Home » Artikelen geplaatst door Piet de Vries

Auteursarchief: Piet de Vries

Nashville-studiedag 12 september 2019 (3): Dr. P. de Vries – Bijbels-theologische lezing LHBTQ

Op 12 september 2019 werd de Nashville studiedag gehouden. De derde spreker van de dag, dr. Piet de Vries, gaf een Bijbels-theologische lezing. In de komende weken willen we, als de Heere leven spaart, de video’s van de studiedag ook via deze website delen. Dit met dank aan de Werkgroep Nashville Verklaring.

Hoe kunnen we 2 Samuël 21:19 en 1 Kronieken 20:5 met elkaar rijmen?

2 Samuël 21:19

וַתְּהִי־עֹ֧וד הַמִּלְחָמָ֛ה בְּגֹ֖וב עִם־פְּלִשְׁתִּ֑ים וַיַּ֡ךְ אֶלְחָנָן֩ בֶּן־יַעְרֵי֙ אֹרְגִ֜ים בֵּ֣ית הַלַּחְמִ֗י אֵ֚ת גָּלְיָ֣ת הַגִּתִּ֔י וְעֵ֣ץ חֲנִיתֹ֔ו כִּמְנֹ֖ור אֹרְגִֽים׃ ס

Statenvertaling: ‘Voorts was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Elhanan, de zoon van Jaare-Oregim, sloeg Beth-halachmi, dewelke was met Goliath, den Gethiet, wiens spiesenhout was als een weversboom.

In de uitdrukking אֵ֚ת גָּלְיָ֣ת leest de SV אֵת als voorzetsel en niet als nota accusativae. Eigenlijk zou je bij de vertaling van de SV voor אֵת in ieder geval nog אֲשֶׁר verwachten. De SV heeft voor deze zienswijze gekozen, omdat men niet wil vertalen dat dat Elnathan Goliath doodde.

De LXX doet dat wel: καὶ ἐγένετο ὁ πόλεμος ἐν Γοβ μετὰ τῶν ἀλλοφύλων. καὶ ἐπάταξεν Ελεαναν υἱὸς Αριωργιμ ὁ Βαιθλεεμίτης τὸν Γολιαθ τὸν Γεθθαῖον, καὶ τὸ ξύλον τοῦ δόρατος αὐτοῦ ὡς ἀντίον ὑφαινόντων. Kennelijk heeft de LXX dezelfde Hebreeuwse tekst gehad als de MT. Ook bij de vertaling van de LXX is het mogelijk te harmoniseren. Goliath zou een soort titel geweest zijn. Je kan ook aannemen dat er twee personen met dezelfde naam zijn geweest. Erg waarschijnlijk is dit niet. De English Standard Version vertaalt op eenzelfde manier als de LXX: ‘And there was again war with the Philistines at Gob, and Elhanan the son of Jaare-oregim, the Bethlehemite, struck down Goliath the Gittite, the shaft of whose spear was like a weaver’s beam.

1 Kronieken 20:5

וַתְּהִי־עֹ֥וד מִלְחָמָ֖ה אֶת־פְּלִשְׁתִּ֑ים וַיַּ֞ךְ אֶלְחָנָ֣ן בֶּן־יָעִ֗ור אֶת־לַחְמִי֙ אֲחִי֙ גָּלְיָ֣ת הַגִּתִּ֔י וְעֵ֣ץ חֲנִיתֹ֔ כִּמְנֹ֖ור אֹרְגִֽים׃

Statenvertaling: ‘Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Elhanan, de zoon van Jair, versloeg Lachmi, den broeder van Goliath, den Gethiet, wiens spieshout was als een weversboom.

Ik ga ervan uit dat de lezing van 1 Kron. 20:5 de juiste is. Er zijn wel andere oplossing voorgesteld, maar hier hebben we houvast in de tekst. De vraag is dan wel hoe de lezing van 2 Sam. 21:19 is ontstaan. Het is van belang is te weten de Hebreeuwse tekst van Samuel in het algemeen enigszins gebrekkig is overgeleverd. יַעְרֵי֙ אֹרְגִ֜ים is als eigennaam onwaarschijnlijk. Letterlijk betekent het ‘wouden/honingraden’ (יַ֫עַר) van ‘wevers’ (אֹרְגִ֜ים/qal part pl.) Waarschijnlijk is bij overschrijven een keer ten onrechte אֹרְגִ֜ים achter יָעִ֗ור geschreven. Vervolgens (de volgorde kan ook omgekeerd zijn) las of hoorde (dat laatste lijkt waarschijnlijker) een overschrijver אֶת־לַחְמִי maar dacht dat hij בֵּ֣ית הַלַּחְמִ֗י moest schrijven. Deze uitdrukking lezen we namelijk ook in 1 Sam. 16:1, 18 en 17:58. De combinatie אֶת־לַחְמִי komt buiten 1 Kron. 20:5 niet voor. We weten dat de Masoreten de Bijbeltekst zeer nauwkeurig overschreven. We weten ook dat teksten werden voorgelezen en door overschrijvers genoteerd. Zo kunnen soms tekstvarianten worden verklaard. Ik geef een voorbeeld:
In Ezech. 33:31 heeft de MT עֲגָבִים (עָגָב/lust/liefde). De LXX vertaalt hier ψεῦδος. Het lijkt waarschijnlijk dat de overschrijver עקבים (עָקֵב /hiel) heeft gehoord. De gedachte dat 1 Kron. 20:5 een harmoniserende lezing is van 2 Sam 21:19 doet geen recht aan de problemen met de uitdrukking יַעְרֵי֙ אֹרְגִ֜ים. Dat dit een eigennaam is, is weinig waarschijnlijk. Het is in overeenstemming met het zelfgetuigenis van de Schrift bij de discrepanties naar een harmoniserende verklaring te zoeken.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

De vorming van de canon van het Oude Testament – Bespreking van ‘The Law and the Prophets’

Stephen B. Chapman, hoofddocent Oude Testament aan Duke Divinity School, publiceerde in 2000 bij Mohr Siebeck te Tübingen een studie over de canonvorming van het Oude Testament. Twintig jaar later verscheen van deze studie een herdruk voorzien van een postscript bij Baker Academic.

Als het gaat om canon en canonvorming is heel belangrijk dat begrippen goed gedefinieerd worden omschreven. Wanneer oudtestamentici stellen dat men pas van canonvorming na de Babylonische ballingschap kan spreken, komt dit omdat men pas van canoniek wil spreken als de canon wordt gesloten. Terecht bepleit Chapman een bredere definitie. Een geschrift is canoniek als het goddelijk gezag ervan wordt erkend en aanvaard. Bij deze benadering begint canonvorming al vóór de ballingschap.

Heel invloedrijk is de opvatting van H.E. Ryle geweest dat na de ballingschap eerst de Pentateuch canoniek werd, vervolgens de Profeten en tenslotte de Geschriften. Chapman is niet de enige die daarbij vraagtekens zet. Hij laat zien dat al vóór de ballingschap het gezag van Mozes en van de Profeten met elkaar was verbonden en het één er niet was zonder het ander. Als de grenzen van de canon zich beginnen te sluiten, is er nog geen sprake van een driedeling tussen de Wet, de Profeten en de Geschriften, maar van een tweedeling van Wet en Profeten.

De boeken die later bij de Geschriften werden gerekend, werden oorspronkelijk als profetische geschriften gezien. Heel belangrijk is in dit verband het boek Kronieken. In het boek Kronieken staan Wet en Profeten op hetzelfde niveau. Dit Bijbelboek tekent profeten als verkondigers van de mozaïsche Wet en laat het profetisch karakter van de Wet zien. Als het boek Kronieken wordt geschreven, is de canonvorming al ver gevorderd.

Ik wijs in dit verband op de zienswijze van Hendrik J. Koorevaar. Naar zijn overtuiging is Kronieken geschreven met de uitdrukkelijke bedoeling de canon af te sluiten. Zover gaat Chapman niet. Dat houdt mede verband met het feit dat Chapman het boek Daniël in de tweede eeuw vóór Christus dateert en Koorevaar in overeenstemming met het zelfgetuigenis van Daniël in de zesde eeuw.

Wanneer Chapman stelt dat de Wet nooit zonder de Profeten heeft gefunctioneerd, hangt dat samen met het feit dat de schriftelijke neerslag van de Wet naar zijn overtuiging pas in de koningentijd plaatsvindt. Het boek Deuteronomium is dan het archimedisch punt. Chapman meent wel dat een groot deel van de inhoud van dit boek ouder is dan de regering van Josia. Dat neemt niet weg dat ook bij de benadering van Chapman meerdere oudtestamentische gegevens die in het Oude Testament als historische gebeurtenissen worden gepresenteerd als literaire fictie moeten worden gezien. De substantie van het boek gaat niet terug tot de tijd van vóór de intocht.

Dat laatste wil ik wel bepleiten zonder te ontkennen dat er sprake is geweest van het bijvoegen van toelichtende passages. Ik denk aan de dood van Mozes en van update in taal. Daniel I. Block meent dat Deuteronomium al in de tijd van David zijn definitieve gestalte kreeg. Afgaande op Ex. 24:4 schreef Mozes al rond de theofanie aan de Sinaï woorden van de HEERE op. Dan zullen we moeten denken aan het zogenaamde Boek van het verbond dat wetgeving gaf voor lokale heiligdommen. De wetgeving in Deuteronomium heeft oog op één centraal heiligdom dat komen zal, terwijl de offerwetgeving in Exodus-Numeri bedoeld is voor de tabernakel.

Concreet betekent dit dat fundamenteel en chronologisch de Wet voorafgaat aan de Profeten zonder dat daarmee het gezag van de Profeten minder is dan de Wet. Duidelijk is, zoals Chapman stelt, dat het slot van Deuteronomium Mozes met de Profeten verbindt en op de eminente plaats van Mozes wijst. Het slot van Maleachi is meer dan alleen een slot van dit boek. Dit slot maakt duidelijk dat de profetie verleden tijd wordt en men nu alleen nog heeft uit te kijken naar de grote dag van de HEERE, zoals die én door Mozes én door de Profeten is voorzegd.

N.a.v. Stephen B. Chapman, The Law and the Prophets. A Study in Old Testament Canon Formation, with a new postcript (Grand Rapids: Baker Academic, 2020), hardcover 430 pp.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Exegetische parels vanuit het Bijbelse Hebreeuws – Bespreking ‘Exegetical Gems from Biblical Hebrew’

Luther heeft gezegd dat er geen goede theologie mogelijk is zonder goede filologie. Daarom was het de overtuiging van de Reformatoren dat een predikant de Bijbel niet slechts in een vertaling maar ook in de brontalen moet kunnen lezen. In strikte zin geldt de inspiratie alleen de Bijbel in de brontalen. Een vertaling – hoe goed ook – is altijd voor verbetering vatbaar en in de beste vertaling verdwijnen nuances en verbanden uit de brontekst.

