Home » Gastbijdrage » Christenen beroepen zich terecht op nieuwe verbond in Jeremia 31 – Afscheidsrede dr. Mart-Jan Paul

Christenen beroepen zich terecht op nieuwe verbond in Jeremia 31 – Afscheidsrede dr. Mart-Jan Paul

Joodse auteurs uit de middeleeuwen achten het nieuwe verbond waar Jeremia van spreekt niet op christenen van toepassing. Daarin hebben zij geen gelijk. Het huis van Israël en het huis van Juda zijn echter wel de eerste doelgroep van het nieuwe verbond.

Middeleeuwse Joodse auteurs verwijten christenen dat zij geen recht doen aan het nieuwe verbond dat door Jeremia in hoofdstuk 31 aangekondigd wordt. Zij vermelden de wreedheden van de christenen tegenover de Joden, vooral bij de kruistochten. Dat gedrag past niet bij de innerlijke besnijdenis van het hart die beloofd is in het nieuwe verbond. Christenen beweren dat Jezus een andere wet invoerde, de doop introduceerde in plaats van de besnijdenis en de zondag in plaats van de sabbat. Dit zou betekenen dat de Schepper van gedachten is veranderd, want dan gaf Hij de Thora (de wet van Mozes) slechts voor een beperkte tijd. De conclusie van de Joodse auteurs is dat christenen zich onterecht op het nieuwe verbond beroepen.

Deze beschuldigingen zijn voor mij de aanleiding om in deze afscheidsrede te kiezen voor het onderwerp ”De Thora van het nieuwe verbond (Jeremia 31:33) en de verhouding tussen Oude en Nieuwe Testament”.

Onveranderlijkheid Thora

In het Jodendom is de gedachte opgekomen dat de Thora van Mozes onveranderlijk is. De invloedrijke geleerde Maimonides (12e eeuw) heeft in zijn dertien geloofsartikelen bepalingen opgenomen over de goddelijke status van de Thora van Mozes. Het negende artikel luidt: „Ik geloof met volkomen vertrouwen dat deze Thora niet zal worden gewisseld en dat er nooit een andere Thora van de Schepper zal zijn.”

De meeste rabbijnen leerden dat de Thora zou blijven bestaan in de toekomende wereld, hoewel sommigen van mening waren dat er enige vernieuwingen doorgevoerd zouden worden in de messiaanse tijd. Binnen de Joodse traditie zijn er ook voorbeelden bekend van bepalingen die tegen de schriftelijke Thora ingaan. In de eerste eeuw heeft Hillel de ”prosbul” uitgevaardigd, die de kwijtschelding van leningen tijdens het sabbatsjaar ongedaan maakt. Een recenter voorbeeld is de afschaffing van het leviraatshuwelijk in Israël.

Trouw aan Thora in NT

Terwijl veel christenen de indruk hebben dat de Thora afgeschaft is, zijn er ook veel aanwijzingen in het Nieuwe Testament dat de Thora hoog gewaardeerd wordt. Daarbij is van belang dat het Griekse woord ”nomos” in onze vertalingen meestal met ”wet” vertaald wordt, maar dat voor Joodse lezers de Thora bedoeld wordt, de eerste vijf Bijbelboeken. In de Bergrede verklaart Jezus dat Hij niet gekomen is om de Thora of de Profeten af te schaffen, maar om die te vervullen. Niet één jota of tittel zal voorbijgaan, totdat alles gebeurd zal zijn.

Ook Paulus noemt de Thora heilig en van blijvende geldigheid. Wanneer hij bij de gemeente van Jakobus in Jeruzalem komt, krijgt hij te horen: „U ziet, broeder, hoeveel duizenden Joden er zijn die geloven; en zij leven vol overtuiging volgens de Thora” (Handelingen 21:20). Paulus en de Joodse gelovigen in Jezus hebben vastgehouden aan de wetten van Mozes, ook aan de offers.

