Home » Bezoekersverslag » ‘Noah in Context’ – Theoloog Bram van den Heuvel promoveert op een vergelijking tussen de Bijbelse zondvloedgeschiedenis en zondvloedverhalen uit het Oude Nabije Oosten en de Grieks-Romeinse wereld

‘Noah in Context’ – Theoloog Bram van den Heuvel promoveert op een vergelijking tussen de Bijbelse zondvloedgeschiedenis en zondvloedverhalen uit het Oude Nabije Oosten en de Grieks-Romeinse wereld

Dinsdag 1 september 2026 was een bijzondere dag voor theoloog Bram van den Heuvel. Vanaf 14:30 uur promoveerde Van den Heuvel op het omvangrijke proefschrift ‘Noah in Context. Comparing the Biblical Flood Story to Ancient Near Eastern and Graeco-Roman Flood Traditions’. Door Gods goedheid mocht ik aanwezig zijn en kan ik nu dit verslag doen van een gedenkwaardige middag. Gelovigen die het klassieke scheppingsgeloof belijden en veel academische talenten van de Heere gekregen hebben, doen er goed aan een voorbeeld te nemen aan het werk van Bram van den Heuvel. Niet tevreden zijn met snelle antwoorden, maar de diepte in. Hieronder een uitgebreid verslag van deze promotiebijeenkomst.

Opening

Een vijftigtal familieleden, medestudenten en belangstellenden zat in de kapel van de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) Leuven toen de ‘Doctoral Promotion’ van Bram van den Heuvel van start ging. Naast deze vijftig aanwezigen waren veel hoogleraren aanwezig en natuurlijk ook de promotoren en opponenten. De bijeenkomst werd geopend door prof. dr. Jelle Creemers, decaan en hoogleraar en vakgroepvoorzitter Religiewetenschappen en Missiologie. Hij heette allen hartelijk welkom en gaf een bijzonder welkom aan verschillende familieleden die speciaal vanuit Honduras naar Nederland waren gekomen. Creemers sprak een kort gebed uit, waarin hij de Heere dankte voor deze bijeenkomst en de hoop uitsprak dat al de academische inspanningen aan de ETF zouden mogen bijdragen aan de opbouw van Gods Koninkrijk. Na het gebed zette de decaan uiteen dat de ETF momenteel meer dan veertig doctoraatsstudenten heeft. Speerpunt is niet alleen academische excellentie maar ook geestelijke oriëntatie. “Het proefschrift dat vandaag zal worden verdedigd, vormt een belangrijke academische prestatie. Het toont aan dat de kandidaat in staat is zelfstandig en origineel onderzoek te verrichten en een geldige en originele bijdrage aan de wetenschappelijke literatuur te leveren.” De verdediging is een bekroning van dat vele werk.

Promotoren, beoordelaars en opponenten

De promotor van Bram van den Heuvel is prof. dr. Mart-Jan Paul. Hij is emeritus hoogleraar Oude Testament aan de ETF Leuven en docent aan verschillende theologische instellingen in Nederland. De tweede promotor is prof. dr. Koert van Bekkum. Van Bekkum is hoogleraar Oude Testament aan de Theologische Universiteit Utrecht en gasthoogleraar aan de ETF Leuven. Niet alleen de promotoren waren aanwezig, ook één externe en twee interne beoordelaars waren aanwezig (al deed de externe door middel van een livestream mee). Externe beoordelaar is prof. dr. Adam Miglio. Miglio is hoogleraar Oude Testament aan Wheaton College (Illinois, VS). De eerste interne beoordelaar is dr. Jermo van Nes. Van Nes is universitair hoofddocent en afdelingshoofd van de afdeling Oude Testament aan de ETF Leuven. De tweede interne beoordelaar is prof. dr. Markus Zehnder. Zehnder is hoogleraar Oude Testament aan zowel ETF Leuven als aan de Internationale Hochschule Liebenzell in Duitsland. Opponent was prof. dr. Geert Lorein. Lorein is emeritus hoogleraar Oude Testament aan de ETF Leuven.

