Het is vroeg! In de zaal ben ik de eerste. Het personeel is aardig, de ontvangst was allervriendelijkst. Op de speciaal voor mij gereserveerde stoel overzie ik de zee van stoelen. Zouden die straks allemaal vol zijn? Een flink aantal. Van de inhoud van de dag heb ik niet al te hoge verwachtingen. Als ik het programmaboekje overzie, constateer ik dat het vooral (niet allemaal) mensen zijn die op één of andere manier voorstander zijn van een theïstische evolutie. Wat zal de dag brengen? We gaan het zien! Ook een theïstisch evolutionist kan, al pleit deze voor Universele Gemeenschappelijke Afstamming, zeer nuttige zaken aan het licht brengen. De Heere dankbaar dat Hij deze gelegenheid en de krachten geeft om, voor mij, het eerste congres na harttransplantatie te kunnen bezoeken.

De stoelen waren inderdaad allemaal bezet. Vijfhonderd en tien mensen. Dat is een flink aantal. Complimenten voor de organisatie. Hieronder een kort verslag. Als de motivatie het toelaat en de Heere het geeft, later mogelijk een uitgebreid verslag. De dag was onderverdeeld in vier hoofdsessies met in totaal elf academici. De hoofdsessies waren ‘Van Theïsme naar Christendom’, ‘Ons lijden en Gods liefde – hoe zit dat?’ en ‘Geloof en Wetenschap – Schepping, Evolutie en Schriftgezag’ (Deel 1 en 2). Dagvoorzitter was drs. Andries Knevel, bekend EO-coryfee. Met hem, in omgang een sympathiek man, had ik vooraf nog een kort gesprek. We kwamen zo op de vraag naar academische creationisten. Waarom is de hoogbejaarde prof. dr. Willem Ouweneel uitgenodigd? Volgens Knevel omdat er geen alternatieven waren (die een tegengeluid, tegenover theïstische evolutie, zouden kunnen laten horen) en omdat Ouweneel de nestor is in het schepping/evolutie-debat. Toen ik aangaf dat er echt wel meer bètawetenschappers zijn die op zijn minst een historische Adam belijden als onze eerste voorouder en daarmee dus minimaal een gemeenschappelijke voorouder van de mens met de dieren afwijzen, geloofde hij dat niet. Elke keer als ik Andries Knevel, een zeer aardige man dat vooropgesteld, spreek gaat het gesprek ongeveer zo. A: er zijn geen wetenschappers die het klassieke scheppingsgeloof belijden. J: ze zijn er wel, er zouden bij wijze van spreken wel twintig congressen georganiseerd mee kunnen worden.1 A: Echt? Dat geloof ik niet. Maar ik neem contact met je op. Nadien: stilte. Drs. Andries Knevel is wel een hele goede dagvoorzitter. Hij houdt de regie en heeft gezag, ook als het gaat om de sprekers. Knevel gebruikt ook de nodige (kritische) humor, die nodig is om het gesprek luchtig te houden. Knevel als dagvoorzitter is dus een prima keuze. De bezoekers kwamen vooral uit de ChristenUnie-belt, zoals getoond werd op het kaartje: van Groningen tot Zeeland.
Het opstandingsargument
De eerste sessie had als thema ‘Van Theïsme naar Christendom’. Sprekers waren dr. Emanuel Rutten en prof. dr. René van Woudenberg. Rutten hield een mooi, maar bekend, betoog over het opstandingsargument. Door middel van modern historisch onderzoek ging hij op zoek naar de historische Jezus. Aangaande de opstanding schieten alle seculiere verklaringen tekort. Het verhaal van de discipelen komt nog steeds als beste uit de bus. Het opstandingsverhaal is niet zomaar een verhaal, het heeft, net als de Schrift zelf, een bovennatuurlijk karakter. Het tweede argument dat Rutten gebruikt is het dilemma-argument van de bekende apologeet C.S. Lewis. Hoe zag Jezus Zichzelf? Was Jezus Diegene Die Hij zei te zijn? Drie antwoorden zijn mogelijk: 1. Hij was een leugenaar. 2: Hij was psychisch gestoord. 3: Hij was Diegene Die Hij zei te zijn. De eerste twee stroken niet met Zijn morele leiderschap, daarom is de derde als enige mogelijkheid correct. Van Woudenberg komt met zeven stellingen over algemene en bijzondere (of speciale) openbaring. Het valt op dat Van Woudenberg moet werken aan presentatievaardigheden. De geleerde presenteerde enigszins verstrooid en hield zich maar zijdelings aan het onderwerp. Het christendom werd nauwelijks vergeleken met andere religies. Wel werd het christendom vanwege zowel de algemene als de bijzondere openbaring door Van Woudenberg als superieur gezien.
