Home » Utrechtse streekgeschiedenis

Categoriearchief: Utrechtse streekgeschiedenis

De heerlijkheid Urk en het geslacht (Van Abcoude) Van Meerten – Artikel op ‘Urker uitgaven’.

Aan het einde van de 15e eeuw komt de heerlijkheid Urk in Utrechtse handen (het geslacht Zoudenbalch). Dit blijft zo’n anderhalve eeuw zo. Telgen uit het geslacht Zoudenbalch of Soudenbalch droegen daarom ook als titel ‘Heer van Urk’. Iemand uit het geslacht Van Meerten is zelfs ‘Vrouwe van Urk’ geweest. Klaas de Vries en Klaas Post schreven over het eigenaarschap van Zoudenbalch een kort artikel voor de website ‘Urkeruitgaven’. Hieronder een korte samenvatting van dat gedeelte dat de genealogie van het geslacht Van Meerten aangaat.1

In 1530 gaat de heerlijkheid Urk over van Evert Zoudenbalch II naar Jan (of Johan) Zoudenbalch. Bij zijn overlijden in 1558 komt de heerlijkheid Urk in het bezit van zijn zoon Evert Zoudenbalch III. Als Evert in 1567 overlijdt komt de heerlijkheid Urk in handen van zijn broer Gerrit Zoudenbalch en zijn vrouw Barbara van Abcoude van Meerten van Essenstein.

De erfenis van Gerrit Zoudenbalch

Het is niet zo’n gunstige tijd wanneer Gerrit Zoudenbalch de heerlijkheid Urk overneemt. In 1570 raast een verwoestende storm over Urk. Een deel van het land gaat verloren en het kerkgebouw wordt verzwolgen door de zee. Het is ook in geestelijk opzicht een roerige tijd door de opkomende Reformatie. Ook op Urk wordt de invloed van deze beweging steeds groter. Dit is een doorn in het oog van Gerrit, die graag trouw blijft aan de oude Rooms-Katholieke Kerk en dit ook graag ziet bij de Urkers.

Het Roomse bewind van Barbara van Abcoude van Meerten van Essenstein

Na de dood van haar man in 1599 wordt Barbara Vrouwe van Urk. De Vries en Post melden: “De Vrouwe van Urk behoort tot de hoogste adel in de Nederlanden. Haar vader is de Heer van Abcoude en behoort als vliesridder tot de hoogste ridderorde in het Habsburgse rijk. Haar moeder stamt af van de graven De Lalaing, haar grootvader was ooit stadhouder van Holland, en haar grootmoeder is een prinses uit het Huis van Luxemburg.” Ze maakt het tot haar levensdoel om de vele ketterijen (van de Reformatie) uit te bannen. Ze krijgt het zelfs voor elkaar om in 1600 een nieuwe Roomse kerk op Urk te bouwen, dit terwijl het in het gewest Holland per plakkaat verboden is om publieke Rooms-Katholieke erediensten te houden. Barbara sterft in april 1614 en haar zwager Jonkheer Ruysch (die getrouwd is met Vrouwe Walraven Zoudenbalch) wordt haar opvolger.2 Het echtpaar gaat datzelfde jaar nog failliet en de crediteuren verkopen de heerlijkheid Urk. Hierdoor komt er een einde aan anderhalve eeuw Zoudenbalch.

Voetnoten

De twaalfde jaargang van ‘De Navorscher’ en de genealogie van het geslacht Van Meerten

De twaalfde jaargang van het blad ‘De Navorscher’ verschijnt in 1862 en heeft twee vermeldingen van een persoon uit het geslacht Van Meerten.1 De eerste vermelding is van Cornelis van Meerten die leefde in de 16e eeuw. De tweede vermelding is van Hendrik van Meerten die leefde in de 18e eeuw.

Cornelis van Meerten

Als antwoord op een vraag uit het vorige nummer van ‘De Navorscher’ over Henricus van Beieren worden op de bladzijden 106 tot en met 108 twee kronieken gedeeld van tijdgenoten. Hierin komt de naam van ene Cornelis van Meerten naar voren:

”Dair nae (na 1 July 1528) liet mijn heer van Vtrecht deese navolgende personen op tween verscheiden dagen metten zweerde rechten: Gysbert van der A, Goert de Coninck scholtus, Jacob Bloem boechmaker, Cornelis Hack, Claes Pouwels bontwercker, Jan van Wyck, Cornelis van Meerten, Gerit Foyt ouerste ouwerman, Ioest van Eyck, Stam van Roynen, Peter borduerwercker, Willem Knijf bastert. Dit geschiet wezende is de grue van Hoichstraten heer van Montay bynnen Vtrecth gecomen ende men heeft voirt getracteerd de stadt ende het Nedersticht van Vtrecht an den Keyser te brengen, twelck naderhandt geschiet is, soe datse den greve van Hoichstraten heer to Montany bynnen Vtrecht in stadt van Key.”

Het wordt niet duidelijk wie die Cornelis is, wanneer hij geboren of overleden is en waar hij woonde. Slechts dat hij met het zwaard richtte.

Hendrik van Meerten

Vermelding in ‘De Navorscher’ jaargang 12, bladzijde 374.

