Home » Bijbel » Er is geschreven, een belangrijke bundel over de Schrift – Bespreking van ‘It is Written: A Believer’s Guide to the Doctrine of Scripture’

Er is geschreven, een belangrijke bundel over de Schrift – Bespreking van ‘It is Written: A Believer’s Guide to the Doctrine of Scripture’

In de Shorter Catechism, verbonden met de Westminster Confession of Faith luidt de tweede vraag: ‘Welke regel heeft God gegeven om ons te leren hoe wij Hem kunnen verheerlijken en ons in Hem kunnen verheugen?’ Hierop wordt het volgende antwoord gegeven: ‘Het Woord van God, zoals dat in de Schriften van het Oude en Nieuwe Testament geschreven is, is de enige regel om ons te leren hoe wij Hem kunnen verheerlijken en ons in Hem verheugen.’

Vanuit deze overtuiging werd vorig jaar onder redactie van John Hooper door de Bible League een bundel met 23 hoofdstukken en dan nog drie appendices uitgegeven. De titel luidt: It is Written: A Believer’s Guide to the Doctrine of Scripture. De Bible League is al meer dan een eeuw oud en werd in 1892 in Londen opgericht om het werk en de visie van Charles Haddon Spurgeon voort te zetten. Het doel was het onderzoek van de Bijbel te bevorderen en een antwoord te bieden op aanvallen op de inspiratie, de onfeilbaarheid en de volkomen genoegzaamheid van de Bijbel als het Woord van God.

Het is een buitengewoon lezenswaardige bundel. Tal van zaken komen naar voren: de inspiratie, de onfeilbaarheid en in relatie daarmee de vraag of de Bijbel vergissingen kan bevatten, de omvang van de canon, de tekst van het Oude en Nieuwe Testament, de vraag hoe de Bijbel moet worden vertaald, of het belangrijk is welke Bijbelvertaling wij gebruiken, en de relatie tussen de Schrift en Christus en tussen de Schrift en de Heilige Geest, enz.

Wie de bijdragen leest bemerkt dat de auteurs ervan doordrongen zijn dat het welzijn van de kerk staat of valt met het buigen voor de Bijbel als Gods onfeilbaar Woord. In de bijdrage over de onfeilbaarheid van Gods Woord van de hand van Graham Chewter komt ook de vraag naar voren of de Bijbel vergissingen kan bevatten. Meer dan eens wordt beweerd – en in Nederland is dit geluid aan alle academische theologieopleidingen gemeengoed – dat de Bijbel in historisch en geografisch opzicht vergissingen kan bevatten.

Het zou niet van belang zijn of Jezus nu twee blinden of één blinde genezen heeft bij Jericho. Veelal wordt voor de oplossing gekozen dat het er één was en Mattheüs om literaire redenen er twee van heeft gemaakt. Of het boek Jona werkelijk geschiedenis beschrijft wordt door menigeen ontkend. We moeten het lezen als een fictief verhaal met een bedoeling.

Nu, in zijn bijdrage geeft Chewter een heel ander geluid. De Schrift kan als de laatste en uiteindelijke regel van ons geloof gelden, omdat zij in alle opzichten volstrekt betrouwbaar is. Achter de veelheid van menselijke auteurs staat de Heilige Geest als de ene goddelijke Auteur. En Die vergist Zich nooit. In de Engelssprekende wereld worden in dit verband de woorden ‘infalilible’ (onfeilbaar) en ‘inerrant’ (geen vergissing bevattend) gebruikt. Het laatste heeft in onze taal geen echt equivalent omdat op het vasteland van Europa het feit dat de Schrift geen vergissingen bevat, als een element van de onfeilbaarheid werd gezien.