Het vraagstuk van het lijden
Volgens de dagvoorzitter is de vraag naar het lijden het kernwapen van de atheïsten. Daarover gaat de tweede sessie. Prof. dr. Wim van Vlastuin is een goede inleider van dat vraagstuk. Hij merkt op dat dit niet zozeer een rationele vraag is maar veel meer (ook bij atheïsten) een existentiële vraag. Daarom schieten alle rationele verklaringen tekort. Het klopt wat prof. Van Vlastuin hier zegt. Een atheïst schreef ooit, naar aanleiding van een aardbeving in Haïti, een artikel onder de titel: ‘De paradox van de dankende Haïtiaan’. De inhoud van het artikel ben ik vergeten, maar de titel is helder. Dat is een schijnbare tegenstrijdigheid (paradox). Voor wie gelooft is het geen échte tegenstrijdigheid. Van Vlastuin betwijfelt de stelling dat het lijden het kernwapen van de atheïst is. Geloof is niet afhankelijk van de omstandigheden. Het lijden zorgt voor een aanklevend en uitziend leven. Hij noemt enkele voorbeelden uit bevindelijk-gereformeerde hoek. De voorbeelden komen op het volgende psalmvers neer:
“Zijn machtig’ arm beschermt de vromen,
En redt hun zielen van den dood;
Hij zal hen nimmer om doen komen
In duren tijd en hongersnood.
In de grootste smarten
Blijven onze harten
In den HEER gerust;
‘k Zal Hem nooit vergeten
Hem mijn Helper heten,
Al mijn hoop en lust.”
(Psalm 33:10, naar de berijming van 1773)
Mooi dat Van Vlastuin zo vanuit de bevindelijk-gereformeerde theologie wat lijnen trekt. In het kruis komt al het kwaad en lijden samen. Dan is een dienstknecht niet meer dan zijn Heer(e), en zal deze Zijn voetstappen moeten drukken. Of zoals ons doopformulier zegt: ‘opdat zij hun kruis, Hem dagelijks navolgende, vrolijk dragen mogen, Hem aanhangende met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde’. De volgende spreker dr. Arjan Markus leest de Bijbel deels vanuit de mythologie van het Oude Nabije Oosten. Daardoor ziet hij dat kwaad altijd al in het universum aanwezig is, zelfs bij de schepping, en door God overwonnen moet worden. God voert een gevecht tegen het kwaad. Het bestaan van het kwaad is voor Markus een raadsel, hij ziet in het kruis een ‘God met littekens’. We moeten naar Jezus kijken. Een onjuiste grondgedachte zorgt, bij Markus, voor een verkeerde uitkomst. Is er in de eerste verzen van Genesis kwaad dat moet worden overwonnen? Of gaat het, althans volgens mijn voorlopige visie, meer om totale leegheid die door God wordt ingevuld. De theoloog gaat bovendien veel te snel voorbij aan de val van satan en de zondeval.
Tragisch is het verhaal van dr. Annemarie Six-Wienen. Zij heeft twee keer haar geliefde verloren. De eerste keer haar verloofde, de tweede keer haar man. Het tweede ervaringsverhaal werd verteld door Anton de Wit. Hij heeft een mooie vertelkunst en kan theatraal vertellen. De Wit is van rooms-katholieke huize, daardoor komen ook rooms-katholieke termen voorbij, zoals zaligverklaring en heiligverklaring. Maar hoe kan een zondig mens een ander zondig mens zalig en/of heilig verklaren? Dat is onmogelijk! In het derde ervaringsverhaal wordt een video van rabbijn Jacobs getoond. Hij meent dat de waaromvraag een verkeerde vraag is. We kunnen God niet begrijpen. Je kunt beter de hoe- en waartoevraag stellen dan de waaromvraag. De hoofdvraag is eerder: Hoe moeten wij omgaan met het lijden? Wat heeft Hij ons te zeggen? Wat wil Hij, de Schepper van hemel en aarde, van ons? Dat we Hem dienen. Een goed punt hoewel prof. Van Vlastuin de nutteloosheid van waaromvragen, in de vragenronde, enigszins nuanceerde, door aan te geven dat het stellen van deze vraag wel degelijk ook Bijbels is (denk maar aan een van de kruiswoorden).

