Home » Filosofie

Categoriearchief: Filosofie

Geef in het spoor van Anselmus ruimte aan waarom-vragen

„Waarom werd God mens?” vroeg Anselmus. De Reformatie nam zijn antwoord over: „Als God de zondige mens wil redden, moet er voldoening worden gegeven.” Dat is Evangelie voor gelovigen én ongelovigen.

Om welke reden is God mens geworden? Waarom heeft de hoge God zich vernederd, is de Onsterfelijke gestorven, is de Rechter veroordeeld, is de Heilige tot een vloek geworden? De reformatorische belijdenisgeschriften geven uitgesproken antwoorden op deze vragen. God is mens geworden en gestorven omdat er alleen verzoening mogelijk was door voldoening (Heidelbergse Catechismus, zondag 5 en 6; Dordtse Leerregels 2.1-4).

Maar de vraag ”Waarom is God mens geworden?” werd al eerder gesteld en beantwoord. De Reformatie sloot zich aan bij het antwoord van Anselmus, de bisschop van Canterbury (1033-1109). In 1098 verschijnt zijn boek ”Cur Deus homo”: waarom is God mens? Anselmus was de eerste in de geschiedenis van de kerk die de vraag naar de menswording zo expliciet het antwoord gaf: verzoening door voldoening.

De Reformatie ging dus verder op het spoor van Anselmus. Dat geldt ook voor de structuur van zijn redenering. Anselmus zoekt naar een antwoord zonder al bij voorbaat te veronderstellen wat hij vanuit Gods openbaring weet. Hij begint niet met het historische feit van de menswording, om daar een verklaring voor te zoeken, maar hij vraagt zich af hoe God zondige mensen kan verlossen. Deze benadering noemt Anselmus ”remoto Christo”, dat wil zeggen: zonder Christus erbij te betrekken. Op deze manier wil hij een reactie geven op de kritiek van ongelovigen, die de gedachte van een God die zich laat kruisigen belachelijk vinden.

De orde

Anselmus begint dus niet bij de Schrift, maar bij wat hij ”de orde” (ordo) noemt. De werkelijkheid is niet een grote chaos, maar gestructureerd volgens een bepaalde ordening. Deze orde komt tot uiting in natuurwetten en vooral ook in morele wetten. Alles wat volgens deze orde plaatsvindt, is rechtvaardig; wat tegen de orde ingaat, is onrechtvaardig. De orde omvat zowel Gods rechtvaardigheid als onze rechtvaardigheid: er is een mate van continuïteit tussen beide. Als wij mensen iets van deze orde in de werkelijkheid herkennen, zullen wij dat als ”redelijk” aanduiden. Anselmus ziet dus een sterke samenhang tussen orde, rechtvaardigheid en redelijkheid. De orde garandeert dat wij met ons menselijke verstand iets over God en over Gods handelen kunnen weten.

Anselmus betoogt vervolgens dat deze orde en deze rechtvaardigheid voldoening noodzakelijk maken. Zonder voldoening is er geen verzoening en geen vergeving mogelijk. Naast orde, rechtvaardigheid en redelijkheid is er dus ook sprake van noodzakelijkheid. Als God de zondige mens wil redden, is het noodzakelijk dat er voldoening wordt gegeven. En zo komt Anselmus uiteindelijk tot zijn antwoord op de vraag waarom God mens is geworden. Vanwege de orde van de werkelijkheid is het noodzakelijk, redelijk en rechtvaardig dat de mens aan God voldoening geeft. Gods openbaring in de Schrift bevestigt vervolgens dat Christus metterdaad voor ons heeft voldaan.

Geen waarom-vraag

In de bijna duizend jaar sinds Anselmus’ boek verscheen, kwam er ook kritiek op zijn antwoord. Sommige critici vinden dat een ander antwoord beter is. Volgens de Zwitserse theoloog Karl Barth (1886-1968) en vele anderen mag je de vraag ”waarom?” niet stellen. Zij vinden Anselmus’ ántwoord niet verkeerd, maar zijn vráág. In elk geval mag je geen antwoord geven ”remoto Christo”.

Deze theologen stellen dat wij moeten beginnen met de feitelijkheid dat God mens werd. Ook al weten wij volstrekt niet waarom God mens werd, wij behoren het te geloven zonder te spreken over orde, redelijkheid, noodzakelijkheid of rechtvaardigheid. De enigen die misschien daarna de vraag waarom God mens is geworden mogen stellen, zijn de gelovigen. Ongelovigen die dit vragen, krijgen geen antwoord en geen reactie. Of de menswording redelijk en rechtvaardig was, is niet ter zake.