De bijdrage van Chewter laat zien dat richting de Rooms-Katholieke Kerk dit onderscheid toch zinvol is. Inmiddels heeft ook in de Rooms-Katholieke Kerk de Schriftkritiek breed ingang gevonden, maar officieel belijdt Rome nog altijd dat de Bijbel geen vergissingen (errores) bevat. Men zal echter van de Schrift niet zeggen dat zij onfeilbaar is, omdat Rome niet de genoegzaamheid en duidelijkheid van de Schrift belijdt. Daarom kan de Schrift niet als onfeilbare regel van het geloof functioneren. De kerk die de Schrift uitlegt en geleid wordt door de bisschop van Rome als plaatsvervanger van Christus op aarde is onfeilbaar.

Het eerste hoofdstuk is van de hand van Gerald Buss. Buss wijst erop dat wij volkomen mogen en moeten vertrouwen op de Bijbel als het geschreven Woord van God. Kern van de Bijbelse boodschap is de Heere Jezus Christus als het vleesgeworden Woord. Ten slotte is het zaak dat de lezer het Woord toepast op zijn eigen hart. Door het wederbarende werk van Gods Geest ontstaat er een onverbreekbare band tussen het Woord en degene die het Woord leest. Daarom zegt hij van het Woord wat David zei van het zwaard van Goliath: ‘Er is zijns gelijke niet; geef het mij.’ (1 Sam. 21:9)

De bijdrage van redacteur John Hooper gaat over de Bijbel als openbaring. Hij ontkent de grote literaire waarde en schoonheid van de Bijbel niet. Integendeel zelfs, maar terecht stelt hij dat de Bijbel veel meer is dan een verzameling van literaire geschriften. In de Bijbel openbaart God Zichzelf aan ons opdat we Hem leren kennen. Ook als mensen zo de Bijbel niet zien, blijft het nog waar dat het wel zo is. In de bijdragen over de genoegzaamheid en de duidelijkheid van de Schrift wordt onderbouwd waarom de Schrift de hoogste en uiteindelijke bron en norm van het geloof kan zijn.

De handschriften van het Oude en het Nieuwe Testament

Meerdere bijdragen zijn gewijd aan de handschriften van het Oude en Nieuwe Testament. Bij het Oude Testament is de zogenaamde masoretische tekst voor alle Bijbelvertalers uitgangspunt. Deze tekst is zeer nauwkeurig overgeleverd. Het artikel van Douglas W.B. Somerset getuigt van een grote kennis van de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament. Hij bespreekt ook de vragen die de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament ons voorstelt. Zo wijkt de vocalisatie (de klinkers) die de masoreten bij de consonantentekst (de tekst met alleen medeklinkers) plaatsen soms af van wat je zou verwachten.

Een hoogst enkele keer wijken de vertalers van de King James Version af van de masoretische tekst en volgen zij de Septuaginta. Het bekendste voorbeeld is Psalm 22:17b: ‘zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.’ Somerset noemt dat niet, maar onder de rollen van de Dode Zee is een Psalmenfragment gevonden met de Hebreeuwse consonanten die aan de vertaling van de Septuagint ten grondslag liggen. Het is een bewijs, zo zou ik zeggen, dat wij de vocalisatie niet op hetzelfde niveau kunnen zien als de consonantentekst. Het is goed ook aan de masoretische vocalisatie grote waarde toe te kennen, maar er kunnen redenen zijn daarvan af te wijken en wel met name als we daarin gesteund worden door de Septuaginta. Ik zou dit net iets meer verwoorden dan Somerset dat doet.

Tussen de verschillende handschriften van de masoretische tekst bestaan minimale verschillen. Dat ligt voor de nieuwtestamentische handschriften anders. Er kan een heel indrukwekkend getal worden genoemd, maar dan is het goed te weten dat het overgrote deel van die verschillen geen betekenis heeft. Bij vergelijking kan je bijvoorbeeld zien dat een overschrijver een tekst per ongeluk oversloeg. Er zijn spelfouten. In het ene handschrift kan je de volgorde ‘Jezus Christus’ vinden en in het andere ‘Christus Jezus’. Het ene handschrift heeft ‘Heere’ en het andere ‘Christus’, enz.

