Home » Betuwse streekgeschiedenis (Pagina 2)

Categorie archieven: Betuwse streekgeschiedenis

‘Dorestad lag in de buurt van Rhenen en de burcht Traiectum/Trecht in de Marspolder’ – Artikel zet ‘Canon van Nederland’ op z’n kop

Dorestad lag in de buurt van Wijk bij Duurstede en Bonifatius werd bij Dokkum (in het huidige Friesland) vermoord. Zo wordt het op de basisschool de kinderen aangeleerd en zo wordt het ook onderwezen door bijvoorbeeld de ‘Canon van Nederland’. Dit beeld klopt echter niet. Althans volgens Christopher Rigg en Joke Honders. Zij betogen dat Dorestad tussen Rhenen en Kesteren heeft gelegen én dat Bonifatius en anderen in Dockinga, de Kade bij Ede, zijn vermoord. Dit is vooral een samenvatting van het artikel van Rigg in De Baron. Heb er zelf geen (literatuur)onderzoek naar gedaan, dus mogelijk is er meer informatie bekend.1

In het augustusnummer 2023 van De Baron verscheen een artikel van Christopher Rigg waarin het een en ander wordt uitgelegd. Op haar website ‘Nieuwe visies’ schrijft Joke Honders ook het een en ander.2 De fout in het huidige geschiedenisonderwijs ligt volgens de auteurs in een verkeerd lezen (en: verkeerde interpretatie) van de aloude Peutingerkaart.3 In De Baron start Rigg daarom met een schets hoe de Valleistreek er volgens hem uitzag na het begin van onze jaartelling. De eerste kilometers van de Vallei vanaf Nude naar het noorden bestond uit een natuurlijk stuwmeer Lacus Flevo (ook wel het Aelmere genoemd). Halverwege dit Aelmere lag het schiereiland Insula Flevo, tegenwoordig volgens Rigg bekend onder de naam Kraats. Het Aelmere wordt hiermee dus niet gelokaliseerd op de plaats van het huidige IJsselmeer en de Flevopolders, maar in de Vallei. De rivierlopen waren vroeger ook anders, zo stroomde de IJssel een stuk zuidelijker. Daarnaast legden de Romeinen diverse kanalen aan, zoals de Loen die in de Midden-Betuwe stroomde van Loenen aan de Waal tot de burcht Nijburg (tussen Randwijk en Heteren) aan de Rijn. Ze groeven ook een kanaal, de Lacus, van de Rijn naar de Ijssel en richting het noorden naar Lacus Flevo. “Daarmee werd de haven van Dorestad-Wic en het castrum van Traiectum/Trecht (gelegen tussen Rhenen en Kesteren, vanuit de IJssel en de Waal bereikbaar.” Hierbij wordt verwezen naar een artikel van Joke Honders, waarin zij aangeeft dat Trecht in de Betuwe lag.

Dorestad en Trecht

Volgens de auteur lag Dorestad niet bij het huidige Wijk bij Duurstede. “Die haven lag dus niet bij Wijk bij Duurstede, zoals algemeen wordt aangenomen, maar ten zuiden van Rhenen in de Oudenwaard bij Kesteren. (Bij Wijk bij Duurstede moet haven [sic.] met een andere naam gelegen hebben.” De Lake wordt volgens de auteur eenmaal de Fennepa genoemd, ‘een Keltisch woord voor ‘grensrivier’. Het kanaal bood toegang tot Dorestad en tot de hierboven reeds genoemde Aelmere’. Ook het Romeinse fort Levefanum lag niet bij Wijk bij Duurstede, maar wordt (zij het onzeker) gelijkgesteld met de burcht Nijburg tussen Randwijk en Heteren. De burcht Trecht, die in een lijst van bezittingen van de St. Martinusbasiliek van Willibrord en Bonifatius voorkomt, lag niet in de huidige stad Utrecht maar aan de zuidoever van de Oude Rijn tegenover Rhenen. Opnieuw wordt Dorestad ten zuiden van Rhenen gelocaliseerd. De auteur schrijft: “Ten zuiden van Rhenen lag eveneens de haven Wic en de handel- en industriestad Dorestad.” De bezittingenlijst was een kopie en bevat volgens de auteur veel kopieerfouten. “Voorbeelden Feedna/Reedna, dit moet Ede zijn en niet Vechten. Potarnem/Rotarnem is de Nijburg (bij Randwijk/Heteren) en niet Pouderoijen. Pathem/Rathem is wederom de Nijburg of mogelijk de Rode Toren te Heteren en niet Petten. Een extreem voorbeeld is Berninghem die gelijkgesteld werd met Beusichem, maar dit moet Bennekom zijn.” Er is een bron (een dagboek) van de bisschoppelijke ambtenaar te Trecht, Albertus Mettensis, waarin veel roddels uit de Betuwe, de Vallei en de zuid-Veluwe zijn opgeschreven. Met name over Adela van Renkum (Adela van Hamaland) en haar tweede man Balderik. Deze Balderik was graaf van Duffel en bezitter van de Nijburg. Kesteren is afgeleid van ‘castrum, de burcht Trecht (Traiectum) dat in de Mars of Oudenwaard lag’. Lakemond wordt afgeleid ‘van de Lacus, een kanaal door Drusus gegraven om de IJssel en de Nederrijn met elkaar te verbinden voor toegang tot de handelshaven van Dorestad-Wic, dat ten zuiden van Rhenen lag’. Volgens de auteur noemde men het toenmalige koninkrijk met een zetel in Rhenen, Frisia. Dit koninkrijk liep tot in de Betuwe ‘getuige het Friese aardewerk die [sic.] hier gevonden wordt’. In de 11e eeuw na Christus staat de Vallei bekend om de ijzerindustrie.