Deze kritiek gaat verder dan alleen maar aarzeling bij de verzoening door voldoening. De critici zeggen ook dat er geen orde in de werkelijkheid bestaat, dat woorden als rechtvaardigheid en noodzakelijkheid niets over God zeggen, dat waarom-vragen zijn verboden en –uiteindelijk– dat het Evangelie niet valt uit te leggen aan ongelovigen.

Dergelijke kritiek op Anselmus raakt ook de gereformeerde belijdenis. De Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels belijden (precies als Anselmus) dat er een omvattende orde is waarin God en mens zijn opgenomen, dat het bij de menswording gaat om rechtvaardigheid, noodzakelijkheid en begrijpelijkheid. Ik kan het ook andersom formuleren: wie vindt dat de vraag waarom God mens is geworden niet mag worden gesteld, komt nooit meer uit bij het antwoord van verzoening door voldoening. Wie de vraag van Anselmus afwijst, komt zeker niet bij het antwoord van Anselmus terecht. Want wie de vraag niet stelt, krijgt geen enkel antwoord.

Bastion van het geloof

Ik erken dat Karl Barth goede redenen had voor zijn zienswijze. Hij wilde voorkomen dat Christus pas het laatste stukje is dat wij mensen toevoegen aan de puzzel die wijzelf eerst zonder Hem hebben gelegd. En toch moeten we niet meegaan met Barths kritiek op Anselmus en de catechismus. Ik zie ten minste twee grote problemen.

Het eerste probleem is dat Barths benadering niet blijkt te werken. In de voorbije decennia had die benadering betekenis voor mensen die christelijk waren opgegroeid en geraakt waren door het Evangelie van de gekruisigde Christus. Zij trokken zich, geschokt door de toenemende secularisatie, terug op het bastion van het geloof. Ze gaven de kenmerken van orde, redelijkheid, rechtvaardigheid en noodzakelijkheid op, om (hopelijk) het geloof over te houden.

De kosten van deze benadering zijn echter hoog. Want wat moet je dan nog zeggen tegen mensen die werkelijk geen besef hebben van het Evangelie, van het christendom en van de Bijbel? Hoe breng je de boodschap in het Nederland van de 21e eeuw, waar het christendom niet meer tot de algemene cultuur behoort? Bij deze mensen heeft Barths benadering nog minder zeggingskracht dan de benadering van Anselmus. Het blijkt menselijkerwijs onmogelijk iemand te overtuigen van het christelijk geloof als er geen waarom-vraag is waarop Christus het antwoord is. De barthiaanse theologie heeft de secularisatie niet vertraagd of gestopt, maar bevorderd.

Er is nog een tweede probleem. Barth heeft, uiteindelijk, alleen een boodschap voor gelovigen, niet voor ongelovigen. Ons geloof is immers volgens Barth de vereiste voorwaarde voordat onze waarom-vragen serieus worden genomen. Onbedoeld wordt ons geloof dan een voorwaarde en ons ongeloof een belemmering voor het Evangelie. Beter is om, net als Anselmus, te erkennen dat gelovigen en ongelovigen niet het geloof gemeenschappelijk hebben, maar wel hun waarom-vragen. Zelfs als ongelovige mag ik God mijn vragen stellen. Ook dat is onderdeel van het Evangelie. Want het Evangelie richt zich niet in de eerste plaats op gelovigen, maar op ongelovigen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Brink, G.A. van de, 2022, Geef in het spoor van Anselmus ruimte aan waarom-vragen, Reformatorisch Dagblad 52 (13): 22-23 (artikel).

Middagsymposium over Gods goede schepping en dierlijk lijden – Naar aanleiding van het verschijnen van de handelseditie van het proefschrift van prof. dr. Piet Slootweg

Onlangs (in 2021) promoveerde patholoog en theoloog prof. dr. Piet Slootweg voor de tweede keer. Dit keer aan de Vrije Universiteit op een proefschrift met als titel ’Teeth and Talons Whetted for Slaughter’: Divine Attributes and Suffering Animals in Historical Perspective (1600-1961).1 Afgelopen maand verscheen de handelseditie van het proefschrift bij uitgeverij Brevier. Op 3 juni 2022 wordt er een middagsymposium georganiseerd door het Herman Bavinck Center van de VU. Het symposium draagt de titel ‘Geschapen om te doden?‘ en de ondertitel ‘Middagsymposium over het lijden van dieren in theologisch perspectief‘. Een belangrijk onderwerp en een relevant discussiepunt!2

