Home » Jurisprudentie

Categoriearchief: Jurisprudentie

Citeren van Bijbelteksten is géén homohaat – Finse politica Päivi Räsänen en Lutherse bisschop dr. Juhana Pohjola vrijgesproken

Dit artikel ondergaat in de loop van de dag nog een fijnafstemming.

Op donderdagochtend 31 augustus 2023 ging de Finse aanklager in hoger beroep in de zaak Räsänen. Aanleiding was een strafklacht tegen Finse politica Päivi Räsänen omdat zij een Bijbeltekst had gedeeld via social media en in 2004 (!) een brochure had geschreven over huwelijk en seksualiteit in Bijbels perspectief.1 Vanwege het laatste werd ook de uitgever, Luthers bisschop dr. Juhana Pohjola, aangeklaagd.2 In maart 2022 werden de politica en de bisschop vrijgesproken, maar de aanklager liet het daarbij niet zitten en ging in hoger beroep.3 Vandaag, dinsdagochtend 14 november 2023, zijn zowel de Finse politica als de Lutherse bisschop opnieuw vrijgesproken van smaad tegen homoseksuelen.4

Het hoofdgebouw van de ‘Hof van Beroep’ te Helsinki. Bron: Wikipedia.

Finse aanklager

In het Reformatorisch Dagblad verschenen ten tijde van de rechtszaak uitgebreide reportages. Deze wil ik hieronder wat volgen en samenvatten. Om ten slotte op de vrijspraak terug te komen. Overigens overweeg de aanklager opnieuw in hoger beroep te gaan. In 2022 leidde deze zaak al tot een vrijspraak De Finse aanklager, Anu Mantilla, liet het er echter niet bij zitten. Mantilla zette ‘scherper dan eerder de aanval in’. Volgens Mantilla zijn de uitspraken van Räsänen duidelijk ‘denigrerend (…) tegenover homoseksuelen. Het veroordelen van homoseksuele handelingen veroordeelt homoseksuelen als mens’. De aanklager gaf ook aan dat Räsänen de Bijbel boven de Finse wet plaatst, dit zou niet geldig zijn omdat alleen de nationale wetgeving van toepassing is en geen religieus boek. Gelovigen mogen daarom op grond van de Bijbel niet alles zegen. “Het citeren van de Bijbel is niet verboden. Maar het beledigen van kwetsbare groepen wel.” De advocaat van Räsänen, Matti Sankamo, gaf aan dat de aanklager de uitspraken verkeerd weergeeft. Ook gaf Sankamo aan dat de gewraakte brochure geschreven is in 2004 en daarom zowel inhoudelijk als wetenschappelijk verouderd is.5

Eerste zittingsdag

Er waren twee zittingen in deze zaak van hoger beroep, donderdag en vrijdag. De eerste dag leverde ‘geen juridische verrassingen op’. Wat journaliste Danielle Miettinen, die een boek schreef over deze kwestie, opvalt, is dat de partijen wel scherper waren. De sfeer is echter niet agressief, maar ‘beleefd en bedaard’. Ook de advocaat, Sankamo, gaf aan geen nieuwe inzichten te hebben gehoord te opzichte van de rechtszaak in 2022. Wat opvalt is dat deze rechtszaak een enorme publiciteitstrekker is. Miettinen: “Grote media zijn aanwezig, maar er zijn ook veel andere zaken in Finland die momenteel belangstelling trekken.” De auteur denkt dat veel Finnen de uitspraken van Räsänen zullen afkeuren, maar dat zij een rechtszaak een stap te ver vinden. Ook Miettinen vindt het een absurde zaak tussen vooral ideologisch gekleurde standpunten. Bisschop Pohjola is ook droevig gestemd over deze rechtszaak en de aanklager: “Ze hecht geen waarde aan de Bijbelse openbaring dat alle mensen een intrinsieke waarde hebben als Gods schepping.6

Verlies is schade voor de Finse kerk

Bisschop dr. Juhana Pohjola gaf vrijdagavond 1 september 2023 op een persconferentie aan dat een veroordeling van Räsänen tot ondenkbare schade zou leiden voor de Finse kerk. “Onze kerk zou dan als misdadig worden gezien. Ons onderwijs zou onder verdenking komen. Om niet besmet te worden, zouden veel mensen zich van de kerk afkeren.” Daarom is het gebed van Räsänen of het hof van beroep ‘tot dezelfde conclusie komt als het hof van Helsinki’. Paul Coleman, jurist van de betrokken organisatie ADF, ziet dat de aanklacht verder gaat dan alleen het citeren van Bijbelteksten. Het volledige mensbeeld is in het geding. “Doorlopend gingen de aanklagers de discussie aan over God, de Bijbel en zonde. Stelselmatig wezen ze af dat iemands identiteit kan verschillen van zijn daden. Het is duidelijk dat daar heel veel theologie en antropologie achter zit.” Coleman geeft aan dat een eventuele uitspraak geen invloed heeft op andere landen in Europa, maar dat deze wel een ‘barometer van het juridische klimaat’. Daarom is vrijspraak ook in het belang van andere christenen in Europa.7

Dr. Juhana Pohjola

De dag voor deze gerichtsdagen stond er in het Reformatorisch Dagblad een lezenswaardig interview met de Lutherse bisschop dr. Juhana Pohjola. Bovendien een uitleg van de rechtszaak door journalist Evert van Vlastuin. Pohjola is net als Räsänen voor de rechtbank gedaagd door de aanklager. De bisschop verdedigt zowel zichzelf als zijn tegenstanders in deze zaak die hij ziet als een geestelijke strijd. “Uiteindelijk gaat het in deze zaak om wie God is.” Pohjola staat terecht om het uitgeven van de Finse brochure ‘Man en vrouw schiep Hij hen’ in 2004. Deze was geschreven door Päivi Räsänen, destijds christelijk arts en sinds 1995 parlementslid voor de christelijke partij Kristillisdemokraati (KD). De brochure is geschreven naar de inzichten van die tijd en gebruikmakend van de inzichten over homoseksualiteit in psychologische handboeken uit haar studietijd, de jaren ’80. De brochure raakte echter in de vergetelheid tot de zomer van 2019. Omdat Pohjola hoofdredacteur was van de serie brochures wordt ook hij vervolgd. Ook nu geeft Pohjola aan in de Schrift geen ruimte te zien voor praktiserende homoseksualiteit. “Gods is niet achterhaald en de scheppingsorde ook niet. Het huwelijk blijft een instelling van één man en één vrouw.” De rechtszaak gaat over man, vrouw, geschapen orde en God Zelf. “Daarom is dit een aanval op de basisovertuiging van ons christelijk geloof. Dit is een geestelijke strijd.” Pohjola geeft aan dat het klassieke christelijke begrip van seksualiteit er één is die zich ‘afspeelt binnen het huwelijk van één man en één vrouw’.8 Volgens de Bisschop is dat altijd zó geweest en zal dat ook altijd zó blijven. “Tegelijkertijd respecteren we natuurlijk ieder mens, hoe zijn geaardheid of seksuele leven er ook uitziet. Maar een christen volgt de natuurlijke orde, ook in de leer op het huwelijk. Er is geen andere optie.” Het gebed van de bisschop is dat hij een goede getuigenis zal geven en standvastig mag zijn en blijven in het geloof.9