Schepping en evolutie
De derde en vierde sessie hebben als thema ‘Geloof en Wetenschap – Schepping, Evolutie en Schriftgezag’. De titel van het thema dekt de lading niet helemaal. In de sessies ging het nauwelijks over Schriftgezag. Er waren vier sprekers: prof. dr. Gijsbert van den Brink, prof. dr. Ard Louis, prof. dr. Susanne van Veluw en prof. dr. Willem Ouweneel. De laatste twee waren omgedraaid ten opzichte van het programma. Zo kon Ouweneel blijven zitten op het podium ná zijn sessie. Andries Knevel had gedacht (gehoopt?) dat het pleit beslecht was, waarschijnlijk ten voordele van theïstische evolutie, én dat dit thema daarom tegenwoordig overbodig is geworden op congressen. Maar helaas bleek uit de enquête van de vorige keer dat de bezoekers het graag wél over dit thema wilden hebben. Prof. dr. Gijsbert van den Brink hield het gebruikelijke verhaal over zijn visie op schepping en evolutie. Het onderwerp heeft momenteel minder zijn interesse; hij richt zich nu meer op theologie en klimaatverandering. De zaken die de theoloog op dit congres aandroeg, zijn een herhaling waarvan veel op z’n minst is weersproken, maar weerwoorden blijven uit.2 De visie van zijn opponent, door hem het jongeaardecreationisme genoemd, wordt door de theoloog bovendien deels onjuist weergegeven. Op zijn weergave van de drie onderscheiden lagen in het evolutiedebat is best wel wat aan te merken. Prof. dr. Ard Louis hield een betoog over zelfassemblage en dat dit een aanwijzing zou zijn voor evolutie. Hij noemt dit een stochastisch mechanisme, maar deze definitie blijkt een woordspel om het woord ’toeval’ te vermijden. Creationisten zijn niet tegen evolutie, dus dit zou tot op zekere hoogte inderdaad één van de mechanismen na de zondeval kunnen zijn. Dan is het mechanisme niet toevallig, maar lijkt het toevallig. Hoe dit mechanisme zou moeten leiden tot Universele Gemeenschappelijke Afstamming werd door hem niet uitgewerkt. Als dit hét scheppingsmechanisme is achter de hele schepping (door evolutie) dan is dit, met alle respect, een belediging aan het adres van onze Schepper. Ik zal het uitleggen met een voorbeeld van de LEGO-stenen, het favoriete speelgoed van Louis. Stel: Louis heeft een zoon of dochter die speelt met de LEGO. Het kind is een aantal uren flink aan het bouwen met een bouwtekening. Als het LEGO-schip klaar is, komt vader Louis kijken. ‘Kijk, papa, hoe mooi ik dit gebouwd heb.’ Vader Louis kijkt eens goed en er komt een rimpel op zijn voorhoofd. Hij gaat dichterbij staan en zegt: ‘Nee kind, jij hebt dat echt niet gemaakt. Gisteren was ik in het lab en heb met deze LEGO-steentjes geëxperimenteerd. Via een stochastisch mechanisme heb ik een aantal blokjes aan elkaar weten te plakken. Zo werkt dat ook in de natuur. Ik denk dat je urenlang met die LEGO-doos hebt geschud…’. Het kind kijkt vader beledigd aan: ‘Niet waar, ik heb er juist veel werk aan gehad’. Vader schudt zijn hoofd, nee kind je mag van alles geloven, maar van LEGO bouwen weet je nog niets. Het kind loopt stampvoetend naar boven. Het is zo beledigd door vader dat het hem de rest van de dag niet meer aankijkt. Hoeveel te meer geldt dat voor een complex systeem zoals de hersenen als dat wordt toegeschreven aan een stochastisch mechanisme, in plaats van het ontwerp van onze Schepper. Dat is toch een belediging? Ard Louis noemde nog de 98% overeenkomst tussen mensen en chimpansees. Maar nuanceerde dat gelijk door te stellen dat het eraan ligt hoe je er naar kijkt. Inderdaad, er zijn dan verschillende percentages mogelijk. Aan het begin van zijn lezing noemde Louis een zeereptiel een dinosauriër, terwijl dat uiteraard niet correct is.