Kennis van de brontalen en van de brontekst is een zaak die blijvend aandacht vraagt. Als het lezen in de brontekst – na het verwerven van elementaire kennis van de brontalen – niet wordt bijgehouden, zal de vaardigheid om de brontekst te kunnen lezen steeds meer verdwijnen.

Een goede hulp om de kennis van het Hebreeuws op te frissen of uit te bouwen is het boekje Exegetical Gems from Biblical Hebrew van H.H. Hardy II. De auteur is hoofddocent Oude Testament en Semitische talen aan het Southeastern Baptist Theological Seminary in Wake Forest, North Carolina.

Bij wie enige kennis heef gekregen van de woordenschat en de grammatica van het Bijbelse Hebreeuws, kan de vraag boven komen wat nu de vrucht en het belang is van deze kennis. H.H. Hardy II presenteert in Exegetical Gems from Biblical Hebrew de analyse van een dertigtal teksten uit het Oude Testament die het belang van filologische en grammaticale kennis concreet maakt. Elk hoofdstuk stelt een bepaald aspect van de grammatica aan de orde en aan de hand van de analyse van een concrete tekst wordt de relevantie voor de uitleg duidelijk gemaakt.

Dit boekje is zeer geschikt voor hen die een stuk basiskennis van het Bijbelse Hebreeuws hebben opgebouwd. Zij worden bij de hand genomen om die toe te passen. Het helpt ook kennis van de grammatica op te frissen en eventueel uit te bouwen. Niet minder is dit boekje bruikbaar voor docenten Hebreeuws. Zij kunnen de analyse van de teksten die Hardy bespreekt in hun cursussen gebruiken. Het zal duidelijk zijn dat ik dit boekje zowel voor beginners als meer gevorderden in de kennis van het Bijbelse Hebreeuws zeer hartelijk aanbeveel.

H.H. Hardy II, Exegetical Gems from Biblical Hebrew: A Refreshing Guide to Grammar and Interpretation (Grand Rapids: Baker Academic, 2019), paperback 202 pp., $20,– (ISBN 9780801098765)

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Want de mond des HEEREN heeft het gesproken – Een relevante studie over de Schriftleer

Guy Prentiss Waters is hoogleraar Nieuwe Testament aan het Reformed Theological Seminary te Jackson, Mississippi. Zijn boek over de leer van de Schrift is een heldere en goed geschreven studie over dit zeker in onze tijd zo belangrijke thema. Temeer omdat hij ook de inzichten van Karl Barth en Peter Enns met betrekking tot de Schrift analyseert en op deskundige wijze bekritiseert.

De eerste naam zal geen toelichting behoeven. Bij de tweede gaat het om een oudtestamenticus die veertien jaar les gaf aan Westminster Theological Seminary, maar moest vertrekken vanwege zijn boek Incarnation and Inspiration. Dit boek is inmiddels door meerdere andere boeken gevolgd, waarin Enns zijn inzichten ontvouwd. Inzichten die wel ver verwijderd zijn van de Schriftleer van de gereformeerde belijdenisgeschriften.

In het verleden werd Barth de leidinggevende theoloog van de grote middenstroom in de Hervormde Kerk en later ook van de Gereformeerde Kerken. De toonaangevende gereformeerde dogmaticus G. C. Berkouwer stond aanvankelijk zeer kritisch ten opzichten van de theologie van Barth maar maakte kennelijk een wending. Mede door de doorwerking van de theologie van Barth binnen de Gereformeerde Keken kwam het tot de vorming van de PKN.

Vanuit de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Gereformeerde Bond werd een aantal decennia geleden gewezen op de grote verschillen tussen de klassiek gereformeerde theologie en die van Barth. Die tegenstemmen zijn voor een belangrijk deel verstomd. Inmiddels oriënteert zich men aan de TUK, verbonden met de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, en de TUA, verbonden met de Christelijke Gereformeerde Kerken, in dogmatisch opzicht heel sterk op Barth en wordt een hele nieuwe generatie predikanten behoorlijk kritiekloos ondergedompeld in diens gedachtegoed en dat van zijn Nederlandse geestverwanten, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Alleen daarom al is het boek van Waters ook voor de Nederlandse situatie zeer relevant.

Waters opent zijn studie met twee hoofdstukken over de openbaring. God openbaart Zich in de werken van Zijn handen. Hij openbaart Zich in de gewetens van mensen. We spreken dan van Gods algemene openbaring. Waters wijst erop dat ook voor de zondeval deze algemene openbaring verbonden was met bijzondere openbaring. God gaf het eerste mensenpaar het proefgebod. Sinds de zondeval is de algemene openbaring slechts toereikend om ons schuldig te stellen. Zij leidt niet tot ware Godskennis. Uit de algemene openbaring kunnen we ook niet de weg van verlossing leren kennen.

Op allerlei wijzen heeft God de weg van verlossing onder de oude bedeling geopenbaard. Deze openbaring is schriftelijk vastgelegd in de boeken van het Oude Testament. Het Oude Testament vraagt om het Nieuwe Testament. God heeft ten slotte gesproken in en door Zijn Zoon. Wat de nieuwtestamentische boeken samenbindt, is hun apostolische inhoud en oorsprong. Weliswaar zijn niet alle nieuwtestamentische boeken door een apostel geschreven, maar zij hebben wel allen een apostolisch stempel. De boeken die niet door een apostel zijn geschreven, zijn namelijk van de hand van een van hun directe medewerkers.

In het Nieuwe Testament wordt van het Oude Testament betuigd dat het door Gods Geest is ingegeven. In aansluiting bij B.B. Warfield wijst Waters erop dat het Griekse woord theopneustos dat in 2 Tim. 3:16 wordt gebruikt, letterlijk moet worden vertaald met ‘door God uitgeademd’. Omdat de apostelen wisten dat hun gezag niet minder was dan van de oudtestamentische profeten en wisten dat zij hun gezag rechtstreeks aan de Heere Jezus Christus ontleenden, mogen en moeten wij de categorie ook op hun geschriften toepassen.

De nodus van de inspiratie was niet altijd gelijk. Het kon een directe godsspraak zijn, een visioen, maar ook nauwkeurig historisch onderzoek dat op vervolgens op schrift werd gesteld of het schrijven van een brief. In alle gevallen is het resultaat van de inspiratie gelijk: de woorden van de Bijbelschrijvers zijn de woorden van de Heilige Geest.

Waters benadrukt dat wij bij de ontvouwing van de Schriftleer ons startpunt niet in schijnbare tegenstrijdigheden en moeilijkheden moeten nemen, maar in het getuigenis van de Schrift over zichzelf. Vandaar uit moeten we naar antwoorden zoeken als het gaat om moeilijkheden en tegenstrijdigheden. Daarbij moet ons uitgangspunt de eenheid van de Schrift zijn.

Waters erkent dat de Schrift niet alleen in theologisch opzicht, maar ook in geografisch en historisch opzicht volkomen betrouwbaar is. Hij verwerpt dat het erkennen van deze betrouwbaarheid van rationalisme zou getuigen en dat deze gedachte pas in de moderne tijd is opgekomen. Kerkvaders en reformatoren hebben de Schrift wel vanuit de overtuiging van volkomen betrouwbaarheid gelezen.1

De gedachte dat de historiciteit van Bijbelse gebeurtenissen binnen de Bijbel zelf van minder belang is en Bijbelschrijvers geen nauwkeurig onderscheid maakten tussen mythe, fictie en historische realiteit breekt al helemaal stuk als het gaat om de opstanding van de Heere Jezus. De eerste christenen waren er diep van overtuigd dat het hier om een historisch feit ging en dat de getuigen van de opgestane Heere betrouwbare getuigen waren.

Het getuigenis van de opstanding is onlosmakelijk verweven met andere historische gebeurtenissen. Gebeurtenissen waarvan ook de locaties worden vermeld. Wanner het Schriftgezag wordt beperkt en wat de Bijbel als historie meedeelt en over geografie vertelt van minder belang wordt geacht, raakt dat altijd het verstaan van de Bijbelse boodschap zelf.

Enns heeft gesteld dat de onfeilbaarheid (inerrancy) van de Bijbel van docetisme zou getuigen. Wie de menselijke zijde van de Bijbel serieus neemt, aanvaardt naar zijn overtuiging dat zij niet alleen in historisch en geografisch opzicht, maar ook leerstellig en ethisch tekortkomingen bevat. Tekortkoningen die moeten worden verbonden met het feit dat de Bijbel binnen een bepaalde context is ontstaan. Concreet denkt hij bij ethische zaken onder andere aan de positie van de vrouw en homoseksuele relaties.

Waters brengt terecht naar voren dat wij volledig recht kunnen doen aan de menselijke zijde van de Schrift zonder aan fouten en tekortkomingen te denken. Het feit dat wij ervan overtuigd zijn dat de Heilige Geest geen vergissingen maakt, zoals de kerkvaders zeiden, hoeven we niet in mindering te brengen op het feit dat de Heilige Geest bij de inspiratie van mensen gebruikt heeft gemaakt.

Omdat de Bijbelschrijvers helemaal met hun eigen tijd en context waren verbonden, kunnen wij volgens Enns nooit een rechtstreeks beroep op de Schrift doen. In het Oude Testament vinden we de neerslag van de ervaringen en gedachten over God van de oudtestamentische Bijbelschrijvers. Hij gebruikt in dit verband het woord ‘imagination’. Als het gaat om de nieuwtestamentische Bijbelschrijvers spreekt hij van een ‘reimagination’ van gedachten over God in het licht van de dood en opstanding van Christus.

Volgens Enns gaat het daarbij om een uiteindelijke voorstelling van God. Gods openbaring in Christus is beslissend. Terecht stelt Waters dat Enns vanuit zijn eigen visie niet duidelijk kan maken waarom Gods openbaring in Christus beslissend is en al helemaal niet duidelijk wordt in welke zin zij beslissend is, omdat voor Enns ook het Nieuwe Testament niet minder dan het Oude Testament tijdbepaald en cultuurgebonden is en niet echt boven de eigen tijd uitwijst.

Het Nieuwe Testament gebruikt volgens hem ook interpretatiemethoden voor het Oude Testament die wij onmogelijk kunnen volgen, ook al delen wij met de schrijvers van het Nieuwe Testament de overtuiging dat Christus het doel van de Schrift en van de oude bedeling is. De boeken van het Nieuwe Testament zijn volgens Enns niet minder dan de boeken van het Oude Testament boeken van goddelijke wijsheid, waarop wij ons oriënteren om ons vervolgens af te vragen hoe wij ons in onze context God moeten voorstellen en wat God in onze context van ons vraagt.