Vrijgesproken

Vanmorgen, dinsdag 14 november 2023, liet het gerechtshof weten dat Räsänen en Pohjola vrijgesproken zijn van smaad tegen homoseksuelen. Afgelopen zaterdag berichtte het Reformatorisch Dagblad al dat vandaag de uitspraak zou worden gedaan. De krant geeft aan dat deze zaak wereldwijd als belangrijk wordt gezien voor ‘de uitingsvrijheid van christenen’.10 Nu dan dus de vrijspraak door het Hof van Beroep in de Finse hoofdstad Helsinki. De politica gaf aan dat zij erg opgelucht en God dankbaar is voor deze uitspraak. Het hof van beroep gaat mee met de gedachte dat Bijbelse termen van ‘schaamte’ en ‘zonde’ in hun religieuze context moeten worden geïnterpreteerd. De uitspraken zijn niet tegen de wet. Wel moet de Finse staat een vergoeding betalen om de onkosten van het tweetal te compenseren. De aanklager is niet tevreden en overweegt serieus om in hoger beroep te gaan bij de Hoge Raad van Finland. 11 Ook bisschop Juhana Pohjola verwacht niet dat de aanklager zich bij deze uitspraak zal neerleggen en dat het zelfs mogelijk is dat deze naar Europees niveau wordt getild. “Ook als we verder moeten naar het hooggerechtshof of naar Straatsburg, zijn we in Gods goede hand en bid ik dat dit Zijn goede bedoelingen in Finland zal dienen. We zijn bereid er helemaal voor te gaan, omdat het voor ons niet uitmaakt of we boetes moeten betalen of schuldig worden bevonden. Het gaat hier om fundamentele vrijheden van christenen en zelfs van onze tegenstanders. Vrijheid van meningsuiting is een basisrecht voor elke burger in een beschaafd democratisch land.12 Het kan dus opnieuw een zaak worden van lange adem.

Tenslotte

Het Reformatorisch Dagblad wordt bedankt voor de uitgebreide verslaglegging die de krant gedaan heeft van deze afgelopen zaak. Het is goed dat christenen in Nederland deze zaak op de voet volgen. In de rechtszaak tegen ds. A. Kort van de Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland te Krimpen aan den IJssel hebben we gezien dat dergelijke rechtszaken ook in Nederland kunnen plaatsvinden.13 Het is verstandig om daarop voorbereid te zijn. Bij het bespreekbaar maken van zondige uitwassen van de Westerse samenleving is het goed om altijd de geschiedenis van Johannes 8 in het oog te houden. Dat stelt iedereen schuldig, maar biedt ook perspectief om te waarschuwen tegen zondige praktijken.

Voetnoten

Leven is zowel een geschenk als een recht

Iedereen heeft recht op leven, is de kernboodschap in de Week van het Leven, als reactie op de absurde wens abortus als recht te verklaren. Maar als leven een geschenk van God is, kunnen we dan zeggen dat we er recht op hebben? En een kritische vraag, misschien wat dichter bij huis: kunnen we ook spreken over recht op kinderen?

Ja, we hebben recht op leven. Dat is een mensenrecht dat God ons met het mens-zijn schonk. En we kunnen niet anders vaststellen dan dat dit recht geldt vanaf het moment van de samensmelting waarbij een nieuw mensje wordt gevormd. Een mens met het recht om geboren te worden.

Binnen de mensenrechten staat het begrip menselijke waardigheid centraal. Dit begrip is cruciaal als universeel moreel kader. Dat staat in onder meer het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Artikel 1 beschrijft de menselijke waardigheid als onschendbaar. Artikel 2 wijst erop dat iedereen recht op leven heeft.

De ontwikkeling van de mensenrechten laat iets merkwaardigs zien. Menselijke waardigheid was eerst een universele waarde die voortvloeide uit de scheppingstheologie. Later wilde men wel vasthouden aan het morele kader van de menselijke waardigheid, maar vanwege de toenemende secularisatie níet langer meer aan de christelijke onderbouwing ervan.

Geestelijk én lichamelijk

Niettemin is het begrip menselijke waardigheid nog steeds een waarde die Europa samenbindt. Het blijft daarbij waardevol om oog te houden voor de christelijke onderbouwing. Die vult namelijk precies het tekort aan in het spreken in termen van recht. De christelijke onderbouwing van de menselijke waardigheid komt voort uit het geschapen zijn naar Gods beeld. Dit betekent onder meer dat de mens een geheel vormt, een eenheid die geestelijk én lichamelijk is. Ook het lichamelijk bestaan is gewild. Dat is overigens niet alleen een scheppingsgegeven; dat Christus ook lichamelijk is opgestaan, bevestigt de schepping. Als we zeggen dat God wil dat jij als persoon bestaat, zeggen we ook dat God wil dat jouw lichaam er is. We zijn bezielde lichamen ofwel belichaamde zielen. Dat verstevigt de christelijke onderbouwing van de bewering dat elk mens recht heeft op lichamelijk bestaan, ook het ongeboren leven.

Rechten bieden een beperkt perspectief. We hebben immers ook plichten. De priester en de Leviet die de gewonde man voorbijliepen, schonden waarschijnlijk niet zijn rechten. De Samaritaan erkende echter zijn morele plicht om barmhartig te handelen. Dit onthult de beperking van de taal van ”rechten”.

De beperkte werking van het recht én de rijkdom van de christelijke visie op een menswaardig omgaan met elkaar komen indringend naar voren in Micha 6:8: „Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de Heere van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God.”