Over de hersenen gesproken. De volgende lezing was van prof. dr. Susanne van Veluw. Een aardige en intelligente hoogleraar. Ze vertelde een boeiend en interessant verhaal over haar vakgebied: onderzoek naar vasculaire dementie. Ook vertelde ze hoe geloof en wetenschap door haar gecombineerd wordt in de werkomgeving. Hersenonderzoek is zeer complex en we weten nog relatief weinig over de hersenen. Een aantal keren meende ze echter dat de hersenen geëvolueerd zijn, zó dat mensen een gemeenschappelijke voorouder delen met de kwastvinnigen. Heb haar in de Q&A de volgende vraag gesteld: ‘Hoe kan het zo zijn dat u over universele gemeenschappelijke afstamming spreekt (hersenen zijn geëvolueerd vanuit een gemeenschappelijke voorouder met de kwastvinnigen), waarbij u een plaatje toonde van een bepaald eiwit dat ook in de kwastvinnigen voorkomt, terwijl we nog maar een fractie van de werking van onze hersenen kennen?’ Ze gaf aan dat op de universiteit waar ze werkt, de natuurfilosofie van Universele Gemeenschappelijke Afstamming leidend is. Ze zag geen andere mogelijkheid. Toen ik daarop wilde reageren, zei Knevel terecht dat afspraak is dat een vraagsteller slechts één vraag mag stellen. Je kunt ook zonder uit te gaan van Universele Gemeenschappelijke Afstamming onderzoek doen naar eiwitten bij verschillende diersoorten. Dat doe je dan op basis van veronderstelde verwantschappen. Verwantschap is nog geen afstamming én ook binnen een scheppingsmozaïek is de ene diersoort meer verwant aan de andere diersoort. Het voorbeeld van Van Veluw is een duidelijk voorbeeld waarbij de natuurfilosofie van Universele Gemeenschappelijke Afstamming als raster over de onderzoeksgegevens wordt gelegd. Uit verwantschap van één eiwit volgt nog geen Universele Gemeenschappelijke Afstamming, zeker niet als we nog maar zó weinig weten over onze hersenen. Hoe meer we weten over onze hersenen, hoe groter de kloof tussen de grote apen en wij lijkt te worden. Die in de vermeende zes á zeven miljoen jaar te slechten is onmogelijk, tenzij er een wonder is gebeurd (maar daar wil de naturalist niet aan). Met recht kun je daarom spreken van theïstisch evolutionisme, een wereldbeeld dat aangeeft hoe het onderzoek moet worden geduid. Dat is een sturende beperking van vrije wetenschap, andere verklaringen worden niet meegenomen of worden zelfs niet bekeken. Daardoor kunnen er hiaten ontstaan, die bij een ruimere blik waren voorkomen. Toen een andere vraag werd gesteld over waarom de hersenen op een bepaalde wijze in elkaar zitten, gaf Van Veluw een meer correct antwoord: “Het is zo ontworpen“.
