Home » Artikelen geplaatst door Chris Develing

Auteursarchief: Chris Develing

Beëindigen ongeboren leven is géén zorg en géén mensenrecht

Als abortus uit het strafrecht verdwijnt, verdwijnt het fundament onder de abortuswetgeving. Mannen die hun partner tot een illegale abortus dwingen, kunnen dan gemakkelijker vervolging ontlopen. En ongeboren kinderen verliezen wéér een stuk bestaansrecht.

Het nieuwe wetsvoorstel dat abortus verder moet destigmatiseren, heet ”Abortus is zorg”. De Kamerbehandeling van een burgerinitiatief hierover leverde in 2023 geen meerderheid op. Maar Corinne Ellemeet (GroenLinks-PvdA) gaf niet op en diende, als laatste grote bijdrage aan haar werk als Kamerlid, opnieuw een wetsvoorstel in. Ze gaat daarin zelfs nog een stuk verder.

Het bijkomende doel is nu om abortus geheel onder zorg te laten vallen. Dat doet het wetsvoorstel door de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) te ontmantelen en onder te brengen bij verschillende bestaande wetten in de zorg. Daarmee zou er geen aparte abortuswet meer zijn en verdwijnt iedere morele terughoudendheid rond abortus. Zo’n ontwikkeling zou desastreus zijn voor de toch al wankele positie van ongeboren kinderen, maar ook voor vrouwen.

De aanleiding voor dit vergaande wetsvoorstel is vooral ideologisch. In de memorie van toelichting wordt gesproken over de stigmatisering die artikel 296 van het Strafrecht (Sr) op abortus zou leggen. Sommige vrouwen en artsen zouden druk ervaren door hun betrokkenheid bij iets wat formeel wordt verboden.

Ellemeet verwijst voor deze claim naar de twee evaluaties van de abortuswet, uit 2005 en 2020. Maar de oplettende lezer ziet dat dit standpunt slechts wordt uitgedragen door een klein aantal bevraagde organisaties binnen de abortuspraktijk.

Kennisprobleem

Als gevoel de crux van het wetsvoorstel is, en niet een dreigend gevaar voor de toegang tot abortus, ligt het probleem mogelijk bij de algemene kennis over abortus. Dit is iets waar prolifeorganisaties al langer voor waarschuwen. Zo is het van belang te weten dat de wetsconstructie rond abortus juist volgens de genoemde evaluaties goed functioneert. Artsen dienen zich te houden aan de eisen van de Wafz en dat lukt al veertig jaar zonder uitzondering als het gaat om de behandeling zelf. Vrouwen die stigmatisering ervaren, halen mogelijk rust uit het feit dat zij nooit strafbaar zijn voor een abortus die zij ondergaan.

Verder dan dit hoeven deze gevoelens niet te worden getemperd. Want waarom zou het onterecht zijn dat abortus strafrechtelijke dreiging opwekt bij de betrokkenen? Het gaat niet louter om gezondheidszorg, zoals Ellemeet doet voorkomen. Natuurlijk, bij abortus komt dikwijls medisch instrumentarium kijken. Ook zijn er maatregelen rond hygiëne, informatievoorziening en nazorg. Maar wie beweert dat abortus volledig kan worden gevat met het begrip ”zorg” neemt een loopje met de werkelijkheid. Het beëindigen van een menselijk leven zorg noemen, vereist veel acrobatiek om het ongeboren kind te vermaken tot een klompje cellen dat mijlenver afstaat van de biologische mens. De embryologie leert dat zo’n visie thuishoort in een sprookjesboek, niet in een wetboek van de Nederlandse staat.

Kwaadwillende mannen

Vrouwen worden dus nooit vervolgd voor abortus. Artsen slechts als de brede kaders van de Wafz worden overschreden. Kwaadwillende partners vallen echter wel onder de huidige wet en kunnen worden gestraft. Het stiekem toedienen van een abortuspil via het eten van een zwangere vrouw leidde in tien jaar tweemaal tot een veroordeling, waarbij artikel 296 Sr steeds cruciaal bleek voor de bewijslast.