Waters brengt naar voren dat het feit dat de boeken van het Oude en Nieuwe Testament in een bepaalde historische en culturele context zijn ontstaan, niet betekent dat zij niet boven hun ontstaanstijd kunnen uitwijzen. Ook de persoonlijke eigenheid van de Bijbelschrijvers is niet strijdig met het universele en goddelijke karakter van hun boodschap. In navolging van Warfield wijst hij erop dat al deze factoren opgenomen zijn in de inspiratie en niet in mindering mogen worden gebracht op de goddelijke oorsprong en het goddelijke gezag van datgene wat de Bijbelschrijvers hebben opgeschreven.

Enns Schriftleer komt niet in alle opzichten met die van Barth overeen. Wat Enns en Barth echter met elkaar verbindt is dat zij de Bijbel niet zonder reserve met het Woord van God gelijk willen stellen. Barth tekende weliswaar protest aan tegen de liberale theologie, maar keerde niet terug tot de klassieke gereformeerde theologie. Hij gebruikte wel begrippen uit deze theologie, maar gaf die een nieuwe en andere inhoud.

Waters laat zien dat volgens Barth de Bijbel een feilbaar, seculier en volledig menselijk product is dat God in dienst van Zijn openbaring wil nemen. We vinden in de Kirchliche Dogmatik van Barth zeer uitgebreide exegetische partijen, maar voor Barth is wat de Schrift zegt nog niet wat God zegt. Een dergelijke wijze van spreken ziet hij als een pogen om grip te krijgen op God en dat zou strijdig zijn met Gods vrijmacht.

Ik zou aan wat Waters naar voren brengt toe willen voegen dat Barth niet wil zeggen dat het waarachtige geloof een bepaalde concrete inhoud heeft. Immers dat zou betekenen dat er tweedeling door de mensheid loopt en daarvan wil Barth onder geen beding weten. Waters kritiek op Barth zou nog iets krachtiger geweest zijn als hij de relatie had laten zien tussen de Schriftleer van Barth en het universalistische karakter van zijn theologie. Over verloren gaan wordt door Barth nooit concreet gesproken. Dat is voor hem een onmogelijke mogelijkheid.

Niet ten onrechte is daarom wel gesteld dat Barth de structuur van de liberale theologie eerder heeft omgekeerd dan werkelijk doorbroken. Daarmee wordt dan bedoeld dat voor Barth Gods genade in Christus niet de climax is van de algemene religieuze ervaring, maar dat de bijzondere genade zelf wel universeel is en het menszijn zelf alleen maar in het licht van deze genade kan worden gezien. Omdat Gods bijzondere genade volgens Barth universeel is, verdwijnt bij hem het onderscheid tussen schepping en verlossing. Ieder mens is in principe een verlost mens.

Terugkerend tot Waters: Waters schreef een belangwekkend en zeer relevant boek dat ik van harte ter lezing en bestudering aanbeveel.

N.a.v.: Waters, G.P., 2020, For the Mouth of the Lord Has Spoken. The Doctrine of Scripture (Fearn: Mentor)

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Overtuigend gezag: Alvin Plantinga’s omgang met en visie op de Schrift – Dr. Piet de Vries spreekt voor cursus ‘Geloven in God zonder bewijs’

Tijdens een studiemiddag (van 7 oktober 2016) over het werk van Alvin Plantinga sprak dr. Piet de Vries over de omgang van deze geleerde met de Schrift. Deze lezing vormt onderdeel van de cursus ‘Geloven in God zonder bewijs‘ van ‘Weet wat je gelooft‘. De lezing werd geplaatst op het YouTube-kanaal van deze stichting. De beschrijving luidt: “In zijn lezing gaat Piet de Vries in op de schriftvisie en omgang met de Schrift die door Plantinga wordt bepleit. Volgens De Vries is Plantinga’s visie ‘niet postmodern, niet modern, maar premodern.’” Veel zegen bij het kijken van deze video.

Het gezag van de Schrift (2-slot): Waarom is het zo moeilijk voor de mens de Bijbel te aanvaarden en absoluut gezag toe te kennen?

“De scheppingsordening van het huwelijk wordt in het Nieuwe Testament zelfs geïntensiveerd. De verhouding van man en vrouw moet een afspiegeling zijn van de verhouding van Christus en Zijn kerk.” Bron: Pixabay.

De heilige kus en over slavernij

Ter onderbouwing van de zienswijze dat ook het Nieuwe Testament niet direct relevant kan zijn, wordt bijvoorbeeld gewezen op de opdracht elkaar een heilige kus te geven. Iets wat in de kerken van de gereformeerde gezindte niet gebeurd. Nu kan daar eenvoudig op worden geantwoord dat wij gehoor geven aan deze apostolische opdracht middels een cultureel equivalent van de heilige kus, namelijk een hartelijke handdruk.

Echter, zo horen we, wij wijzen toch terecht slavernij af en het Nieuwe Testament doet dat niet. Als wij hier lijnen doortrekken waarom dan niet als het gaat om de positie van de vrouw of het Bijbelse getuigenis van huwelijk en seksualiteit? Inderdaad, erkent het Nieuwe Testament slavernij als een maatschappelijke realiteit. Daarbij schrijft Paulus wel aan de gemeente van Korinthe: ‘Zijt gij, een dienstknecht zijnde, geroepen, laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.’ (1 Kor. 7:21).

Aan Filemon schreef Paulus over de weggelopen slaaf Onesimus het volgende: ‘Want wellicht is hij daarom voor een kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zou weder hebben. Nu voortaan niet als een dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij, hoeveel te meer dan u, beide in het vlees en in den Heere.’ (Filemon 15–16). Niet onmogelijk is dat Paulus er op zinspeelt dat Onesimus wordt vrijgelaten. Zeker is dat in de mozaïsche wetgeving een Hebreeër nooit langer dan zes jaar slaaf kon zijn. In het zevende jaar werd hij vrijgelaten. De teneur van de Bijbel is dat slavernij nooit blijvend mag zijn.

Van belang is wel dat wij de complexiteit van het verschijnsel van slavernij onderkennen. We denken vaak aan de slavernij van Afrikanen en de Afrikaanse slavenhandel. Zeker is dat ook in de oudheid heel kwalijke vormen van slavernij voorkwamen. Slaven konden echter ook hoge posities bekleden. Slavernij stond niet los van de economische realiteit van schuld en de noodzaak van vast arbeidskrachten. Dan moeten we beseffen dat economische realiteiten die wij heel gewoon vinden, feitelijk in het licht van de oudheid als slavernij moeten worden gezien.

Bijvoorbeeld: een bedrijf betaalt je studie op voorwaarde dat je na afronding ervan minimaal vijf jaar bij dat bedrijf werkt. In het licht van de oudheid betekent dit vijf jaar slavernij, maar kwalijk kun je het moeilijk noemen. Anders ligt het met banken die zulke hoge leningen aan ondernemers verstrekken dat zij feitelijk een slaaf worden van de bank. Zij kunnen bepaald niet doen en laten wat zij willen. Nog altijd geldt dat het eerste doel van het Evangelie verzoening met God is en niet een totale vernieuwing van de maatschappij. Pas in het nieuwe Jeruzalem zal het zijn, zoals het zal moeten zijn.

Plaats van de vrouw

Nu is de slavernij geen scheppinginstelling. Dat geldt wel voor het huwelijk en daaraan gerelateerd de verhouding man en vrouw. De scheppingsordening van het huwelijk wordt in het Nieuwe Testament zelfs geïntensiveerd. De verhouding van man en vrouw moet een afspiegeling zijn van de verhouding van Christus en Zijn kerk. Een man moet voor zijn vrouw opkomen en haar beschermen, zoals Christus dat deed en doet voor Zijn kerk. De vrouw behoort haar man te gehoorzamen. Een getrouwde vrouw wordt zalig in het baren van kinderen. Een christelijk huwelijk vooronderstelt de bereidheid kinderen te ontvangen.

Dat is anders dan wat nu gangbaar is in onze westerse wereld, maar het Bijbelse getuigenis moet ons leven en wie weet vervolgens de cultuur stempelen. Het moet niet zo zijn dat de cultuur de inhoud van het getuigenis dat de kerk geeft, gaat bepalen. Dan is het kerkelijke getuigenis niet meer het Bijbelse getuigenis. Dat zien we zeker als het gaat om de positie van de vrouw.

Als het gaat om de zaligheid en het dienen van de Heere telt het onderscheid van man en vrouw niet. Dat neemt niet weg dat man en vrouw ook onder de nieuwe bedeling een eigen taak houden in het gezin, in de kerk en dat heeft dan ook zijn uitstraling naar de samenleving. Wie het Nieuwe Testament hier cultuurgebonden ziet, doet dat eigenmachtig zonder dat het Nieuwe Testament daar enige grond voor biedt.

Het beroep op de grote plaats van vrouwen rondom Jezus onder wie Maria in het Nieuwe Testament doet daar niets van af. De vrouwen die de boodschap van engelen over de opstanding hoorden, krijgen de opdracht dit de discipelen van Jezus te vertellen. Zij nemen niet hun plaats en taak over. Vrouwen hadden een een plaats in de eerste christelijke gemeenten.
We kunnen bijvoorbeeld denken aan Phebe. Zij is ongetwijfeld een wat rijkere vrouw geweest en een soort patrones geweest van de gemeente van Kenchreeën. In 1 Timotheüs 5 schrijft Paulus over de weduwen die diaconale diensten verleenden en door de gemeente werden onderhouden. Misschien is zij bedoeld met de vrouw die Paulus noemt in 1 Tm. 3:11, hoewel het waarschijnlijker lijkt dat de vrouwen van ouderlingen en diakenen zijn bedoeld.

Wie stelt dat het Nieuwe Testament de vraag naar de vrouw in het ambt open laat, leest het Nieuwe Testament wel heel bevooroordeeld. De uitspraken van Paulus in de pastorale brieven zijn volstrekt eenduidig en helder. Een ambtsdrager (diaken, ouderling onder wie ook wat wij een predikant noemen, is begrepen) is een man. Nergens geeft Paulus aanleiding tot de gedachte dat hij zich hierbij aanpast aan de omliggende cultuur.

Als betuigt dat hij de Joden ene Jood en de Grieken een Griek is (vgl. 1 Kor. 9:20v.), mogen we dat beginsel niet zo toepassen dat afstand nemen van zaken waaraan de Schrift ons uitdrukkelijk bindt. Concreet denkt Paulus aan de spijs- en reinheidswetten en wie zijn toespraak in Handelingen leest, bemerkt dat hij bij zijn boodschap zich rekenschap geeft van de voorkennis van zijn gehoor. Het laat ons zien hoe wij het genoemde beginsel moeten hanteren.

