Home » Filosofie (Pagina 2)

Categoriearchief: Filosofie

Niet beeld piramide, maar een spinnenweb kan het evolutiedebat lostrekken

Maak een opsomming van rustig tot heftig, en je krijgt dit: gesprek, dialoog, meningsverschil, discussie, evolutiedebat. Hoe komt het dat het debat over schepping en evolutie zo intens en existentieel wordt gevoerd?

“In het plaatje van het spinnenweb geldt dat alle overtuigingen van een individu samenhangen en elkaar beïnvloeden: wetenschappelijke, filosofische, ethische, theologische en alledaagse overtuigingen. Als je aan één overtuiging trekt, beweegt alles.” Bron: Pixabay.

Onlangs verscheen het boek En God zag dat het goed was. Vijfentwintig christenwetenschappers doordenken de gevolgen voor de theologie als de evolutietheorie waar is. De bedoeling van het boek als geheel is overduidelijk de lezer geruststellen: belangrijke concepten zoals voorzienigheid, erfzonde, uniciteit van de mens, beeld van God en de ziel kunnen behouden blijven als ze meer of minder worden aangepast aan huidige natuurwetenschappelijke inzichten.

Maar even overduidelijk is dat dit boek de strijdende partijen niet dichter bij elkaar brengt. Dat heeft niet te maken met biologie, kosmologie, zelfs niet met theologie, maar met filosofie. Filosofen onderscheiden twee manieren om te kiezen tussen botsende overtuigingen. De ene gebruikt het beeld van een piramide, de andere dat van een spinnenweb.

Funderingsdenken

Bij de piramide moet je je kennisclaims ordenen: de zekerste kennis hoort onder in de piramide. Hoe hoger, hoe minder zekerheid. Onderin zitten kennisbronnen als wiskunde en zintuigelijke waarneming. In een laag daarboven zit de natuurwetenschap, nog weer hoger komt de theologische kennis. Wezenlijk is dat hogere lagen gefundeerd moeten zijn in de lagere (‘funderingsdenken’) en niet andersom. Een wetenschappelijke theorie die strijdt met de wiskunde, moet worden aangepast. Als theologische kennisclaims botsen met de wetenschap, moet de theologie wijken. Eenvoudig toch?

Veel auteurs in genoemd boek gaan bewust of onbewust uit van dit funderingsdenken. De wetenschap heeft aangetoond dat de evolutietheorie erg sterk staat, dus moet de theologie zich aanpassen. Jeroen de Ridder schrijft bijvoorbeeld: ‘de werkelijkheid – en de wetenschap (…) – [trekken] zich niet zo veel aan van wat wij mensen wel of niet verteerbaar vinden. De vraag is of het waar is dat mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder hebben, of wij dat nu leuk vinden of niet.’ Ook tegenstanders van de evolutietheorie maken vaak gebruik van funderingsdenken. Volgens hen is theologische kennis basaler dan de wetenschap, dus moet de wetenschap wijken voor de Bijbel. Eenvoudig toch? Zo zit het debat muurvast.

In het plaatje van het spinnenweb geldt dat alle overtuigingen van een individu samenhangen en elkaar beïnvloeden: wetenschappelijke, filosofische, ethische, theologische en alledaagse overtuigingen. Als je aan één overtuiging trekt, beweegt alles. Er bestaat geen voorgeschreven rangorde, zoals in de piramide. Wel zijn sommige overtuigingen perifeer, andere centraal. Overtuigingen die centraal in iemands ‘web of beliefs’ zitten, zullen zelden of nooit worden losgelaten.