Ene v.H. vraagt op bladzijde 307 of er ook lotgevallen bekend zijn ‘ H. van Meerten, in 1788 S.S. theol. Stud? Hij noemde zich Ex pago Arkel Batavus’. Deze vraag wordt door ene v. D. N. als het volgt beantwoord:

”H. van Meerten (vgl. XII. Bl. 307). Deze Hendrik van Meerten was een zoon van Leonardus van Meerten, die, proponent zijnde in 1755, predikant werd te Arkel, en van daar in 1780 vertrok naar Koudekerk; Hendrik van Meerten werd eerst predikant in de bedijkte Schermer en in 1798 te Gouda.”

Hieruit leren we dat de predikant Hendrik van Meerten een zoon was van predikant Leonardus van Meerten. Leonardus was proponent in 1755 en werd daarna predikant te Arkel. In 1780 vertrok hij naar Koudekerk. De eerste gemeente van Hendrik was Schermer en in 1798 werd hij predikant te Gouda. Iets wat niet in ‘De Navorscher’ staat maar wel bekend is, is dat de oudoom van Leonardus, Gerardus van Aalst was.2

Voetnoten

Een Utrechts Jaarboek uit 1750 over een Middeleeuwse telg uit het geslacht Van Meerten

Het eerste deel van de ‘Utrechtsche Jaarboeken van de vijftiende eeuw‘ uit 1750 bevat een passage over onder andere een telg uit het geslacht Van Meerten.1 Het gaat om Celis Dirks zoon van Meerten2. Hij leefde in de vijftiende eeuw.

We lezen in dit jaarboek op bladzijde 469 en 470 het volgende:

Bladzijde 470 uit het eerste deel van de ‘Utrechtsche Jaarboeken van de vyftiende eeuw’.

“In het begin van dit jaar (d.i. 1436, JvM) is de Stadt Utrecht, schoon alomme bevredicht, en met niemand oorlog voerende of twist hebbende, dan alleen met Walraven van Meurs en zyne aanhangeren, in groot gevaar geweest van overvallen te worden. Deze aanslag was gesmeet door Jan van Arkel, Heer van Heukelom, de eenigste overgeblevene manlyk oir van het oudt en aanzienlyk geslacht der Arkels. Ik vinde niet, dat eenig ongelyk door de Utrechtenaars hem aangedaan is, waar door hy wettige redenen gehadt heeft, om tot dit besluit te komen. Waarom ik met den Heer Kemp (1) vast stelle, dat de begeerte om wraak te oeffenen, over ‘t geen voortyts door de Utrechtenaars tegen het huis van Arkel, (waar van wy hier boven verhaal hebben gedaan) begaan was, hem hier toe heeft aangezet. Deze eenige volk by een vergadert hebbende, heeft voor af eenige gewapende mannen Stadtwaarts aan gezonden, zelfs hen met zyn heir op de hielen volgende, naar alle waarschijnlykheit om door die een der poorten te doen overvallen en vermeesteren, en om dan de Stadt met zyn volk te lichter te overrompelen. Doch deze aanslag is mislukt, dewyl de eerstkomende gevangen zyn geworden, en hy dus genootzaakt te rug te trekken. Dewyl nu dit vyandlyk voornemen gesmeet, en by na ter uitvoer gebracht was, zonder aanzegginge van oorlog, zoo heeft de Raadt zeventien dier gevangenen ter dood veroordeelt, te weten, Jan, Dirk, Wouter en Steven van Grootenveld, Roever van Bolk, Jan Roever van Bolk, Wallard van Wese, Celis Dirks zoon van Meerten, Wouter Jan Reiners zoon, Johan Gysberts zoon, Johan Dirks zoon, Govert die Buyn, Otto Gerrits zoon van Oist, Remkyn die Weert, Willem van Hamme, Geris Krauwel, en Gerit Stevens zoon; en zyn vier andere gevangenen losgelaten. De eerstgemelde zyn alle den XIX February onthooft, en heeft de Raadt, om deze buitengewoone gerechts-oeffeninge by te wonen, door eene Stadts bode aan Jonkheer van Brederode, Dirk van der Merwe, en Heer Jan van Langerak en zynen broeder verzocht in de Stadt te komen, en de Steden Amersfoort, Deventer, Campen en Zwoll daar van kennisse gegeven. Alle deze gevangenen hebben op Hasenberg gezeten, en zyn eenige mannen geschikt, om toe te zien, dat zy des nachts niet ontkwamen, welke wakers ieder nacht gekregen hebben aan bier een braspenning, zoo als my gebleken is uit des eerstens Cameraars rekeningen, uit welke ik ook gezien hebbe, dat te dezer tydt de Stadt een Zegel heeft laten maken, wegende vier loot zilvers, om hunne brieven daar mede te zegelen.”

In 1436 werd er dus een aanslag gepleegd op de stad Utrecht door Jan van Arkel. Zonder oorlogsverklaring wilde hij de stad overmeesteren. Het plan is verijdeld en de eerste lichting die de poort moest vrijmaken, waartoe ook Jelis Dirksz. van Meerten behoorde, is gevangen genomen. Zij moesten deze laffe aanval op de stad uiteindelijk met de dood bekopen. Ze werden gevangen gezet op de Hasenberg. Op 19 februari 1436 werden zij onthoofd. Bij (1) hierboven wordt in de tekst verwezen naar ‘Beschryv. van Gorinchem bladz. 254’.3

Voetnoten