“Ingrijpender nog dan het relativeren van het Bijbelse getuigenis over man en vrouw is dat van het niet ernstig nemen van het getuigenis over huwelijk en seksualiteit. Dat is daarom ingrijpender, omdat volgens de Bijbel zelf men hiermee zijn zaligheid op het spel zet.” Bron: Pixabay.

Huwelijk en seksualiteit

Ingrijpender nog dan het relativeren van het Bijbelse getuigenis over man en vrouw is dat van het niet ernstig nemen van het getuigenis over huwelijk en seksualiteit. Dat is daarom ingrijpender, omdat volgens de Bijbel zelf men hiermee zijn zaligheid op het spel zet. In 1 Kor. 6:9-11 lezen we het volgende: ‘Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven? Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven. En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in den Naam van den Heere Jezus, en door den Geest onzes Gods.’

Belangrijk is te beseffen dat alle seksualiteit buiten het huwelijk voor de Bijbel een vorm van hoererij is. (vgl. ook Deut. 22:22-30). Daarmee is niet ontkend dat de ene vorm van hoererij ingrijpender is dan de andere. De wissel gaat niet om bij het al dan niet accepteren van stabiele homoseksuele relaties of transitie, maar bij het accepteren van seks voor het huwelijk. De eeuwen door werd hierover schuldbelijdenis noodzakelijk geacht. Een schuldbelijdenis die een publiek karakter had als de zonde ook publiek was. Zonder schuldbelijdenis daarover kon men immers het koninkrijk van God niet ingaan.

Als men dit niet meer nodig acht, is acceptatie van homoseksuele relaties en van transitie een kwestie van tijd. Immers niet de Bijbel is dan maatgevend – zeker niet als het gaat om het beërven van Gods koninkrijk – maar de maatschappelijke consensus. Dan zie je wel dat kerken en christenen die consensus nog een Bijbelse en christelijke kleur willen geven.

Juist op het gebied van huwelijk en seksualiteit moeten de kerk en een tegencultureel geluid laten horen en een tegenculturele houding tonen. Dat hebben de eerste christenen gedaan. Dat deed de Vroege Kerk en wij moeten het ook doen. Wat wij zien is dat christenen die in de brede zin van het woord orthodox willen zijn, met een beroep op de grote nood van mensen een transitie of stabiele homoseksuele relatie als noodoplossing geoorloofd zien.

Ik wil de nood van hen die transgendergevoelens of homoseksuele gevoelens hebben niet ontkennen, maar de vraag is of wij die nood onder de koepel van het Bijbelse getuigenis moeten zetten of het Bijbelse getuigenis onder de koepel van die nood. Wie dat laatste doet, zal dat ook moeten doen bij singles met heteroseksuele gevoelens voor wie het gemis van seksueel contact ondraaglijk wordt.

Bij deze benadering is de gedachte dat God anders zal oordelen dan Hijzelf in Zijn Woord heeft geopenbaard. Maar waar is die gedachte op gegrond. Vaak wordt dan gezegd: wij moeten het oordeel aan God laten, maar dat betekent toch niet dat wij moeten aannemen dat God anders is dan Hij Zichzelf heeft geopenbaard. We moeten dan aannemen dat er op de regel dat een mens wedergeboren moet worden uitzonderingen zijn. Dat kan je alleen aannemen als je een verschil ziet tussen de Bijbel en het Woord van God. Dan verwijst de Bijbel wel naar Gods Woord, maar is niet meer dan een eerste en primaire neerslag ervan.

Mij is in dit verband wel gezegd: U zou hier toch ook anders over kunnen gaan denken? Ik meen van niet, omdat Gods Geest Gods Woord in mijn hart heeft geschreven. Echter, met het oog op de argumentatie wil ik er dan vanuit gaan. Dan is mijn antwoord: Ga er dan niet van uit dat God anders zal oordelen, omdat ds. De Vries van gedachten is veranderd. Zijn Woord is waar, los van wat ik geloof. Dat staat om maar zo te zeggen los van mijn bevinding.

De Bijbel leert ons dat bij het kennen van Christus navolging van Christus behoort. Navolging betekent ook zelfverloochening en in Zijn kracht tegen jezelf strijden. Aan de navolging van Christus is voor de één een hogere prijs verbonden dan voor de ander. De één zal een zwaardere strijd moeten voeren dan de ander. Laat echter dit duidelijk zijn dat genade zonder zelfverloochening en een levenslange strijd tegen jezelf, goedkope genade is en niet de genade die God ons om Christus’ wil schenkt en waarin Hij ons doet delen door de kracht van Zijn Geest.

Bijbel en wetenschap

Hoe verhouden zich de Bijbel en de wetenschap? Bijbel en wetenschap hebben elk hun eigen focus. De Bijbel is ons gegeven opdat wij als gevallen mensen God weer echt leren kennen en dat door Zijn Zoon Jezus Christus. De wetenschap doorzoekt deze werkelijkheid. Elke wetenschap heeft zijn eigen terrein en in overeenstemming daarmee ook weer eigen regels.

In een aantal gevallen is er niet tot nauwelijks sprake van overlap. Ik denk aan chemie, economie, wiskunde. Hoewel als je wiskunde onderzoekt, kan je je de vraag stellen, waarom is wiskunde mogelijk? Waarom kunnen we met wiskundige formules deze werkelijkheid beschrijven? Het antwoord op die vraag blijkt altijd wetenschappelijk gekleurd.
Er zijn ook meerdere terreinen waarop overlap is tussen de Bijbel en wetenschap, maar waar het eigen perspectief van elk sterk naar voren komt. Ik noem als voorbeelden psychologie en sociologie. Je kunt bekering ook vanuit psychologisch perspectief beschrijven en de vroegste christelijke kerk vanuit sociologische categorieën beschrijven. Van groot belang is dan wel te beseffen dat dit deelperspectieven zijn. Zij onthullen niet wat bekering en wat de christelijke kerk in de diepste zin van het woord zijn. De waarheidsvraag blijft buiten beschouwing.

Ook van de natuurwetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid moet je zeggen dat het een perspectief is en bepaald niet aan de volledige werkelijkheid recht doet. Inmiddels al weer heel wat jaren geleden heeft de Delftse hoogleraar A. van den Beukel, die overigens geen orthodox christen is, daarop gewezen in zijn boek De dingen hebben hun geheim. Een natuurwetenschappelijke beschrijving is per definitie een reductie.

Als het gaat om de Bijbel en wetenschap, dan moet de Bijbel het primaat hebben. Met betrekking tot wetenschap is van belang een verschil te maken tussen harde feiten en theorieën gebaseerd op die feiten. Wanneer we het over de Bijbel hebben, moeten wij beseffen dat wij als het gaat om het verstaan ervan ten dele kennen. Wel is van belang in overeenstemming met het zelfgetuigenis van de Schrift, vast te houden aan het gegeven dat de Bijbel de stem is van God en objectieve en vaste inhoud heeft.

We miskennen de aard van de Schrift, als voor ons de Schrift niet meer is dan de eerste en primaire neerslag van menselijke reacties op de openbaring. Dan krijgt de menselijke factor een zelfstandige betekenis. De Bijbel is dan niet langer rechtstreeks het Woord van God en de Bijbelschrijvers kunnen niet meer als secretarissen van de Heilige Geest worden gezien (een beeld dat niet wijst op de modus maar het resultaat van de inspiratie). De Bijbel wordt dan het boek van God én mensen.

“De Bijbel leert ons dat de mensheid afstamt van één mensenpaar die aanvankelijk het paradijs als woonplaats hadden. Wie de evolutieleer aanvaardt, moet het historische paradijs opgeven. Zondige gevoelens en begeerten zijn dan niet zozeer verbonden met erfzonde, maar een restant van dierlijk gedrag dat te maken heeft met het proces van evolutie.” Bron: Pixabay.

Kan aanvaarden van de evolutietheorie samengaan met geloof in de Bijbel?

Ik kan niet alle vragen op het gebied van het Bijbels getuigenis over het ontstaan van de wereld en wetenschappelijke inzichten daarover beantwoorden. De Bijbel zegt ons niet welke processen God heeft gebruikt in de zesdaagse scheppingsweek. Wel is duidelijk dat de mens wezenlijk van de rest van de schepping, ook van de bezielde schepping is onderscheiden. Dit is niet te verenigen met onvoorwaardelijke acceptatie van de evolutieleer.

De Bijbel leert ons dat de mensheid afstamt van één mensenpaar die aanvankelijk het paradijs als woonplaats hadden. Wie de evolutieleer aanvaardt, moet het historische paradijs opgeven. Zondige gevoelens en begeerten zijn dan niet zozeer verbonden met erfzonde, maar een restant van dierlijk gedrag dat te maken heeft met het proces van evolutie. De dood van de mens is geen gevolg van de zonde, maar behoort bij het leven.

Lezenswaardig is in dit verband nog altijd het boek Ik ben de Alpha van ds. G. Boer, een bundel Bijbellezingen (gehouden in de Hervormde gemeente van Huizen in 1964) over Genesis 1. De auteur worstelde ook met vragen rond de ouderdom van de aarde, maar als het gaat om zaken als pre-adamieten is hij volkomen duidelijk. Boer schrijft dan onder andere:

‘Maar weet ge, de gedachte dat Adam en Eva schimachtige figuren zijn, wint hand over hand veld, ook in kringen waar wij dit niet verwacht hadden. Daarom wil ik u wapenen voor een strijd die op de scholen reeds gaande is en van lieverlede de gemeenten binnendringt. Wie Adam laat verdampen in de nevelen van de oer¬geschiedenis, heeft de heilige Schrift naar haar zelfgetuigenis tegen zich. Ja, die heeft de Heilige Geest die van deze Schriften de auteur is tegen zich, die heeft God tegen zich. En dat heeft zich gewroken en zal zich verder wreken. Want wie Adam verliest, die verliest Christus. Wie de eerste mens afschrijft, die schrijft de tweede Mens af. Wie Adam tot een legendarische figuur maakt, die verliest de Christus der Schriften.’

Duidelijker en kernachtiger kan ik het niet zeggen. Wie overtuigt wordt in het licht van Gods heiligheid en majesteit wordt overtuigd van eigen verlorenheid en verdorvenheid, loopt vast met de evolutieleer en wie meegaat met de evolutieleer zet de deur open om het getuigenis van Gods heiligheid en onze verlorenheid steeds meer te relativeren.