Volgens Rigg hadden de Merovingische koningen Dagobert en Clodovech in Trecht (onder Rhenen) hun koningszetel. Aan hun koninkrijk kwam echter een einde toen Pepijn van Herstal in de 7e eeuw de macht over nam en koning Radboud verdreef. “In 690 heeft Pepijn koning Radboud uit de oude Romeinse burcht van Traiectum/Trecht weer verdreven en hem bij Dorestad aan de noordoever van de Nederrijn verslagen.” Voor deze veldslag, in 680, heeft bisschop Wilfrid van York een jaar in Trecht bij Rhenen doorgebracht. Hij werd vriendelijk ontvangen door de voorganger van Radboud, koning Adlgisl. Toen de burcht veroverd was heeft de Frankische Karel Martel Rome verzocht om missionarissen te sturen. Daar werd naar geluisterd en Willibrord, een leerling van Wilfrid, werd gestuurd. “Daar zijn zij de Rijn overgestoken naar Trecht, waar Karel Martel hen een onderkomen in de al bestaande St. Thomaskerk heeft geschonken.

Bekend zijn ook de invallen van de Denen (Noormannen genoemd) in de Betuwe. Hier ziet Rigg een argument om Dorestad in de buurt van het huidige Rhenen te plaatsen. “Onder leiding van een zekere Hroerek/Rorik werd in 847 Dorestad aangevallen en ze roeiden vervolgens negen Gallische mijlen (19,9 km) stroomopwaarts naar Meginharderswich, het tegenwoordige Meinerswijk bij Arnhem-Zuid. Daarna keerden ze terug en maakten Dorestad tot hun hoofdkwartier, van waaruit zij de Betuwe overheersten. Dit is het bewijs dat Dorestad 20 km stroomafwaarts van Meinerswijk lag, dus bij Rhenen, en niet bij het huidige Wijk bij Duurstede, die [sic.] 40 km stroomafwaarts van Meinerswijk ligt.“

Bonifatius bij Ede vermoord

Op 4 juni 754 stak Bonifatius vanuit Trecht het Aelmere over naar Dockinga, de Kade bij Ede. “Een 19e-eeuwse antiquair nam ten onrechte een oud idee over dat Bonifatius in Dockum was vermoord, in de moderne provincie Friesland, 180 km ten noorden van de Almere.” Dit idee werd overgenomen door de rooms-katholieke kerk. “Het enige bewijs voor Dockum is de gelijkenis van de naam.

Ten slotte

Het artikel gooit het beeld van Nederland in het eerste millennium na Christus volledig op z’n kop. Helaas wordt er in het artikel van De Baron veel gepostuleerd, maar weinig beargumenteerd. Dorestad-Wic in de buurt van het huidige Rhenen én Trajectum/Trecht in de Betuwe? Zeer interessant en het zou natuurlijk kunnen, maar dan zie ik daar graag meer argumenten voor! Evenzo helaas kon ik geen reacties vinden van historici op de stelling dat Dorestad-Wic ergens anders heeft gelegen dan tot nu toe altijd verdedigd is. Immers, als de geschiedenisboeken in het onderwijs aan een grondige revisie toe zijn dan moet dit hoognodig gebeuren. We willen onze kinderen toch geen onjuistheden onderwijzen? Als Rigg ongelijk heeft met zijn revisievoorstel dan is het nodig om dit met behulp van argumenten te weerleggen.