’Het was een genoegen om met je samen te werken’

Na dit openingswoord geeft de decaan promotor prof. dr. Mart-Jan Paul het woord. Hij geeft wat biografische achtergronden van Bram van den Heuvel. Omwille van zijn privacy geven we alleen de, voor dit verslag nuttige, zaken door. Van den Heuvel studeerde aan de Christelijke Hogeschool Ede. Vanaf 2010-2015 werkte hij mee aan de Nederlandstalige ‘StudieBijbel Oude Testament’ (SBOT). Toen dat project was afgerond raakten Paul en Van den Heuvel in gesprek over de mogelijkheid tot promoveren aan de ETF Leuven. Ondertussen was Van den Heuvel via Frankrijk naar New York (VS) verhuisd. Hij werkte de afgelopen jaren voor Wycliffe Associates als taaladviseur, hielp bij de vertaling van video’s en was docent Nederlandse taal. Het voorstel dat Van den Heuvel schreef voor een doctoraat had als voorlopige titel: “Memories of a Flood: a search for a pattern in worldwide attestations of flood narratives”. De promovendus verzamelde een database aan zondvloedverhalen en zette die op zijn website, https://floodstories.wordpress.com/. Een huzarenwerk waarover we op deze website al vaker hebben geschreven.1 Promoveren op alle zondvloedverhalen blijkt iets te ambitieus en Van den Heuvel moet een selectie maken en een doel kiezen: een vergelijking van verhalen uit het Oude Nabije Oosten en de Grieks-Romeinse wereld met de Bijbelse zondvloedgeschiedenis. Vooral de zondvloedverhalen uit de Grieks-Romeinse wereld zijn minder bekend en worden in de vergelijkingen met Genesis doorgaans buiten beschouwing gelaten. Dr. Paul geeft aan dat het vergelijke van alle tradities moeilijk is. Daarom werd, in deze fase van het onderzoek, de tweede promotor prof. dr. Koert van Bekkum aangeschreven, in het bijzonder met het oog op de methodologie. Zijn hulp werd zeer gewaardeerd. “Je bent erin geslaagd een vergelijkingsmethodologie te geven die ook voor andere onderwerpen van belang is. Het was een lange weg, maar nu kun je een waardevolle studie presenteren. Ik hoop dat deze studie haar weg zal vinden in de academische wereld. Het was een genoegen om met je samen te werken.”

Inleiding

Na deze waarderende woorden kreeg de promovendus het woord om zijn werk te presenteren. Van den Heuvel geeft aan dat het deze maand éénentwintig jaar geleden is dat hij voor het eerst serieus overwoog om theologie te gaan studeren. In deze afgelopen twee decennia heeft de theoloog blijvende aandacht gehad voor de openingshoofdstukken van de Bijbel, zoals we die lezen in Genesis. “Deze hoofdstukken legden het fundament voor de rest van Genesis, de Pentateuch, het Oude Testament, de Bijbel als geheel en, in het verlengde daarvan, van de christelijke theologie en het christelijke leven in het geheel.” Ondanks, of wellicht vanwege, het fundamentele belang zijn deze hoofdstukken in de kerkgeschiedenis en in het heden ook zeer omstreden. “Daarbij gaat het onder meer om vragen over het genre, het auteurschap, de datering, de bronnen van Genesis en de redacties daarvan.” De verhouding tussen geloof en wetenschap en ook de verhouding tussen Bijbelse en Antieke bronnen zullen zeker nog lange tijd onderwerp van het gesprek zijn. “Mijn proefschrift levert hieraan een kleine bijdragen door het zondvloedverhaal in Genesis 6-9 nader te onderzoeken. Ik heronderzoek de literaire verhouding tussen dit verhaal en de vloedverhalen in het Oude Nabije Oosten en voeg daaraan een uitvoerige bespreking en herbeoordeling van de Grieks-Romeinse zondvloedtradities.”

Doel van het onderzoek en de methodologie

Van den Heuvel heeft met deze herbeoordeling en uitbreiding twee doelen:

  1. De Grieks-Romeinse vloedverhalen op een consequenter en grondiger manier op te nemen in de vergelijkende studies van de zondvloedgeschiedenis in Genesis.
  2. Een werkwijze te bieden voor toekomstig onderzoek naar Bijbelse zondvloedverhalen en deze verhalen op een methodologisch verantwoorde wijze te vergelijken met buiten-Bijbelse zondvloedverhalen.