Omslagpunt

Slootweg onderzocht in hoeverre de evolutietheorie van Darwin een omslagpunt in het denken over de goedheid van de schepping en het lijden van dieren? Met Slootweg ben ik het eens dat al ver voor Darwin dierlijk lijden en een goede schepping als theologisch probleem ervaren werd. Stierven dieren pas ná de zondeval? Hoe werd hier door de kerk van alle eeuwen over gedacht? Daar is discussie over. Die discussie zal gevoerd worden op het symposium van 3 juni 2022. Helaas ben ik 3 juni, vanwege privézaken, verhinderd om te komen. Het is mij nog niet bekend of het symposium ook zal worden opgenomen zodat deze later terug te kijken is.

Programma

13.30 uur Prof. dr. H. van den Belt – Opening
13.40 uur Dr. P. Rouwendal – Overhandiging eerste exemplaar.
13.45 uur Dr. B.A. Zuiddam – Eerste reactie op het boek.
14.05 uur Dr. I.H. Stamhuis – Tweede reactie op het boek.
14.25 uur Korte vragenronde voor verhelderingsvragen.
14.30 uur Pauze.
14.50 uur Dr. H.D. Peels – Derde reactie op het boek.
15.10 uur Korte vragenronde voor verhelderingsvragen.
15.15 uur Prof. dr. P.J. Slootweg – Reactie van de auteur.
15.30 uur Discussie met de zaal.
16.00 uur Sluiting.

WIE, WAT, WAAR, WANNEER?
Wanneer?: Vrijdagmiddag 3 juni 2022, 13.30-16.00 uur.
Waar?: Hoofdgebouw Vrije Universiteit, De Boelelaan 1105, Amsterdam, zaal 2A-33.
Wie?: Studenten, pastors en predikanten, (kerk)historici en ieder met belangstelling voor geloof & wetenschap.
Opgave?: Opgave bij Geert Verschuure, student-assistent van het Herman Bavinck Centrum.

Voetnoten

Wat is de ‘Piramide van Wijsheid’?

Onlangs gaf Geloofstoerusting het boek ‘Piramide van Wijsheid‘ uit van Brett McCracken. Wat is deze ‘Piramide van Wijsheid’? In de onderstaande video legt theoloog Marcel Vroegop het uit.

Bijbel & Wetenschap: Eén waarheid, twee geloven – Dr. Peter de Jong spreekt op scheppingscongres van 9 juni 2018

Op 9 juni 2018 werd er door een groep christenen een congres in Zwolle georganiseerd over schepping en evolutie. De derde lezing werd verzorgd door dr. Peter de Jong. Hij sprak over bijbel en wetenschap. De lezing werd opgenomen door de organisatie en kunnen wij daarom hieronder met u delen. Veel zegen bij het kijken.

Overtuigend gezag: Alvin Plantinga’s omgang met en visie op de Schrift – Dr. Piet de Vries spreekt voor cursus ‘Geloven in God zonder bewijs’

Tijdens een studiemiddag (van 7 oktober 2016) over het werk van Alvin Plantinga sprak dr. Piet de Vries over de omgang van deze geleerde met de Schrift. Deze lezing vormt onderdeel van de cursus ‘Geloven in God zonder bewijs‘ van ‘Weet wat je gelooft‘. De lezing werd geplaatst op het YouTube-kanaal van deze stichting. De beschrijving luidt: “In zijn lezing gaat Piet de Vries in op de schriftvisie en omgang met de Schrift die door Plantinga wordt bepleit. Volgens De Vries is Plantinga’s visie ‘niet postmodern, niet modern, maar premodern.’” Veel zegen bij het kijken van deze video.

‘Schepping door evolutie holt Bijbelse boodschap uit’ – Dr. ir. Wim de Vries aan het woord over ‘Woord & Wetenschap’

Het was deze maand twee jaar geleden dat het boek ‘Woord & Wetenschap‘ werd uitgegeven door Labarum Academic, de academische tak van uitgeverij De Banier.1 Het boek werd geschreven door de drie ‘de Vriezen’: prof. dr. Marc J. de Vries, dr. Piet de Vries en prof. dr. ir. Wim de Vries. Op 20 februari 2020 werd op het YouTube-kanaal van het Reformatorisch Dagblad een korte video geplaatst over het boek met aan het woord Wim de Vries. We delen deze video hieronder ook op onze website.