Recht op een kind

Het recht op het krijgen van een kind is niet wettelijk vastgelegd. Toch meldt Amnesty International op haar website: „Iedereen heeft het recht om te kiezen al dan niet te trouwen, een gezin te stichten en te plannen, en te beslissen of en wanneer men kinderen wil.” Hebben we werkelijk recht op een kind? Die vraag komt op verschillende manieren op ons af. Bijvoorbeeld rond draagmoederschap. Het is een politieke vraag, omdat na de verkiezingen een nieuw samengestelde Tweede Kamer zich mag buigen over een vernieuwde wet. Maatschappelijk wordt de vraag versterkt door homoparen die een (deels) genetisch eigen kind willen. Daarnaast: hebben we bij alle vruchtbaarheidstechnieken niet –onbewust– de overtuiging dat we recht hebben op een kind? Is dit ook bij een techniek als ivf niet een vooronderstelde gedachte? Ik wil beslist niet voorbijgaan aan het diepe verdriet van kinderloosheid. Maar gaat de breed levende vooronderstelling dat we recht op een kind hebben de gereformeerde gezindte voorbij?

Door de ontwikkelingen van vruchtbaarheidstechnieken en draagmoederschap moeten we ons opnieuw oriënteren op het scheppingsmodel van man en vrouw. Het ”tot één vlees zijn” is verbonden aan een huwelijksrelatie. Vruchtbaarheidstechnieken moeten ten dienste staan van deze huwelijksinstelling. Daarbij noemt de Bijbel het ontvangen van kinderen dikwijls een zegen, al wordt dit door ouders om allerlei redenen niet altijd zo ervaren. Zo ging het in het eerste gezin van de Bijbel tussen de eerste broers, Kaïn en Abel, al gruwelijk mis. Bovendien is het God die mensen de kinderzegen ook kan onthouden. God openbaart Zich als Degene Die de baarmoeder opent en sluit!

Niet op te eisen

Denken in termen van recht hebben schuurt met de overtuiging van het geschenkkarakter van het leven. In de vraagstukken rond een (gezond) kind geldt een andere benaderingswijze dan in de taal van de rechten. Het leven is niet op te eisen. Ook gezondheid is niet op te eisen. Wie zou je daar trouwens op moeten aanspreken?

Richting het leven en een gezond leven legt het christelijk perspectief een andere houding voor dan die bij opeisbaar recht hoort. Een houding van ontvankelijk zijn, ook voor het ongevraagde. Het leven is niet op te eisen, maar een geschenk van onze goede God. En juist daarom is leven –als het er eenmaal is– toch een recht!

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Alderliesten, A., 2023, Leven is zowel een geschenk als een recht, Reformatorisch Dagblad 53 (188): 32-33 (artikel).

Dr. Kinneging houdt lezing over de tijdgeest in Katwijk – Hoogleraar op 25 november 2023 D.V. in de Triumfatorkerk

In Katwijk aan Zee wordt op 25 november 2023 D.V. een interkerkelijke bezinningsochtend gehouden. Prof. dr. Andreas A.M. Kinneging geeft een lezing over de tijdgeest. Kinneging is Nederlands hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden. Hij is bekend geworden met zijn vuistdikke boek ‘De onzichtbare maat: Archeologie van goed en kwaad’ en het boek met de aansprekende titel ‘Je mag zeggen wat je denkt. Als je maar hetzelfde denkt als iedereen’.1

Praktische informatie

De bezinningsochtend start om tien uur en duurt tot twaalf uur. De zaal is open om half tien. De organisatie geeft aan dat iedereen hartelijk welkom is op deze ochtend. De toegang is vrij, wel wordt er een collecte gehouden. Het opgehaalde bedrag is bestemd voor het werk van ds. Peter Hazenoot op Aruba. Hazenoot is afkomstig uit Katwijk en is sinds 2016 als predikant verbonden aan twee gemeentes op Aruba, bovendien zet hij zich samen met zijn vrouw in voor praktische hulpverlening aan verslaafden, prostituees en daklozen van Aruba en verzorgt hij radio-uitzendingen voor een lokaal-christelijke omroep. De bijeenkomst met Kinneging hoopt plaats te vinden in de Triumfatorkerk, Piet Heinlaan 7, te Katwijk. De organisatie is in handen van een plaatselijke Evangelisatiecommissie met medewerking van verschillende Katwijkse kerken.

Inhoudelijke toelichting

Bij de uitnodiging is, door de Evangelisatiecommissie, ook een inhoudelijke toelichting op de lezing gevoegd. Hieronder willen we de tekst daarvan weergeven.

“We krijgen er allen mee te maken: de tijdgeest. Met als belangrijk kenmerk dat de rechten van het individu boven het belang van de gemeenschap worden geplaatst (individualisme). Met deze trek van de Westerse cultuur krijgen wij als burgers van Nederland en dus ook van Europa allen te maken, zij beïnvloeden ons denken en niet in het minst wordt onze overheid in haar beleid door dit denken beïnvloed. De vraag is nu in hoeverre de overheid haar denkwijze gebaseerd op de rechten van het individu mag opleggen aan bijv. kerken, scholen en gezinnen, die de Bijbelse waarden en normen tot uitgangspunt nemen. Mag de overheid in een dergelijke situatie ingrijpen in een aantal belangrijke grondrechten, zoals vrijheid van godsdienst, vrijheid van onderwijs en vrijheid van vereniging? Daarnaast kan worden afgevraagd welke bescherming de Grondwet biedt aan minderheidsgroeperingen in de Nederlandse samenleving c.q. de Europese gemeenschap. Prof. dr. Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden, heeft vorig jaar al gewaarschuwd dat “als de kerken niets doen, de Bijbel in Nederland binnen 10 jaar een verboden boek dreigt te worden.” Tijdens zijn studie van schrijvers uit de oudheid (kerkvaders, filosofen, enz.), ontdekte Kinneging tot zijn eigen verbazing dat wat dezen schreven veel meer waarde heeft dan het gedachtengoed van moderne denkers. In het bijzonder raakte hij doordrongen van het belang van deugden, zoals rechtvaardigheid, moed, matigheid, voorzichtigheid, geduld, eerlijkheid, loyaliteit, enz., bedacht in de Klassieke Oudheid en bewaard gebleven in het (katholieke) christendom. Deze deugden zijn van groot belang voor de morele opvoeding van kinderen. En die opvoeding is weer van wezenlijk belang, omdat de mens nu eenmaal uit krom hout is gesneden. Of zoals de protestanten zeggen: geneigd is tot alle kwaad. De belangrijkste kritiek van Kinneging op het denken van de Verlichting (1685 – 1815) is dan ook dat daarin het kwade in de mens wordt genegeerd, een denken dat ook de huidige Westerse cultuur sterk beïnvloedt.”

