Woensdag 19 november 2025 werd door Bijbels Beraad M/V een conferentie belegd met als thema Bijbelse antropologie. Meer informatie over het programma is hier te vinden. Verslagen van deze conferentie zijn hier en hier te vinden. Hieronder doet CVandaag verslag van de eerste lezing verzorgd door bioloog ir. Kees Fieggen.
“Als je de Schepper buiten beschouwing laat, kun je als wetenschapper niet anders dan falen”, zegt bioloog en Bijbelleraar Kees Fieggen. Tijdens de conferentie ‘Wie is de mens?’ van Bijbels Beraad M/V in Montfoort sprak Fieggen over hoe mens en dier zich tot elkaar verhouden. In zijn lezing zette Fieggen helder uiteen waarom de mens geen geëvolueerd organisme is, maar een schepsel dat God naar Zijn evenbeeld schiep.

Fieggen begint zijn lezing door op te merken dat onze discussies over de mens vaak draaien over wat de mens is, maar volgens hem is de cruciale vraag wie de mens is. Dat is een vraag waarbij de identiteit en samenstelling van de mens centraal komen te staan. Om die vraag goed te kunnen beantwoorden, moet elke wetenschapper volgens de bioloog en Bijbelleraar terug naar het begin: de schepping.
“Als je als wetenschapper de schepping en de Schepper buiten beschouwing laat, dan kun je niet anders dan falen”, zegt hij. “De mens is geen geëvolueerd organisme, maar een schepsel dat God geschapen heeft naar Zijn evenbeeld.” Dat beeld-zijn van God is voor Fieggen de sleutel als het gaat om de vraag wie de mens is. Het is niet slechts een beschrijving van onze oorsprong, maar ook van ons doel. We zijn volgens hem bedoeld om op Christus te lijken. En omdat we als mensen naar Gods evenbeeld geschapen zijn, beschikken we, in tegenstelling tot diersoorten, over creatief vermogen, redelijkheid en moreel besef.
Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen
Eén van de centrale punten in Fieggens lezing is de scheppingsorde uit Genesis 1. “Mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen.” Volgens Fieggen is dit geen bijkomstigheid, maar een diepgaand onderdeel van onze identiteit als beelddragers van God. “Hoewel Hij hen heel bewust verschillend schiep, horen die twee bij elkaar. Jezus Zelf verwijst naar dit scheppingsgegeven wanneer Hij in het Nieuwe Testament vragen krijgt over huwelijk en echtscheiding.”
Als bioloog belicht hij vervolgens hoe diep die verschillen al vanaf de conceptie in het lichaam verankerd zijn. “We krijgen 23 chromosomen van onze vader en 23 van onze moeder. Als je van je vader een Y-chromosoom krijgt, ben je een jongen. Als je een X krijgt, ben je een meisje.” Al in de zevende week van de zwangerschap beginnen de ontwikkelingen van jongen en meisje uiteen te lopen. “Hormonen zoals testosteron sturen een cascade van processen aan die ook de hersenen beïnvloeden”, zegt hij. “Je hebt mannelijke en vrouwelijke hersenen. Denk niet dat dit hetzelfde is.”
De mens leeft in twee werelden
Vervolgens maakt Fieggen ook een principieel theologisch punt. De mens is uit stof gemaakt, maar óók door Gods adem gevormd. Dat onderscheidt hem radicaal van dieren. Volgens Fieggen toont Genesis dat God niet voortbouwde op een dierlijk prototype, maar opnieuw begon. Hij merkt op hoe we als mensen geweven zijn, en hoe God ons tot in de kleinste celverbindingen toe met uiterste zorgvuldigheid geschapen heeft.
En dan het belangrijkste: God blies Zijn adem in de mens, waardoor de mens een levende ziel werd. Dat betekent volgens Fieggen dat de mens zowel deel uitmaakt van de stoffelijke, fysieke wereld én van de geestelijke werkelijkheid. De mens leeft dus letterlijk in twee werelden. “Een mens is, in tegenstelling tot een dier, in staat om in contact met God te komen.”
Geen aap
Fieggen keert zich nadrukkelijk tegen het evolutionaire idee dat de mens slechts een verfijnde aap zou zijn. Hij spreekt uit ervaring: “Ik was een enthousiaste evolutionist totdat ik tot bekering kwam. Toen liet de Heere mij iets anders zien.”