GroenLinks-PvdA beweert echter dat artikel 82 Sr voldoende bescherming biedt aan vrouw en ongeboren kind. De partij wijst hiervoor op de vergelijkbare strafmaat in beide artikelen. Wat de indiener echter vergeet, is dat artikel 82 Sr vereist dat de „afdrijving of dood van de vrucht” is komen vast te staan. Dat is een stuk moeilijker te bewijzen dan een handeling die kán leiden tot abortus, zoals artikel 296 Sr voorschrijft.

Dubbel motief

Ellemeet zegt de (strafrechtelijke) druk voor vrouwen en artsen te willen reduceren, maar haalt juist cruciale vormen van bescherming onderuit. Dat is buitengewoon opmerkelijk in een tijd waarin we steeds meer weten over grensoverschrijdend gedrag van mannen richting vrouwen. Maar het wetsvoorstel heeft mogelijk ook een toekomstig doel. Binnen het Europees Parlement wordt regelmatig geclaimd dat abortus een officieel mensenrecht moet worden. Die droom kan nog lastig blijken als prominente lidstaten, zoals Nederland en België, abortus nog steeds in het strafrecht hebben.

Dit maakt het wetsvoorstel zo mogelijk nog gevaarlijker. Naast het feit dat de wereld weer een stukje onveiliger wordt voor ongeboren kinderen en vrouwen, wordt de weg vrijgemaakt naar een Europa waarin abortus niet meer zonder gevolgen kan worden aangekaart. Wie dat zou doen, zou immers tornen aan een mensenrecht. Een mensenrecht om te doden. Welke kant Europa kiest, hangt er mogelijk van af of Nederland zich vastbijt in de vaste overtuiging dat levensbeëindiging nooit normaal medisch handelen kan zijn.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Develing, C., 2024, Beëindigen ongeboren leven is géén zorg en géén mensenrecht, Reformatorisch Dagblad 53 (272): 33 (artikel).

Het gewetensbezwaar van artsen staat onder druk

De World Medical Association (WMA) beoogt een herziening van de Internationale Code voor Medische Ethiek die het gewetensbezwaar bij abortus zal neutraliseren. Dat schrijft Kristina Artuković van de organisatie Saving Down Syndrome. Sterker nog, een gewetensbezwaar kan straks mogelijk worden gezien als een aanval op de mensenrechten.

“De verplichting om een gewetensbezwaarde naar een andere arts door te verwijzen, is in feite schending van de persoon met een gewetensbezwaar.” Bron: Pixabay.

Juristenvereniging Pro Vita maakte een Nederlandse vertaling1 van het artikel waarin mevrouw Artuković alles op een rijtje heeft gezet.2 De Internationale Code voor Medische Ethiek vormt een belangrijke aanvulling op de Verklaring van Genève, ook wel de moderne Hippocratische eed genoemd. Dit document werd vlak na de Tweede Wereldoorlog opgesteld, na het radicale misbruik van kennis in de geneeskunde. Daarin stond in 1947 nog het volgende:

‘Ik zal het uiterste respect voor het menselijk leven handhaven, vanaf het tijdstip van conceptie (…).

In 1983 werd de term “conceptie” vervangen door het multi-interpretabele “begin”. En vanaf 2005 werd zelfs dat weggelaten, zodat de zin nu simpelweg luidt:

‘Ik zal het uiterste respect voor het menselijk leven handhaven.

Men deed er slechts twintig jaar over om het ongeboren leven systematisch weg te schrijven uit de moderne Hippocratische eed. Volgens mevrouw Artuković gaat het duidelijk een totaal andere kant op dan de naoorlogse ontwikkelingen van de ethiek, aangezien de reikwijdte van ethische geldigheid wordt vernauwd in plaats van verbreed.

