
“Gebracht Door een Franse sersiant met sijn cameraet Gifen Venderich van Capt: Lichtenbergh & En noch een Dúijtse Joncr. genaemt Hoefman Naer Vianen bij sijn vroú moeder en verdere vrinden Die daer woonde En blijde was. Het was op 14 Octor. 1672 t’was Dien dagh Doense Het fleck de Vaert afbrande. En also weder
Op den 15 Dito nae sijn Hooghijts qúartier Getrocken Doen Leggende tot S’wammerdam En terstondt weder begeven bij sijn verslagen Regiment als dat doen tot Lijden ker gedevaliseert Daar verbleef tot den 10 Dito Ende Lijerdorp. Als Wanneer Dese Daer wij inde onder Langst water losieerde
Joncker Johan Lowies van Abcoude van Merthen van sijn Collonel door Achte van sijn Hoogheijt den Prinse van Oraniën Begifticht van den 14 Octor. Ao. 1672 met de Lúijtenants Plaets van de Comp van den Oversten Lúijt. Schimmelpen Gar. Doen bekomen bij Otto van Speúl Een Edelman van Harderwijck
Daer van daen om het Regiment weder op te Richten in Garnisoen gegaen binnen de stadt Breda in Novenr.”
In de kantlijn staat: “Met een schuijtie van Vianen op Ameijde daer de Heer van Sinkel commandeerde. En ick voorts te voet overschonker daer ick snach bleef naet Hof ma pae t’ qúartie is daer op den 16 Dito komende.”
In de kantlijn staat: “En daer voorgestelt door den Collonel selfs Die even uijt Duijtslant gekomen was. En Moor weder in Mijn Plaets was doen ons sersiant. En is nu Capt: onder de gúarde niet mant werk sijn kinderen wegh vreemde Maesh de Fortuijn.”
Noot van de redactie: De transcriptie van deze pagina is (nog) niet gecontroleerd door derden. Voelt u uzelf vrij om wijzigingsvoorstellen door te geven via ons contactformulier.