Onder de video staat het volgende: “Het idee dat God heeft geschapen door evolutie verslaat zijn duizenden in de gereformeerde gezindte. ”Onderhuids gebeurt dat ook in de rechterflank. Binnen één generatie kunnen we helemaal zijn afgegleden.” Het was voor prof. dr. Wim de Vries aanleiding om het boek ‘Woord en wetenschap‘ te schrijven.”

Voetnoten

Niet beeld piramide, maar een spinnenweb kan het evolutiedebat lostrekken

Maak een opsomming van rustig tot heftig, en je krijgt dit: gesprek, dialoog, meningsverschil, discussie, evolutiedebat. Hoe komt het dat het debat over schepping en evolutie zo intens en existentieel wordt gevoerd?

“In het plaatje van het spinnenweb geldt dat alle overtuigingen van een individu samenhangen en elkaar beïnvloeden: wetenschappelijke, filosofische, ethische, theologische en alledaagse overtuigingen. Als je aan één overtuiging trekt, beweegt alles.” Bron: Pixabay.

Onlangs verscheen het boek En God zag dat het goed was. Vijfentwintig christenwetenschappers doordenken de gevolgen voor de theologie als de evolutietheorie waar is. De bedoeling van het boek als geheel is overduidelijk de lezer geruststellen: belangrijke concepten zoals voorzienigheid, erfzonde, uniciteit van de mens, beeld van God en de ziel kunnen behouden blijven als ze meer of minder worden aangepast aan huidige natuurwetenschappelijke inzichten.

Maar even overduidelijk is dat dit boek de strijdende partijen niet dichter bij elkaar brengt. Dat heeft niet te maken met biologie, kosmologie, zelfs niet met theologie, maar met filosofie. Filosofen onderscheiden twee manieren om te kiezen tussen botsende overtuigingen. De ene gebruikt het beeld van een piramide, de andere dat van een spinnenweb.

Funderingsdenken

Bij de piramide moet je je kennisclaims ordenen: de zekerste kennis hoort onder in de piramide. Hoe hoger, hoe minder zekerheid. Onderin zitten kennisbronnen als wiskunde en zintuigelijke waarneming. In een laag daarboven zit de natuurwetenschap, nog weer hoger komt de theologische kennis. Wezenlijk is dat hogere lagen gefundeerd moeten zijn in de lagere (‘funderingsdenken’) en niet andersom. Een wetenschappelijke theorie die strijdt met de wiskunde, moet worden aangepast. Als theologische kennisclaims botsen met de wetenschap, moet de theologie wijken. Eenvoudig toch?

Veel auteurs in genoemd boek gaan bewust of onbewust uit van dit funderingsdenken. De wetenschap heeft aangetoond dat de evolutietheorie erg sterk staat, dus moet de theologie zich aanpassen. Jeroen de Ridder schrijft bijvoorbeeld: ‘de werkelijkheid – en de wetenschap (…) – [trekken] zich niet zo veel aan van wat wij mensen wel of niet verteerbaar vinden. De vraag is of het waar is dat mensen en apen een gemeenschappelijke voorouder hebben, of wij dat nu leuk vinden of niet.’ Ook tegenstanders van de evolutietheorie maken vaak gebruik van funderingsdenken. Volgens hen is theologische kennis basaler dan de wetenschap, dus moet de wetenschap wijken voor de Bijbel. Eenvoudig toch? Zo zit het debat muurvast.

In het plaatje van het spinnenweb geldt dat alle overtuigingen van een individu samenhangen en elkaar beïnvloeden: wetenschappelijke, filosofische, ethische, theologische en alledaagse overtuigingen. Als je aan één overtuiging trekt, beweegt alles. Er bestaat geen voorgeschreven rangorde, zoals in de piramide. Wel zijn sommige overtuigingen perifeer, andere centraal. Overtuigingen die centraal in iemands ‘web of beliefs’ zitten, zullen zelden of nooit worden losgelaten.

De vraag wordt dan waarom bijvoorbeeld de bewering ‘De evolutietheorie is waar’ voor de ene christen een centrale overtuiging is, en voor de andere niet. Dat hangt af van kennis, ervaring, opleiding, intelligentie, wereldbeeld en levensbeschouwing. En het heeft te maken met de rest van je overtuigingen. Er is dus sprake van veelrichtingsverkeer. Ik zou graag zien dat we in het evolutiedebat de piramide inruilen voor het spinnenweb. Hopelijk trekt dat het debat los. Bovendien komt er dan ruimte voor morele, filosofische en religieuze bezwaren tegen de evolutietheorie. Dan krijgt ook de vraag ‘Wat als de traditionele erfzondeleer waar is?’ een kans.