En nu wil men de code opnieuw wijzigen. Dit keer met als doel het gewetensbezwaar van artsen onmogelijk te maken. Op dit moment wordt het gewetensbezwaar van artsen beschermd door een aantal internationale overeenkomsten. Artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt:

‘Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing, door eredienst en de inachtneming van de geboden en voorschriften.’

De voorgestelde werkversie van de Code van de WMA vereist dat de gewetensbezwaarde de patiënt verwijst naar een andere arts die er op zijn beurt geen probleem mee heeft om gewelddadige medische praktijken uit te voeren, zoals abortus, euthanasie, hulp bij zelfdoding en dergelijke. Eerder dit jaar werd deze zienswijze ook al aangenomen, dankzij de instemming met het Matic rapport in het Europees Parlement.

De verplichting om een gewetensbezwaarde naar een andere arts door te verwijzen, is in feite schending van de persoon met een gewetensbezwaar. Het impliceert medeplichtigheid aan een problematische handeling, waardoor de betekenis van het gewetensbezwaar praktisch teniet wordt gedaan.

Met een dergelijke bepaling in de Code krijgt de wettigheid van bepaalde praktijken in de nationale wetgeving voorrang boven de universele ethische beginselen van de beroepsgroep. Een groep die eigenlijk los moet staan van politieke druk, zoals dat is beschreven door de leidende gedachte van zowel de oorspronkelijke als de moderne eed van Hippocrates.

Volgens mevrouw Artuković is er sprake van een wereldwijde agenda om, zoals zij het noemt, geweld in de geneeskunde te normaliseren als mensenrechten die niet kunnen worden geweigerd. Want als abortus gezondheidszorg is, dan zal het gewetensbezwaar een schending van de mensenrechten zijn. Dat is volgens haar een absurde gedachte waar we met deze herzieningen van internationale verklaringen wel op uit gaan komen: ‘Het gewetensbezwaar is een van de sleutelelementen in de strijd voor de waardigheid van het menselijk leven vanaf de conceptie tot de natuurlijke dood. Dat geldt vooral in landen waar de steun van de bevolking niet sterk genoeg is om deze kwesties aan te pakken, noch een voldoende ontwikkelde cultuur van dialoog bestaat om ze in het openbaar en in de wetgeving aan de orde te stellen. Zolang artsen namelijk de vrijheid hebben om het gewetensbezwaar in te dienen tegen ethisch problematische “diensten” in de geneeskunde, zal het mogelijk zijn om deze praktijken in het sociaal-politieke domein ter discussie te stellen. En zolang dat mogelijk is, zal er een kans zijn om de cultuur van dood en narcisme om te vormen tot een cultuur van leven en verantwoordelijkheid.’

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Leef Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Develing, C., 2021, Het gewetensbezwaar van artsen staat onder druk, Leef 37 (6): 22-23.

Voetnoten

Noem ook abortus als factor voor vergrijzing

Wil de nieuwe minister van VWS helpen om de vergrijzing tegen te gaan, laat hij of zij dan inzetten op het verminderen van abortus door psychosociale hulpverlening aan vrouwen in nood.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) kan precies aangeven waarom Nederland al jaren vergrijst. Na de oorlog was er nog een zogeheten babyboom, vertelt het CBS in een informatieve video, maar vanaf de jaren zestig zorgde anticonceptie voor steeds minder geboren baby’s. In de jaren zeventig begonnen bovendien steeds meer mensen het ouderschap uit te stellen én werden de gezinnen kleiner. Doordat de daling maar bleef doorzetten, werd het gat tussen het aantal gepensioneerde en het aantal werkende Nederlanders alsmaar groter. Toen ging het CBS-boek weer dicht. Maar vergeet men de jaarlijkse verdwijning van 30.000 ongeboren kinderen niet?

