
Gezien vanuit het wereldbeeld van abortusvoorstanders, die zelfbeschikking van de vrouw boven het recht op leven plaatsen, is er vanaf 24 weken zwangerschap geen enkele reden meer om een abortus uit te voeren.
In de Amerikaanse staat Massachusetts is op 10 augustus een wet aangenomen die abortus in theorie gedurende de gehele zwangerschap mogelijk maakt (RD 12-8). Onder applaus van medestanders ondertekende gouverneur Healey het document waarmee haar staat zich aansluit bij negen andere staten zonder abortusgrens. Het toont de keerzijde van de afschaffing van ”Roe v. Wade” (een uitspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof uit 1973 die abortus legaal maakte in alle vijftig staten) in 2022, waar de prolifebeweging zo blij mee was. Want nu staten hun eigen abortuswet bepalen, schieten sommige staten door naar een macaber uitgangspunt: een ongeboren kind heeft nooit écht mensenrechten.
Oordeel
Er bestaat veel verwarring over de nieuwe wet. Tegenstanders hekelen het feit dat abortus nu gedurende de hele zwangerschap mogelijk wordt. Voorstanders hameren op het feit dat artsen nu simpelweg zelf hun medische oordeel kunnen geven bij een abortuswens na 24 weken zwangerschap.
Het probleem met die laatste opvatting is dat de 24 wekengrens niet had hoeven sneuvelen om dat te bewerkstelligen. De oude wet gaf namelijk specifieke redenen voor een medische abortus na 24 weken. De nieuwe wet schrapt niet alleen die criteria, waardoor de arts nu helemaal zelf mag beoordelen of abortus noodzakelijk is, maar verwijdert de hele abortusgrens. Op die manier vervalt het onderscheid tussen sociaaleconomische en medische redenen volledig. Terecht dus dat conservatieve sprekers in Amerika zich grote zorgen maken.
Overlevingskans
Wie over de gevolgen van het schrappen van de abortusgrens nadenkt, stuit op een hoop problemen. De belangrijkste reden voor abortusrechten is de lichamelijke autonomie van de vrouw, oftewel zelfbeschikking. De filosofe Judith Thomson schreef in haar beroemde essay uit de jaren zeventig al dat je niemand kunt verplichten om met zijn of haar lichaam een ander mens in leven te houden. Maar er is iets vreemds met die zienswijze. Die impliceert niets over het ongeborene, terwijl de gemiddelde burger abortus alleen kan steunen vanuit de aanname dat er nog geen kind is. Deze (onder feministen dominante) filosofie leert niet zozeer dat foetussen en embryo’s geen mensen zijn. Ze stelt eerder vast dat die kwestie er niet toe doet: al is het een mens, het moet kunnen worden afgesneden van de levensreddende steun die de vrouw met haar lichaam geeft.
Het lastige van zo’n uitgangspunt is dat legale abortus tot vlak voor de geboorte de logische consequentie is. Baas in eigen buik ben je immers altijd en niet slechts tot een x-aantal weken. Maar wat als het kind buiten de baarmoeder zou kunnen overleven en de moeder strikt genomen niet meer nodig is? Welke reden is er dan nog om het kind te doden?
Bij extreme vroeggeboorte is er vanaf 24 weken zwangerschap een goede kans op overleven, zo luidt de medische consensus. Volgens nieuw onderzoek hebben kinderen van die leeftijd een overlevingskans van ruim 71 procent. In westerse landen is de benodigde behandeling goed beschikbaar, wat de inzet ervan tot een morele verplichting maakt. Dan hebben we het over kinderen die spontaan ter wereld komen. Wanneer de bevalling zou worden opgewekt, wordt de overlevingskans vermoedelijk groter. Je kunt de vrouw dan namelijk voorbereiden door vooraf corticosteroïden toe te dienen voor de longrijping. Ook kan er bij een geplande vroeggeboorte worden gezorgd voor de beste omstandigheden voor vrouw en kind, zonder spoedeisend handelen.
Geen moeder meer
Dan rijst de vraag waarom we bij zwangerschapsafbreking rond 24 weken niet omschakelen van abortus naar opgewekte bevalling. Waar het terugkrijgen van zelfbeschikking vóór 24 weken onlosmakelijk met het sterven van het kind verbonden is, bestaan deze uitkomsten daarna los van elkaar. Je kunt je zelfbeschikking immers terugkrijgen door de zwangerschap te beëindigen via een opgewekte bevalling, waarna het kind goede kans maakt op overleven. Dat is zelfs beter in lijn met de filosofie van Thomson.
Het feit dat dit gesprek niet wordt gevoerd rond het wegvallen van abortusgrenzen in Amerika en andere landen, laat zien dat zelfs de verregaande filosofie van Thomson ontoereikend is voor de uiteindelijke droom van sommige activisten en politici. Want hoewel Thomson het niet relevant vond om een antwoord te vinden op de vraag of ongeboren leven een kind is, is dat niet hetzelfde als pleiten voor het doden van een kind dat zelfstandig kan leven. Laten we eerlijk zijn: op het moment dat abortus ná de behandelgrens wordt nagestreefd, gaat het niet langer om zelfbeschikking.
Voor de duidelijkheid: ook bij een abortus vóór 24 weken zwangerschap wordt er een kind omgebracht. Maar gezien vanuit het wereldbeeld van abortusvoorstanders, die zelfbeschikking plaatsen boven het recht op leven, is er vanaf 24 weken geen enkele reden meer om een abortus uit te voeren. Tenminste, als je uitgaat van wat de prochoicebeweging altijd heeft beweerd, namelijk dat het doel van abortus niet is om een kind te doden, maar om een zwangerschap af te breken, waarbij het kind „helaas” niet kan overleven. Die sentimenten zijn van tafel op het moment dat de levensvatbaarheidsgrens bij abortus wordt overschreden.
Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Develing, C., 2026, Abortus na 24 weken gaat niet over zelfbeschikking, Reformatorisch Dagblad 56 (117): 20-21 (artikel).