De geloofsbelijdenis van de Waldenzen werd in de twaalfde eeuw opgesteld. Ze bevatten beknopt de leer van deze stroming binnen het protestantisme. De geloofsbelijdenis is door M. Pellegrin vertaald in het Nederlands (1824). Hieronder wordt de belijdenis gedeeld.1

Wij gelooven en kleven vastelijk aan al hetgene vervat is in de twaalf artikelen des geloofs der Apostelen, voor ketterij houdende al wat niet met genoemde twaalf artikelen over een stemt
Wij gelooven in God, Vader, Zoon en Heiligen Geest.
Wij erkennen voor gewijde schrifte de volgende boeken in
den geheelen Bijbel vervart, te weten: Genesis Etc. (hier volgt de lijst der boeken zoo als wij dezelve in den Bijbel hebben tot Maleachie toe.)
Komen vervolgend de Apocrijphe boeken, die door de Joden niet aangenomen zijn, maar wij leren dezelve, (gelijk Jeronijmus het zegt in zijn voorrede over de Spreuken), tot stichting des volks, en niet om het gezag van de leer der kerk te bevestigen; deze zijn: het derde Boek van Ezra, het vierde boek van Ezra, en zoo voort (gelijk zij staan in sommige onzer Bijbels, tot het derde boek der Macchabeën).
(Daarna komen de boeken des nieuwen testaments, van het Evangelium van Mattheus tot de openbaring van Johannes).
De bovenaangehaalde boeken leeren ons dat er een alwijze en algoede God is, die door zijne goedheid, al wat is er geschapen heeft. Want Hij heeft Adam naar Zijn beeld en naar Zijne gelijkenis geschapen; maar door de boosheid des duivels en door de ongehoorzaamheid van denzelfden Adam is de zonde in de wereld gekomen; en, in Adam en door Adam zijn wij zondaars.
Dat Christus aan onze vaderen, die de wet hebben ontvangen, beloofd is geweest, op dat zij door de wet hunne zonden, hunne ongeregtigheid en hunne ongenoegzaamheid, kennende, Christus komst mogten verlangen; om voor hunnen zonden te voldoen, en de wet door Hem zelven te vervullen.
Dat Christus op den tijd geboren is, welke door God Zijnen Vader was bepaald geweest; dat is, ten tijde dat allerlei ongeregtigheid de overhand genomen had, en niet voor de goede werken alleen, want allen waren zij zondaars, maar op dat Hij ons genade en barmhartigheid zoude bewijzen, als zijnde de Waarachtige.
Dat Christus ons leven, onze vrede, onze geregtigheid, onze herder, onze voorspraak, onze offerande, onze Hoogepriester is, welke voor de behoudenis van alle gelovigen gestorven is, en tot onze regtvaardigmaking weder opgestaan is.
Wij gelooven insgelijks vastelijk dat er geen middelaar of voorspraak bij den Vader is, dan Jezus Christus; maar dat de maagd Maria, heilig, nedrig en vol genade geweest is. Wij gelooven hetzelfde van alle andere heiligen, die in den hemel de wederopstanding hunner ligchamen, ten dage des oordeels, verwachten.
Van ’s gelijken gelooven wij dat na dit leven er slechts twee plaatsen zijn, de eene voor de zaligen, welke wij Paradijs noemen, en de andere voor de verdoemden, welke wij Hel noemen, het Vagevuur ganschelijk verwerpende, door den Anti-Christ gedroomd, en tegen die waarheid verzonnen.
Nog meer, wij hebben altijd geloofd, dat al die dingen welke door de menschen uitgevonden zijn, als de feesten, de zielmissen der heiligen, het water dat men gewijd noemt, alsmede zich sommige dagen van vleesch en ander voedsel te onthouden, en dergelijke dingen, inzonderheid, de missen, een gruwel voor God waren.
Wij hebben een gruwel van al de menschelijke vonden, als strijdig zijnde met het kristendom, door welke (vonden) men ons stoort, en welke de vrijheid van den geest nadeelig zijn.
Wij gelooven dat de Sakramenten de teekenen zijn der heilige dingen of hunne zigtbare gedaante, voor nuttig behoudende dat de geloovigen daarvan somtijds gebruik maken, zoo veel in hun vermogen is. Maar wij gelooven niettemin dat de genoemde geloovigen zalig worden, zonder die teekenen ontvangen te hebben, wanneer het hun niet mogelijk geweest is daarvan gebruik te maken.
Wij erkennen geen andere Sakramenten dan de Doop en het Heilig Avondmaal.
Wij moeten door onze onderwerping, gehoorzaamheid, bereidwilligheid, en de betaling der belastingen, de wereldlijke magt eerbiedigen.
Voetnoten
- Bron: Pellegrin, M., 1824, Korte schets van de geschiedenis der Waldenzen in de valeijen van Piemont. Benevens een belangrijk aanhangsel aangaande de oudheid hunner Evangelische leer (naar het Fransch) en een voorberigt ter opheldering (Haarlem), blz. 31-34. We hebben de vertaling van deze geloofsbelijdenis niet gecontroleerd en eveneens geen historisch onderzoek hier naar gedaan. Reflectie en feedback kunt u naar ons sturen via ons contactformulier.