De vraag wordt dan waarom bijvoorbeeld de bewering ‘De evolutietheorie is waar’ voor de ene christen een centrale overtuiging is, en voor de andere niet. Dat hangt af van kennis, ervaring, opleiding, intelligentie, wereldbeeld en levensbeschouwing. En het heeft te maken met de rest van je overtuigingen. Er is dus sprake van veelrichtingsverkeer. Ik zou graag zien dat we in het evolutiedebat de piramide inruilen voor het spinnenweb. Hopelijk trekt dat het debat los. Bovendien komt er dan ruimte voor morele, filosofische en religieuze bezwaren tegen de evolutietheorie. Dan krijgt ook de vraag ‘Wat als de traditionele erfzondeleer waar is?’ een kans.

Laten we accepteren dat voor veel gelovigen de evolutietheorie geen (centrale) overtuiging is. Niet vanwege starheid of domheid, maar omdat andere overtuigingen centraal staan. Zij reageren zo heftig op het debat, omdat ze de druk ervaren centrale overtuigingen te moeten opgeven.

Maar de studenten dan, die aan de universiteit met de evolutietheorie worden geconfronteerd? Lopen zij niet het gevaar van het geloof te vallen als de evolutietheorie niet wordt aanvaard? Misschien wel in de piramide, maar niet in het spinnenweb. Daarin gaat het niet allereerst om de vraag of ik de evolutietheorie aanvaard, maar welke overtuigingen voor mij centraal zijn. En het siert een christen als hij het geloof in de betrouwbaarheid van Gods Woord centraal stelt. Geloofsafval ontstaat niet door kritiek op de evolutietheorie, maar als Gods openbaring uit het centrum verdwijnt.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Nederlands Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Brink, G.A. van den, 2019, Spinnenweb helpt evolutiedebat, Nederlands Dagblad 76 (20.304): 12-13 (artikel).

‘Ik heb weinig behoefte aan speculatieve alternatieve verklaringen voor het scheppingsgebeuren’ – Interview met prof. dr. Frank van der Duijn Schouten in De Nieuwe Koers

Sinds oktober 2021 is prof. dr. Frank van der Duijn Schouten interim-voorzitter van het college van bestuur van de Open Universiteit.1 Daarvoor was hij rector magnificus van de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hoewel hij de pensioengerechtigde leeftijd al bereikt heeft is er van vertrek uit de wetenschap nog geen sprake. Jasper van den Bovenkamp interviewde hem voor het progressief-christelijke tijdschrift De Nieuwe Koers. Dit lezenswaardige interview hopen we hieronder op de voor ons relevante punten samen te vatten.2

Prof. dr. Frank van der Duijn Schouten studeerde van 1967 tot 1973 wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij promoveerde in 1979 aan de Universiteit Leiden op een proefschrift met als titel ‘Markov Decision Processes with Continuous Time Parameter’.3 Tot 1987 was hij wetenschappelijk medewerker aan de Vrije Universiteit. Vanaf 1987 werd hij hoogleraar Operations Research aan de Katholieke Universiteit Brabant, later Tilburg University. Van 1994 tot 1998 was hij daar decaan van de Faculteit der Economische Wetenschappen. In 1999 werd hij rector magnificus op dezelfde universiteit. In 2013 werd hij rector magnificus aan de Vrije Universiteit. Na zijn emeritaat in 2015 verbond hij zich aan de Erasmus Universiteit en werd daar uiteindelijk rector magnificus. Afgelopen najaar is hij dus overgestapt als interim-decaan naar de Open Universiteit.4

