te voorkomen, zoals medisch ethicus Sanne van Hout voorstelt (Medisch Contact 6-8). Daarmee wordt een ethische en wettelijke grens flink overschreden.
Corrette Ploem wijst erop dat bij de twintigwekenecho ernstige aandoeningen van het ongeboren kind aan het licht kunnen komen. Om die reden pleit zij ervoor de mogelijkheid van abortus tot 24 weken open te houden (Trouw 6-8). Hiermee brengt ze een belangrijk onderscheid in begrippen aan. Het eerste is ”abortus”, dat onder de Wet afbreking zwangerschap valt. Daarin is de noodsituatie van de vrouw leidend. Het tweede is de ”levensvatbaarheid van het kind”. En daarin is de nood van het kind leidend.
Groot litteken
Het valt op dat we in de recente discussie nu spreken van een late abortus. In de samenleving wordt echter terecht gevoeld dat we bij een zwangerschap van 22 of 23 weken van doen hebben met een kind dat klaar is om geboren te worden. Het leeft en beweegt en doet zich voelen. De enquête van NPV – Zorg voor het leven tegen de uitbreiding van abortus in ziekenhuizen geeft daar uitdrukking aan. In slechts enkele weken werd de enquête 70.000 maal ondertekend. Het verlies van een zwangerschap en een ongeboren kind laat een groot litteken na. Bij onze samenleving als geheel, bij de betrokken zorgprofessionals, bij de naasten, maar in het bijzonder bij de aanstaande moeder.
Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Bobbink-Kaper, T., 2026, Is late abortus wettelijk recht, met zorgplicht voor artsen?, Reformatorisch Dagblad 56 (114): 22-23 (artikel).