Apostelconvent

In het Nieuwe Testament rijst de vraag in welke mate de gelovigen uit de volken trouw moeten zijn aan de Thora. Tijdens een belangrijke bijeenkomst in Jeruzalem, het zogenaamde Apostelconvent, valt de beslissing dat de gelovigen uit de volken enige elementaire bepalingen in acht moeten nemen, maar niet de gehele Thora van Mozes (Handelingen 15). Voor alle duidelijkheid: de regels voor de Joodse gelovigen blijven hetzelfde, maar voor de buitenstaanders die in Jezus gaan geloven, gelden minder bepalingen. Er zijn dus twee groepen volgelingen van Jezus in het boek Handelingen: Thoragetrouwe Joden en gelovigen uit de volken die lang niet alle regels van de Thora in acht nemen.

In de loop van de kerkgeschiedenis heeft de tweede groep de overhand gekregen. Voor zover bekend waren op de eerste concilies geen Messiasbelijdende Joden aanwezig. Daar zijn besluiten genomen waardoor alle christenen afstand moesten doen van Joodse gewoonten. Als voorbeeld dient een stukje van een geloofsbelijdenis, uitgevaardigd tijdens een concilie in Toledo in Spanje (7e eeuw): „Ik verwerp hier en nu elke gewoonte of gebruik van het Joodse geloof en ik verafschuw alle ceremonies en wetten die ik vroeger gehouden heb… (Hier volgt de geloofsbelijdenis van Nicea.) In naam van deze geloofsbelijdenis, die ik werkelijk geloof en met heel mijn hart vasthoud, beloof ik dat ik nooit zal terugkeren naar het braaksel van het Joodse bijgeloof. Nooit meer zal ik een van de Joodse ceremoniën, waaraan ik verslaafd was, vervullen en die zelfs niet eens koesteren.”

Dergelijke eisen betekenen dat de Joden moesten kiezen tussen Mozes en Jezus, tussen de Thora en een kerk die de handhaving van grote delen daarvan verbood. De laatste jaren komt daarin verandering. Er zijn steeds meer Messiasbelijdende Joden –anders gezegd: Joodse gelovigen in Jezus– die allerlei bepalingen uit de Thora in praktijk willen brengen.

Gods eeuwige Thora

God is onze Schepper en Hij heeft Zijn wil bekendgemaakt gedurende een lange periode. Daar blijkt een grote continuïteit. Hij stelt normen, zegent en straft, en toch zijn er aanpassingen geweest in de loop van de geschiedenis. De Messiasbelijdende Jood David Stern gaat op deze zaken in bij de bespreking van Galaten 6:2, waar sprake is van „de Thora van Christus”. Het past bij de Messias om Zijn eigen regels uit te vaardigen, als weerspiegeling van Gods eeuwige Thora.

Conclusie

Ik kom nu terug op de Joodse beschuldigingen dat het nieuwe verbond niet op christenen van toepassing kan zijn. Het is waar dat de meeste christenen zich niet aan de hele Thora houden, maar dit staat in het licht van de besluiten van het Apostelconvent. De gelovigen uit de volken hoeven zich niet aan alle voorschriften van de Thora van Mozes te houden. Dit standpunt ligt in het verlengde van de Joodse opvatting dat die Thora alleen voor Israël is, terwijl de volken zich aan minder regels hoeven te houden (de ”noachitische geboden”). Op grond hiervan meen ik dat christenen zich terecht op het nieuwe verbond beroepen. Alle misbruik ervan sluit het goede gebruik niet uit. Daarbij is wel van belang dat de gelovigen uit de volken blijven beseffen wie de eerste doelgroep van het nieuwe verbond is: het huis van Israël en het huis van Juda.

Dit is een samenvatting van de afscheidsrede van prof. dr. Mart-Jan Paul die hij hield op 4 juni 2025. De volledige rede van de (nu) emeritus hoogleraar is hier te lezen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Paul, M.J., 2025, Christenen beroepen zich terecht op nieuwe verbond in Jeremia 31, Reformatorisch Dagblad 55 (53): 30-31 (Artikel).