Laten we accepteren dat voor veel gelovigen de evolutietheorie geen (centrale) overtuiging is. Niet vanwege starheid of domheid, maar omdat andere overtuigingen centraal staan. Zij reageren zo heftig op het debat, omdat ze de druk ervaren centrale overtuigingen te moeten opgeven.

Maar de studenten dan, die aan de universiteit met de evolutietheorie worden geconfronteerd? Lopen zij niet het gevaar van het geloof te vallen als de evolutietheorie niet wordt aanvaard? Misschien wel in de piramide, maar niet in het spinnenweb. Daarin gaat het niet allereerst om de vraag of ik de evolutietheorie aanvaard, maar welke overtuigingen voor mij centraal zijn. En het siert een christen als hij het geloof in de betrouwbaarheid van Gods Woord centraal stelt. Geloofsafval ontstaat niet door kritiek op de evolutietheorie, maar als Gods openbaring uit het centrum verdwijnt.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Nederlands Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Brink, G.A. van den, 2019, Spinnenweb helpt evolutiedebat, Nederlands Dagblad 76 (20.304): 12-13 (artikel).

‘Ik heb weinig behoefte aan speculatieve alternatieve verklaringen voor het scheppingsgebeuren’ – Interview met prof. dr. Frank van der Duijn Schouten in De Nieuwe Koers

Sinds oktober 2021 is prof. dr. Frank van der Duijn Schouten interim-voorzitter van het college van bestuur van de Open Universiteit.1 Daarvoor was hij rector magnificus van de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Hoewel hij de pensioengerechtigde leeftijd al bereikt heeft is er van vertrek uit de wetenschap nog geen sprake. Jasper van den Bovenkamp interviewde hem voor het progressief-christelijke tijdschrift De Nieuwe Koers. Dit lezenswaardige interview hopen we hieronder op de voor ons relevante punten samen te vatten.2

Prof. dr. Frank van der Duijn Schouten studeerde van 1967 tot 1973 wiskunde, natuurkunde en sterrenkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij promoveerde in 1979 aan de Universiteit Leiden op een proefschrift met als titel ‘Markov Decision Processes with Continuous Time Parameter’.3 Tot 1987 was hij wetenschappelijk medewerker aan de Vrije Universiteit. Vanaf 1987 werd hij hoogleraar Operations Research aan de Katholieke Universiteit Brabant, later Tilburg University. Van 1994 tot 1998 was hij daar decaan van de Faculteit der Economische Wetenschappen. In 1999 werd hij rector magnificus op dezelfde universiteit. In 2013 werd hij rector magnificus aan de Vrije Universiteit. Na zijn emeritaat in 2015 verbond hij zich aan de Erasmus Universiteit en werd daar uiteindelijk rector magnificus. Afgelopen najaar is hij dus overgestapt als interim-decaan naar de Open Universiteit.4

Beangstigende houding

Het interview start met een verwijzing naar een rapport van het Rathenau Instituut. Het rapport becijferde het vertrouwen van Nederlanders in de wetenschap(pers) met een 7,4.5 Van den Bovenkamp verraste dat ziende op de uitingen in de media over wetenschap. Van der Duijn Schouten geeft aan dat (in) de media vaak de extreme geluiden laat horen of gehoord worden. De Twentse universitaire docent Femke Nijboer maakte zich onlangs nog druk om studenten die minder vertrouwen hadden in de wetenschap. Ze vroeg zich, in niet al te nette bewoording, af waarom die studenten überhaupt voor een universitaire studie hadden gekozen als zij zich bijvoorbeeld niet willen laten vaccineren.6 Volgens de voormalig rector magnificus is dat te kort door de bocht. Van der Duijn Schouten: “Mijn eigen vertrouwen in de wetenschap is ook niet onbegrensd. Juist in de wetenschap, zou ik willen benadrukken, worden twijfel en het stellen van vragen positief gewaardeerd. (…) Op basis van het gesprek waarin je met elkaar argumenten uitwisselt, kun je beoordelen in hoeverre die legitiem zijn dan wel gebaseerd op sentiment of een drogreden.” Zelfs in de farmacie, in dit specifieke geval, moet er ruimte blijven voor kritische vragen. “Het onbegrensd vertrouwen in de wetenschap komt mij voor als een beangstigende en niet-wetenschappelijke houding.” De interviewer vraagt nog door op vaccins en corona(maatregelen), maar dat laten we hier rusten.