Misschien is het CBS van mening dat het jaarlijkse abortusaantal valt binnen de groep die het ouderschap uitstelt. Maar die categorie ziet het CBS reeds vanaf de jaren zeventig een rol krijgen, toen abortus nog niet legaal was. Bovendien betreft abortus niet het uitstellen van ouderschap, maar het voorkomen van de geboorte van bestaande kinderen. Bij een abortus wordt er immers echt iets weggehaald. Dat het CBS abortus niet noemt, is een gemiste kans om de vergrijzing te bestrijden.

Stijging

Twee weken geleden publiceerde de rijksoverheid de abortuscijfers van 2019. Vóór Covid-19 liep de publicatie ervan al een jaar achter en sindsdien is die nog verder op de lange baan geschoven. De achterstand is nu twee jaar.

In de rapportage springt een aantal cijfers eruit. Om te beginnen is het totale aantal abortussen gestegen van 31.002 naar 32.233. Dat komt neer op 124 verdwenen kinderen per schooldag, oftewel vijf schoolkassen vol. De stijging doet zich volledig voor onder vrouwen die in Nederland wonen. Het cijfer wordt zelfs wat afgeremd door een daling onder buitenlandse vrouwen die in Nederland een abortusbehandeling ondergingen. Deze stijging, die Kenniscentrum Fiom kwalificeerde als ”licht”, is meer dan het dubbele van de opmars die in 2018 werd geconstateerd.

Abortusratio

Stichting Schreeuw om Leven kijkt ook altijd naar de abortusratio in een rapport. Dat is het aantal zwangerschapsafbrekingen per duizend levendgeborenen. Uit de abortusratio van 2019 blijkt dat er voor iedere duizend geboren kinderen 170,6 keer een abortus werd gepleegd. Dat is een stijging van 6,6. De stichting vraagt al jaren aandacht voor dit cijfer, dat altijd al steeg, maar sinds 2017 in een stroomversnelling is gekomen. Nog los van de evidente gruwel die abortus is, heeft dit ook zijn weerslag op de vergrijzing. Het is misschien niet populair om te zeggen, maar meer abortussen betekent ook meer vergrijzing.

Je kunt je afvragen waarom het CBS steevast vergeet te vermelden dat ook abortus een aanzienlijke rol speelt bij de vergrijzing van ons land. Misschien ligt het onderwerp te gevoelig voor een groot deel van de ambtenaren. Veel politici lijken zich eveneens angstvallig vast te klampen aan het idee van louter positieve bijwerkingen bij de massale levensbeëindiging van ongeboren mensen. Het zelfbeschikkingsrecht, dat bij ieder ander maatschappelijk dilemma ondergeschikt wordt gemaakt aan het recht op leven, staat volgens velen van hen stijf op nummer één als het gaat om abortus.

Verkeerde aanname

Het is ook denkbaar dat het CBS van mening is dat het jaarlijkse abortuscijfer een vast gegeven is, dat niet meer zal dalen. Het aantal abortussen is in zoverre stabiel dat het sinds 2008 schommelt tussen de 30.000 en 33.000. Maar dat zou een verkeerde aanname zijn. Er is wel degelijk veel aan gelegen om het aantal abortussen te laten afnemen. Maar dat begint bij de bereidwilligheid van de minister van VWS.

Veruit de meeste abortussen worden met name gepleegd vanwege een of meer sociaaleconomische redenen: te weinig geld, mijn partner wil abortus of is afwezig, de familie staat er niet achter, ik vind mezelf te jong, ik heb geen geschikte woonruimte, enzovoort. Zeker in een land als Nederland kun je met het oog op die redenen veel winst behalen. Winst, omdat het ooit nog gemeengoed was dat we zouden proberen om abortus zoveel mogelijk te voorkomen. Die wind lijkt in politiek Den Haag nauwelijks nog te waaien. Dat is jammer, want het verlagen van het aantal abortussen blijkt een positief effect te hebben op meer dan alleen de doelstellingen van prolifeorganisaties.