Voetnoten

‘Hoe gaan we als kerk om met bedreigingen van het ongeboren leven?’ – Stichting Schreeuw om Leven organiseert op 16 juni 2023 D.V. symposium ‘Recht op Leven’

Op vrijdagmiddag 16 juni 2023 D.V. organiseert Stichting Schreeuw om Leven het symposium ‘Recht op Leven’. Het symposium zal gehouden worden in de Sint-Janskerk te Gouda. Dit symposium staat in het teken van de verschijning van het boek ‘Recht op Leven’ van de ethicus Arthur Alderliesten (MA). Dat boek verschijnt bij Uitgeverij Brevier. De middag staat onder leiding van Frans de Koeijer. Op de flyer hieronder is meer informatie te vinden.

Abortus als mensenrecht

‘D66 wil dat toegang tot abortus een mensenrecht wordt’, kopte het RD in november vorig jaar. En de partij is niet de enige met dit standpunt. De Franse president Macron en het Europese Parlement gingen D66 al voor. Maar ook op internationaal niveau werken diverse organisaties onder aanvoering van de verdragsorganen van de Verenigde Naties (VN) al jarenlang aan een mensenrecht op abortus.

In 2022 is de Nederlandse regelgeving over de toegang tot abortus op twee punten versoepeld: huisartsen mogen de abortuspil verstrekken en de vaste beraadtermijn is afgeschaft. Daarbij kwam nog de initiatiefmotie van D66-Kamerleden Sjoerd Sjoerdsma en Wieke Paulusma in november, waarmee ze het kabinet opriepen de toegang tot abortus te verheffen tot een mensenrecht. Ze riepen het kabinet ook op om gezamenlijk met gelijkgestemde landen te pleiten voor het vastleggen van een recht op abortus in zowel het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (EU Handvest) als het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Internationale roep om abortus als mensenrecht

Het idee om van de toegang tot abortus een mensenrecht te maken is niet nieuw. Al in 1996 vond er een bijeenkomst plaats over dit onderwerp onder leiding van het VN Bevolkingsfonds, het Bureau van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten en de VN Afdeling voor de Vooruitgang van de Vrouw. Tijdens deze bijeenkomst in New York bespraken de deelnemers hoe seksuele en reproductieve rechten onderdeel konden worden van het mensenrechtenrecht. Daarmee zou abortus automatisch ook onder het mensenrechtenrecht vallen, omdat voorstanders van een recht op abortus dit recht onder seksuele en reproductieve rechten scharen. Deze visie werd overigens niet gedeeld door de hele internationale gemeenschap, en dat is nog steeds zo. Maar met de bijeenkomst omzeilden de deelnemers het langdurige en moeizame internationale proces dat gepaard gaat met het erkennen van nieuwe rechten.

Om seksuele en reproductieve rechten onderdeel te maken van het mensenrechtenrecht moesten bestaande rechten uit grote verdragen, zoals Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opnieuw geïnterpreteerd worden. Verdragen konden daardoor ook over onderwerpen en rechten gaan die nooit door de opstellers ervan besproken waren, zoals abortus.

Als gevolg van de bijeenkomst volgden de VN-verdragsorganen – die onder meer controleren of lidstaten zich houden aan de mensenrechtenverdragen en advies geven – de visie dat de toegang tot abortus onder seksuele en reproductieve rechten valt en behoort tot de mensenrechten. Ze roepen sindsdien de lidstaten dan ook op hun abortusregelgeving daarmee in lijn te brengen, bijvoorbeeld door het versoepelen van de abortusregelgeving. En in 2018 adviseerde het Mensenrechtencomité van de VN dat zwangerschapsafbreking viel onder het recht op leven. De verdragsorganen hebben echter geen juridische bindende kracht, dus zijn lidstaten niet gehouden om de uitingen van de verdragsorganen te volgen. Maar de organen hebben wel grote politieke invloed.

Inmiddels zien ook diverse grote mensenrechtenorganisaties, zoals Human Rights Watch en Amnesty International, de toegang tot abortus als een onderdeel van mensenrechten. En uit de Richtlijnen voor abortuszorg van de WHO die vorig jaar verschenen, bleek dat ook deze organisatie streeft naar een onbelemmerde toegang tot abortus. Ook op Europees niveau klinkt de roep om het vastleggen van een abortusrecht. Zo stelde president Macron in 2022 bij de start van het voorzitterschap van Frankijk van de Europese Unie voor om abortus op te nemen in het EU Handvest. En in 2021 en 2022 nam het Europees Parlement maar liefst drie resoluties aan over het recht op abortus. In de derde resolutie riepen de Europarlementariërs ook op om abortus als mensenrecht op te nemen in het EU Handvest.

Strijd met doel mensenrechten: beschermen van menselijke waardigheid

Waar de voorstanders van een mensenrecht op abortus – zoals Sjoerdsma en Paulusma – echter aan voorbij gaan, is dat het doel van mensenrechten het beschermen is van de menselijke waardigheid. Zo noemt het EU Handvest in het artikel 1 de menselijke waardigheid “onschendbaar” en iets dat “geëerbiedigd en beschermd” moet worden. Ook bepaalt dit Handvest dat “eenieder” recht op leven heeft. Abortus als mensenrecht opnemen in nota bene datzelfde document, is in mijn ogen daarmee in strijd: er is tenslotte niets waardigs aan het doden van een ander kwetsbaar mens dat zichzelf niet kan verdedigen.

Maar juridisch gezien is een en ander niet allemaal zo duidelijk: valt de ongeborene onder het Handvest? Verwijst “eenieder” ook naar een ongeboren mens? En valt een ongeborene onder het recht op leven? Daarover bestaat geen juridische consensus. En ook niet iedereen erkent een ongeborene als volwaardig mens met een recht op leven. Het antwoord op deze vragen ligt ook meer in het morele of natuurrechtelijke en wetenschappelijke domein dan in het juridische.

Ongeborene vindt beschermwaardigheid in Internationaal en Europees recht

Toch zijn het internationaal recht en de mensenrechten meer in het voordeel van onze ongeboren medemens. Binnen het internationaal en Europees recht vindt men namelijk erkenning van de menselijkheid en de beschermwaardigheid van de ongeborene. Zo bepaalt het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dat de doodstraf niet mag worden uitgevoerd op zwangere vrouwen. Men koos destijds voor deze bepaling juist vanuit humanitaire overwegingen en met oog voor het belang van het ongeboren kind.