Beangstigende houding

Het interview start met een verwijzing naar een rapport van het Rathenau Instituut. Het rapport becijferde het vertrouwen van Nederlanders in de wetenschap(pers) met een 7,4.5 Van den Bovenkamp verraste dat ziende op de uitingen in de media over wetenschap. Van der Duijn Schouten geeft aan dat (in) de media vaak de extreme geluiden laat horen of gehoord worden. De Twentse universitaire docent Femke Nijboer maakte zich onlangs nog druk om studenten die minder vertrouwen hadden in de wetenschap. Ze vroeg zich, in niet al te nette bewoording, af waarom die studenten überhaupt voor een universitaire studie hadden gekozen als zij zich bijvoorbeeld niet willen laten vaccineren.6 Volgens de voormalig rector magnificus is dat te kort door de bocht. Van der Duijn Schouten: “Mijn eigen vertrouwen in de wetenschap is ook niet onbegrensd. Juist in de wetenschap, zou ik willen benadrukken, worden twijfel en het stellen van vragen positief gewaardeerd. (…) Op basis van het gesprek waarin je met elkaar argumenten uitwisselt, kun je beoordelen in hoeverre die legitiem zijn dan wel gebaseerd op sentiment of een drogreden.” Zelfs in de farmacie, in dit specifieke geval, moet er ruimte blijven voor kritische vragen. “Het onbegrensd vertrouwen in de wetenschap komt mij voor als een beangstigende en niet-wetenschappelijke houding.” De interviewer vraagt nog door op vaccins en corona(maatregelen), maar dat laten we hier rusten.

Blij met wiskunde boven biologie

Van den Bovenkamp brengt in herinnering dat Van der Duijn Schouten in 2015, toen hij nog rector magnificus van de Vrije Universiteit was, een interview had met het Nederlands Dagblad.7 In dat interview gaf hij aan dat hij blij was dat hij destijds voor wiskunde had gekozen en niet voor biologie, ‘want ik weet niet of ik als wetenschapper en gelovige een evenwichtige visie op de schepping had kunnen ontwikkelen’. Had dit te maken met zijn wat gereserveerde houding tegenover de wetenschap? Van der Duijn Schouten:

Ik zou het lastig gevonden hebben om als bioloog dagelijks geconfronteerd te worden met de spanning die er zit tussen de evolutietheorie en het scheppingsverhaal. Om de dominantie van de evolutietheorie kun je als bioloog niet heen; je zult die als een gerespecteerde theorie moeten aanvaarden in je onderzoek. Persoonlijk houd ik in deze discussie graag ruimte voor twijfel. Ik weet niet precies hoe het zit, en waarschijnlijk kom ik het aan deze kant van het graf ook niet te weten. Ik laat me te zijner tijd graag verrassen. Onder andere met deze gevoelens had mijn voorkeur voor wiskunde boven bijvoorbeeld biologie te maken.

Ook had hij weinig behoefte aan de experimenten ‘met die drosophila’s om de wetten van Mendel nog eens te verifiëren’.8 In zijn ogen was dit toch een beetje ‘gepruts’. Ook is hij licht sceptisch op de resultaten van de archeologie of geologie. Van der Duijn Schouten: “Als men tijdens een opgraving ergens wat scherven vindt waarop hele theorieën worden gebaseerd over hoe de mensen in die tijd hebben geleefd, dan denk ik weleens: is het niet een wankel bouwwerk dat je op een paar scherven baseert?” Als er voorzichtig omgegaan zou worden met deze vondsten en nuchter gecommuniceerd zou worden zou de geleerde daar vrede mee hebben. ‘In de communicatie naar het bredere publiek gebeurt het nogal eens dat zo’n theorie gebracht wordt als de nieuwe waarheid, de nieuwe leer. Daar kan het behoorlijk fout gaan’. Als voorbeeld gebruikt Van der Duijn Schouten begraven katten in de achtertuin. “Als daar over duizend jaar gegraven wordt, zou men daarop zeer wel onjuiste conclusies kunnen baseren, bijvoorbeeld dat er een dierenasiel moet hebben gestaan.” In de wiskunde is het dan een stuk makkelijker. “We bijten binnen de wiskunde onze tanden veelal stuk op modellen, zonder dat daaraan onmiddellijk interpretaties van de werkelijkheid verbonden behoeven te worden.” Uiteraard raken levensovertuiging en wiskunde elkaar wel ergens. Van der Duijn Schouten memoreert aan een column van zijn hand in het Reformatorisch Dagblad over het getal pi en Salomo. Het antwoord van de geleerde werd door veel lezers niet in dank afgenomen.9 Hij had namelijk gezegd dat Salomo nog niet op de hoogte was van het feit dat de verhouding tussen de omtrek van een cirkel en haar diameter constant is. Volgens de lezers zou Van der Duijn Schouten denken dat hij hiermee verstandiger was dan Salomo omdat hij meer decimalen van pi kent.10