Blij met wiskunde boven biologie

Van den Bovenkamp brengt in herinnering dat Van der Duijn Schouten in 2015, toen hij nog rector magnificus van de Vrije Universiteit was, een interview had met het Nederlands Dagblad.7 In dat interview gaf hij aan dat hij blij was dat hij destijds voor wiskunde had gekozen en niet voor biologie, ‘want ik weet niet of ik als wetenschapper en gelovige een evenwichtige visie op de schepping had kunnen ontwikkelen’. Had dit te maken met zijn wat gereserveerde houding tegenover de wetenschap? Van der Duijn Schouten:

Ik zou het lastig gevonden hebben om als bioloog dagelijks geconfronteerd te worden met de spanning die er zit tussen de evolutietheorie en het scheppingsverhaal. Om de dominantie van de evolutietheorie kun je als bioloog niet heen; je zult die als een gerespecteerde theorie moeten aanvaarden in je onderzoek. Persoonlijk houd ik in deze discussie graag ruimte voor twijfel. Ik weet niet precies hoe het zit, en waarschijnlijk kom ik het aan deze kant van het graf ook niet te weten. Ik laat me te zijner tijd graag verrassen. Onder andere met deze gevoelens had mijn voorkeur voor wiskunde boven bijvoorbeeld biologie te maken.

Ook had hij weinig behoefte aan de experimenten ‘met die drosophila’s om de wetten van Mendel nog eens te verifiëren’.8 In zijn ogen was dit toch een beetje ‘gepruts’. Ook is hij licht sceptisch op de resultaten van de archeologie of geologie. Van der Duijn Schouten: “Als men tijdens een opgraving ergens wat scherven vindt waarop hele theorieën worden gebaseerd over hoe de mensen in die tijd hebben geleefd, dan denk ik weleens: is het niet een wankel bouwwerk dat je op een paar scherven baseert?” Als er voorzichtig omgegaan zou worden met deze vondsten en nuchter gecommuniceerd zou worden zou de geleerde daar vrede mee hebben. ‘In de communicatie naar het bredere publiek gebeurt het nogal eens dat zo’n theorie gebracht wordt als de nieuwe waarheid, de nieuwe leer. Daar kan het behoorlijk fout gaan’. Als voorbeeld gebruikt Van der Duijn Schouten begraven katten in de achtertuin. “Als daar over duizend jaar gegraven wordt, zou men daarop zeer wel onjuiste conclusies kunnen baseren, bijvoorbeeld dat er een dierenasiel moet hebben gestaan.” In de wiskunde is het dan een stuk makkelijker. “We bijten binnen de wiskunde onze tanden veelal stuk op modellen, zonder dat daaraan onmiddellijk interpretaties van de werkelijkheid verbonden behoeven te worden.” Uiteraard raken levensovertuiging en wiskunde elkaar wel ergens. Van der Duijn Schouten memoreert aan een column van zijn hand in het Reformatorisch Dagblad over het getal pi en Salomo. Het antwoord van de geleerde werd door veel lezers niet in dank afgenomen.9 Hij had namelijk gezegd dat Salomo nog niet op de hoogte was van het feit dat de verhouding tussen de omtrek van een cirkel en haar diameter constant is. Volgens de lezers zou Van der Duijn Schouten denken dat hij hiermee verstandiger was dan Salomo omdat hij meer decimalen van pi kent.10

Evolutietheorie

Van den Bovenkamp vraagt of de geleerde bij het lezen van het bijbelse scheppingsverhaal dezelfde reserves heeft als ten aanzien van de evolutietheorie. Van der Duijn Schouten geeft aan dat de schepping voor hem een mysterie is. ‘Wat zich precies heeft voorgedaan en hoe het allemaal is gebeurd, blijft een mysterie en daarom laat ik daarvoor ruimte’. De voormalig rector magnificus geeft aan geen behoefte te hebben aan ‘speculatieve alternatieve verklaringen voor het scheppingsgebeuren’. Hij verwijst hierbij naar het recent verschenen boek ‘En de aarde bracht voort’ van de systematisch theoloog prof. dr. Gijsbert van den Brink. “Dergelijke verklaringen helpen mij absoluut niet verder in het doorgronden van het mysterie dat de schepping voor mij altijd zal blijven.” Is Van der Duijn Schouten niet bang dat het christelijk geloof als een kaartenhuis in elkaar stort als, in de woorden van de interviewer, ‘op een dag verpletterend wetenschappelijk bewijs de evolutietheorie definitief onweerlegbaar maakt’. Van der Duijn Schouten:

“Nee hoor. Dat laatste zal niet gauw gebeuren, omdat een goede wetenschappelijke theorie altijd zijn eigen begrenzing zal erkennen en ruimte zal laten voor gerede twijfel. En bovendien: het verlossingsverhaal, dat toch de kern is van het evangelie, wordt door mij niet beïnvloed door de wijze waarop de aarde door het Woord precies tot stand is gekomen.”

De voormalig rector magnificus zegt nog meer interessante dingen in het interview, maar daarvoor moet u het interview zelf maar lezen. Voor Van der Duijn Schouten is de schepping een mysterie die we aan deze kant van het graf niet opgelost zullen krijgen. Of de duur van de schepping ook een mysterie is krijgen we in dit interview geen antwoord op. In de Bijbel wordt maar liefst vier keer aangegeven dat God hemel en aarde in zes dagen schiep. De Schrift is daar niet mysterieus over. Hoe het precies op atomisch niveau is gegaan zullen we waarschijnlijk nooit weten, maar er is genoeg geopenbaard om vormen van theïstische evolutie af te kunnen wijzen. Hierboven geeft Van der Duijn Schouten gelukkig ook aan dat hij deze speculatieve alternatieven afwijst. Ook heeft de geleerde terecht bezwaren tegen een sciëntistische houding, de wetenschapper moet zijn beperkingen kennen en ruimte geven aan kritische vragen en wetenschappelijke twijfel. Dit geldt niet alleen voor nieuwe hypothesen en theorieën, maar ook voor de aloude (maar gewijzigde) evolutietheorie.

Voetnoten

Filosofie, techniek en geloof – Prof. dr. Marc de Vries over zijn expertise

In 2016 hield prof. dr. Marc de Vries een lezing met als titel ‘Filosofie, techniek en geloof. Met dank aan Geloofstoerusting is deze lezing opgenomen en hieronder te bekijken.

Natuur strijdt soms met Schriftuur

Laten we maar eerlijk toegeven dat wetenschappelijke gegevens soms botsen met de Bijbel, stelt Jos Quist. Als je de Bijbel leest, kun je ook niet anders verwachten.

Stel dat de evolutietheorie klopt… Dat is het vertrekpunt van het boek ”En de aarde bracht voort” van prof. Gijsbert van den Brink. Hij komt na een diepgaande analyse tot de conclusie dat de kloof tussen het evolutionaire denken en de gereformeerde leer op veel plaatsen overbrugbaar is.

Veel reformatorische christenen zijn geneigd om deze conclusie af te wijzen. Tegelijk klinkt er verlegenheid door in de reacties die Van den Brink in deze krant krijgt. Als het gelovig lezen van de Bijbel niet kan samengaan met het aanvaarden van de moderne wetenschap, dringt immers een prangende vraag zich aan ons op: Wat als het Bijbelse getuigenis tegengesproken wordt door wetenschappelijk bewezen feiten?

Van den Brink vindt het jongeaardecreationisme zwak vanuit wetenschappelijk oogpunt, maar wel het meest consequent qua Bijbeluitleg. Aan de sterke punten van de creationistische Bijbeluitleg had hij meer aandacht mogen schenken. Een heelal dat ongeveer 6000 jaar geleden in zes dagen geschapen is, Adam en Eva als eerste mensenpaar, en een wereldwijde zondvloed? Dat komt uitstekend overeen met wat ik in het Oude én het Nieuwe Testament lees.

Maar ik moet erkennen dat deze Bijbeluitleg lijkt te wankelen in het licht van modern wetenschappelijk onderzoek. Denk bijvoorbeeld aan de vele dateringsmethoden waarmee perioden van tienduizenden, miljoenen of zelfs miljarden jaren vastgesteld kunnen worden, of de talloze fossielen en de vele genetische inzichten die wijzen op evolutionaire soortvorming.