Ook het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Oviedo Biogeneeskundeverdrag erkennen de menselijkheid van de ongeborene. Verder bieden de Verdragen van Genève een bijzondere bescherming aan zwangere vrouwen en oordeelde het Europees Hof voor de rechten van de Mens dat de embryo en foetus behoren tot het menselijk ras en dat ze bescherming verdienen uit naam van de menselijke waardigheid. Het Hof van Justitie van de Europese Unie erkende verder in zijn rechtspraak de menselijkheid en de waardigheid van de ongeborene vanaf het moment van conceptie.

En zo vreemd is dit allemaal niet: ook als een mens nog niet geboren is, maakt het deel uit van de menselijke soort. In de geest van het mensenrechtenrecht, die de waardigheid van de mens moet beschermen, kan men in mijn ogen de ongeborene hiervan niet volledig uitsluiten. Laat staan een mensenrecht creëren gericht op het doden ervan.

Geen consensus in Internationale Gemeenschap

Daarbij komt nog dat er binnen de internationale gemeenschap geen consensus bestaat over het bestaan van een recht op abortus. Dit blijkt onder meer uit de Geneva Consensus Declaration die inmiddels door meer dan dertig landen is ondertekend. De ondertekenaars verklaren vóór vrouwenrechten te zijn, maar bevestigen dat er geen internationaal recht op abortus bestaat. Het gebrek aan consensus blijkt ook uit twee belangrijke internationale afspraken over vrouwenrechten: de Programme of Action en de Beijing Declaration and Platform for Action. Hierin is afgesproken dat landen zelf hun abortuswetgeving mogen bepalen.

Tot slot: abortus is natuurlijk geen louter juridisch vraagstuk, maar vooral een ethisch vraagstuk waarop ons recht gebaseerd wordt. En of we ongeboren mensen rechten toekennen of niet, we mogen de wetenschap niet negeren dat het altijd gaat om een mens. En vanuit dat uitgangspunt dienen we in mijn ogen het (internationaal) recht toe te passen.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Leef Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Hengst, M.T., 2023, Wet afbreking zwangerschap: abortus géén recht, Leef 39 (1): 19-21 (artikel).

Kamervragen van dr. Roelof Bisschop (SGP) inzake Arubaanse cassatie beantwoord

Op 9 maart 2023 stelde dr. Roelof Bisschop (SGP) Kamervragen aan Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties drs. Alexandra C. van Huffelen (D66). Bisschop stelde de Kamervragen naar aanleiding van het bericht ‘Aruba in cassatie tegen homohuwelijk’. De SGP’er was verontrust en sprak zelfs van ideologisch kolonialisme.1 Op 3 april 2023 beantwoordde Staatssecretaris Van Huffelen de Kamervragen van Bisschop.2

Zicht op de jachthaven en Oranjestad, de hoofdstad van Aruba. Bron: Pixabay.

De staatssecretaris geeft aan bekend te zijn met de berichtgeving rond de cassatie van Aruba. Ze geeft aan dat het een legitiem middel is van de Caribische landen van het Koninkrijk der Nederlanden om in cassatie te gaan tegen de uitspraken van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie. Ze kan zich echter niet vinden in de cassatieklacht van Aruba. “De betreffende klacht heeft immers geen betrekking op een handeling door een orgaan van het Koninkrijk of van Nederland, maar ziet op de relatie tussen de Arubaanse politieke staatsmachten en de Arubaanse rechter. Het betreft dus in de kern een vraagstuk van interne machtenscheiding en niet van de autonomie van Aruba binnen het Koninkrijk.

Familierecht

De regeling van het familierecht behoort, volgens de staatssecretaris, onder het Statuut tot de autonomie van de landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. “Het Statuut schrijft voor de landen geen specifieke constitutionele ordening voor. Het primaat van de democratie en de politiek ten aanzien van keuzes rond burgerrechtelijke vraagstukken vormt in alle vier de landen evenwel een belangrijk uitgangspunt. De rechter neemt in de landen rondom dergelijke kwesties traditioneel een terughoudende plaats in en waakt ervoor om plaats te nemen op de stoel van de politieke staatsmannen.” Dit laatste was een verwijt van de Arubaanse regering aan de gerechtelijke macht. “Anders dan de Grondwet in Nederland, staan de staatsregelingen in de Caribsche landen het de rechter bovendien toe om landsverordeningen te toetsen aan grondrechten uit de staatsregeling.” Het was, volgens Van Huffelen, deze grondwettigheidstoetsing waartegen Aruba in cassatie is gegaan.

Burgerlijk recht

Op de vraag van Bisschop of de staatssecretaris met hem deelt dat het Gemeenschappelijk Hof van Justitie ‘geen opdracht heeft om een harmoniserende uitleg toe te passen die leidt tot steeds uniformere wetgeving in landen van het Koninkrijk’ geeft Van Huffelen ontkennend antwoord. Volgens haar wordt het burgerlijk recht ‘in de vier landen van het Koninkrijk zoveel mogelijk op overeenkomstige wijze geregeld’. “Het was ook niet het concordantiebeginsel dat het Gemeenschappelijk Hof ertoe bracht te besluiten het huwelijk in Aruba open te stellen voor personen van gelijk geslacht, maar het discriminatieverbod in de Arubaanse staatsregeling.” Bij toetsing aan dit verbod werden door het Gemeenschappelijke Hof de uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als inspiratiebron gebruikt. De gerechtslieden keken ook naar de jurisprudentie van het Constitutionele Hof van Zuid-Afrika en het Hooggerechtshof van de Verenigde Staten.

Homohuwelijk geen internationaal recht

De staatssecretaris erkent dat het trouwen van paren van gelijk geslacht geen internationaal recht is. “De ondergrens die in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt aangehouden, is dat partijen bij het EVRM verplicht zijn te voorzien in een vorm van geregistreerd partnerschap voor zulke paren.” Welke maatstaf er gehanteerd wordt, is volgens de staatssecretaris, aan de landen zelf om te bepalen. De ondergrens wordt in deze zaak niet bereikt, daarom komt haar verantwoordelijkheid hiervoor niet in beeld. Het Gemeenschappelijk Hof bood deze rechtsbescherming daarom niet op basis van het internationale recht. Maar, volgens Van Huffelen, op basis van het eigen Arubaanse constitutionele recht.

Respect of ideologisch kolonialisme

Van Huffelen benadrukt dat bij haar ‘respect voor het primaat van de democratie in Caribsche landen’ hoog in het vaandel staat. Ze keurt daarom Nederlandse druk, uitgeoefend door één van de parlementen, af. Ze haast zich er wel te zeggen dat dit niet wil zeggen dat Nederlandse bewindspersonen geen aandacht kunnen vragen voor dit onderwerp bij parlementariërs uit Aruba, Curaçao en/of Sint-Maarten.