Voetnoten

21 november 2023 D.V.: Lezing over Grafveld Prinsenhof in ‘Dorpshuis De Oude School’ te Hemmen

De lezing over het Grafveld Prinsenhof hoopt plaats te vinden in ‘Dorpshuis de Oude School’. Op de foto de dorpskern van Hemmen met in het midden onderaan ‘Dorpshuis de Oude School’. Bron: Google Maps.

Afgelopen zaterdag verwees ik naar een artikel in het meinummer van ‘De Baron‘ over het Grafveld Prinsenhof in Kesteren.1 Mensen die dit interessant vonden en graag meer daarover willen weten, die worden op hun wenken bediend. Op 21 november 2023 D.V. spreekt de genoemde amateurarcheoloog André van Ingen hierover in ‘Dorpshuis De Oude School‘ te Hemmen.

De avond wordt georganiseerd door de ‘Historische Kring Midden-Betuwe’ en gehouden in het gebouw ‘De Oude School’, Kerkstraat 4 te Hemmen.2 André van Ingen hoopt vanaf 20.00 uur te vertellen over Grafveld Prinsenhof. Voor leden van de vereniging is de toegang gratis. Van niet-leden wordt een bijdrage van minimaal 3 euro gevraagd ter bestrijding van de onkosten.

Voetnoten

Het Romeinse grafveld Prinsenhof te Kesteren – Werkgroep Archeologie verzamelt vondsten om toe te werken naar een publicatie

De Gemeente Neder-Betuwe is rijk aan archeologische vondsten. In 1974 werd er in Kesteren een nieuwe wijk aangelegd: De Prinsenhof. Tijdens graafwerkzaamheden bij de aanvang van de bouw stuitte men op een Romeins grafveld met 70 graven. Amateurarcheoloog André van Ingen deed als middelbare scholier mee met de opgravingen. Hij schrijft over zijn bevindingen in het meinummer van De Baron. Momenteel is hij bezig met het verwerken van alle gegevens met als doel een publicatie in de toekomst.

Daar waar eerst het grafveld Prinsenhof lag is nu een woonwijk. Op de foto de straten Prinsehof, Tollenhof en Klaverhof te Kesteren. Bron: Google Maps.

In 1995 beschreef dhr. Wiggerink al het een en ander voor de Historische Kring Kesteren & Omstreken (HKK&O), maar de vele vondsten zijn echter door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) nooit wetenschappelijk uitgewerkt. De werkgroep archeologie van HKK&O heeft twee jaar geleden besloten om de vondsten gedaan bij het grafveld Prinsenhof in detail te gaan uitwerken. Ze hebben het depot bezocht, manuscripten ingezien, foto’s gemaakt van alle aardewerkvondsten etc., aantekeningen van archeologen bestudeerd, nieuwsbronnen geraadpleegd, rapporten bestudeerd, historisch onderzoek naar het terrein van boerderij Prinsenhof gedaan en rondvraag gedaan in de regio. Nu is een groepje van vijf personen bezig met de uitwerking hiervan.

Volgens geleerden zou het hier gaan om een verspoeld grafveld. Het is dus goed mogelijk dat er aardewerk van het ene graf bij het andere graf is gekomen. Er zijn ook diverse paardengraven gevonden. De ruiters zijn niet met hun paarden begraven, de conclusie is nu dat het eerst een begraafplaats voor paarden is geweest en dat er daarna ook mensen zijn begraven. Bij de menselijke graven valt op dat er geen kindergraven zijn en dat er slechts vier graven van vrouwen te vinden zijn. “Het grafveld heeft hierdoor een militair karakter, ondanks beperkte vondsten van militaria.” Bijzonder is dat het grafveld al eerder is ontdekt. In 1856 werd er namelijk grond van boerderij De Prinsenhof gebruikt om de Rijnbandijk te herstellen. Deze had door doorbraak van de Marsdijk in 1855 schede geleden. De toen afgeschraapte grond voor dijkverzwaring was gelijk de verklaring dat de graven die in 1974 gevonden werden zeer ondiep zaten (50 centimeter onder het maaiveld). In 1856 werden zes graven ontdekt.