Waarom is het zo moeilijk voor de mens de Bijbel te aanvaarden en absoluut gezag toe te kennen?

Heel eenvoudig, omdat ik er dan zelf aan moet. Niet mijn inzichten en gevoelens zijn het uitgangspunt en oriëntatiepunt, maar wat God zegt. Bekering betekent dat wij met Samuël leren zeggen: ‘Spreek, want Uw knecht hoort.’ En dan betekent ‘horen’ ook ‘gehoorzamen’. Intellectuele bezwaren tegen de boodschap van de Bijbel staan nooit op zichzelf. De diepste bezwaren tegen het christelijke geloof zijn altijd religieus en moreel.

Religieus, want men heeft moeite met het getuigenis dat er alleen toegang tot God is door Jezus Christus en dat er buiten het geloof in Hem geen zaligheid, is maar rampzaligheid. Moreel, want men wil een levensstijl en levenspraktijk handhaven, die strijdig is met de Schrift. Augustinus heeft zijn worsteling op dit punt uitvoerig beschreven in zijn Confessiones. In het zevende boek beschrijft hij hoe hij terugkeert naar de Kerk en zijn intellectuele bezwaren verdwijnen. Het achtste boek beschrijft hoe zijn morele bezwaren worden overwonnen. Dat is enkel te danken aan het wonder van Gods vernieuwende genade.

In de Christelijke Dogmatiek wordt uiteindelijk toch niet veel anders over realiteit van de eeuwige straf geschreven dan Berkhof en Berkouwer dat doen. Dit heft alles te maken met het feit dat Van den Brink en Van der Kooi evenals Berkouwer alleen in het kader van het (genade)verbond willen spreken en van Zijn genadige toewending tot de mens.

Huijgen lijkt nog dichter tegen Berkouwer aan te zitten. Daarbij zien we bij hem ook op dit punt heel duidelijk zijn geestverwantschap met Barth. Hij zei onlangs in een podcast van de EO het volgende: ‘Ik denk dat we moeten oppassen met het teveel invullen, maar ook moeten oppassen om te zeggen: God is zó goed, het komt allemaal in orde met ons. Daarvoor zijn de woorden van Jezus net iets te ernstig. Hoe het uitpakt is in Gods hand, daar hoeven wij geen oordeel over te hebben. Het positieve aan een oordeel is dat niet iedereen overal mee wegkomt. God neemt ons gedrag serieus.’

In de Christelijke Dogmatiek wordt uiteindelijk toch niet veel anders over de realiteit van de eeuwige straf geschreven dan Berkhof en Berkouwer dat doen. Dat heeft alles te maken met het feit dat Van den Brink en Van der Kooi evenals Berkouwer over God alleen in het kader van het verbond en Zijn genadige toewending tot de mens willen spreken.
Zowel binnen de gereformeerde gezindte als in evangelische kring wordt door theologen en ook op het grondvlak de realiteit van de twee wegen en van de twee eindbestemmingen gerelativeerd. Met een beroep op het feit dat wij niet mogen oordelen wordt vaak gesuggereerd dat wij niet mogen uitspreken dat God Zich op de jongste dat zal houden aan de maatstaven die Hijzelf heeft geopenbaard.

Met zulke geluiden zijn we heel ver verwijderd van de gereformeerde belijdenis. Ik noem vraag en antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus.

Vr 84. Vr. Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des Heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten?
Antw: Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allen en een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls als zij de belofte van het Evangelie met een waar geloof aannemen, waarachtig al hun zonden van God, om der verdiensten van Christus’ wil, vergeven zijn; daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd en be¬tuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolang als zij zich niet bekeren; naar welk getuigenis des Evangelies God zal oordelen, beide in dit en in het toekomende leven.

Daartegenover stel ik het getuigenis van R.C. Sproul, een man die wij als de geestelijke vader van de Chicago Statement on Inerrancy kunnen zien. Sproul groeide op in een gemeente met een liberale signatuur, maar kwam als student tot bekering. Niet lang daarna werd hij gewonnen voor de gereformeerde belijdenis. Hij was vooral bekend geworden door Ligioneer Ministries.

Sproul was ervan doordrongen dat we alleen in het licht van Gods heiligheid de grootheid van het Evangelie leren verstaan. In dit verband wees hij vaak op Jesaja 6. De profeet roept als hij zelfs maar iets van Gods heerlijkheid ziet, uit: ‘Wee mij want ik verga.’ Vele malen heeft Sproul een preek over dit hoofdstuk uit de Bijbel gehouden.
Het gemis van het besef van Gods heiligheid zag Sproul als één van de grootste bedreigingen voor de kerk. In relatie met Gods heiligheid was Sproul diep doordrongen van de werkelijkheid van de eeuwige rampzaligheid. Daarin wist hij zich een leerling van Jonathan Edwards, maar bovenal van de Schrift zelf. Meer dan eens wees hij erop dat wij binnen de Bijbel het meeste onderwijs van de realiteit van de hel vinden op de lippen van Jezus Zelf.

Op de vraag of zaken als een poel die brandt van vuur en sulfer en de buitenste duisternis geen beeldspraak is, kon hij antwoorden dat dit inderdaad het geval is, maar dat de werkelijkheid nog erger is dan zelfs deze beeldspraak ons doet vermoeden. Dat mensen moeite hadden met de realiteit van de rampzaligheid – en dan vooral het eeuwigdurend karakter ervan – kon Sproul goed begrijpen. Hij kon daar zelf ook mee worstelen, niet in de laatste plaats als het ging om mensen buiten de kerk aan wie menig christen een voorbeeld kon nemen.

Echter, zo zei hij: ‘Ik ken in ieder geval één persoon van wie het volkomen terecht is, dat hij voor eeuwig verloren gaat en dat is R.C. Sproul.’ Hij kon zeggen dat de Heere hem dat had geleerd en hoopte dat elk van zijn hoorders zo zijn eigen naam leerde invullen. Sproul betuigde ook dat hij mocht weten dat Christus hem had vrijgekocht en verlost van de toekomende toorn. Dat vervulde hem met verwondering en blijdschap.

Afronding

Ik ga afronden. Lees dagelijks biddend de Bijbel om God te leren kennen, jezelf en de Heere Jezus Christus. De Bijbel werpt licht over de gehele werkelijkheid, maar focus van de Bijbelse boodschap is toch de verzoening met God door Christus’ bloed en de vernieuwing door Gods Geest. Laten we daarom ook telkens vragen: ‘Maak in Uw Woord mijn gang en treden vast’ en ‘Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?’ Eenmaal wordt heel deze werkelijkheid vernieuwd. Het nieuwe Jeruzalem zal neerdalen uit de hemel, maar om die stad binnen te gaan, is het nodig om hier in dit leven de lof van het Lam te gaan bezingen.

Weggroeien van het volstrekte gezag van de Schrift is altijd verbonden met het weggroeien van deze focus. Relativering van het gezag van de Schrift staat eigenlijk niet los van het feit dat de vraag naar de persoonlijk zaligheid naar de achtergrond verdwijnt. Die wordt als vanzelfsprekend voorondersteld. Omgekeerd staat blijven bij en terugkeer tot het onvoorwaardelijk buigen voor het gezag van de Schrift nooit los van het feit dat men is geraakt door de boodschap van zonde en genade, dat Christus niet alleen voor anderen maar ook voor mij de Zaligmaker is Die redt van de toekomende toorn.

Een christen is een rentmeester en heeft hier op aarde een taak, maar bovenal is een christen een pelgrim die de Bijbel als reisgids heeft naar het nieuwe Jeruzalem. Hier wandelen we door geloof. Geloof is zowel een zeker weten als vast vertrouwen. Zeker weten dat alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft waarachtig is. Een vast vertrouwen dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij om Christus’ wil vergeving van zonden is geschonken en er daarom de begeerte is uit Hem, door Hem en tot Hem te leven.

Het eerste deel van dit tweeluik over Schriftgezag verscheen is hier te vinden.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Het gezag van de Schrift (1): Hoe weten we dat de Bijbel het Woord van God is?

Op grond van het zelfgetuigenis van de Schrift en in overeenstemming met de gere­formeerde be­lijdenis behoren wij te belijden dat de Bijbel de uiteindelijke bron en norm van ons geloof is. In­zichten, overtuigingen uit welke bron zij ook komen, dienen ge­toetst te worden aan de Schrift. In onze tijd leeft breed de gedachte dat de Bijbel omdat zij in een bepaalde context is ontstaan, niet rechtstreeks relevant voor ons kan zijn. Daar zit dan een fase tussen.

De brug tussen de boodschap van de Bijbel in de tijd van haar ontstaan en de bood­schap van de Bijbel nu moet door de hermeneutiek – de discipline die zich op de uitleg en het verstaan van de Schrift bezint – worden geslagen. Nu is hermeneutiek een nuttige en nodige discipline. Echter, als het als taak van de hermeneutiek wordt gezien een brug te slaan tussen de boodschap van de Bijbel toen en nu, ontleent de herme­neutiek haar uitgangspunten niet louter aan de Schrift zelf. Dat moet wel tot een ver­tekening van de Bijbelse boodschap leiden.

Hoe weten we dat de Bijbel het Woord van God is?

We kunnen en moeten dat niet op een neutrale manier bewijzen. Dat is strijdig met de aard van het Woord van God zelf. Adam en Eva hadden in het paradijs van God de openbaring ont­vangen dat zij niet mochten eten van de boom van kennis van goed en kwaad. De zondeval zet zich in als Eva de mogelijkheid open gaat houden dat de slang wel eens gelijk zou kunnen hebben. Zij nam de positie in van een neutrale waarnemer, maar hier is er geen neutraliteit. Daarom verloor zij het van de slang.

Ongetwijfeld zijn er argumenten aan te voeren voor de waarheid en het gezag van Gods Woord. Daaraan vooraf gaat echter de basisovertuiging dat de Schrift hoe dan ook de stem is van de levende God. Daarvan heeft de Heilige Geest ons overtuigd. Calvijn schreef in zijn Institutie: ‘Maar aangezien geen da­ge­lijkse Godsspraken uit de hemel gegeven worden, en alleen de Schriften be­staan door welke het de Heere goed gedacht heeft Zijn waarheid tot een eeuwige gedachtenis te doen voort­leven, bezit de Schrift door geen ander recht een volle­dig gezag bij de gelovigen, dan wanneer ze gelo­ven dat ze uit de hemel is voortgekomen, even alsof levende stemmen Gods zelf vandaar ge­hoord werden.’ (Institutie, I, VII, 1).