Het draagvlak onder de bevolking

De staatssecretaris geeft in antwoord op de laatste vraag dat het haar niet past om ‘te reflecteren op de vraag wat het draagvlak voor een rechterlijke uitspraak is onder de bevolking van een Caribisch land’. Volgens haar is dit niet van belang, omdat dit in eerste instantie aan de rechter zelf is om te bepalen. Deze kwestie moet, volgens haar, besproken worden ‘in het publieke debat in de Caribische landen’. Wanneer de staatssecretaris gevraagd wordt om, in het kader van dialoog, met lokale vertegenwoordigers in gesprek te gaan (zoals kerken), dan geeft ze aan dat ze daartoe zeker bereid is.

Ten slotte

Na bijna een maand heeft de Staatssecretaris Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties antwoord gegeven op de Kamervragen van Roelof Bisschop. Het lijkt erop dat ze erkent dat er vanuit Nederland geen parlementaire druk uitgeoefend mag worden op andere landen binnen het Koninkrijk der Nederlanden. Ze acht het niet bezwaarlijk als Kamerleden in gesprek gaan met Caribische parlementariërs inzake deze kwestie. Het zou daarom goed zijn dat de christelijke partijen in Nederland in contact treden met de bezwaarden op Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Maar ook dat de overige bewindslieden het respecteren als de keuze van de lokale bewindslieden ‘nee’ is en niet dat deze ‘nee’ koste wat het kost langzaam (of snel) gemasseerd wordt richting een ‘ja’.

Voetnoten

Wet afbreking zwangerschap: abortus géén recht

Nu abortus en recht dikwijls in een adem worden genoemd, is het zinvol terug te gaan naar de basis van de wetgeving rond abortus. Deze is met name vastgelegd in de Wet afbreking zwangerschap (Waz). Velen – met name onder feministische, linkspolitieke en progressieve groeperingen – typeren abortus als recht. Maar deze gedachte vinden we niet terug in de Nederlandse wetgeving.

Totstandkoming van de wet

De huidige abortuswet is vanaf 1 november 1984 van kracht. Daaraan is een lang traject vooraf gegaan van maatschappelijk en politiek debat. Ongeveer een eeuw voor deze datum, in 1881, werd in Nederland het Wetboek van Strafrecht ingevoerd. De strafbaarheid van abortus was hierin vastgelegd onder de titel Misdrijven tegen het leven gericht. Niet alleen de aborteur, maar ook de vrouw die abortus veroorzaakte of met haar toestemming liet veroorzaken, was strafbaar. Algemeen werd aanvaard dat abortus slechts was toegestaan indien hiervoor een ‘medische indicatie’ aanwezig was.

Halverwege de vorige eeuw veranderde de maatschappelijke visie op zaken als seksualiteit, huwelijk, zwangerschap, anticonceptie en gezinsvorming. Jan de Bruijn, gepromoveerd op de geschiedenis van de abortuswetgeving, benoemt ook de veranderde positie van het ongeboren kind: ‘De nadruk kwam voor velen meer te liggen op een menswaardig bestaan, terwijl voorheen – onder invloed van het geloof – het leven of bestaan op zichzelf centraal stond.’1

Ook wijzigde de positie van de vrouw. Niet langer was moederschap “het hoogste goed”. Onder invloed van het zelfbeschikkingsrecht namen het welzijn en de zelfontplooiing van de vrouw een steeds belangrijkere plaats in. Deze maatschappelijke ontwikkelingen plaatsten abortus in ander perspectief. De discussie spitste zich steeds meer toe op de vraag hoe enerzijds de bescherming van de ongeboren vrucht en anderzijds het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw tegen elkaar moesten worden afgewogen.2

In combinatie met de opening van de eerste abortusklinieken in het begin van de jaren zeventig, waar het verzoek van de vrouw om abortus als uitgangspunt werd genomen3, ontstond onder invloed van deze veranderende maatschappelijk opvattingen meer ruimte voor het afbreken van zwangerschappen. De roep om legitimering van abortus zwol zowel in Nederland als breder in Europa stevig aan. Tussen 1970 en 1980 leidde het tot acht wetsvoorstellen in de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel van Ginjaar en De Ruiter werd op 18 december 1980 met nipte meerderheid aangenomen: 76 stemmen voor, 74 tegen…

Hoofdlijnen Wet Afbreking Zwangerschap

Het eerste voornaamste uitgangspunt van de Waz4 is dat abortus verboden is (de wet valt immers onder het Wetboek van Strafrecht), tenzij de vrouw zich in een noodsituatie bevindt als gevolg van een onbedoelde zwangerschap. Dan moet haar hulp worden geboden. De Waz bevat strafbepalingen die ingaan op de noodsituatie. Wat de noodsituatie echter inhoudt laat de wetgever in het ongewisse. Het besluit of er sprake is van een noodsituatie valt onder de verantwoordelijkheid van de vrouw en de arts.5 De Memorie van Toelichting op de Waz geeft aan dat zij hierbij ‘met de grootst mogelijke zorgvuldigheid zullen moeten handelen in het besef van de zware verantwoordelijkheid tegenover ongeboren menselijk leven en van de gevolgen voor de vrouw en de haren.’6 Het tweede uitgangspunt is dat het ongeboren leven bescherming toekomt.

Stem binnen juridische context

Vele christenen stonden destijds terecht op de bres om de legalisering van abortus te voorkomen. Dit protest vormde zelfs directe aanleiding voor onder meer prof. dr. G.A. Lindeboom voor de oprichting van de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind (VBOK). Het is een opmerkelijke gedachte dat het inmiddels toe te juichen zou zijn als de abortuspraktijk en het debat erover, meer het karakter rond de totstandkoming van de wet zou hebben vanwege de waardering van de waarde van het ongeboren leven dat er in doorklinkt. Respect, eerbied voor het ongeboren leven en het recht op leven zijn waarden die anno nu steeds minder gehoord en meegewogen worden. Dat is een pijnlijke constatering, maar drijft des te meer om stem te geven aan het kwetsbare, onschuldige leven, ook binnen wettelijke en juridische contexten. Dat abortus als recht niet is terug te vinden in de Nederlandse wetgeving, correspondeert met de overtuiging dat het ongeboren leven bescherming geniet. En dat moet vooral zo blijven. Het beëindigen van menselijk leven door menselijk ingrijpen is géén recht!

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Leef Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Alderliesten, A., 2023, Wet afbreking zwangerschap: abortus géén recht, Leef 39 (1): 10-11 (artikel).

