Alex Faludy stelt dat de grootste kerken van Hongarije hun geloofwaardigheid moeten opbouwen na betrokkenheid bij een „regime dat was verwikkeld in schandalen en corruptie” (RD 28-5). Dat is geen analyse, maar framing.

Hongarije werd niet bestuurd door een regime, maar door een democratisch gekozen regering. Zo verliep de recente machtsoverdracht ordelijk en niet chaotisch, zoals critici graag voorspelden. Hierna wordt het etiket ”illiberale democratie” gemakzuchtig vertaald als ”onvrije democratie”. In werkelijkheid gaat het om een politieke koers met ruimte voor conservatisme, nationale soevereiniteit en vrijheid van meningsuiting.
Ook de kritiek op kerkfinanciering is selectief. Na 1990 schoten allerlei kerken vanwege subsidieregelingen als paddenstoelen uit de grond; in 2010 waren het er ruim 180. Dat er daarna strengere regels kwamen, was dus niet vreemd. De „duizelingwekkende” bedragen aan steun voor de kerken (1,4 procent van het bbp) klinken indrukwekkend, maar dat geld werd gebruikt voor een breed takenpakket: het onderhouden en renoveren van gebouwen, salarissen, onderwijs, ziekenhuizen en zorginstellingen. In Nederland bedragen de totale publieke uitgaven aan onderwijs en gezondheidszorg alleen al 35 tot 40 procent van het bbp. Relativering is dus op zijn plaats. Kerkelijke scholen ontvangen per leerling trouwens wel degelijk gewoon dezelfde steun als staatsinstellingen.
Het verband tussen Péter Magyars winst en bisschop Zoltán Balog wordt ondertussen wel gesuggereerd, maar niet aangetoond. Secularisatie door gestegen welvaart is minstens zo aannemelijk als oorzaak voor die winst. Veel Hongaren waarderen het juist dat Orbán liberale druk weerstond, zeker rond thema’s als lhbti-onderwijs. Wie dat negeert, beschrijft Hongarije niet, maar bestrijdt het.
Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Knap, L.H.J., 2026, Hongarije, Reformatorisch Dagblad 56 (62): 24 (artikel).