Wie overtuigd is van het gezag van de Schrift, wie weet dat de Bijbel de stem is van de levende God is ook geraakt door haar inhoud. Er is alleen toegang tot onze Schep­per, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus door Zijn Zoon in de kracht van Zijn Geest. Met Jesaja hebben we leren belijden: ‘Wee mijner ik verga’. (Jes. 6:5). Met hem mogen we weten dat wij aangeraakt zijn met een kool van het altaar van verzoe­ning.(Jes. 6:7).

Ik kan in dit verband niet nalaten te wijzen op het werkelijk prachtige boekje The Way of Life van de hand van de negentiende-eeuwse Amerikaanse theoloog Charles Hodge. Hodge opent met aan­wijzingen voor het gezag van de Schrift. Nadrukkelijk laat hij innerlijke aanwijzingen verbonden met haar boodschap vooraf gaan aan uiterlijke aanwijzingen. Vervolgens zet hij de Bijbelse bood­schap van zonde en genade uiteen. Voor wie niet vlot Engels leest, wijs ik erop dat een Nederlandse vertaling van dit boekje wordt voorbereid dat in de loop van volgend jaar zal uitkomen.

De historische en culturele context waarbinnen de Bijbel ontstond

De Bijbel is ontstaan binnen een bepaalde historische en culturele context. Dat bete­kent niet dat de boodschap van de Bijbel tijdbepaald en cultuur gebonden is. God leidt alle dingen naar Zijn Raad. Hij heeft ook de tijd en omstandigheden bepaald waarbin­nen de boeken van de Bijbel ontstonden.

Zeker waar is dat als iets wordt beschreven in de Bijbel het daarmee nog niet wordt voorgeschreven. Maar schrijft de Bijbel iets voor, dan mogen wij niet met een beroep op het feit dat de Bijbel in een andere tijd en cultuur is ontstaan, dit terzijde schuiven. Dat geldt ook van de leerstellige boodschap van de Bijbel. In onze tijd beweert
menig­een: dood is dood. Met de toekomende toorn en dat God ons sinds de zondeval niet aanvaardt zoals we zijn, houdt menigeen ook binnen de kerk geen rekening. Het staat ver af van het eigentijdse levensgevoel.

Onbetwistbaar is dat de Heere Jezus en de apostelen diep waren overtuigd van de realiteit van de toekomende toorn. Het werk van de Heere Jezus is alleen tegen die achtergrond te begrijpen. Hij verlost van de toekomende toorn. Zaak is dat wij onze context onder de koepel van het Bijbelse getuigenis stellen en niet omgekeerd. Wij moeten ons denken door de Bijbel laten stempelen en niet de Bijbelse boodschap aanpassen aan het eigentijdse levensgevoel. Biddende omgang met God in het on­derzoek is nodig om daarvoor te worden bewaard.

Wat is Schriftkritiek?

Onder Schriftkritiek verstaan we dat men niet zonder reserve de Bijbel als stem van de levende God aanvaardt. Concreet betekent het dat men niet uitgaat van de eenheid en innerlijke consistentie van het Bijbelse getuigenis. De Bijbel bevat in deze ziens­wijze zowel op historisch, leerstellig en ethisch gebied fouten en onvolkomenheden. Zo meent men dat wat de Bijbel als geschiedenis pre­senteert, op zijn minst ten dele fictie kan zijn. In Bijbelse geschiedschrijving zouden herhaaldelijk fictie en geschiede­nis door elkaar heenlopen en soms is er sprake van louter fictie. Het boek Jona wordt dan vaak als voorbeeld genoemd. De discrepanties tussen de vier evangeliën worden ook als een aanwijzing gezien dat de evangeliën niet zonder meer geschiedschrijving bieden al pretenderen zij dat wel.

Als het gaat om de eenheid van de leerstellige en ethische boodschap van de Bijbel moeten we altijd de gang van de oude naar de nieuwe bedeling verdisconteren. Het Nieuwe Testament is de uiteindelijke openbaring van God. Heel de Bijbel is het Woord van God. Wij kunnen het Nieuwe Testament nooit zonder het Oude Testament begrij­pen. Nu wij naast het Oude Testament ook het Nieuwe Testament hebben, moeten we het Oude Testament in het licht van de nieuwtestamenti­sche vervulling lezen.

Bij ethische onvolkomenhe­den zal men in onze tijd vaak wijzen naar het nieuwtesta­mentisch ge­tuigenis over de verhouding van man en vrouw en huwelijk en seksualiteit. Hier is deze zienswijze van de nieuwtestamentische openbaring niet toereikend. Op het punt van de verhouding man en vrouw zouden er teveel concessies zijn gedaan aan de toenmalige maatschappelijke opvattingen. Met betrekking tot transgender- en homoseksuele gevoelens zou het Nieuwe Testament tekort­schieten in het besef hoe diep deze gevoelens zitten. Wie zich dat wel realiseert, zal vanuit het Bijbelse getuige­nis van Gods liefde ruimte zien voor transitie en stabiele homoseksuele relaties.

De Kerk der eeuwen heeft de Bijbel altijd als eenheid gelezen. Kerkvaders en Refor­matoren spra­ken over de Bijbelschrijvers als secretarissen van de Heilige Geest. Daar­mee wilden zij duidelijk maken hoe het proces van de inspiratie was. Ook zij wisten dat er dan tal van verschillen kunnen zijn. Van directe Godspraak bij de profeten tot nauw­keurig onderzoek voorafgaande aan schrifte­lijke vastlegging, zoals Lukas dat ver­woord. Het ging hen om het resultaat van de inspiratie. De woorden van de Bijbelschrij­vers zijn de woorden van God. Via de woorden van de Bijbelschrijvers horen we echt de stem van God Zelf.

Meer dan eens is gepoogd om Luther en Calvijn als wegbereiders van het kritisch lezen van de Bijbel te zien. Dat is geheel ten onrechte. De apocriefe boeken als Judith en Tobith laten hun niet-canonieke karakter volgens Luther zien in het feit dat zij his­torisch niet betrouwbaar zijn. Dat ligt bij het boek Jona anders. Daar wordt werkelijk geschiedenis beschreven.

Bij de discrepanties tussen de vier evangeliën heeft men de eeuwen door naar harmo­niserende verklaring gezocht. Augusti­nus zegt in zijn boek De consensu evange­listarum dat niemand wil dat de evangelisten elkaar tegenspre­ken, behalve mensen die liever geloven dat het evangelie liegt. Wie de uitleg van Calvijn op de evangeliën leest, komt telkens weer harmoniserende verklaring tegen.

Een heel enkele keer neemt Calvijn aan dat er in bestaande manuscripten een over­schrijffout is geslopen. Het bevat dan een fout die niet in het oorspronkelijke hand­schrift voorkwam. Deze oplossing stelt hij bijvoorbeeld in Mat. 27:9 voor. Bij het over­schrijven zou de naam van Zacharia door die van Jeremia zijn vervangen. Calvijn ge­bruikt hier namelijk het woord ‘obrepserit’ (inge­slopen). In de Engelse vertaling van William Springle wordt ‘obrepserit’ vertaald als ‘put down by mistake’. In de Neder­landse vertaling van A. Brummelkamp lezen we de weergave ‘’mistasting’.

Als het gaat om leerstellige tegenstelling in de Bijbel, wordt onder andere gewezen op het verschil tussen Paulus en Jacobus over de rechtvaardiging door het geloof. Het antwoord is dat het om een schijnbare en niet om een werkelijke tegenstelling gaat. Paulus en Jacobus gebruiken zowel de woorden ‘geloof’ als ‘rechtvaardigen’ op een verschillende wijze. Zakelijk zeggen zij hetzelfde. Het werk van Christus is de enige grond van zaligheid en een levend geloof is nooit zonder vruchten of goede werken.

Maar is juist hier Luther niet een wegbereider van de Schriftkritiek? Immers ook hij nam tussen deze twee nieuwtestamentische getuigen een werkelijke tegenstelling aan? Dat is juist, maar daarom betwijfelde Luther of Jacobus wel een door Gods Geest geïnspi­reerd Bijbelboek was en in het Nieuwe Testament thuishoorde. Hij zou zijn doctorsba­ret wel willen geven aan de theoloog die de overeenstemming tussen Paulus en Jaco­bus kan laten zien. Dan alleen zou hij kunnen aanvaarden dat ook de brief van Jacobus een canoniek Bijbelboek is.

Het grote verschil tussen Luther en Schriftcritici is dat voor Luther canoniciteit en wer­kelijke tegenstellingen onverenigbaar zijn. Dat is voor hen die de Schriftkritiek aan­vaarden geen probleem. De consequentie is dat de Bijbel niet de uiteindelijke bron en norm van het geloof kan zijn.

Wat is tekstkritiek?

Zowel van het Oude Testament als het Nieuwe Testament hebben we tal van hand­schriften. Tussen de handschriften van het Oude Testament bestaan feitelijk slechts geringe verschillen, maar niet altijd is de tekst van het Oude Testament goed te verta­len. De Hebreeuwse tekst is een tekst bestaande uit medeklinkers. Daarbij zijn later klinkers gezet. Soms kan men aannemen dat er toch andere klinkers moeten worden geplaatst. Of dat de ene medeklinker moet worden vervangen door een medeklinker die er op lijkt. Het kan zijn dat een medeklinker beter aan een volgend woord kan worden verbonden. Blijkt dat de alleroudste vertalingen – en dan denk ik vooral aan de Septuaginta – daarvan uitgaan, dan is dat een krachtig argument om die te volgen.

Tussen de handschriften van het Nieuwe Testament bestaan grotere verschillen. Een heel groot deel van de verschillen is gemakkelijk te verklaren als overschrijffouten. Men sloeg een woord of een zin over, enz. Een aantal verschillen is belangrijker. We moe­ten wel beseffen dat welk handschrift we ook volgen – en dat geldt zowel het Oude als het Nieuwe Testament – de boodschap van de Bijbel niet behoeft te worden bijgesteld.

Tekstkritiek is er op uit vast te stellen hoe het oorspronkelijke handschrift eruit zag. Elke uitgave van het Oude of Nieuwe Testament gaat uit of van één handsschrift óf van meerdere handschriften die met elkaar zijn vergeleken. Altijd is er op een of andere manier sprake van het wegen van de handschriften. Welke is de beste? Welke moeten we volgen? Tekstkritiek is dan van een geheel andere orde dan Schriftkritiek.

Heeft de Bijbel wel direct gezag?