Deze doelen heeft de promovendus niet zomaar uit de lucht gegrepen. In het vervolg van zijn betoog geeft hij aan dat deze doelen berusten op twee observaties.

  1. Het is een algemeen bekend gegeven dat culturen over de hele wereld zondvloedverhalen kennen. Vanaf het einde van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw werd dit in academische kringen uitvoerig besproken. Meer recentelijk heeft het ook een plaats gekregen in discussie over de historiciteit van de zondvloed.2
  2. In recente wetenschappelijke bijbelcommentaren wordt de zondvloedgeschiedenis in de Bijbel vrijwel nooit vergeleken met zondvloedverhalen buiten het Oude Nabije Oosten.

De wens die voortvloeide uit deze observaties was, voor Van den Heuvel, om alle zondvloedverhalen uit de hele wereld te vergelijken en te analyseren. Zoals hierboven gezegd was dat té ambitieus. “Het belangrijkste aan een proefschrift is echter niet dat het volmaakt of allesomvattend is, maar dat het wordt voltooid.” De promovendus zag daarom de noodzaak om deze vraag te beperken. In plaats van de meer dan 1.500 verzamelde zondvloedverhalen te bestuderen, richtte hij zich op de verhalen uit het Oude Nabije Oosten en een selectie van Grieks-Romeinse verhalen.

Daarvoor moest de promovendus veel uit de kast halen. Hij studeerde zelfs Akkadisch om de verhalen uit het Oude Nabije Oosten in het origineel te kunnen lezen. Van den Heuvel analyseerde het Bijbelse zondvloedverhaal grondig, gaf een literaire analyse van de tradities in het Oude Nabije Oosten en ontwikkelde een deugdelijke methodologie. De theoloog hoefde het wiel niet opnieuw uit te vinden, zijn methodologie is geworteld in eerder vergelijkend onderzoek naar de Bijbelse literatuur en de literatuur van het Oude Nabije Oosten. De promovendus zag dat een voorzichtige benadering van de Grieks-Romeinse zondvloedverhalen geboden was. “In tegenstelling tot het Oude Nabije Oosten, waar een klein aantal kerngeschriften – zoals Atrahasis, Gilgamesj en het Soemerische zondvloedverhaal – de discussie beheerst, bleek het beschrijven van het Griekse en Romeinse materiaal veel moeilijker. Een belangrijke studie over de Griekse en Romeinse tradities, van Caduff, beschreef meer dan 160 verschillende verhalen, tradities en verwijzingen.3 Deze worden daarin uitvoerig besproken.” Hoewel Caduff mooi werk heeft geleverd, bleek het moeilijk om deze bronnen tot een eenvoudigere samenvatting om te werken. De bronnen zijn met enige regelmaat onvolledig en tegenstrijdig. Ook bestonden ze vaak uit terloopse opmerkingen, korte uitweidingen of niet meer dan citaten uit of samenvattingen van eerdere bronnen. “In sommige tradities was er één verhaallijn en heette de held van de zondvloed Deucalion. In andere tradities waren er drie zondvloeden, waarbij de helden respectievelijk Ogygos, Deucalion en Dardanus heetten. In sommige verhalen bleef de zondvloed beperkt tot Griekenland of een deel daarvan. Mogelijk vormde dit de herinnering aan een plaatselijke overstroming. In andere verhalen strekte de zondvloed zich uit tot Syrië, en weer in andere verhalen overspoelde hij de gehele bekende wereld. In sommige tradities waren de oorzaken van de zondvloed natuurlijk en traden overstromingen regelmatig op. In andere tradities werd de zondvloed door Zeus veroorzaakt en vond hij slechts één keer plaats.” Van den Heuvel meent dat deze tegenstrijdigheden en variaties er de oorzaak van zijn dat deze verhalen zelden met Genesis worden vergeleken.