Evolutietheorie

Van den Bovenkamp vraagt of de geleerde bij het lezen van het bijbelse scheppingsverhaal dezelfde reserves heeft als ten aanzien van de evolutietheorie. Van der Duijn Schouten geeft aan dat de schepping voor hem een mysterie is. ‘Wat zich precies heeft voorgedaan en hoe het allemaal is gebeurd, blijft een mysterie en daarom laat ik daarvoor ruimte’. De voormalig rector magnificus geeft aan geen behoefte te hebben aan ‘speculatieve alternatieve verklaringen voor het scheppingsgebeuren’. Hij verwijst hierbij naar het recent verschenen boek ‘En de aarde bracht voort’ van de systematisch theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink. “Dergelijke verklaringen helpen mij absoluut niet verder in het doorgronden van het mysterie dat de schepping voor mij altijd zal blijven.” Is Van der Duijn Schouten niet bang dat het christelijk geloof als een kaartenhuis in elkaar stort als, in de woorden van de interviewer, ‘op een dag verpletterend wetenschappelijk bewijs de evolutietheorie definitief onweerlegbaar maakt’. Van der Duijn Schouten:

“Nee hoor. Dat laatste zal niet gauw gebeuren, omdat een goede wetenschappelijke theorie altijd zijn eigen begrenzing zal erkennen en ruimte zal laten voor gerede twijfel. En bovendien: het verlossingsverhaal, dat toch de kern is van het evangelie, wordt door mij niet beïnvloed door de wijze waarop de aarde door het Woord precies tot stand is gekomen.”

De voormalig rector magnificus zegt nog meer interessante dingen in het interview, maar daarvoor moet u het interview zelf maar lezen. Voor Van der Duijn Schouten is de schepping een mysterie die we aan deze kant van het graf niet opgelost zullen krijgen. Of de duur van de schepping ook een mysterie is krijgen we in dit interview geen antwoord op. In de Bijbel wordt maar liefst vier keer aangegeven dat God hemel en aarde in zes dagen schiep. De Schrift is daar niet mysterieus over. Hoe het precies op atomisch niveau is gegaan zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar er is genoeg geopenbaard om vormen van theïstische evolutie af te kunnen wijzen. Hierboven geeft Van der Duijn Schouten gelukkig ook aan dat hij deze speculatieve alternatieven afwijst. Ook heeft de geleerde terecht bezwaren tegen een sciëntistische houding, de wetenschapper moet zijn beperkingen kennen en ruimte geven aan kritische vragen en wetenschappelijke twijfel. Dit geldt niet alleen voor nieuwe hypothesen en theorieën, maar ook voor de aloude (maar gewijzigde) evolutietheorie.

Voetnoten

Filosofie, techniek en geloof – Prof. dr. Marc de Vries over zijn expertise

In 2016 hield prof. dr. Marc de Vries een lezing met als titel ‘Filosofie, techniek en geloof. Met dank aan Geloofstoerusting is deze lezing opgenomen en hieronder te bekijken.

Natuur strijdt soms met Schriftuur

Laten we maar eerlijk toegeven dat wetenschappelijke gegevens soms botsen met de Bijbel, stelt Jos Quist. Als je de Bijbel leest, kun je ook niet anders verwachten.

Stel dat de evolutietheorie klopt… Dat is het vertrekpunt van het boek ”En de aarde bracht voort” van prof. Gijsbert van den Brink. Hij komt na een diepgaande analyse tot de conclusie dat de kloof tussen het evolutionaire denken en de gereformeerde leer op veel plaatsen overbrugbaar is.