Het bieden van een sociaal vangnet helpt bij het voorkomen van abortus. Onbedoeld zwangere vrouwen kunnen terechtkomen bij ”Er is Hulp”, via vrijwilligers die bij abortuscentra demonstreren of via de hulplijn van Schreeuw om Leven.

En wat blijkt met regelmaat het geval te zijn? Als je de oorzaak van de abortuswens in liefde en vertrouwen samen met de vrouw aanpakt, verdwijnt het echte probleem en wordt het kind weer zichtbaar voor de moeder. Daar gaan ontzettend veel tijd en zelfopoffering in zitten, dus bereidwilligheid moet er in overvloed zijn.

Wil de nieuwe minister van VWS dus helpen om de vergrijzing en nog een heleboel andere maatschappelijke pijnpunten tegen te gaan, laat hij of zij dan inzetten op het verminderen van abortus door psychosociale hulpverlening aan vrouwen in nood. Dat is beter dan maar blijven doen alsof het ongeboren kind hun echte probleem is.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Develing, C., 2021, Noem ook abortus als factor voor vergrijzing, Reformatorisch Dagblad 51 (13): 22-23 (artikel).

Wat Exodus 21:22 ons vertelt over abortus

Misschien is het u weleens overkomen. Een atheïst, orthodoxe jood of misschien zelfs een christen, drukt u tijdens een discussie op het hart dat abortus helemaal niet wordt afgekeurd in de Bijbel. De passage waar men dan vaak naar verwijst is Exodus 21:22-25. Daarin gaat het over twee vechtende mannen die daarbij een vrouw zo aanstoten dat haar kind ter wereld komt. Loopt dit met een sisser af, dan zal een geldboete volstaan. Maar is er letsel, dan geldt de lex talionis, oftewel een leven voor een leven, een oog voor een oog, et cetera. De vraag is echter: letsel bij wie?

De Amerikaanse Greg Koukl studeerde af in de apologetiek (christelijke geloofsverdediging). Volgens hem is Exodus 21:22-25 allesbehalve een problematische passage voor de christen die opkomt voor ongeboren leven. Integendeel, het is juist dé passage die hij aanhaalt om zijn pro-life visie Bijbels te onderbouwen. Abortus provocatus wordt namelijk niet expliciet genoemd in de Schrift, maar in deze tekst van Mozes gaat het wel om een wettelijke implicatie. Hierdoor valt enige kritiek over poëtische lading weg. Maar hoe komt het dat critici hiermee juist een troef in handen denken te hebben?

Laten we de passage bekijken vanuit een vertaling die sommigen onder u misschien niet snel zullen openslaan, om te zien op welke manier deze tekst weleens wordt geïnterpreteerd. De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) geeft Exodus 21:22-23 als volgt weer:

“Wanneer twee mannen aan het vechten zijn en een van hen een zwangere vrouw raakt met als gevolg dat zij een miskraam krijgt, maar ze heeft verder geen letsel opgelopen, dan moet een boete worden geëist waarvan de hoogte door haar echtgenoot wordt vastgesteld; de rechters moeten op de betaling toezien. Heeft ze wel ander letsel opgelopen, dan geldt: een leven voor een leven, een oog voor een oog, …”

Deze vertaling suggereert dat de dader slechts een boete betaalt indien de vrouw een miskraam heeft waarbij het kind verloren gaat. Maar indien de moeder als gevolg van de worsteling sterft, geldt de strafmaat waarbij er een leven voor een leven moet worden gegeven. Op die manier lijkt het alsof de wet van Mozes de ongeborene niet beschouwt als volwaardig mens. Maar hier is de crux van het probleem: Heeft het Hebreeuwse woord in de grondtekst dezelfde betekenis als ‘miskraam’? Is er in Exodus 21:22 sprake van een kind dat dood ter wereld kwam, net als bij een miskraam? Dit is de belangrijkste vraag die een antwoord vereist. Want als dat zo is, betreft het Nederlandse woord ‘miskraam’ geen verkeerde keuze. Zo niet, dan verandert de betekenis van de tekst drastisch, aldus Koukl.