De werkgroep archeologie kreeg van particulieren ook vondsten die zij op het terrein hadden gedaan. Er werd zelfs een complete urn overhandigd. Deze urn was nooit leeggehaald. Toen de amateurarcheologen dat deden vonden ze een haarnaald en een fibula (mantelspeld). Volgens sommigen zijn archeologen beter met de spade dan met de pen, maar het lijkt erop dat er genoeg informatie bewaard gebleven is om te komen tot een publicatie.

Heeft u meer informatie over dit grafveld, de opgravingen of het vervolgonderzoek? Dan kunt u contact opnemen met ons via het contactformulier.

N.a.v. Ingen, A. van, 2023, Uitwerking van grafveld Prinsenhof te Kesteren, De Baron 6 (2): 24-25 en 28.

De Baron over Cuijlenburgs Hofstad en Everhard Godfried van Meerten

In De Baron (jaargang 3 nummer 1) staat een artikel over Cuijlenburgs Hofstad en de eigenaren van deze hofstad. Het artikel is geschreven door Rien van Doorn en bevat ook de naam van een ‘Van Meerten’. Hieronder meer informatie over de relatie tussen deze eigenaar en de hofstad.1

Informatie

Hierboven ziet u een penseeltekening van Kuylenborgs Hofstad te Maurik, te vinden in het Gelders Archief.2 De hofstad is eerst in bezit geweest van de Remonstrantse predikant Christianus Sopingius. Hij weigerde de Acte van Stilstand te ondertekenen en trok zich terug in de Betuwe, maar kon geen predikant meer worden. In 1651 verkopen zijn vrouw en kinderen Cuijlenburgs Hofstad aan jonker Everhard Godfried van Meerten en zijn vrouw Elisabeth van Goltsteijn. “De nieuwe eigenaren, Evarerd Godefrid van Meerten en Elisabeth van Golsteijn hebben de hofstad waarschijnlijk verpacht. Aan wie is echter onbekend. Het duurt even voordat er informatie te vinden is over de volgende eigenaren.” Van Doorn schrijft daarna over nog over verschillende andere eigenaren. In 1928 is de hofstad door een felle brand verwoest (zo laat de Tielsche Courant weten). De bezitters van het land (de familie Bus) bouwde op deze plaats een nieuwe boerderij. In het lijstje van eigenaren en bewoners op bladzijde 13 wordt bij 1651 Everhard Godfried van Meerten en Elisabeth van Goltsteijn ook genoemd.3

Voetnoten

Protocol over (een deel van) de erfenis van Wouter Brandse van Schaerdenburgh en Jantje van Meerten

De Osenvorenreeks, te vinden in de studiezaal van Historische Kring Kesteren en omstreken (HKKO), bevat een schat aan informatie voor genealogisch onderzoek. Hieronder wordt protocol 112 weergegeven uit dit Rechterlijk Archief Nederbetuwe. Deze uitgebreide akte gaat over de erfenis van Wouter Brandse van Schaerdenburgh en Jantje van Meerten.1

De volledige transcriptie van dit protocol luidt:

Protocol 112 (folio 95v. – 96)

Antonie van Heemert en Johanna van Schaerdenburgh, Cornelis Jacobse en Anna Judith van Schaerdenburgh, Peter van Meerten en Jantje van Lienden, Dirk van Meerten en Gerritje de Koninck te saame eghteluijden, sij vrouwe cum tutore marito, Jan van Schaerdenburgh, Adriana van Donselaer en Hillebrandus van Schaardenburgh cum tutore, volgens volmagt van dato den 30e december 1741 tot Cokengen voor gerigtsluijden gepasseert voor gerights ons geërfdens voorgelesen en voor goed gekeurt t’same met de nabenoemde copersse erffgenaamen van Wouter Brandse van Schaerdenburgh en Jantje van Meerten in leeven echtelieden, hebben verkogt en getransporteert en sulx voor 5/6  parten aan Geertje van Meerten die 1/6 part competeert den eijgendom van seker huijsinge, hoff en boomgaardt met twee ackeren weijlandt groot ongeveer eene mergen vijff en een halff hond in den kerspel Ingen op den Brenck geleegen, daar naast gelant is oost de straat, west Willem van Beekhoff, zuijden Arent van Beekhoff en west de verkooperen selvs, belast met een rentje van 13 stuijvers 12 penningen aan de Kerk te Ingen met een door- off uijtwegh, het onderhouden van ’t sandpat sooverre deese hoffsteede sig uijtstrekt liggende, verders dit goed en twee hond toebehoorde Arend van Beekhoff tesamen onder de last van 1/3 van 8 voeten dijkx ontredt den affwegh te Wiel, welke dijk geheel getransporteert sij aan gemelte Arend van Beekhoff, bekennende sij comparanten van de totale coopspenningen van de 5/6 parten ter somma van tweehondert sevenendartigh guldens tien struijvers voldaen te weesen met belofte om aller voorkommer daar van aff te doen tot den jaare 1741 incluijsive, vermoogens transport van den 5e jannuarij 1742 door de transportanten beneevens twee geërffde getuijgen onderteekent. Geregistreerdt den 1e februarij 1746.