Veel reformatorische christenen zijn geneigd om deze conclusie af te wijzen. Tegelijk klinkt er verlegenheid door in de reacties die Van den Brink in deze krant krijgt. Als het gelovig lezen van de Bijbel niet kan samengaan met het aanvaarden van de moderne wetenschap, dringt immers een prangende vraag zich aan ons op: Wat als het Bijbelse getuigenis tegengesproken wordt door wetenschappelijk bewezen feiten?

Van den Brink vindt het jongeaardecreationisme zwak vanuit wetenschappelijk oogpunt, maar wel het meest consequent qua Bijbeluitleg. Aan de sterke punten van de creationistische Bijbeluitleg had hij meer aandacht mogen schenken. Een heelal dat ongeveer 6000 jaar geleden in zes dagen geschapen is, Adam en Eva als eerste mensenpaar, en een wereldwijde zondvloed? Dat komt uitstekend overeen met wat ik in het Oude én het Nieuwe Testament lees.

Maar ik moet erkennen dat deze Bijbeluitleg lijkt te wankelen in het licht van modern wetenschappelijk onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan de vele dateringsmethoden waarmee perioden van tienduizenden, miljoenen of zelfs miljarden jaren vastgesteld kunnen worden, of de talloze fossielen en de vele genetische inzichten die wijzen op evolutionaire soortvorming.

Dissonanten

Vanuit het Amerikaanse creationisme klinkt protest: de evolutietheorie is onwetenschappelijk en makkelijk te weerleggen. Graag geef ik toe dat er af en toe goede argumenten te vinden zijn tegen belangrijke elementen van de evolutietheorie. Maar voldoen die tegenargumenten? Mijn ervaring is dat een groot deel van de creationistische publicaties op het eerste gezicht wel indruk maakt, maar bij nadere beschouwing speculatief en oppervlakkig is. Ondertussen werken duizenden van ’s werelds beste onderzoekers fulltime aan een voortdurende verdieping van de evolutietheorie.

Anderen zoeken aansluiting bij de evolutietheorie. Men stelt: Neem de Bijbel niet te letterlijk, het gaat om de boodschap. Dat klinkt logisch, totdat je beseft dat de Bijbelse boodschap juist deze visie tegenspreekt. God werkt wonderen in onze wereld – letterlijk! Die wonderen werkt Hij in harten van mensen, maar ook heel nadrukkelijk tijdens de scharniermomenten van de heilsgeschiedenis. Denk aan de bevrijding van Israël uit Egypte. Ook schepping en zondvloed zijn zulke scharniermomenten. In de Tien Geboden lijken de zes scheppingsdagen net zo letterlijk bedoeld als de bevrijding uit Egypte.

Een belangrijke overweging is dat God Zich openbaart in twee boeken: de natuur en de Schriftuur. De waarheid van de natuur zou daarom de waarheid van de Bijbel niet kunnen tegenspreken. Dat moet leiden tot een onderlinge harmonie van geloof en wetenschap. Maar in mijn beleving wordt deze harmonie overheerst door schrille dissonanten. Is het niet tijd om te erkennen dat de Bijbel keihard tegengesproken wordt door de feiten? Ik zie niet in hoe ik deze vraag kan ontwijken.

Maar ik heb geloofsbelijdenis afgelegd. Als met een eed heb ik me verbonden aan de Schrift. Tal van moeilijke vragen kan ik niet terzijde leggen, maar de Bijbel ook niet. De Bijbel moet open!