Het antwoord op deze vragen moet worden gezocht in de oorspronkelijke taal, het Hebreeuws. De betekenis van een woord is in iedere taal bepaald in twee stappen. We leren de reikwijdte aan betekenissen van een woord – oftewel, al zijn mogelijke definities – door het algemene gebruik te bekijken. We leren over zijn specifieke betekenis door te kijken naar de directe context. De relevante frase in de passage ‘dat zij een miskraam krijgt’ staat in het Hebreeuws opgeschreven als w’yase û (וּאְ צָיְו) ye ladêhâ (הֶ֔ דָלְי). Het is een combinatie van een Hebreeuws zelfstandig naamwoord, yeled, en een werkwoord, yasa, dat letterlijk betekent: ‘het kind komt voort’. Er zijn veel Bijbelteksten waarin ‘yasa’ wordt vertaald als ‘voortbrengen’ of ‘voortkomen’. Denk aan Genesis 8:17 waarin Noach de instructies krijgt om al het gedierte met hem te doen uitgaan, of Jeremia 1:5 dat pro-life veelvuldig aanhaalt: ‘Eer Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb ik u gesteld’. In totaal wordt ‘yasa’ 1.061 keer gebruikt in de Bijbel, waarvan het niet één keer wordt vertaald als ‘miskraam krijgen’ behalve (door sommigen) in Exodus 21. Waarom?

De tekstuele context

Dit Bijbelse gebruik van ‘yasa’ laat ons iets belangrijks zien: niets aan dit woord impliceert de dood van het kind! Enkel de context van een passage kan ons dat vertellen, zoals in Numeri 12:12, dat spreekt over het ter wereld komen van een doodgeboren kind. Maar zulke conclusies kunnen niet worden gemaakt op basis van het woord ‘yasa’ alleen. Daar komt bij dat Mozes kon beschikken over twee andere woorden die wél kunnen verwijzen naar een miskraam, te weten ‘nepel’ (שכל) en ‘sakal’ (נֵ֥פֶל). Beide worden meestal vertaald als ‘misdracht’ of ‘misgeboorte’ (zie bijv. Gen. 31:38, Job 3:16, Psalm 58:9). Als de passage dan wordt vertaald vanuit de letterlijke betekenis, zoals in de Herziene Statenvertaling, ziet dat er zo uit:

‘Wanneer mannen vechten en daarbij een zwangere vrouw zó treffen dat haar kind geboren wordt, maar er geen dodelijk letsel is, dan moet de schuldige zeker een boete betalen, zo groot als de echtgenoot van de vrouw hem oplegt. Hij moet die betalen via de rechters. Maar als er wel dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven.’

Dit keer lezen we dat de tekst slechts een boete oplegt bij een vroeggeboorte, maar wanneer er sprake is van letsel voor een van de betrokken partijen (vrouw of kind) dan zal een zwaardere straf gelden. De christelijke theoloog Miljard Erickson zegt hierover dat ‘er geen specificatie is over wie er letsel dient op te lopen voordat de lex talionis [leven voor een leven] effectief wordt. Het principe wordt toegepast op de moeder of het kind.’

Los van deze vertaling is het duidelijk dat het doden van een kind – en laten we niet vergeten dat deze tekst inderdaad refereert aan een kind – een criminele daad is. Er bestaat in de Torah geen rechtvaardiging voor abortus op aanvraag. In plaats daarvan hebben we, volgens Greg Koukl en vele anderen, een goed argument in handen voor het feit dat de Heere dezelfde waarde toekent aan geboren én ongeboren mensen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Leef Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Develing, C., 2020, Wat Exodus 21:22 ons vertelt over abortus, Leef 36 (3): 16-17 (PDF).