In het Regionaal Archief Rivierenland wordt een afschrift bewaard van de leenbrief, verstrekt op 1 augustus 1752 door Willem V, prins van Oranje en Nassau. Hierin wordt Carel Lodewijk de Pagniet, als erfgenaam van zijn moeder Theodora Henriette van Brakell, wordt beleend met het hoge huis Kermestein en de rechten in de heerlijkheid Lienden, mat alles wat daar van ouds her bij hoort. De kopie dateert van 12 januari 1802.1



De transcriptie luidt:
“Wij Willem de Vijfde Prince van Orange en Nassaú Graaff van Cuijlenborg, Doen te weeten: dat wij door den Weldn Gestr: onsen Raad en Lieve getroúwe Mr Jacob Jongbloet, Stadhoúder van de Leenen onses Graaffelijken Leenhoves van Cuijlenborgh, vermits overlijden van de Hoogwelgeb Vroúwe Theodora Henriëtte van Brakel, Doúariere van de Hoogwelgeb: Heer Abraham de Pagniet, verlijt en beleent hebben, verlegen en beleenen mits dezen den Hoogwelgeb: Heer Carel Lodewijk de Pagniet, Borgemr. der Stad Thiel desselfs zoon en regten Leenvolger, met den Hogen Huijse Carmesteijn Sampt Sijnen Boomgaarden Hoven Cingel, Gragten en Driften groot vier Mergen Lands Thiend vrij, mitsgaders zijnen onder Leenen, Erfpachten, Chijnsen, de nieúwe Wade Búijtendijks tegens over den Koekamp, voorts met alle anderen Sijne op en dependentien gerechtigheden in den Heerlijkheid Lienden ampte van Nederbetúwe gelegen, so als Welgem: Vroúwe Theodora Henriette van Brakel dezelven beseten en met ter dood ontruijmt heeft niets daar van uijtgezonderd: Te hoúden van ons en onse Nakomelingen, Graven ofte Gravinnen van Cuijlenborgh gem: Heere Pagniet, Sijnen Erven en Nakomelingen, Tot een onversterffelijken Erfleen, ten Stigtsen regten, Te verheergewaden als het met recht verschijnt met een Pond goed gelds, ende meergem Heer Carel Lodewijk de Pagniet heeft ons aan handen van onzen voorsz: Stadhoúder den behoorlijken Eed van troúwe gedaan Voorbehoúdens ons ende eenen ijder sijnes goeden rechtens. Daar dit geschieden waaren bij, aan en over de WelEde Gestr: Heeren en Ms H:P: Wijnen en Adriaan Verspijck; onze Leenmannen, In oircond hebben wij onzen zeegel van de Leenen hieronder aan doen hangen. Actúm Cuijlenborgh den 1e Aúgústij 1752.
Accordeert met het Leen Register in het 7. Rancudal fol. 429. Adij 12 Janúarij 1804. Zuoi attestor H.T. Bosch.”