
De overheid bemoeit zich niet met de wetenschap van nu en objectiviteit en neutraliteit bestaan daarin niet meer. Dat maakt elk aspect van de theologieopleiding voluit academisch en wetenschappelijk aanvaardbaar.
De Wet op het Hoger Onderwijs (1876) had lang op zich laten wachten omdat vooral de liberalen niet wisten wat ze aan moesten met de theologische faculteiten aan de openbare universiteiten. Velen geloofden dat godsdienst en wetenschap niet samengingen. Theologie op de universiteiten zou in strijd zijn met de scheiding van kerk en staat, die destijds nog uiterst serieus werd genomen door liberalen. Dit dilemma werd politiek opgelost met de ”duplex ordo”, de scheiding tussen academische en kerkelijke theologie. Hoe verhoudt zich vandaag de bemoeienis van de overheid tot de academische vrijheid? En hebben we nog steeds een duplex ordo nodig?
Groot vertrouwen
Hoogleraren, docenten en onderzoekers hebben wettelijk gezien de vrijheid om te doceren en te onderzoeken hoe en wat ze willen. De volumeknop van politici die zich willen profileren met kritiek op de wetenschap is de laatste jaren weliswaar omhooggedraaid, maar dat leidt in Nederland niet tot politieke ingrepen om de academische vrijheid te beknotten. En het vertrouwen in wetenschap is onder de bevolking nog altijd onverminderd groot. De duplex ordo deelde de theologieopleiding aan de openbare universiteiten op in een ”levensbeschouwelijk neutraal” wetenschappelijk deel en een kerkelijk deel. Dit om theologie als wetenschap te scheiden van specifieke geloofsovertuigingen. Hoe zit dat anno 2026? Ik wil stellen dat de klassiek-liberale verlichtingsgedachte van neutrale wetenschapsbeoefening inmiddels zo ver naar de achtergrond is geraakt, dat een volop overtuigd chrístelijke invulling van de bacheloropleiding Theologie geen enkel probleem meer is. Om drie redenen.
Brave liberalen
Ten eerste ging de overheid zich de afgelopen decennia steeds minder met de inhoud van het hoger onderwijs bemoeien. In 1876 waren de liberalen voorstander van theologieopleidingen aan de universiteit omdat ze bezorgd waren dat de opleidingen voor hervormde predikanten anders zouden worden weggestopt in seminaries waar de jongelingen aan allerlei onverlichte ideeën zouden worden blootgesteld. De gedachte was dat een wetenschappelijke opleiding (of: het wetenschappelijke deel van de opleiding) hen tot moderne, verlichte christenen zou maken. En daarmee natuurlijk tot brave liberalen. Maar omdat de overheid zich nu niet meer actief bemoeit met de inhoud van het hoger onderwijs is er alle ruimte om Christus te prediken in de bacheloropleiding theologie.
Een tweede reden is dat op veel gebieden in het onderwijs de grens tussen kerk en staat inmiddels regelmatig en in toenemende mate overschreden is door de overheid. Een paar voorbeelden van grensoverschrijdend gedrag door de staat:
- de instelling en inrichting van het vak burgerschap in het primair, het secundair en zelfs het vervolgonderwijs geeft de overheid een actieve rol in de morele en waardenvorming van leerlingen, ook op bijzondere scholen;
- de plannen voor toezicht op informeel onderwijs;
- de aangekondigde beperking van leerplichtvrijstelling op religieuze gronden.
Steeds vaker wordt door de dominante modern-liberale stroming de staatsneutraliteit vormgegeven door haar eigen ideologie als neutraal (en enig juiste) te beschouwen. Met zoveel inbreuk op de scheiding van kerk en staat lijkt het mij dat de overheid weinig aanleiding geeft voor een strikte interpretatie van dit principe aan de kant van de theologieopleidingen. Daarom: alle ruimte om Christus te prediken in de bacheloropleiding theologie.