Verschillende bijdragen in It is Written zijn aan de tekst van het Nieuwe Testament gewijd. Het slot van het boek Markus komt in twee handschriften niet voor. Dat er handschriften waren die bij Markus 16:8 eindigden, was ook aan de kerkvaders bekend. Jeffrey R. Riddle toont mijns inziens overtuigend aan dat dit gedeelte authentiek is.

In deze bijdragen die te maken hebben met de nieuwtestamentische handschriften is zonder reserve voor de zogenaamde Textus Receptus gekozen. De uitgave van het Nieuwe Testament die later de naam Textus Receptus kreeg, werd in eerste instantie door Erasmus verzorgd, die daarvoor een aantal toen bekende handschriften met elkaar vergeleek. Er zijn meerdere edities van de Textus Receptus die onderling minimaal van elkaar verschillen.

Wie de Statenvertaling met de King James Version vergelijkt, bemerkt dat de Statenvertaling vaker de volgorde Christus Jezus heeft dan de King James Version. Dat komt omdat de Statenvertalers andere versies van de Textus Receptus gebruikten dan de vertalers van de King James Version. Een belangrijker verschil zien we in Jacobus 2:18b. De Statenvertaling heeft daar: ‘Toon mij uw geloof uit uw werken’, maar de King James Version vertaalt: ‘zonder uw werken’ (without thy works). De Statenvertalers waren op de hoogte van dit verschil. Dat komt naar voren in kanttekening 52 bij deze zinsnede. Daar lezen we dat ook de lezing ‘zonder uw werken’ zin heeft, maar dat de meeste handschriften ‘uit uw werken’ lezen. Dat laatste is juist en daarom moeten we aan deze lezing de voorkeur geven.

Als het gaat om de handschriften van het Nieuwe Testament wordt in It is Written de keuze voor de Textus Receptus verdedigd met een beroep op het feit dat in de Westminster Confession of Faith I, viii, wordt beleden dat de Hebreeuwse tekst van het Oude Testament en de Griekse van het Nieuwe Testament rechtstreeks door God zijn geïnspireerd en door Zijn bijzondere zorg en voorzienigheid door alle eeuwen heen zuiver bewaard. Echter, naar mijn overtuiging moeten we dan aan de in het Hebreeuws en Grieks overgeleverde handschriften denken en niet aan vertalingen daarvan, zonder dat wij daarmee gedwongen zijn voor bepaalde handschriften te kiezen.

Als we uitgaan van alle bestaande handschriften, dan geldt dat welk handschrift we ook volgen, er geen enkel leerstuk van vraagtekens behoeft te worden voorzien. Daarop wees J.C. Ryle al in de negentiende eeuw in zijn boekje Is all Scripture Inspired? Naar Ryle en ook naar B.B. Warfield en John Murray wordt in It is Written meer dan eens in positieve zin verwezen, maar op het punt van de vraag hoe wij om moeten gaan met de verschillen in de handschriften, gaven zij een ander antwoord. Een kerkganger die zelf deze problematiek niet kan overzien hoeft zich in geen enkel opzicht bezorgd te maken. Geen tekst uit de oudheid is zo betrouwbaar overgeleverd als de Bijbeltekst. De verschillen tussen de door de Bijbelschrijvers geschreven of gedicteerde teksten en die van de overgeleverde handschriften mogen voor wetenschappers interessant zijn, ze raken nergens de inhoud van het geloof.

We moeten begrijpen dat voordat de boekdrukkunst kwam en er een uitgave van de Textus Receptus was, theologen blij waren als zij zelf over een Grieks handschrift beschikten of dat in een bibliotheek konden raadplegen. Zij beseften echt wel dat elke overschrijver fouten maakt bij het overschrijven van de tekst. Wie meent dat de tekst van het Nieuwe Testament alleen betrouwbaar in de Textus Receptus is overgeleverd, moet aannemen dat menig prediker en theoloog het met een tekst heeft moeten doen die niet betrouwbaar was en dat is een conclusie die ik niet graag trek.