Zes kernteksten voor nadere analyse en vergelijking

Er was dus orde in de chaos en een zinvolle selectie van vloedverhalen nodig. Na beraad en toepassing van een reeks strikte criteria selecteerde de promovendus zes kernteksten, die hieronder zullen volgen, voor nadere analyse en vergelijking.

Pindarus, Olympionikos Oda 9. Dit is een kort poëtisch verslag, maar bevat enkele stukken over de overstroming van Deucalion. De godheid Zeus liet de wereld overstromen. Deucalion en zijn vrouw/nicht Pyrrha overleefden de vloed. Ze daalden af van de berg Parnassos en werden de stamouders van de mensen na de vloed, die uit stenen ontstonden. Pindarus is het oudst bewaard gebleven verhaal die al deze details van het Griekse vloedverhaal opneemt.

Plato, Timaeus. Dit is eveneens een korte verwijzing, maar tegelijk ook heel anders. Ook Plato spreekt over Deucalion. Hij beweert zelfs dat zijn verhaal een van de oudste is die de Grieken hebben. Vervolgens beschrijft hij dat Egyptische priesters beweren dat overstromingen zoals in Griekenland en elders regelmatig voorkwamen, maar niet in Egypte. Overstromingen leidden volgens hen tot beschavingsresets. Men vergat daarna wat eraan voorafging, omdat alle geleerden in kuststeden woonden, terwijl onwetende mensen zoals herders die in de heuvels leefden het overleefden.

(Pseudo-)Apollorus, Bibliotheca. Deze dateert uit de eerste paar eeuwen na Christus en is daarom veel jonger. Apollodorus doet echter moeite om alle Griekse mythe met elkaar in overeenstemming te brengen. Na een conversatie met een reuzenras liet Zeus de wereld overstromen. Prometheus, de vader van Deucalion, waarschuwt de vloedheld en draagt hem op een kist te bouwen. Toen Deucalion en Pyrrha op een berg landden, zij een offer brachten en stenen over hun hoofden wierpen. Deze stenen werden de voorouders van de oude Grieken.

Lucianus, De Dea Syria. Het werk van Lucianus over de Syrische godin is ongeveer even oud. Hij vertelt een Grieks verhaal over Deucalion in een kist. Samen met zijn vrouw, zijn kinderen en de dieren (die twee aan twee binnenkwamen). Na de vloed liep het water weg via een spleet (crevasse). Van den Heuvel noemt dit een Grieks verhaal, maar Lucianus zelf beweert dat hij het in Syrië hoorde. Sommige details kunnen, met de nadruk op kunnen, niet oorspronkelijk Grieks zijn, maar afgeleid van lokale of Joodse verhalen. De promovendus denkt aan het gegeven dat de dieren twee aan twee binnenkwamen.

Ovidius, Metamorphoses. Dit is een creatieve en grofweg chronologische Romeinse hervertelling van vele Griekse en Romeinse mythen. Ovidius begint bij de schepping van de wereld. Deze wereld degenereert langzaam van een ideaal begin naar een meer gewelddadige wereld, waarin reuzen heersen. Jupiter roept een vergadering van de goden bijeen. De godheid wil deze wereld met een vloed verwoesten. In de vergadering worden de slechte koning Lycaon en zijn zonen genoemd. Wat volgt is een lange poëtische en mythologische beschrijving van de vloed. Hierbij landen Deucalion en Pyrrha op de berg Parnassos en werpen zij evenals een vorige mythe stenen over hun hoofd om nakomelingen te verkrijgen.

Nonnus, Dionysiaca. Nonnus was een christelijke auteur uit Egypte. In de late oudheid schreef hij een enorm episch gedicht, even lang als de Ilias en de Odyssee samen. Dit gedicht heet Dionysiaca. In dit gedicht vindt hij een manier om vrijwel elke belangrijke gebeurtenis uit de Griekse mythologie te noemen of opnieuw te vertellen, inclusief de vloed. In het gedicht trekt Zeus ten oorlog tegen de Titanen (reuzen). Hij werpt hen in de onderwereld en verbrandt de hele bekende wereld. Daarna stuurt hij een vloed over de bekende wereld om deze wereld die hij zojuist verbrand heeft te reinigen. Na een lange poëtische beschrijving lezen we dat Deucalion deze vloed overleefd heeft door in een kist rond te drijven.