Dit wordt steeds meer ontkend. Allerlei argumenten worden aangehaald. Juist als men op een be­paalde wijze nog orthodox wil zijn, wil men niet zomaar zeggen dat de bood­schap van de Bijbel gedateerd is. Iets wat voor liberale theologen geen probleem is. Allereerst moeten we zeggen dat wij altijd de gang van de oude naar de nieuwe bede­ling moeten verdisconteren. God Zelf heeft door de kruisdood van Zijn Zoon de muur van afscheiding tussen Israël en de volkeren afgebroken. Christenen uit de heidenen zijn niet gebonden aan de spijs- en reinheidswetten van Mozes en voor Joodse volge­lingen van Jezus hebben zij alleen culturele betekenis. Als het gaat om het huwelijk kent de nieuwe bedeling niet de tolerantie (wat iets anders is dan goedkeuren) van polygamie en echtscheiding die er onder de oude bedeling was.

Beslissend is Gods uiteindelijke openbaring in het Nieuwe Testament. Met het Nieuwe Testament is de openbaring en de canon afgesloten. Reeds in de tweede eeuw na Chr. worden de grenzen van de canon duidelijk. Bepalend voor de canoniciteit van een nieuwtestamentisch Bijbelboek was dat het boek apostolisch van inhoud of oorsprong was. Het laatste hield in dat het óf door een apostel óf door een van zijn directe mede­werkers was geschreven.

Met het wegvallen van de apostelen en hun directe medewerkers bleven hun schrifte­lijke getuige­nissen over. Beslissend voor de kerk was of een zienswijze daarmee in overeenstemming was. Het is waar dat wij geen nieuwe openbaring verwachten, maar mogen en moeten we echt niet boven het Nieuwe Testament uit­gaan? Als er een ont­wikkeling is van de oude naar de nieuwe bedeling mag die ontwikkeling niet doorgaan? Deze zienswijze is in Nederland al in de negentiende eeuw verdedigd door de zoge­naamde ethische theologen.

Niet de Schrift is de uiteindelijke bron en norm van het geloof, maar Christus Die door Zijn Geest in Zijn gemeente woont. De Schrift is middel om het geloof te werken en te versterken, maar niet zonder voorbehoud de uiteindelijke norm en bron van het geloof. De klassiek protestantse Schrift­visie was, zo meende men, niet vrij van rationalistische trekken. Daar tegenover stelde men dat de waarheid ‘ethisch’ was. De waarheid moet op het hart beslag leggen. Dat laatste is natuurlijk waar, maar dan is toch de vraag: wat is de inhoud van de waarheid.

De Bijbel is de primaire neerslag van het Woord van God, maar niet zondermeer in directe zin het Woord van God. Op die primaire neerslag moet elke volgende generatie zich weer oriënteren om geleid door de Heilige Geest te weten wat God nu van hen vraagt. De leiding van Gods Geest gaat zo boven de concrete inhoud van de Schrift uit.

Tegenwoordig wordt het wel zo verwoord: ‘Wij moeten het Nieuwe Testament niet van­uit onze context uitleggen, maar hoeven ook niet vanuit de context waarbinnen het Nieuwe Testament ontstond haar boodschap voor ons toe te passen.’ Concreet bete­kent dit bijvoorbeeld dat al geeft het Nieuwe Testament geen ruimte voor vrouwelijke ambtsdragers of stabiele homoseksuele relaties, wij moeten verbinden met de context van toen. In de vertolking van de boodschap naar het heden is die context voor ons niet normgevend.

Op deze wijze kan trouwens ook de boodschap van de eeuwige rampzaligheid worden gerelativeerd. Je moet die dan zien binnen de context van het Jodendom van de Tweede Tempel en in het bijzonder de apocalyptiek. Echter vanuit de centrale bood­schap van Gods liefde, zo is dan de argumentatie, mogen we gegevens over de eeu­wige straf relativeren.

Alom zien we een revival van de ethische theologie en met name de ethische Schrift­opvatting. Ik denk aan de Christelijke Dogmatiek van Gijsbert van den Brink en Kees van der Kooij. Zij schrijven over de Bijbel als het boek van God én mensen. Daarmee bedoelen zij meer dan dat God mensen gebruikt heeft om Zijn Woord op schrift te stellen. De menselijke factor heeft voor hen een zelfstandige betekenis ten opzicht van die van God.

In dit verband noem ik ook het boek Lezen en laten lezen van Arnold Huijgen. Dat is geen dogmatiek, maar een hermeneutische studie. Huijgen pleit voor bevindelijk Bijbel lezen. Door het gebruik van ‘bevindelijk’ wordt ongetwijfeld gepoogd bij een aantal le­zers een stuk vertrouwen te wekken. Dat is echter niet terecht. Het gaat bepaald niet om bevinding in de zin van persoonlijke doorleving van de Bijbelse bood­schap van zonde en genade.

Bevindelijk betekent bij Huijgen dat je nooit over de inhoud van de Schrift los van jouw omgang met de Schrift kunt spreken. Je mag de inhoud van de Bijbel niet als objectief typeren. Ik kan het ook zo zeggen wat Huijgen ‘bevindelijk’ noemt, noemde het Schrift­rapport God met ons dat de Gereformeerde Kerken in 1979 uitgaven ‘relationeel’. Bij Huijgen zie je ook dezelfde afstand tot de betrouwbaarheid van de Bijbelse geschied­schrijving als in God met ons.

Bij de Christelijke Dogmatiek is de lijn als het gaat om personen nog directer. Kees van der Kooij is een leerling en theologische geestverwant van Jan Veenhof, een van de opsteller van het rapport God met ons. Ik wil niet zeggen dat God met ons, de Christelijke Dogmatiek en Lezen en laten lezen dezelfde accenten leggen als het gaat om het gezag en begrijpen van de Bijbel.

Vergeleken met God met ons moeten we zeggen dat Christelijke Dogmatiek Bijbel­wetenschap nadrukkelijker ten dienste staat van de dogmatiek dan in God met ons. Het valt niet uit te sluiten dat als Veenhof het rapport alleen had geschreven de betrokkenheid tussen Bijbelwetenschap en dogmatiek sterker was beklemtoond.

Het eigene van Huijgen is dat hij in de lijn van Karl Barth en vooral ook zijn Nederlandse geestverwant Oepke Noordmans wil gaan als het gaat om de wijze waarop we de Schrift moeten zien. Uitgangspunt is Gods openbaring en dat Gods openbaring ons wil lezen. Echter, die openbaring valt niet samen met de Bijbel als het onfeilbare Woord van God.

Wat God met ons, de Christelijke Dogmatiek en Lezen en laten lezen met elkaar ver­bindt, is er een distantie is van de klassiek visie op de aard en de reikwijdte van het gezag van de Schrift. Trouwens ook Gereformeerde hermeneutiek vandaag kan in dit verband worden genoemd. Op een enkele bijdrage na ademt deze uitgave van de Theologische Universiteit Kampen de geest van de nieuwe hermeneutiek.

Genoemde geschriften weerspiegelen en stimuleren een andere wijze van omgang met de Schrift. Is dat erg? Destijds is vanuit de kring van de Gereformeerde Bond, de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt en de Christelijke Gereformeerde Kerken zeer kri­tisch gereageerd op het rapport Gods met ons. Via de Evangelische Omroep werden in het programma De Bijbel in de beklaagdenbank de bezwaren wereldkundig gemaakt.

Waren die bezwaren achteraf gezien niet onbillijk en overtreffen? Die vraag kan men stellen als men let op de veelal welwillende ontvangst van Christelijke Dogmatiek en Lezen en laten lezen en ook Gereformeerde hermeneutiek vandaag. Bezwaren zijn veel minder fundamenteel. En als er fundamentele bezwaren worden die veel minde breed gedragen dan destijds de kritiek op God met ons. Ik kan niet anders zeggen dat sprake is van stille en innerlijk erosie van het onvoorwaardelijke buigen voor het gezag van de Schrift. De enige oplossing is bekering tot God. Dan laten wij onze gedachten gevangen nemen tot gehoorzaamheid aan Christus zoals Hij tot ons spreekt door Zijn Woord.

Het tweede deel van dit tweeluik over Schriftgezag verscheen is hier te vinden.

Deze gastbijdrage is met toestemming overgenomen van de website van dr. P. de Vries. Het originele artikel is hier te vinden.

Een bijbels geluid over huwelijk en seksualiteit – Bespreking van ‘Christian Ethics’

Met John Piper is Wayne Grudem één van de geestelijk vaders van Biblical Council on Manhood and Womanhood, een organisatie die bekend is door de Denver Statement over de verhouding van man en vrouw en de Nashville Statement over huwelijk en seksualiteit. Grudem is al jaren werkzaam als onderzoekhoogleraar theologie en Bijbelwetenschap aan Pnoenix Seminary in Scottdale, Arizona en schreef een dogmatiek die in de Engelssprekende wereld breed wordt gebruikt. In 2018 verscheen als een soort tweelingwerk van zijn dogmatiek een uitgebreid handboek over de christelijke ethiek, namelijk Christian Ethics: An Introduction to Biblical Moral Reasoning1. De hoofdstukken 28 t/m 33 zijn gewijd aan huwelijk en seksualiteit en de daarmee verbonden vragen.

Aan de orde komen niet alleen huwelijk en voorplanting, maar ook hoe men moet omgaan met onvruchtbaarheid en wat de bijbelse gronden zijn om in principe positief over adoptie te denken. In onderscheid met Grudem zou ik willen stellen dat een christelijk huwelijk in principe de bereidheid vooronderstelt van meet af aan kinderen te ontvangen. Dat was destijds ook de lijn van prof. dr. W.H. Velema die als ethicus zoveel heeft betekend voor de gereformeerde gezindte. Zonder gewetens te binden meen ik evenals Velema dat de kinderzegen met de lichamelijke omgang tussen man en vrouw verbonden moet blijven. Anders dan Grudem zou ik daarom altijd IVF afraden.

In Christian Ethics zijn ook hoofdstukken gewijd aan pornografie, echtscheiding en hertrouw. Dat pornografie sinds internet een probleem is van geweldige omgang kan niemand ontkennen. Grudem wijst erop dat pornoverslaving altijd tot blijvende schade leidt. Er is altijd een weg terug en bij de Heere is vergeving, maar de wetenschap dat de gevolgen de geest blijvend beschadigen mag en moet als argument gebruikt worden om zich niet aan deze verslaving over te geven.

Meerdere Amerikaanse christenen zijn van mening dat na echtscheiding ook voor de onschuldige partij hertrouw niet geoorloofd is zolang de man of vrouw van wie men is gescheiden, nog leeft. Terecht meen ik dat Grudem twee gronden niet alleen voor echtscheiding maar ook voor hertrouw geeft, namelijk overspel en het feit dat een van de gehuwden in het huwelijk in contact komt met het christelijk geloof en daarvoor gewonnen wordt en de andere partij dat niet accepteert.