Wie de werken van kerkvaders leest, bemerkt dat zij wisten van de verschillen tussen handschriften, maar daar ontspannen mee omgingen, juist omdat nergens een leerstuk in het gedrang kwam. Die houding vinden we ook bij Calvijn. Hij weet dat de perikoop van de overspelige vrouw lang niet in alle Griekse handschriften wordt gevonden, maar omdat ze niets bevat dat met de apostolische geest in strijd is, is er geen oorzaak, zo stelt de hervormer, om te weigeren haar tot ons nut te gebruiken.

Als het gaat om 1 Johannes 5:7, het zogenaamde comma Johanneum, durft Calvijn niets zeker te zeggen omdat de Griekse handschriften niet overeenstemmen. Ik merk op dat onder de inmiddels bekende handschriften van het Nieuwe Testament ongeveer 250 ook 1 Johannes bevatten. Slechts in vijf ervan komt het comma Johanneum voor en dan hebben daarnaast nog vijf het in de marge. Calvijn meent wel dat het in de beste en geloofwaardigste handschriften wordt gevonden. Probleem is wel dat dan moeilijk te verklaren valt dat de kerkvaders die strijden voor de leer van de Drie-eenheid, zich nooit op deze tekst hebben beroepen. Hoe dan ook staat of valt dit leerstuk bepaald niet met deze tekst.

Als we niet meegaan met de huidige wetenschappelijke editie van de Griekse tekst van het Nieuwe Testament, dan is de meest voor de hand liggende keuze om de tekst te volgen die in de meeste handschriften te vinden is. Zelf zou ik de keuze voor de Textus Receptus op historische gronden willen maken. Dan moet je nog verantwoorden waarom je een bepaalde versie daarvan volgt. Niemand komt onder het vergelijken van handschriften uit. In een voetnoot moet bij een enkele tekst worden aangegeven dat die slechts in een klein aantal handschriften voorkomt, terwijl in Openbaring 22:19 niet ‘boek des levens’ maar ‘boom des levens’ moet worden gelezen. De woorden ‘boek des levens’ komen hier namelijk alleen in Latijnse handschriften voor. Zo kwamen ze in alle versies van de Textus Receptus terecht.

Uit de preken van de godgeleerden die deelnamen aan de synode van Westminster blijkt dat zij de verschillen tussen handschriften niet als een probleem ervoeren voor de goddelijke bewaring van de tekst, en zonder probleem twee verschillende lezingen in een preek konden noemen. It is Written zou hier overtuigender geweest zijn als men meer nuance aangebracht had in de kijk op de overgeleverde handschriften. Een verschillende visie erop wijst nog niet op een verschillende visie op de inspiratie van de Schrift.

De vertaling van de Bijbel

De Reformatie wilde dat de Bijbel vanuit de brontalen in alle landstalen werd vertaald. Iedereen moest de Bijbel namelijk in zijn eigen taal kunnen lezen. De Rooms-Katholieke Kerk vond dat minder belangrijk. In de liturgie werd de Vulgata gebruikt, de Latijnse vertaling van de Bijbel. Dat is zo gebleven tot het Tweede Vaticaanse Concilie. Rooms-katholieke Bijbelvertalingen waren tot in de twintigste eeuw vertalingen uit de Vulgata in de landstalen.

In zijn bijdrage over de Bijbel en de vertaling van de Bijbel schreef Philip Hopkins heel mooi dat het grote doel van het vertalen van de Bijbel is om de Heere Jezus Christus bekend te maken. Dat is de weg waarin God Zichzelf het meest verheerlijkt. Jonathan Arnold analyseert de verschillende vertaalmethoden en voert een pleidooi voor de formeel-equivalente vertaalmethode. Die probeert zoveel mogelijk het taaleigen van de brontalen te behouden in de ontvangende taal.

Kort samengevat kan worden gezegd: zo letterlijk als mogelijk en zo vrij als noodzakelijk. Ik merk op dat er in de praktijk altijd een worsteling blijft. Dat merken we als we de kanttekeningen van de Statenvertaling raadplegen. Dan nog is dit de juist grondhouding. Hopkins haalt Dane Ortlund ook aan die stelt dat als leesbaarheid de prioriteit krijgt over accuraatheid, we het risico lopen niet de precieze woorden te gebruiken die God bedoelt.

