Home » Filosofie » Dr. Bert Koopman schrijft in Gereformeerd Venster over opkomende dwalingen in de zeventiende eeuw

Dr. Bert Koopman schrijft in Gereformeerd Venster over opkomende dwalingen in de zeventiende eeuw

Afgelopen zomer besprak dr. Bert Koopman het al wat oudere, maar nog steeds lezenswaardige, proefschrift van dr. Veltkamp, De menschlijcke reeden onmaetiglijck gelaudeert. Al vroeg kwamen er allerlei dwalingen op die de gereformeerde leer bedreigden. Dr. Koopman werkt ze uit in zijn achtentwintigste artikel in de serie ‘Geloofsbelijdenis’ voor Gereformeerd Venster.1

In de zeventiende eeuw was er op filosofisch vlak vooral discussie tussen de cartesianen en de gereformeerden. Sommigen probeerden een compromis te sluiten tussen beiden. Een daarvan was hoogleraar in de filosofie Herman Alexander Röell (1653-1718). In zijn inaugurele rede (1686) beweerde hij dat iets niet waar kan zijn als het in strijd is met de menselijke rede. Zijn boeken, ook over de eeuwige generatie van de Zoon, werden kritisch ontvangen. Dr. Koopman bespreekt ook de visie van de Zutphense predikant, Johannes Vlak. Volgens Koopman dwaalden beiden in hun opvattingen over de tijdelijke dood van de gelovigen. Deze dood moest wel een straf op de zonde zijn. “Het feit dat gelovigen nog steeds sterven, terwijl de dood het loon van de zonde is, brengt Vlak tot de conclusie dat Christus dus voor die straf niet betaald heeft.” Vlak deed een soortgelijke bewering als Röell en meende dat Christus voor de tijdelijke dood en de verdrukking van gelovigen niet voldaan heeft. De geleerden zagen dit wel als straffen op de zonde vanaf Adam en Eva. Daarnaast ontkende Vlak het bestaan van het werkverbond, omdat deze term niet in de Schrift voorkomt. Dr. Koopman verwijst daarbij naar hedendaagse moderne theologen, zoals prof. dr. Arnold Huijgen, die het werkverbond ook ontkennen. Huijgen zou liever spreken over een vriendschapsverbond.

De betoverde wereld

Een ander dwaallicht die dr. Koopman bespreekt is Balthasar Bekker. Zijn boek ‘De betoverde wereld’ zorgde voor veel ophef. In de praktijk van zijn werk kwam Bekker ‘veel misvattingen tegen over de macht van allerlei geesten, maar vooral over de macht van de duivel’. Bekker stelde daartegenover dat de duivel geen enkele macht had op aarde. Bekker las de Schrift vanuit het cartesiaans dualisme met betrekking tot lichaam en geest. Volgens Bekker paste God Zich aan aan het begrip en het voorstellingsvermogen van de mens. Dit was ook de gedachte van filosoof Christophorus Wittichius (1625-1687) en bekend vanwege zijn pogingen tot het samenbrengen van filosofie en religie. Het begrip ‘accomodatio’ neemt een grote plaats in binnen de theologie van Bekker. Het is jammer dat dr. Koopman in deze nieuwsbrief niet uitgebreid ingaat op wat er allemaal mis is aan deze dwalingen. Nu moet de lezer daar naar raden. Waarom is het ontkennen van het werkverbond verkeerd? Waarom leidt het begrip ‘accomodatio‘ tot dwalingen?

Voetnoten

  1. Koopman, H., 2026, Geloofsbelijdenis (28): Opkomende dwalingen in de zeventiende eeuw, Gereformeerd Venster Nr. 149.