In hoofdstuk 33 worden homoseksualiteit en transgendergevoelens aan de orde gesteld. Grudem wijst erop dat niemand kan ontkennen dat de eeuwen door het bijbelse getuigenis door alle stromen binnen de christelijke kerk zo is verstaan dat er geen enkele ruimte is voor homoseksueel gedrag en homoseksuele relaties. Dat stabiele homoseksuele relaties hierop een uitzondering vormen is in het licht van de geschiedenis van de kerk der eeuwen een zeer recente gedachte.

Terecht stelt Grudem dat men alleen ruimte kan maken voor stabiele homoseksuele relaties door het de reikwijdte van de bijbelse notie dat God de mens mannelijk en vrouwelijk schiep te ontkrachten. Grudem wijst ook op de oudtestamentische en nieuwtestamentische Bijbelteksten die homoseksueel niet alleen afwijzen maar ook op de ernst van dit gedrag wijzen. Het feit dat het aantal teksten gering is, heeft eenvoudig te maken met het feit dat in de Schrift er telkens weer vanuit wordt gegaan dat seksualiteit alleen een plaats behoord te hebben binnen het huwelijk tussen man en vrouw. Seksualiteit buiten het huwelijk valt hoe dan ook onder Gods oordeel.

Grudem bestrijdt dat homoseksuele gevoelens neutraal zijn. Wel wijst hij erop dat gevoelens van een andere orde zijn dan gedrag. Elke christen moet immers strijden met gevoelens die niet in overeenstemming zijn met Gods bedoeling. Die gevoelens zijn geen verhindering om zalig te worden, wel het nalaten er telkens weer tegen te strijden in een waarachtig geloof. Ik kan Grudem alleen maar bijvallen dat wij in het licht van het bijbelse getuigenis het bijwonen van een huwelijk tussen twee personen van hetzelfde geslacht – hoe na die ons ook staan – niet kunnen verantwoorden. Het gaat om een verbintenis die weliswaar door de overheid als huwelijk wordt gedefinieerd, maar het bijbels gezien niet is. Het bijwonen ervan zal altijd als een vorm van erkenning worden uitgelegd.

Met betrekking tot transgendergevoelens wijst Grudem erop dat de Schrift telkens weer in het licht van Gods scheppingsbedoeling met de mens man en vrouw van elkaar onderscheidt. Hij noemt ook het belang van Deut. 22:5. Daar wordt duidelijk gesteld dat het onderscheid tussen man en vrouw ook in kleding tot uiting behoort te komen. Daarbij verdisconteert hij wel dat de kledingstijlen van man en vrouw in de loop van de tijden veranderen en dat kleding die door een vroegere generatie als specifiek mannelijk of vrouwelijk werd gezien dat later niet meer is. Ook van cultuur tot cultuur zijn er verschillen, maar het beginsel van onderscheid in kleding blijft gehandhaafd.

Grudem wijst erop dat transitie van een man geen vrouw maakt en van een vrouw geen man. Biologisch blijft een man ook na transitie een man en een vrouw en vrouw. De aanpassing is alleen uiterlijk. De auteur noemt ook de maatschappelijke problemen die op allerlei terreinen zullen komen als het biologische geslacht niet als uitgangspunt wordt genomen. Grudem pleit er ook voor om iemand van wie je weet dat hij biologisch een man is met hij aan te spreken en wie biologisch een vrouw is met zij. Ik val hem daarin bij.

Dit voluit bijbelse geluid sluit voor Gudem niet uit dat wij niet mogen neerzien om hen die worstelen met transgendergevoelens. We moeten hen oproepen en opstaan om vertrouwend op Christus te doen wat Hij vraagt. Ook zij die een transitie ondergingen zijn welkom in de kerk en kunnen als zij berouw over hun keuze tonen ook aanvaard worden als lid. Dat geldt ook voor hen die worstelen met homoseksuele gevoelens. Dat is trouwens een van de spitsen van de Nashville Statement. Zij die worstelen met homoseksuele gevoelens, maar celibatair leven horen een volstrekt volwaardige plaats te hebben in de christelijke gemeente.

Samenvattend: Grudem is geen diep maar wel een zeer helder denken. Heel overzichtelijk en toegankelijk stelt hij de bijbelse gegevens aan de orde. Dat geldt ook voor de andere hoofdstukken van zijn boek. Elk hoofdstuk besluit met een uitgebreide opgave van literatuur voor verdere studie. Dat maakt Christian Ethics extra waardevol.

PERSBERICHT oktober 2021: Cursussen stichting ‘Godsvrucht en wetenschap’

We willen u in dit persbericht nader informeren over de voortgang van de cursussen. Zoals u op onze website godsvruchtenweteschap.nl kunt lezen worden in dit cursusjaar 2021/2022 de volgende cursussen gegeven:

  • Close reading van Ezechiël
  • Hermeneutiek
  • Inleiding in de Bijbelse theologie
  • Thema’s uit de geloofsleer

De cursussen Close reading van Ezechiël en Hermeneutiek worden nu gegeven. Er blijkt veel belangstelling voor te zijn. Voor de overige cursussen hebben zich al heel wat mensen aangemeld, maar meer aanmeldingen zijn nog mogelijk. Wat de cursus Close reading van Ezechiël betreft, is het gezien het karakter van de cursus, mogelijk ook tussentijds nog aan te sluiten.

De eerstvolgende cursus is Geloofsverantwoording in het voetspoor van Augustinus. Deze cursus start op D.V. 27 november. In deze cursus wordt uiteraard brede aandacht gegeven aan Augustinus. Vervolgens passeren mensen die zijn gedachtegoed hebben uitgedragen: Anselmus, Blaise Pascal, Cornelis van Til en Alvin Plantinga.

Geloofsverantwoording in het voetspoor van Augustinus

Augustinus is terecht de kerkvader van het Westen genoemd en heeft als geen ander de theologie en het geestelijke leven van de kerk van het Westen gestempeld. Zijn omvangrijkste werk De Stad van God (De Civitate Dei) is richtinggevend geweest in het denken over kerk en staat. Augustinus heeft geworsteld met de intellectuele houdbaarheid van het christelijk geloof.

Wat Augustinus onder andere zo interessant maakt, is dat hij met intellectuele vragen heeft geworsteld die telkens weer gesteld worden. Vragen van menige catechisanten blijken al door Augustinus gesteld te zijn en vervolgens ook beantwoord en vaak op een bevredigende wijze. Daartoe draagt ook zijn boek Belijdenissen bij. Hierin schrijft hij uitvoerig over zijn geestelijke ontwikkeling, ook hoe zijn bekering aanvankelijk meer van intellectuele aard was en later meer heeft doorgewerkt in zijn morele bekering.

Anselmus is een middeleeuws theoloog die heel welbewust in het spoor van Augustinus gaat. Hij leefde weer in en heel andere tijd, de tijd van de kruistochten. In de cursus wordt aandacht gegeven aan de verhouding tussen geloof en rede. De echte kennis is geloofskennis en dat vraagt om verdere doordenking. Welk begrip hebben wij van het bestaan van God en hoe wij alleen tot God kunnen naderen dan door een Middelaar. Dat alles komt o.m. aan de orde in het door hem geschreven boek Waarom God mens werd. In de cursus komt ook zijn boek Proslogion aan de orde, waarin Anselmus argument geeft voor het bestaan van God.

De zeventiende-eeuwse Fransman Blaise Pascal kunnen we als één van de grootste geestelijke zonen van Augustinus typeren. We maken in deze cursus kennis met de geleerde natuurkundige en wiskundige, die een plotselinge bekering meemaakte, altijd lid van de roomse kerk (jansenisme) is gebleven, die zich voor God geen genie wist, maar alleen een zondaar die op Christus alleen was aangewezen.

De Amerikanen Cornelius van Til (1895-1987) en Alvin Plantinga (1932-heden), die zoals hun namen laten zien beiden Nederlandse wortels hebben, kunnen beiden via Calvijn als erfgenamen van de augustijnse traditie over de verhouding van geloof en kennis worden gezien. Beiden zijn echt systematische denkers. De veelvormigheid van de gereformeerde traditie doen zij niet echt recht, omdat uitgebreid historisch onderzoek ontbreekt.

Elk op hun eigen wijze hebben zij inzichten uit de door Calvijn gestempelde erfenis van Augustinus verwerkt. Daarbij sluit Van Til in onderscheid met Plantinga ook zonder reserve aan bij de genadeleer van Calvijn. Plantinga gaat uit van de vrije wil en meent dat wij niet mogen spreken over de eenvoudigheid van God. Hoewel hij hierin een afwijkend standpunt inneemt t.o.v. de gereformeerde traditie, neemt dat niet weg dat wij zowel van hem als van Van Til het een en ander kunnen leren. Niet alleen Plantinga maar ook Van Til was feitelijk meer een filosoof dan een apologeet. Beiden hebben inzichten ontwikkelt die zeer vruchtbaar zijn voor de verantwoording en verdediging van het christelijk geloof.

Overige cursussen

De cursus ‘Inleiding in de Bijbelse theologie’ is in de eerste plaats bedoeld voor predikanten en leraren in het middelbare onderwijs die nageschoold willen worden. Anderen zijn overigens ook van harte welkom. Deze cursus wordt op donderdagmorgen gehouden. De eerste keer is D.V. donderdag 3 februari 2022. De laatste cursus ‘Thema’s uit de geloofsleer’ wordt volgend jaar op een viertal avonden in april en mei gegeven en is nadrukkelijk bedoeld voor elk geïnteresseerd gemeentelid.

Over drie seizoenen verspreid worden er elk jaar nieuwe cursussen aangeboden. Er is tot op zekere hoogte sprake van een lint, maar in principe is elke cursus een afzonderlijk geheel. Zonder een eerdere cursus gevolgd te hebben kan men aan cursussen die een volgend seizoen worden aangeboden met vrucht deelnemen. De cursussen worden gegeven in Gouda. De cursus Close reading van Ezechiël die een wat meer specialistisch karakter heeft, is gesplitst en wordt behalve in Gouda ook in Nunspeet gegeven.

Meer informatie is te vinden op de website: godsvruchtenweteschap.nl. Wie belangstelling heeft voor een van de cursussen of meer informatie wil, kan zich via de email dspdevries@solcon.nl wenden tot dr. P. de Vries. Inmiddels zijn er meerdere donaties ontvangen. Omdat de kosten de baten zullen overstijgen, zijn donaties – groot of klein – nog altijd van harte welkom. Het bankrekening nummer van onze stichting is NL24RABO0369683501. Het bestuur en dr. P. de Vries spreken de wens uit dat het werk van de stichting Godsvrucht en wetenschap tot zegen zal zijn. Dit in de overtuiging dat de Bijbel de stem is van de drie-enige God Die als de God van volkomen zaligheid is te belijden.