Dissonanten

Vanuit het Amerikaanse creationisme klinkt protest: de evolutietheorie is onwetenschappelijk en makkelijk te weerleggen. Graag geef ik toe dat er af en toe goede argumenten te vinden zijn tegen belangrijke elementen van de evolutietheorie. Maar voldoen die tegenargumenten? Mijn ervaring is dat een groot deel van de creationistische publicaties op het eerste gezicht wel indruk maakt, maar bij nadere beschouwing speculatief en oppervlakkig is. Ondertussen werken duizenden van ’s werelds beste onderzoekers fulltime aan een voortdurende verdieping van de evolutietheorie.

Anderen zoeken aansluiting bij de evolutietheorie. Men stelt: Neem de Bijbel niet te letterlijk, het gaat om de boodschap. Dat klinkt logisch, totdat je beseft dat de Bijbelse boodschap juist deze visie tegenspreekt. God werkt wonderen in onze wereld – letterlijk! Die wonderen werkt Hij in harten van mensen, maar ook heel nadrukkelijk tijdens de scharniermomenten van de heilsgeschiedenis. Denk aan de bevrijding van Israël uit Egypte. Ook schepping en zondvloed zijn zulke scharniermomenten. In de Tien Geboden lijken de zes scheppingsdagen net zo letterlijk bedoeld als de bevrijding uit Egypte.

Een belangrijke overweging is dat God Zich openbaart in twee boeken: de natuur en de Schriftuur. De waarheid van de natuur zou daarom de waarheid van de Bijbel niet kunnen tegenspreken. Dat moet leiden tot een onderlinge harmonie van geloof en wetenschap. Maar in mijn beleving wordt deze harmonie overheerst door schrille dissonanten. Is het niet tijd om te erkennen dat de Bijbel keihard tegengesproken wordt door de feiten? Ik zie niet in hoe ik deze vraag kan ontwijken.

Maar ik heb geloofsbelijdenis afgelegd. Als met een eed heb ik me verbonden aan de Schrift. Tal van moeilijke vragen kan ik niet terzijde leggen, maar de Bijbel ook niet. De Bijbel moet open!

Onmogelijkheid

Dan lees ik toch heel veel wat mij bemoedigt. Om te beginnen ben ik lang niet de eerste die tegenstellingen ervaart tussen Gods Woord en de feiten. Gods woord zegt: Abram zal tot een groot volk worden. Feit: zijn vrouw Saraï is onvruchtbaar. Gods Woord zegt: Jezus zal Zijn volk redden. Feit: Jezus ligt in het graf. Dit patroon komt zo vaak voor in de Bijbelse geschiedenis dat het een wetmatigheid lijkt. God brengt een mens in de onmogelijkheid. Dit geestelijke principe illustreert de Bijbel met tal van natuurlijke voorbeelden. Valt er iets anders te verwachten dan dat ook wij onmogelijkheden zullen ervaren ten opzichte van het natuurlijke?

Ten tweede: de Bijbelheiligen hebben de feiten niet ontkend. De discipelen hebben onderzocht hoeveel broden en vissen er precies waren. Dat het lang niet genoeg was voor duizenden mensen hebben ze voorgelegd aan hun rabbi. Zo mogen ook wij eerlijk de feiten onderzoeken. Feiten die strijdig lijken met Gods Woord moeten we niet wegstoppen maar geduldig en nederig aan God voorleggen. Wie weet doet Hij een wonder.

Ten derde: misschien is het niet erg om een keer ons verlies te nemen in het evolutiedebat. Anders dan in de academische wereld gaat het in de Bijbel niet om de vraag wiens intellect triomfeert. Het Evangelie blijft voor wijzen en verstandigen verborgen. De wijsheid van de wereld maakt God tot dwaasheid. En door de dwaasheid van de prediking verkiest God het dwaze van deze wereld.

Laten we erkennen dat het ons aan wijsheid ontbreekt, dan hoeven we verder niet naar dwaasheid te streven. Stuiten we op het voorspel van een groot wonder als we tussen natuur en Schriftuur steeds meer tegenstrijdigheden ontdekken? In het licht van de Bijbelse geschiedenis lijkt me deze hoop niet ongegrond.

Bovendien, het laatste grote scharniermoment van de heilsgeschiedenis moet nog komen. Zoals de heilshistorie met een scheppingswonder begonnen is, zo zal deze ook met een scheppingswonder eindigen. Er komen een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarin gerechtigheid wonen zal. Het boek der natuur zal herschreven worden. Maar Gods Woord blijft in der eeuwigheid.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Quist, J.W., 2017, Natuur strijdt soms met Schriftuur, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 47 (94): 8-9 (artikel).