De anatomie van de mens, zoals de huid, het feit dat we rechtop lopen en de fijne motoriek, is bijzonder, maar nog belangrijker zijn de culturele en geestelijke kenmerken van mens-zijn. Kunst, wetenschap, taal, wiskunde: het zijn allemaal menselijke verschijnselen die we bij dieren niet terugvinden. Ons geweten vormt daarbij volgens Fieggen een cruciaal element. “Wij weten van nature wat goed en kwaad is. Een dier niet.”
Mens en chimpansee
De stelling dat mens en chimpansee voor 98 of 99 procent genetisch identiek zouden zijn, krijgt van Fieggen stevige kritiek. Die cijfers zijn volgens hem gebaseerd op verouderde, onnauwkeurige methoden waarbij DNA letterlijk “aan elkaar geplakt” werden. Nauwkeurige vergelijkingen laten een ander beeld zien. Fieggen verwijst naar een recent artikel waarin, bij grondige bestudering van de gegevens, blijkt dat het verschil minimaal 14,9 procent is. Dat is geen nuanceverschil, maar een enorme afstand op genetisch niveau.
Het unieke van de mens
Een van de sterkste argumenten voor het unieke van de mens vindt Fieggen in de taal. Taal vereist een uniek gevormd strottenhoofd, een speciaal tongbeen, een complex netwerk van zenuwbanen, en een ademhalingscontrole die dieren niet hebben.
“Een aap kan geluiden maken, maar niet spreken”, zegt hij. “Zelfs al leert men een aap symbolentaal, er komt nooit een echte zin uit.” Een kind daarentegen wordt geboren met een aangeboren taalvaardigheid. “Het is alsof ze een taal-app hebben gekregen”, zegt Fieggen. “Aan baby’s van zeven maanden kun je al merken of ze Gronings of Limburgs zijn.”
Een verrassend element in Fieggens lezing is zijn aandacht voor de menselijke huid. Hij noemt de huid een orgaan van communicatie. De coronapandemie maakte volgens hem meer dan duidelijk hoe essentieel aanraking is. “In die periode leden veel mensen aan ‘huidhonger’. Mensen konden elkaar niet aanraken, terwijl dat een diep menselijke behoefte is.” Fieggen pleit tegelijkertijd voor meer onderzoek naar de huid, juist omdat dit orgaan volgens hem het verschil tussen mens en dier heel duidelijk maakt.
Daar komen nog ongeveer 1400 menselijke genen bij die uniek zijn ten opzichte van de dieren. Het grootste onderscheid betreft volgens Fieggen de hersenen.
Lichaam, ziel en geest horen bij elkaar
Fieggen waarschuwt voor dualisme: het idee dat geest en lichaam gescheiden werelden zijn. De mens is een eenheid. De geest gebruikt het lichaam én beïnvloedt het lichaam. Zo wijst hij onder meer op het placebo-effect, dat alleen bij mensen bestaat. Denk aan hoe gedachten het brein kunnen vormen. “Minacht je lichaam niet”, zegt hij. “Zelfs in de gevallen mens wil de Heilige Geest wonen. Wij leven in twee werelden: een aardse en een geestelijke. Maar wel als één mens.”
Wie ben ik?
Aan het slot komt Fieggen terug bij de vraag naar identiteit. “Ben ik wat ik bezit? Ben ik wat anderen over mij zeggen? Ben ik wat ik doe? Of wat voel ik dat ik ben? Of is er een andere, diepere grond? Gaat het niet om de vraag: ben ik wie God zegt dat ik ben?”, aldus Fieggen.
Fieggen sluit af met een citaat van Johannes Calvijn: “De mens geraakt nooit tot een zuivere kennis van zichzelf, tenzij hij eerst Gods aangezicht aanschouwd heeft en van diens aanblik afdaalt tot het zien van zichzelf.” Volgens de Bijbelleraar ligt dáár de sleutel: pas als we God leren kennen, leren we ook onszelf kennen. Want wie de mens werkelijk is, kan alleen begrepen worden in het licht van zijn Schepper.
Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.