Onmogelijkheid

Dan lees ik toch heel veel wat mij bemoedigt. Om te beginnen ben ik lang niet de eerste die tegenstellingen ervaart tussen Gods Woord en de feiten. Gods woord zegt: Abram zal tot een groot volk worden. Feit: zijn vrouw Saraï is onvruchtbaar. Gods Woord zegt: Jezus zal Zijn volk redden. Feit: Jezus ligt in het graf. Dit patroon komt zo vaak voor in de Bijbelse geschiedenis dat het een wetmatigheid lijkt. God brengt een mens in de onmogelijkheid. Dit geestelijke principe illustreert de Bijbel met tal van natuurlijke voorbeelden. Valt er iets anders te verwachten dan dat ook wij onmogelijkheden zullen ervaren ten opzichte van het natuurlijke?

Ten tweede: de Bijbelheiligen hebben de feiten niet ontkend. De discipelen hebben onderzocht hoeveel broden en vissen er precies waren. Dat het lang niet genoeg was voor duizenden mensen hebben ze voorgelegd aan hun rabbi. Zo mogen ook wij eerlijk de feiten onderzoeken. Feiten die strijdig lijken met Gods Woord moeten we niet wegstoppen maar geduldig en nederig aan God voorleggen. Wie weet doet Hij een wonder.

Ten derde: misschien is het niet erg om een keer ons verlies te nemen in het evolutiedebat. Anders dan in de academische wereld gaat het in de Bijbel niet om de vraag wiens intellect triomfeert. Het Evangelie blijft voor wijzen en verstandigen verborgen. De wijsheid van de wereld maakt God tot dwaasheid. En door de dwaasheid van de prediking verkiest God het dwaze van deze wereld.

Laten we erkennen dat het ons aan wijsheid ontbreekt, dan hoeven we verder niet naar dwaasheid te streven. Stuiten we op het voorspel van een groot wonder als we tussen natuur en Schriftuur steeds meer tegenstrijdigheden ontdekken? In het licht van de Bijbelse geschiedenis lijkt me deze hoop niet ongegrond.

Bovendien, het laatste grote scharniermoment van de heilsgeschiedenis moet nog komen. Zoals de heilshistorie met een scheppingswonder begonnen is, zo zal deze ook met een scheppingswonder eindigen. Er komen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid wonen zal. Het boek der natuur zal herschreven worden. Maar Gods Woord blijft in der eeuwigheid.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Quist, J.W., 2017, Natuur strijdt soms met Schriftuur, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 47 (94): 8-9 (artikel).

Thema-avond Waarheid en Vrede – Schepping en evolutie – 21 oktober 2020

Op woensdag 21 oktober 2020 organiseerde de Hervormde Vereniging ‘Waarheid en Vrede’ in de Augustijnenkerk te Dordrecht een themabijeenkomst over schepping en evolutie. Sprekers waren theoloog dr. Klaas D. Goverts en wetenschapsfilosoof prof. dr. Marc J. de Vries. Volgens de organisatie gingen de sprekers in op ‘Goddelijke openbaring, geloof, wetenschap, wereldbeeld en gevolgen van de aanvaarding van de evolutietheorie door Bijbelgetrouwe christenen’. De avond werd gestreamd via YouTube en is sindsdien bijna 1000 keer bekeken. Het is de moeite waard om de avond terug te kijken, beide sprekers weten de luisteraars te boeien. Met dank aan Dordrecht Wijk 2 en 7 verwijzen wij graag naar deze twee sprekers. Veel zegen bij het kijken en luisteren!

Omdat de organisatie het ’embedden’ uitgeschakeld heeft, wordt hieronder de link weergegeven:
https://www.youtube.com/watch?v=G9ocBVP0X_k

‘God is mijn toevlucht’ – Het vieren van Gods schepping in 2021 met CORE Academy of Science