De hoogbejaarde prof. dr. Ouweneel was een luis in de pels van dit congres. Terecht gaf Andries Knevel een plaats op het congres aan deze nestor binnen het Nederlandse schepping-en-evolutie-debat. Ouweneel bekritiseerde de theorie van Universele Gemeenschappelijke Afstamming flink. Hij kan en wil een historische Adam niet opgeven en gaf ook enkele wetenschapsfilosofische lessen. Mooi was dat hij aangaf dat Genesis 1 géén natuurwetenschappelijk verslag wil geven én dat er geen wereldbeeld wordt gepresenteerd in dat Bijbelboek, maar een ervaringsbeeld (zie ook mijn bijdrage uit 2015 in de voetnoot). Nadeel is dat hij ter plekke repeteerde en vanwege zijn leeftijd, wat niet verbazingwekkend en evenmin verwijtbaar is, niet meer met de voeten in de natuurwetenschappelijke klei staat. De stevige kritiek van Ouweneel gaf wel verwarring onder de bezoekers. ‘Wie moet ik nu geloven, meneer Ouweneel? U of de andere sprekers die theïstisch evolutionisme voorstaan?’
Reflectie
Organisatorisch was het subliem. Hoewel ik vanwege de harttransplantatie, uit voorzorg, niet mee kon eten, zag ik goed gevulde schalen met broodjes kroket etc. De borrel na afloop zag er ook geslaagd uit. Iedere bezoeker kreeg bovendien een goodiebag, helemaal in de stijl van SHARE-apologetics. Een keurig verzorgd programmaboekje zat in de tas, met daarbij een schrijfblok en een pen. Inhoudelijk vond ik het congres matig. De lezingen die eruit sprongen, waren wat mij betreft die van dr. Emanuel Rutten en prof. dr. Wim van Vlastuin. Anton de Wit krijgt van mij de prijs voor vertelkunst en zijn theatraal optreden. Prof. dr. Willem Ouweneel voor het niet schuwen van stevige kritiek, waardoor er flink aan verschillende stoelpoten werd gezaagd.
Dit was het eerste congres ná mijn harttransplantatie. Het laatste min of meer theïstisch-evolutionaire congres dat ik bijwoonde was op 29 november 2019 naar aanleiding van het boek ‘En God zag dat het goed was’. Het valt op dat het theïstisch evolutionisme in zeven jaar tijd geen progressie heeft doorgemaakt, eerder degeneratie. Het was afgelopen zaterdag vooral een herhaling van zetten en dan minder goed geformuleerd en onderbouwd dan op het 2019-congres. Alsof er in de tussentijd niets gebeurd zou zijn. Websites die door TE’ers zijn opgezet hebben al jaren niet of nauwelijks een update gehad, laat staan een positieve case voor theïstische evolutie opgebouwd. Prominenten binnen deze beweging zijn onzichtbaar geworden of houden zich momenteel met andere dingen bezig. ForumC, een organisatie die voornamelijk theïstische evolutie wilde promoten, is als organisatie vrijwel geheel onzichtbaar geworden. Terwijl de organisaties waarin het klassieke scheppingsgeloof wordt beleden, en van vandaaruit de werkelijkheid wordt verklaard, de afgelopen jaren gegroeid zijn. Denk bijvoorbeeld aan de goedbezochte congressen van Stichting Creaton, in de afgelopen drie jaar, waarbij verschillende academici werden uitgenodigd om wat te vertellen over de grote vragen.3 Is het theïstisch evolutionisme op zijn retour? Dat kun je uit één congres niet afleiden, maar ik meen een dalende trend te zien.
Voetnoten
- Sommigen bedekt ‘om de vreze der Joden’. Dat laatste is niet zo vreemd, er zijn namelijk tientallen voorbeelden waarbij zo’n wetenschapper ontslagen werd, of gedegradeerd, gekleineerd of op een andere wijze belachelijk gemaakt, toen men erachter kwam dat zij het klassieke scheppingsgeloof beleden. Denk maar aan dr. Taede Smedes die een allergisch en flauw spelletje speelde met twee Nederlandse hoogleraren. Of dr. Gerdien de Jong die het niet kon hebben dat de EO films aanpaste of dat een promovendus een deel van haar natuurfilosofie bekritiseerde.
- Sommige weerwoorden dateren zelfs al van 2015 of zelfs eerder. Zie bijvoorbeeld: https://oorsprong.info/de-theologie-en-haar-knieval-voor-het-neodarwinisme/.
- Op 21 november 2026 D.V. wordt er weer één georganiseerd: https://oorsprong.info/stichting-creaton-organiseert-zaterdag-21-november-2026-d-v-een-congres-over-het-bewustzijn-van-de-mens/.