De derde reden is dat tegenwoordig (veel meer dan in 1876) algemeen aanvaard is dat neutrale wetenschap helemaal niet bestaat. Het indelen van een opleiding in een zogenaamd neutraal wetenschappelijk deel en een niet-neutraal niet-wetenschappelijk deel is niet meer in lijn met de huidige manier van wetenschap bedrijven.
Zelfidentificatie
Wetenschappelijk onderzoek bevat heden ten dage allerlei impliciete en expliciete ideologie en religieus getinte wereldbeelden. En dat is volledig acceptabel en geaccepteerd. Sociale wetenschappen bestonden nog niet in 1876. Het karakter van wetenschap is veranderd. Een paar voorbeelden.
In het vakgebied van de genderstudies zien we de moderne gedachte dat zelfidentificatie hoger en belangrijker is dan de biologische werkelijkheid. Ziehier de academisch onweerspreekbare basisreligie van een wetenschappelijk vakgebied dat de afgelopen twee decennia sterk in omvang is toegenomen.
Een ander voorbeeld van ideologie in de wetenschap is dat er steeds meer sociologisch en cultureel-antropologisch onderzoek wordt gedaan vanuit de lens van onderdrukker en onderdrukte. Wetenschap wordt gezien als instrument voor emancipatie. Het dient om machtsstructuren te ontmaskeren. Kennis is niet neutraal, maar positioneel. Deze wetenschap profileert zich expliciet als ideologisch.
Sociale wetenschappen zijn inherent interpretatief en waardegeladen. Dat is een feit, niet een oordeel. En geesteswetenschappen zijn doordrenkt van waarden, geschiedenis, mensbeeld en taal. Daarom: in de wetenschap van nu, waar de overheid zich in het geheel niet meer mee bemoeit en waar objectiviteit en neutraliteit niet meer bestaan, hoeft geen enkel aspect van de theologie zich nog terughoudend op te stellen om als waarlijk academisch en wetenschappelijk aanvaard te kunnen worden.
Waarheidsvinding
De sociaal psycholoog Jonathan Haidt sprak in een lezing aan de Duke University in 2016 over de ”telos” van de universiteit. Haar bestemming, de diepste reden van haar bestaan. „Zoals de telos van een mes is om te snijden en de telos van een medicijn is om te helen, zo is waarheid de telos van de universiteit”, aldus Haidt. Een universiteit kan allerlei doelen hebben en allerlei waarden uitdragen, maar de telos, het natuurlijke streven, is (of zou moeten zijn) waarheidsvinding.
De radicale Schriftkritiek, die alles wat naar geloof riekte probeerde te ontmantelen, is ten einde. Nieuwe archeologische en tekstuele vondsten hebben het vak theologie sterk genuanceerd. Er is volop ruimte voor een theologische, spirituele en devotionele leeswijze van de Schrift. Er is alle reden om de vier evangeliën als ooggetuigenverslagen te beschouwen.
Het vooruitgangsoptimisme in de natuurwetenschappen van begin twintigste eeuw is aardig bekoeld. En het is wel duidelijk dat het bestaan van God niet zal worden verklaard, aangetoond of ontkracht door welke natuurkundige theorie of wiskundig principe ook. Terwijl geloof in God verstandelijk en logisch verdedigbaar is. Gezien deze twee ontwikkelingen durf ik te zeggen dat theologie alles in zich heeft om bij te dragen aan de telos van de universiteit: waarheidsvinding.
De generatie die vol ijver probeerde om wetenschappelijk aan te tonen dat geloof maar onzin is (en het leven zinloos) ligt achter ons. Er is een jonge generatie die volop behoefte heeft aan theologische diepgang én canonieke lezing van de Bijbel. Train deze jonge mensen daarom in wetenschappelijk denken en doen. Trakteer hen op een academische ontmoeting met de Weg, de Waarheid en het Leven. Wij kennen God uit Zijn werken en Zijn werken worden begrepen en waargenomen: met het verstand én met het hart.
Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Bruins, E.E.W., 2026, Beoefen theologie op universiteit zonder reserves, Reformatorisch Dagblad 56 (141): 26-27 (artikel).