Ik geef zelf als voorbeeld dat meerdere vertalingen Romeinen 5:1 zo weergeven dat wij gerechtvaardigd worden verklaard op grond van ons geloof of omdat wij geloven. Essentieel is hier ‘uit het geloof’ te vertalen. Het geloof is namelijk juist niet de grond van vrijspraak. De vraag wat voor soort Bijbelvertaling we gebruiken of vervaardigd wordt, is dus bepaald niet onbelangrijk.

In It is Written is een heel lezenswaardige bijdrage over de zaken waarmee een Bijbelvertaler wordt geconfronteerd. Bill Patterson geeft ons een inkijkje in het vertaalwerk waarbij hijzelf is betrokken. Hij laat zien dat de Bijbel in de ene taal gemakkelijker te vertalen is dan in de andere. Dat heeft onder andere met woordenschat en structuur te maken.

It is Written gaat niet mee met de in de Engelssprekende wereld voorkomende beweging die de King James Version nog boven de Bijbel in de brontalen stelt. Wel wordt een pleidooi gevoerd om aan de King James Version vast te houden. Dan komen onder andere de gehanteerde vertaalmethode, de grote impact en het karakter van de taal van deze vertaling ter sprake. Voor iemand die geen native speaker is, blijft de beoordeling wat moeilijk, maar ik heb de indruk dat in schoonheid van taal de King James Version de Statenvertaling overtreft.

De Engelse taal is conservatiever dan de Nederlandse. Dat betekent dat de huidige editie van de King James Version toegankelijker is dan onze editie van de Statenvertaling die uit de negentiende eeuw stamt. In ons eigen land merken we dat steeds meer lezers moeite hebben om deze editie te begrijpen. Zelfs onder jongelui uit de gereformeerde gezindte is dat al gauw tachtig procent. Gaan we terug naar de originele Statenvertaling, dan zal dat percentage nog ruim boven de vijfennegentig procent liggen.

Voor hen die Ivriet (modern Hebreeuws) spreken is het Oude Testament in het klassieke Hebreeuws van de brontaal echt een Bijbel in een andere taal. Dat geldt ook voor sprekers van het Nieuwgrieks als het gaat om het Griekse Nieuwe Testament. Elke taal ontwikkelt zich door en vroeg of laat komt er een moment dat een ingrijpende hertaling of een nieuwe vertaling nodig is. Deze zaak wordt in It is Written niet aan de orde gesteld, maar met het oog op de toekomst zal ook op termijn de Bible League daar niet omheen kunnen.

Prachtige slothoofdstukken

Aan het slot van It is Written vinden we prachtige hoofdstukken over Christus en de Schrift, en de Bijbel en de Heilige Geest. In het laatste hoofdstuk komt aan de orde hoe een lezer op de Schrift behoort te reageren. Dit laatste hoofdstuk is wel een zeer waardige bekroning van deze bundel. We lezen van liefde tot de Schrift, vreugde in de Schrift en meditatie over de Schriftwoorden.

Doel van de Schrift is dat wij door Christus en dankzij de inwoning van Zijn Geest gemeenschap met God leren beoefenen en voor Hem gaan leven. Aangespoord wordt om dagelijks in gebed de Schrift biddend te onderzoeken. Dan kunnen we beter een klein gedeelte steeds weer lezen en overdenken totdat we het begrijpen dan een veel groter stuk lezen zonder dat wij het begrijpen. Het zal duidelijk zijn dat ik ondanks de enkele kanttekeningen die ik plaatste, het lezen van dit boek hartelijk kan aanbevelen. Mijn bede is dat de Heere het werk van de Bible League tot rijke zegen stelt.

N.a.v.: John Hooper (red.), 2026, It is Written: A Believer’s Guide to the Doctrine of Scripture (Salisbury: Bible League Trust). Het boek is verkrijgbaar via Vrienden van The Gospel Standard. Hier kunt u deze bundel bestellen. De afhandeling wordt gedaan door Gerben Jongsma.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.