Vergelijking van zondvloedverhalen

De promovendus gaat ervanuit dat allen in de zaal in grote lijnen vertrouwd zijn met de zondvloedgeschiedenis zoals deze in de Bijbel is beschreven. Hierdoor zijn de belangrijkste overeenkomsten en verschillen te herkennen. De zaal is wellicht minder bekend met de verhalen uit het Oude Nabije Oosten. Al veronderstelt Van den Heuvel dat de mensen links van hem, de promotoren, beoordelaars, opponenten en overige hoogleraren er wel meer mee bekend zijn.

De mythe van Atrahasis beschrijft, net als Ovidius, een godenraad waarin de hoogste god van het Pantheon pleit voor het zenden van een zondvloed over de aarde. De godheid die de zondvloedheld waarschuwt, Enki of Ea in de Mesopotamische traditie en Prometheus in Apollodorus, is dezelfde goed als die de mensen geschapen heeft. Een verschil tussen de Griekse traditie en het Oude Nabije Oosten is dat de zondvloedheld in de Griekse traditie overleefd in een kist of doos (larnax), terwijl deze in het Oude Nabije Oosten overleeft in een boot of zelfs grote boot. Het woord dat gebruikt wordt in Genesis voor de ark (tebah) is hetzelfde woord dat gebruikt wordt voor het biezen mandje waarin Mozes gelegd werd, maar het is ook verwant aan het woord voor kist of doos.

In alle drie de tradities landen de zondvloedhelden op een berg. In Genesis, het Oude Nabije Oosten, Apollodorus en mogelijk ook Ovidius wordt beschreven dat de zondvloedheld na de landing een offer brengt. “Het lot van de zondvloedheld na de zondvloed bestaat in het Oude Nabije Oosten uit het ontvangen of behouden van onsterfelijkheid, maar dit gaat gepaard met verwijdering van de menselijke beschaving. In Genesis en de Griekse verhalen sterft de zondvloedheld een natuurlijke dood, nadat hij vader of stamvader is geworden van vele naties of van de verschillende Griekse stammen.”

Meerledige aanpak

Welke conclusies kunnen we hieruit trekken? Zo vraagt de theoloog zich af. Hoe verrijkt dit ons begrip van Genesis? Daarvoor heeft hij een methodologie ontwikkeld. Hij hekelt de huidige benadering waarbij Genesis slechts wordt vergeleken met het Oude Nabije Oosten en Bijbelwetenschappers vaak slechts een lijstje van overeenkomsten en soms ook verschillen geven. Om dan vervolgens onmiddellijk naar de conclusie te springen (‘jump to conclusion’). Voor Van den Heuvel voelt dit vaak alsof degene die de meeste overeenkomsten kan vinden de discussie wint. De promovendus heeft daarom een methode ontwikkeld aan de hand van een meerledige aanpak.

  1. Voordat ik een tekst lees, moet ik schetsen waar deze verschillende teksten zich bevonden. Waar, geografisch, werden ze geschreven? Wanneer werden ze geschreven? In welke taal en cultuur werden ze geschreven?
  2. Nadat 1 in kaart is gebracht, moet ik de vraag stellen hoe waarschijnlijk het is dat de ene auteur toegang had tot de werken van een andere auteur.
  3. Wat zijn de parallellen, vooral overeenkomsten, maar ook wat zijn de verschillen?
  4. Is het voorliggende verhaal misschien een aanpassing of subversie van het andere zondvloedverhaal? Geeft de auteur misschien aan de lezer te kennen dat hij vertrouwd is met een ander verhaal?
  5. Hoe dicht liggen de parallellen bij elkaar, of in hoe verre vormen deze parallellen een samenhangend geheel? Komen ze ook in dezelfde volgorde voor, of is er sprake van een andere volgorde?
  6. Kunnen we een reden vinden waarom een auteur de bron wil volgen of wijzingen?