Het gaat hier om (een deel van) de erfenis van het echtpaar Wouter Brandse van Schaerdenburgh en Jantje van Meerten. Zij zijn waarschijnlijk rond 1741 overleden. Jantje was de dochter van Jacob van Meerten en Hendersken van Roothuijsen. In het protocol hierboven worden vier kinderen van dit echtpaar genoemd: Peter van Meerten (en zijn vrouw Jantje van Lienden), Dirk van Meerten (en zijn vrouw Gerritje de Koning), Jantjen van Meerten (en haar man Wouter van Schaerdenburgh) en Geertjen van Meerten. Dochter Adriaentjen is kennelijk al overleden, of in ieder geval hier niet in beeld.

Dr. Sandra Beckerman (SP) stelt Kamervragen over archeologische vondsten uit de Bronstijd bij Tiel

Gisterenavond is het kabinet Rutte IV gevallen. Dat doet in de media een hoop stof opwaaien.1 Je zou het haast vergeten, maar deze week stelde dr. Sandra Beckerman (SP) óók Kamervragen aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W), dr. Gunay Uslu, over de Tielse zonnekalender uit de zogenoemde Bronstijd. Ze vraagt of deze locatie niet beter beschermd kan worden als cultuurhistorisch erfgoed.2

Dr. Sandra M. Beckerman stelt Kamervragen naar aanleiding van de vondst van een zonnekalender in Tiel. Bron: Screenshot uit de video van RAAP.

De vondst van de zonnekalender en mogelijk een heiligdom uit de zogenoemde Bronstijd in de buurt van Tiel zal bij dr. Sandra M. Beckerman van de SP in goede aarde zijn gevallen.3 Zij is immers in 2015 aan de Universiteit van Groningen gepromoveerd op dit soort archeologisch onderzoek. De titel van haar thesis luidde ‘Corded Ware Coastal Communities: Using Ceramic Analysis to Reconstruct Third Millennium BC Societies in the Netherlands’.4 Omdat dit een haar aangelegen onderwerp is stelde ze op 4 juli 2023 Kamervragen aan de Staatssecretaris van OC&W.5

Vondsten van nationaal en internationaal belang

Ze vraagt aan de Staatssecretaris of zij bekend is met de berichtgeving van de vondst van de zonnekalender zoals dit bericht wordt door de NOS.6 Beckerman ziet de vondsten op deze locatie ‘van nationaal en internationaal belang’ en geeft aan dat ‘deze vindplaats nogmaals aantoont hoe bijzonder ons bodemarchief is’. Ze noemt het ‘treurig (…) er nu loodsen zullen worden gebouwd op deze bijzondere locatie’. Daarom is het ‘noodzakelijk (…) om te zorgen dat dit soort locaties beter beschermd worden’. Ze vraagt daarom de Staatssecretaris of zij bereid is om ‘rijksgeld in te zetten om de vondsten gedaan te Tiel te tonen aan een breed publiek’ en ‘met anderen na te denken over hoe deze vindplaats beleefbaar kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door het maken van reconstructies’. De Staatssecretaris zou bereid moeten zijn ‘te borgen dat, ook wanneer voor behoud ex situ wordt gekozen, het mogelijk moet worden bebouwing van locaties vaker tegen te gaan of aan te passen wanneer er ontdekkingen van (inter)nationaal belang worden gedaan zodat deze locaties getoond kunnen worden aan een breed publiek’. De overheid zou hier volgens de SP’er een leidende rol moeten spelen en van de vondsten die zijn gedaan zou een groot publiek kennis moeten nemen. Zonder goede financiering zou de vondst van de zonnekalender in Tiel niet gedaan zijn. Deze vondst werd namelijk pas gedaan tijdens de uitwerking van de vondsten in het lab, dankzij goede financiering en verwerking. Beckerman roept daarom op tot goede financiering van de uitwerking van topvondsten. Het werkveld zou zeggenschap moeten krijgen over de onderzoeksagenda. Eigen kennis was bij de archeologische vondsten in Tiel cruciaal voor het doen van deze belangrijke ontdekkingen.