Van 30 september 2021 tot en met 2 oktober 2021 organiseerde CORE Academy of Science1 een digitale conferentie met korte inhoudelijke video’s van onderwerpen die te maken hebben met het scheppingsparadigma.2 Vorig jaar waren we ook (digitaal) aanwezig op deze meerdaagse conferentie. Het verslag hiervan is ook op deze website gepubliceerd.3 Ook dit jaar was deze conferentie de moeite waard. Iedere dag werd op de gebruikelijke wijze geopend met een woord van welkom of een andersoortige introductie door dr. Todd C. Wood4. Daarna werd er een soort aanbiddingsmuziek laten horen. Wanneer deze opening afgelopen is volgde een korte overdenking van een bijbelgedeelte met dr. Todd Wood. Na deze overdenking volgde enkele inhoudelijke video’s met een expert. Iedere dag werd afgesloten met een livestream, waarbij een spreker was uitgenodigd om vragen over een specifiek thema te beantwoorden. Op zaterdag werd de dag niet afgesloten met en livestream, maar juist daarmee begonnen. De hele conferentie stond in het teken van het Sanders Scholarship5. Deze uitgebreide verslaglegging zal de nodige tijd vergen, daarom vragen wij uw geduld en begrip hiervoor.

Eerste sessie: zorg voor Gods schepping en ichnofossielen

De introductie van de conferentie en de eerste sessie werd gedaan door dr. Todd C. Wood. In zijn korte presentatie gaf hij aan hoe de conferentie zal verlopen. Hij besteedde ook aandacht aan de livestreams die op donderdag- en vrijdagavond en zaterdagochtend gehouden werden.

Voetnoten

Alexander Comrie (1706-1774) en zijn proefschrift ‘De moralitatis fundamento et natura virtutis’

De theoloog Alexander Comrie, predikant te Woubrugge, studeerde in Groningen en in Leiden. Hij was een Schot van geboorte (1706), die op ongeveer 20-jarige leeftijd naar Nederland kwam. Na kort op een handelskantoor gewerkt te hebben, ging hij in Groningen theologie studeren om predikant te worden. In 1733 vertrok hij naar Leiden en volgde daar onder andere de colleges van de internationaal befaamde Willem Jacob ‘s Gravesande, die de denkbeelden van Newton in Nederland introduceerde. In 1717 begon de voormalige jurist ‘s Gravesande zijn loopbaan als hoogleraar astronomie en wiskunde, waar hij vele studenten uit binnen- en buitenland inleidde in de nieuwe experimentele natuurwetenschap in Newtoniaanse geest. Niet alleen de wiskunde en de natuurwetenschappen hadden zijn belangstelling, maar ook de ethica en de metafysica. Hij werd dan ook op 12 juli 1734 benoemd tot hoogleraar in de “gehele filosofie”. Mogelijk heeft de faam van ‘s Gravesande bij Comrie de doorslag gegeven om bij hem in de filosofie te promoveren. Dat gebeurde op 5 oktober 1734 op een dissertatie De moralitatis fundamento et natura virtutis (Over het fundament van de moraal en de natuur van de deugd). In 1735 werd Comrie bevestigd tot predikant in Woubrugge, waar hij in 1773 met emeritaat ging. Hij vertrok naar Gouda en overleed er eind 1774.

De eigenlijke tekst van Comrie’s proefschrift beslaat 17 bladzijden. Daarna volgen er, naast een lofdicht, onder het kopje Annexa, 25 stellingen over diverse filosofische onderwerpen. De stellingen 15-23 zijn gewijd aan de natuurwetenschappen. In stelling 20 komen we de naam van Newton tegen en stelling 15 verwoordt de eerste “regula philosophandi” uit Newtons Philosophiae naturalis principia mathematica. Voorafgaand aan de tekst van Comrie’s proefschrift vinden we de opdracht aan zijn weldoeners en aan de “wijd vermaarde, zeer kundige en scherpzinnige” ‘s Gravesande, zijn “allervoortreffelijkste promotor”, gevolgd door een stoet Leidse en Groningse hoogleraren. De tekst van de dissertatie bestaat uit de capita “De Moralitatis Fundamento” (p.1-9) en “De Natura Virtutis” (p.9-17). Elk hoofdstuk is onderverdeeld in twee secties (resp. pag.1-5, 5-9, 9-15, 15-17). Elke sectie bestaat uit een serie vrij korte paragrafen. Een groot aantal namen van filosofen uit de Oudheid en van eigentijdse wijsgeren passeren de revue. Opvallend is de afwezigheid van Middeleeuwse denkers.