Besluit rond Pro Life raakt democratische rechtsstaat

Het besluit dat Pro Life Zorgverzekeringen ook ethisch omstreden voorzieningen als abortus en euthanasie gaat vergoeden, doet veel stof opwaaien. Mensen voelen zich overvallen en genomen.

Vanuit mijn ervaring als voorzitter van de Pro Life Adviesraad wil ik mijn perspectief op organisatorische en culturele achtergronden van dit besluit schetsen. Het besluit komt niet voort uit een inhoudelijke positieverandering bij Pro Life en ook zeker niet bij de Adviesraad. Integendeel, de Adviesraad heeft in het hele traject, ook in overleg met vertegenwoordigers van Zilveren Kruis (ZK) en Achmea, consequent naar voren gebracht dat hij tegen de nu vastgestelde polisaanpassing is en dit besluit dus ernstig betreurt. Het besluit is genomen op het niveau van de moedermaatschappij Achmea, omdat daar de bevoegdheid hiertoe ligt. Het kwam tot stand na een lang traject van overleg met personen en instanties, inclusief een moreel beraad met betrokkenen.

Dat druk vanuit de politiek, maatschappelijke organisaties en (collectieve) cliënten van ZK/Achmea een belangrijke rol heeft gespeeld, is wat mij betreft onmiskenbaar. ZK/Achmea is tot de conclusie gekomen dat in het huidige maatschappelijke klimaat een basisverzekering in de zorg waarin bepaalde verrichtingen niet worden vergoed niet is te handhaven. Maar met opheffing ervan zouden individuele zorgaanbieders, vooral in de ggz, en kleinere christelijke zorgorganisaties mogelijk in de knel komen. Dit kan voor verzekerden bij Pro Life een reden zijn om vooralsnog niet naar een andere verzekeraar over te stappen. Temeer omdat juist aan abortus, de hoofdreden voor het oprichten van Pro Life, inmiddels in 90 procent van de gevallen door iedereen via belastingen meebetaald wordt (zie ook website Pro Life).

Verder bleek dat het ook in andere gevallen van uitsluitingen, zoals abortus in ziekenhuizen en ivf, door wet- en regelgeving onmogelijk is de Pro Life-voorwaarden te handhaven. Dit was voor mij wel een grote teleurstelling, maar geen reden om alle uitsluitingen dan maar te laten vervallen. In elk geval, het besluit van ZK/Achmea berust ook op een inschatting van het maatschappelijke klimaat die ook anders gemaakt kan worden. Men had juist ook kunnen opkomen voor inclusiviteit, en dan niet uitsluitend op individueel vlak maar ook voor organisaties!

Rechtsstaat

Hiermee kom ik op culturele achtergronden. Mensen verbinden hun identiteit steeds meer met hun gevoel en dan vooral met de ervaring van gekwetst worden en slachtofferschap. Ethische vragen stellen bij bepaald gedrag of bepaalde medische ingrepen wordt door mensen die zulke ingrepen wensen, geïnterpreteerd als een aanval op hun identiteit. Dan wordt ook zulk optreden van maatschappelijke organisaties volgens hun onderliggende levensbeschouwelijke en morele overtuigingen onaanvaardbaar, want kwetsend voor bepaalde medeburgers.

Opmerkelijk is dat enkele (collectieve) cliënten van ZK niet wilden dat ZK de Pro Life-polis bleef faciliteren, ook al had men zelf niet direct met Pro Life te maken. Pro Life Zorgverzekeringen mag niet bestaan en niemand mag daarvoor kiezen want haar optreden kwetst mensen. Over eigen voorkeuren omtrent levensinrichting en medische wensen kan geen discussie plaatsvinden.

Ik zie ook dat mensen soms in de knel komen door vormen van al dan niet bewuste discriminatie. Daartegen optreden is terecht. Vermijden anderen te kwetsen is goed. Maar als de ervaring van gekwetst worden bepalend wordt voor wat andere mensen en organisaties mogen zeggen en doen, dan komt onze democratische rechtsstaat onder druk. Ook vrijheid van vereniging is een grondrecht (Grondwet art. 8). Daarbij komt dat een goed functionerende democratie niet kan zonder een geheel van waardengeoriënteerde maatschappelijke organisaties. In de context van ontwikkelingssamenwerking blijkt vaak dat juist dictators zich verzetten tegen (steun aan) maatschappelijke organisaties in hun land.

De ontwikkeling doet vrezen dat Nederland op weg is naar een liberale meerderheidsdictatuur met als argument de bescherming van de (kwetsbare) identiteit van minderheden. Hier staat meer op het spel dan een bijzondere zorgpolis voor een verdachte minderheid.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Jochemsen, H., 2022, Besluit rond Pro Life raakt democratische rechtsstaat, Reformatorisch Dagblad 52 (137): 33 (artikel).

Leg Bijbelse levensvisie compleet uit aan omgeving

Velen begrijpen de Bijbelse levenshouding niet. Dat verklaart mede de maatschappelijke druk op de Schriftuurlijke visie op relaties en seksualiteit. Daarom drie aanbevelingen op basis van juridische ontwikkelingen.

“De Bijbelse visie op seksualiteit is ingebed in de levensvisie van zonde, genade en dienstbaarheid. Precies deze verantwoording zal crucialer worden als er meer procedures komen.” Bron: Pixabay.

Er zijn rechtszaken gevoerd tegen predikanten vanwege uitlatingen over homoseksualiteit. Er komt een wetsvoorstel ”strafbaarstelling van conversietherapie”, met een nog onduidelijke reikwijdte. Wat gebeurt er precies? Waar moeten we als kerken rekening mee houden? Wat kan de maatschappelijke ruimte voor Gods Woord bevorderen?

De belangrijkste aanbeveling is dat we vaak en duidelijk uitleggen hoe de Bijbelse opvatting over
seksualiteit in elkaar zit. We moeten rekening houden met veel ”religieus analfabetisme”, ook bij de overheid (zo luidt een van de conclusies in het boek ”Gescheiden Partners” van Kennedy en Rutjes). In het wetsvoorstel over conversietherapie valt bijvoorbeeld op dat de christelijke visie op seksualiteit lijkt te worden gezien als een losstaand religieus voorschrift, dat verder niet de kern van het geloof zou raken.

Het beste uit je leven

Het is ook logisch: wie als uitgangspunt hanteert dat iedereen zelf het beste uit zijn leven moet halen, kan het maar moeilijk begrijpen dat mensen vasthouden aan zo’n ”beperkend” religieus voorschrift. Dat geldt ook voor wie niet beseft dat de zonde voor elke mens innerlijke strijd moet opleveren. Los van de hele puzzel (van de christelijke levensvisie) is dit ene puzzelstukje van de visie op seksualiteit onbegrijpelijk.

