Home » Betuwse streekgeschiedenis » Gewaarmerkte kopie van de akte van belening (1656), waaruit blijkt dat Johan van Brakell (Johanszoon) wordt beleend met het Hooge Huis Kermesteijn

Gewaarmerkte kopie van de akte van belening (1656), waaruit blijkt dat Johan van Brakell (Johanszoon) wordt beleend met het Hooge Huis Kermesteijn

In het Regionaal Archief Rivierenland wordt een gewaarmerkte kopie uit het leenregister van Culemborg. Hieruit blijkt dat Johan van Brakell Johanszoon beleent wordt met het Hooge Huis Kermesteijn en de daarbij behorende onderlenen, erfpachten, tijnzen etc. Dit werd ook al bezeten door zijn vader. De gewaarmerkte kopie is gedateerd op 2 februari 1804. De originele akte was gedateerd op 9 juni 1656.1

De transcriptie luidt:

“Wij Georg Frederic Grave van Waldeck Pijrmont en Culenborgh, voormúnder van onsen beminden Neve Heere Henrick Wolradt Grave van Waldeck Pyrmont en Cúlenborch Doen te weeten, dat voor den WelEd Gestrengen Jorden Gúesont Ridder onsen Raedt en Stadhoúder van Leenen onser Graafschappe Cúlenborch, gecompareert is, den WelEd: geboren man Johan van Brakel Johans Soon, ende heeft versocht te leen t’ ontfangen, den Hogen Húijsen Karmesteijn met sijne boomgaerden, Hoven, Cingels, Grachten en driften, groot vier mergen, mitsgaders sijne Onderleenen Erfpachten, Chijnsen, de nieuwe Wade búijten dijx tegens over den Coecamp, t’ Sampt andere Sijne appendente en dependente gerechticheden, in de Heerligheid Lienden, Ampte van Nederbetúwe gelegen, so deselve Ed: vader zal: in Sijn leen beseten, ende metter dood ontrúijmt, ook bij Sijn WelEd: gemelioreert geworden waaren, voor deezen Leen gewezen aen Heerligheijt Linden en Leede, ons toebehoorende, ende nú geannexeert, aen ons Graflicke Húijs Cúlenborch, tot een Leen ten Stichtsen Rechten, waarop naer dat Sijn WelEd: ten behoeve van ons met hand, halm ende monde vertegen hadde, ende mannen van Leenen, Kenden dat Sijn WelEd: rechte vertichnis gedaan hadde, sulx wij in qualité voorss: met den voorsz, hogen Húijse ende ’t geen dar beij verhaelt staet, onsen vrijen willen doen mochten, So hebben wij door onsen stadthoúder voorn: Sijn WelEd: met den voors: hogen Húijse Karmesteijn t’Sampt Sijne boomgaarden, Hoven Cingels, grachten ende drifden groot vier mergen Lants, Tient vrij, mitsgaders Sijne onder Leenen, Erfpachten, Chijnsen, de nieúwe Wade búijten Dijx, tegens over den Coecamp, voorts sijne andere ap en dependentie, gerechtigheden, So vooren verhaelt ende bepaelt staen, verleijt ende beleent, verleijen ende beleenen mits deezen, om alle dezelve te hebben ende te hoúden voor hem ende Sijne naecomelingen tot een onsterflick Erfleen, aen Onsen Graflicken Húijse Cúlenborch, ten Stichtsen Rechten, te verkeergewaden, so dickmels, als ’t met recht verschijnt met een pont goets gelts; Ende heeft Sijn WelEd: hier op den behoorlichen Eedt van trouwe gedaen, voorbehoúdens ons ende eenen ijderen Sijns goede rechtens. Tenselven maele, nae dat dit geschiedt was, So heeft den WelEd: geseijden Johan van Brakel, Sijne oock WelEdele Húijsvroúw, Joffr Dorothee de Baers naer tochts rechten, getochticht in den voor verhaelden Húijse Karmesteijn, met het geene daer toe is gehoorende als vooren geseijt, mede voor onsen Stadthoúder ende mannen van Leen naeberss: om geseijden Húijse cúm annexis naer tochten rechten, haer leven lang te gebrúijcken, Twelik ook in qúalite voorsz: bij desen bestedigen. Daer dit geschieden, waeren bij aen ende over, onsen Raedt Adam Gressenich, Ende ontfanger Lambrecht Hoevenaer, beijde onse Leenmannen, In oircondt hebben wij onsen cegel van Leenen hier onderaen doen hangen. Actúm Cúlenborch den 9e Júnij 1656.

Accordeert met het Leen Register ter Leenkamer van Cúlenborg bevindende in het 2e Manisaal fol: 437. Qq 2 Febrúarij 1804.

H.T: Bosch ’94.”

Voetnoten

  1. Bron: https://regionaalarchiefrivierenland.nl/archieven?mivast=102&mizig=210&miadt=102&miview=inv2&milang=nl&micode=1256&minr=905104.