In hoofdstuk I stelt Comrie dat hij eerst wil laten zien dat er een wezenlijk onderscheid bestaat tussen goed en kwaad. Hij bestrijdt oude en moderne filosofen (van Plato tot Hobbes) die deugd en ondeugd koppelen aan veranderlijke wetten en regels waarin door mensen is vastgelegd wat al dan niet moreel aanvaardbaar is. Ruime aandacht krijgt de opvatting van Descartes dat goed en kwaad, orde of wet niet in de natuur gefundeerd zijn, maar uitsluitend van Gods wil afhangen. Comrie waardeert het in de Franse filosoof dat hij de moraal niet aan menselijke wetten maar aan God bindt, maar diens theologisch voluntarisme wijst hij af. Als goed en kwaad van Gods wil afhangen, zou God buiten het bestaan van de wereld om geen voorkeur hebben voor wat moreel goed is boven wat moreel verwerpelijk is. Je kunt niet alles tot Gods wil herleiden. Ook Descartes zelf herleidt immers het bestaan van God niet tot Zijn wil om te bestaan. God heeft niets willen scheppen zonder er wezenlijke eigenschappen aan te geven. De essenties van de dingen zijn dan ook eeuwig en onveranderlijk.

In hoofdstuk II definieert Comrie de deugd als het streven van een redelijk wezen om zo te handelen dat hij niet tegen ware uitspraken ingaat, die het wezen van een ding en het morele karakter van de in het ding vervatte betrekkingen uitdrukken. Liefde dient altijd de drijfveer van ons moreel handelen te zijn en dat handelen dient dan ook beoordeeld te worden naar de intentie van degene die handelt. Wanneer niet tot moreel handelen wordt overgegaan, terwijl dat wel vereist wordt, is er is sprake van zonde. Het goede en het ware zijn voor Comrie in feite synoniem. Hij levert kritiek op filosofen die deugd definiëren als betamelijkheid of als liefde tot het juiste inzicht (Geulincx). Wie met Plato de deugd omschrijft als dat wat met God overeenkomt, zal middelen moeten aanreiken om die overeenstemming te realiseren. In de laatste paragraaf ontmoeten we de theoloog-in-spe: Het komt er uiteindelijk op aan dat we in al onze levensuitingen God eren. Hem vragen we ons krachten te verlenen om te volharden in de beoefening van de deugd.

‘Wat is de mens?’ (1) – Introductie videoserie prof. dr. Edgar Andrews

In 2018 was prof. dr. Edgar Andrews te gast op ‘De Bronckhorsthoeve’ in het Gelderse Brummen. Hij sprak daar over zijn verschenen boek ‘Wat is de mens?’. Voorafgaande aan de boekpresentatie werden hem een zevental vragen voorgelegd. Dit is op video opgenomen door Geloofstoerusting. Vandaag het eerste deel. Veel zegen bij het kijken en luisteren.

Hoe kan een God die liefde is mensen naar de hel sturen? – Dr. Gert van den Brink gaat op deze aangrijpende vraag in

Hoe kan een God die liefde is mensen naar de hel sturen? Godsdienstfilosoof en theoloog dr. Gert van den Brink gaat kort in op deze aangrijpende vraag. Met dank aan Geloofstoerusting voor deze opname.

Gaan mensen verloren die nooit van Jezus hebben gehoord? – Dr. Gert van den Brink gaat op deze vraag in

Gaan mensen verloren die nooit van Jezus hebben gehoord? Godsdienstfilosoof en theoloog dr. Gert van den Brink geeft antwoord op deze vraag. Met dank aan geloofstoerusting voor de opname!