Conclusies

Na een zorgvuldige analyse, het detecteren van parallellen en een grondige bestudering van de secundaire literatuur is Van den Heuvel tot de volgende tussentijdse conclusies gekomen.

  1. De zondvloed geschiedenis in Genesis en de zondvloedverhalen uit het Oude Nabije Oosten weerspiegelen allebei duidelijk dezelfde literaire traditie.
  2. Hoewel de Grieks-Romeinse zondvloedverhalen wat verder verwijderd zijn in tijd, ruimte, taal en cultuur, en hoewel er iets minder parallellen zijn, maken zij zeer waarschijnlijk ook deel uit van dezelfde literaire traditie.
  3. De Grieken hebben zeer waarschijnlijk een versie van het Mesopotamische zondvloedverhaal opgedaan. Dit moet ergens vóór Pindarus gebeurd zijn, mogelijk tijdens de Myceense periode.
  4. Een zorgvuldig onderzoek van de historische contexten en sleuteldetails maken het aannemelijk dat sommige Griekse en Romeinse zondvloedverhalen, met name die van Lucius en Ovidius, secundair beïnvloed kunnen zijn door latere Bijbelse of Mesopotamische tradities.
  5. Er zijn een aantal overeenkomsten tussen de zondvloedgeschiedenis in Genesis en sommige Grieks-Romeinse zondvloedtradities die verklaard kunnen worden met een verwijzing naar een gedeelde bron uit het Oude Nabije Oosten.

Het is volgens Van den Heuvel een zinvolle bezigheid om, bij de analyse van de zondvloedgeschiedenis in Genesis, een uitgebreidere en meer consistente analyse en vergelijking van de Grieks-Romeinse zondvloedverhalen op te nemen. Het toevoegen van deze verhalen zal zeker bijdragen aan ons begrip van Genesis. Tot slot wil Van den Heuvel nog drie voorbeelden van parallellen noemen die meer aandacht verdienen dan ze momenteel krijgen.

  1. De oorzaak van de zondvloed is in de Griekse en Bijbelse tradities verbonden met geweld en machtige wezens, terwijl de oorzaak in het Oude Nabije Oosten is dat mensen té luidruchtig zijn, ze maken teveel lawaai.
  2. De niet-nautische term (een term die niet bij de scheepvaart hoort) die voor ark wordt gebruikt in zowel het Hebreeuws als het Grieks lijken meer op elkaar dan op de Akkadische of Sumerische woorden die daarvoor worden gebruikt.
  3. Alle drie de tradities geven voorbeelden van een zondvloedheld die na de zondvloed een offer brengt.

De hoofdconclusie van Van den Heuvel is dat deze thema’s en details beter passen bij het weerspiegelen van een zeer oude traditie, dan dat ze berusten op de creativiteit van individuele auteurs. De specifieke manier waarop details in de zondvloedgeschiedenis van Genesis worden gebruikt zijn uniek. De wijze waarop deze details ook in het boek als geheel zijn verweven zijn uniek en weerspiegelen Bijbelse theologie.

Na deze samenvatting van zijn proefschrift neemt decaan professor dr. Jelle Creemer het woord. Hij bedankt Van den Heuvel voor zijn samenvatting en nodigt de tweede promotor, prof. dr. Koert van Bekkum, uit om enkele kritische vragen te stellen aangaande het proefschrift.

Wordt vervolgd.

Voetnoten

  1. https://oorsprong.info/een-database-aan-volksverhalen-over-de-zondvloed-promovendus-wil-zondvloedverhalen-in-kaart-brengen/, https://oorsprong.info/promovendus-heeft-meer-dan-duizend-vloedverhalen-verzameld-een-database-van-verhalen-over-de-grote-overstroming/ en https://oorsprong.info/promovendus-verzamelt-1874-weergaven-van-referenties-naar-en-samenvattingen-van-vloedverhalen-en-promoveert-komende-week/.
  2. Noot JvM: Dit is niet alleen recent, maar werd ook zó gebruikt in de negentiende en twintigste eeuw.
  3. Caduff, Gian Andrea, 1986, Antike Sintflutsagen, Hypomnemata 82 (Göttingen: Vandenhoeck en Ruprecht).