Daarom is het belangrijk, ook in kerken, om nog meer aandacht te besteden aan het leggen van die hele puzzel. In begrijpelijke, niet-theologische taal. En dan niet alleen langs de smalle topkanalen van gesprekken met beleidsmakers.

Het proefschrift van Leonard van ’t Hul, ”Besloten. Politieke onderhandelingen tussen de Nederlandse overheid en religieuze organisaties, 1946-1996”, maakt duidelijk dat in die jaren het overleg achter de schermen vaak effectief was. Nu lijkt aanvullende publiéke rugdekking steeds onmisbaarder. Het begrip dat politici in een persoonlijk gesprek voor het reformatorische gedachtegoed kunnen tonen, is vaak bij hun publieke standpuntbepalingen ineens zoek. Het lijkt dus van belang om ook in publieke artikelen onvermoeibaar de Bijbelse levenshouding toe te lichten.

Die houding (heel kort samengevat) draait om afhankelijkheid (van God en van elkaar), van dienen en vertrouwen. Dat geeft invulling en een hoopvol perspectief aan het leven, voor iedereen. Want onze eigen neigingen zijn vertekend door de zonde. Dat maakt het weerstand bieden aan voor God verkeerde neigingen nodig, voor welke christen dan ook. Maar juist ook daarin is Jezus betrouwbaar, voor iedereen. Mensen ontplooien zich niet als autonome individuen, en je seksuele beleving is niet bepalend voor je identiteit. De Bijbelse visie op seksualiteit is ingebed in de levensvisie van zonde, genade en dienstbaarheid. Precies deze verantwoording zal crucialer worden als er meer procedures komen.

Voor het onderwijs bijvoorbeeld legt de regering veel nadruk op het uitgangspunt dat ”vrij onderwijs” nooit onveilig onderwijs mag zijn. Reformatorische scholen kunnen zich dan het beste verantwoorden door aan de hand van de geschetste puzzel uit te leggen dat de Bijbelse visie niet onveilig is voor lhbti-leerlingen. Van belang daarbij is ook de uitstraling van het zorgen voor en luisteren naar deze jongeren.

Publieke kansels

Ook bij de strafrechtelijke beoordeling van waarschuwingen als in de brief van ds. Kort is het uiteindelijk bepalend of deze op een begrijpelijke wijze voortvloeien uit het geheel van onze levensovertuiging. Het Hof wees de klacht tegen ds. Kort af na te hebben bezien of zijn uitspraak over de „zonden tegen de scheppingsorde” voortvloeiden uit zijn levensvisie. In het huidige juridische krachtenveld moet een beroep op de godsdienstvrijheid gepaard gaan met het inzichtelijk maken van de samenhang van geloof en leven.

Daarbij wordt ook getoetst of een uitlating niet ”onnodig grievend” is. Hiermee hangt een tweede aanbeveling samen. Vanaf kansels mogen we duidelijk en zo nodig ook scherp zijn, maar onnodig grieven is strafbaar. Overigens: zolang we beseffen dat we mede namens homoseksuelen uit eigen kring spreken, is alleen al daardoor onze woordkeus zorgvuldig.

Voor ”homofobe en transfobe haatuitingen” komt ook internationaal meer aandacht. Dat maakt het eveneens van belang om de liefdevolle intentie van de Bijbelse boodschap hoorbaar te houden.

Pastoraat

Het wetsvoorstel tegen conversietherapie probeert een bepalend onderscheid te maken tussen het ”afkeuren” van homoseksualiteit of genderexpressie en het ”helpen onderdrukken” van iemands geaardheid of genderidentiteit. Het eerste zou dan niet strafbaar moeten worden maar het tweede wel. Hoewel het voorstel vooral tegen min of meer therapeutische behandelingen is gericht, is de voorgestelde tekst erg onduidelijk over de reikwijdte van het ”helpen onderdrukken”. Ook dat onderstreept de relevantie van een duidelijke uitleg van de innerlijke strijd (met Gods Woord) tegen de zonde. Opnieuw die compleet gelegde puzzel.

Laatste aanbeveling: dit wetsvoorstel is een signaal dat pastorale gesprekken ooit in de publieke belangstelling kunnen komen. Wees er als pastor op bedacht dat dit soort gesprekken soms vragen om een goede gezamenlijke evaluatie. Als er pijnpunten zijn, laten die dan zo goed mogelijk besproken worden. Niemand wil dat er onnodig frustraties blijven zitten die later tot procedures kunnen leiden.

Vrijmoedig

Progressieve opiniemakers én de wetgeving plaatsen genderidentiteit op één lijn met geaardheid bij de vraag in hoeverre een grenzen stellende (Bijbelse) moraal geoorloofd is. In de publieke opinie is het op dit punt verder vooral stil. Alsof de meeste mensen aarzelen als het hierom gaat: het kan toch niet goed zijn (vooral als het kinderen betreft) om verwarring over het geslacht aan te moedigen? Dit onderstreept temeer het belang van een duidelijk tegengeluid, ook uit zorg voor al die kinderen die met een vrij te bepalen genderidentiteit het bos in worden gestuurd.

Hoe zit het juridisch? Mogen christelijke organisaties de Bijbelse principes over huwelijk en seksualiteit blijven benoemen? Jawel, de jurisprudentie is daar helder over. In de Gomaruscasus was het formeel onbetwist dat de school deze opvatting mag uitdragen. Bij ds. Kort is uitgesproken dat er geen strafbaar feit was en ook de zaken tegen politica Räsänen in Finland en dominee Latzel in Duitsland hadden die uitkomst. Toch is alertheid nodig: veel hangt af van de interpretatie van open begrippen als ”basiswaarden van de rechtsstaat”, ”sociale veiligheid” en ”haatuiting”. En bij rechterlijke interpretatie is de publieke opinie nooit ver weg. Daarom heeft de overheid een gezonde visie op de rechtsstaat nodig en moeten wij zo duidelijk mogelijk verantwoording afleggen van ons christelijke leven als man, vrouw, gezin en gemeenschap. Het gaat tenslotte hierom: ook nu onverhinderd en vrijmoedig het hele Woord van God kunnen spreken, voor allen, binnen en buiten de kerk.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Brink, J. van den, 2022, Leg Bijbelse levensvisie compleet uit aan omgeving, Reformatorisch Dagblad 52 (80): 26-27 (artikel).