Op Triablogue heeft Steve Hays een interessante hypothese over de zondvloed in Genesis geplaatst. Hij schrijft:
Een veelgebruikt bezwaar tegen de opvatting van een wereldwijde zondvloed is dat deze met een dubbel probleem te maken heeft: waar kwam al dat extra water vandaan, en waar ging het weer naartoe?
…Stel dat God de maan geleidelijk dichter bij de aarde liet komen. Dan zou dat niet alleen hogere getijden veroorzaken, maar op grond van de omgekeerde-kwadratenwet ook supergetijden kunnen opwekken. En als God de maan daarna, nadat dit een hoogtepunt bereikt heeft, weer verder van de aarde af liet bewegen, dan zouden de getijden weer afnemen. Eén mechanisme zou dus zowel het stijgen als het dalen van de zeespiegel kunnen verklaren. Er zou gedurende het hele proces evenveel water zijn, maar de verdeling ervan zou variëren, afhankelijk van welk deel van de aarde op dat moment naar de maan toe gericht zou zijn.”
In zijn artikel en in de reacties daarop worden verschillende bezwaren tegen deze theorie besproken. Een belangrijk probleem waar Hays geen aandacht aan besteedt, is dat een verkleining van de afstand tussen de aarde en de maan ook de lengte van de maanmaand zou verkorten.1

De idee dat de maan reusachtige vloedgolven zou kunnen veroorzaken, is onderzocht in een kort artikel in het Journal of Physics.2 De auteurs presenteren daarin, aan de hand van een eenvoudig model, de onderstaande grafiek.
Het artikel concludeert:
In werkelijkheid dragen veel factoren bij aan de hoogte van de getijden, zoals de kustlijn en het nabijgelegen continentaal plat. De resultaten die wij hebben verkregen, vormen een extreem scenario van wat er zou kunnen gebeuren. Als de maan met deze afstanden dichter bij de aarde zou komen, dan zouden we wereldwijde overstromingen kunnen verwachten, doordat de vloedgolven een hoogte van enkele kilometers zouden bereiken. Dit zou de kustlijn ingrijpend veranderen. Het verkleinen van de afstand tot de maan heeft niet alleen gevolgen voor de getijden op aarde; de planeet als geheel zou veranderingen ondergaan, bijvoorbeeld in haar rotatie en vorm. Dit kan verder worden onderzocht.

Uit de bovenstaande grafiek blijkt duidelijk dat de afstand tussen de aarde en de maan – momenteel ongeveer 384.000 km – zou moeten afnemen tot minder dan 40.000 km, ofwel ongeveer een tiende van de huidige afstand, om aanzienlijke vloedgolven te veroorzaken.
Wet van Kepler
Volgens de derde wet van Kepler hangt de omlooptijd T van de maan samen met de afstand r tussen de aarde en de maan volgens de vergelijking
![]()
Wanneer r met een factor 10 wordt verkleind, neemt T dus af met een factor van ongeveer 32. T is de siderische omlooptijd: de tijd die de maan nodig heeft om terug te keren naar dezelfde positie ten opzichte van de sterren. Op dit moment bedraagt die periode 27,3 dagen. De verkleinde waarde van T zou dus minder dan één dag zijn.
De maanperiode die betrekking heeft op de fasen van de maan wordt bepaald door de beweging van de maan ten opzichte van de zon. Dit wordt de synodische maand genoemd: de tijd tussen twee volle manen. Die bedraagt momenteel ongeveer 29,5 dagen. De synodische periode S van de maan hangt samen met de siderische periode T volgens de vergelijking
![]()
waarbij Y de siderische omlooptijd van de zon is, namelijk 365,26 dagen. Een siderische maanperiode T van één dag zou dus leiden tot een synodische maanperiode van iets meer dan één dag.
Was de maand tijdens de zondvloed korter? Volgens de Bijbel begon de zondvloed op de zeventiende dag van de tweede maand (Gen. 7:11), en liep de ark 150 dagen later, op de zeventiende dag van de zevende maand, vast op de Ararat (Gen. 8:3-4). Als we vijf maanden door 150 dagen delen, krijgen we een maand van 30 dagen. Dit wijst erop dat de lengte van de maand tijdens de zondvloed niet aanzienlijk veranderde. In dat geval kan de afstand tussen de aarde en de maan evenmin veel veranderd zijn, wat de suggestie van Hays uitsluit.
Hoe zit dat met het zondvloedwater?
Wat betreft de herkomst van het zondvloedwater verwijst de Bijbel zelf naar de bronnen ervan: “op dezen zelven dag zijn alle fonteinen des groten afgronds opengebroken en de sluizen des hemels geopend”. De atmosfeer zou niet genoeg regen hebben kunnen leveren voor een enorme wereldwijde zondvloed. Toch lijken zich zelfs vandaag de dag enorme hoeveelheden water in de aarde te bevinden. Een artikel in New Scientist uit 2014 meldt3:
Een waterreservoir met een volume dat drie keer zo groot is als dat van alle oceanen samen, is diep onder het aardoppervlak ontdekt. Deze vondst kan helpen verklaren waar de zeeën op aarde vandaan komen.
Waar ging het zondvloedwater naartoe? Werd het weer in de aarde opgenomen? Of leidde de zondvloed tot een veranderde topografie, waarbij bergen hoger werden en oceaanbekkens dieper, zodat het extra water kon worden opgevangen? Er zijn verschillende scenario’s voorgesteld. Het bekendste daarvan is het model van de catastrofale platentektoniek (Catastrophic Plate Tectonics, CPT). Zie Jonathan Sarfati, The Genesis Account (2015), blz. 531-536, voor een bespreking van de sterke en zwakke punten.
Een waarschuwing
D.C. Allen beschrijft in zijn boek The Legend of Noah (1963) hoe theologen in de zeventiende eeuw wetenschappelijke vragen over de zondvloed benaderden. De meeste rooms-katholieke theologen losten de wetenschappelijke moeilijkheden op door te verklaren dat de onmogelijkheid om de mechanismen van de zondvloed te verklaren, juist duidelijk maakte dat het om een wonder ging. Veel protestanten daarentegen, die wilden aantonen dat de hele Bijbel met de menselijke rede overeenkwam, probeerden nauwkeurige wetenschappelijke verklaringen uit te werken. Hun onvermogen om de details tot tevredenheid van hun critici te verklaren, leidde er uiteindelijk toe dat de geïnspireerde geschiedenis van Noach als niet meer dan een mythe werd beschouwd.
De les is dat we altijd zorgvuldig onderscheid moeten maken tussen de Bijbelse gegevens en feilbare menselijke modellen die deze gegevens proberen te verklaren. Ons geloof in de Bijbel moet niet rusten op ons vermogen om wetenschappelijke verklaringen voor Bijbelse gebeurtenissen te leveren. Integendeel: het onvermogen van wetenschappelijke modellen om Bijbelse gebeurtenissen te verklaren, weerspiegelt slechts de ontoereikendheid van menselijke theorievorming.
Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website Bylogos. Het originele artikel is hier te vinden.