Fantastisch werk

Archeologen doen ‘zelf vaak fantastisch werk (…) waar het gaat om het betrekken van het publiek bij onderzoek’. De overheid laat, volgens Beckerman, het hier te vaak afweten en zou dit publiekswerk beter kunnen ondersteunen. Zo doet Nederland te weinig aan het tonen van archeologische (top)vondsten aan een breed publiek. Ze verwijst hierbij naar het in haar motie genoemde knelpunt dat archeologie bij een breed publiek te onzichtbaar is.7 Hiervoor zou de aanbeveling van de Raad voor Cultuur opgevolgd moeten worden om te komen tot een fonds voor publieksbereik en participatie. Het werkveld zou zeggenschap moeten krijgen over de besteding van dit fonds. Het gaat Beckerman echter niet alleen om topvondsten, maar ook onderzoek en vondsten die van lokaal belang zijn te tonen aan het publiek. Het borgen van publieksbereik moet daarom niet alleen gericht zijn op topvondsten, maar breder. Daarvoor is, volgens de SP’er, verankering in de nationale wet- en regelgeving nodig. Volgens de Raad van Cultuur staat de kwaliteit van archeologisch onderzoek nu onder druk. Dit is, volgens Beckerman, mogelijk een gevolg van marktwerking en een zich terugtrekkende rijksoverheid. Daarom zou de rijksoverheid moeten ingrijpen ‘om te zorgen dat belangrijke vindplaatsen goed onderzocht en uitgewerkt (…) worden’.

Druk en synthetisch onderzoek

De uitwerking van opgravingen en ander veldonderzoek staat onder druk. Dit komt, volgens de SP’er, omdat archeologen wél de plicht hebben om binnen twee jaar te publiceren, maar dat ‘verstoorders’ zich niét altijd verplicht voelen om te betalen. Beckerman vraagt de Staatssecretaris ‘welke stappen’ zij wil gaan zetten ‘om te zorgen dat dit probleem wordt verholpen’. Ook is er in het huidige bestel nauwelijks ruimte voor synthetisch onderzoek. Vindplaatsen zullen dus niet alleen individueel moeten worden uitgewerkt, maar ook met elkaar moeten worden vergeleken. Ze vraagt de Staatssecretaris welke stappen zij zou willen zetten ‘om ervoor te zorgen dat er meer synthetiserend onderzoek zal plaatsvinden’. Eigen kennis is cruciaal, ondanks decentralisatie hebben 130 gemeenten nog steeds geen gemeente- of regioarcheoloog tot hun beschikking. Gemeenten enkel aanmoedigen is niet voldoende, volgens Beckerman. ‘Er is meer nodig om te voorkomen dat topvondsten onontdekt blijven’. Het Kamerlid verwijst ten slotte naar de analyse van de Raad voor Cultuur, waarin wordt gewezen op het ontbreken van structurele rijksmiddelen. Hierdoor kunnen veel gemeenten hun taak niet naar behoren uitvoeren. Deelt de Staatssecretaris deze analyse wel of niet. ‘Zo ja, wat gaat u hieraan doen?’

Ten slotte

Beckerman is een Kamerlid met, zeker op archeologisch gebied, verstand van zaken. Als liefhebber van archeologische vondsten, klein of groot, deel ik de mening van dit Kamerlid om topvondsten bij een breed publiek kenbaar te maken. Wanneer het terrein minutieus is onderzocht en beschreven en bovendien alle vondsten meegenomen zijn, dan is het ook mogelijk om deze zonnekalender elders te reconstrueren. Bijvoorbeeld in de buurt van een streekmuseum. Het liefst zou ik zien dat de BibleBelt-gemeenten een gemeente- of regio-archeoloog in dienst neemt die uitgaat van het klassieke scheppings- en zondvloedgeloof en de korte chronologie.8 Vondsten uit de steen- en bronstijd zullen mogelijk anders geïnterpreteerd moeten worden. Vanaf de Romeinse tijd is er weinig verschil van inzicht, in ieder geval niet anders dan de meeste reguliere archeologen.

Voetnoten

Herwen-Hemeling: het Romeinse leger, hun goden en hun tempels

In Gelderland is een compleet en relatief ongeschonden Romeins heiligdom ontdekt. Archeologen van RAAP deden de opzienbarende vondst in Herwen-Hemeling (gemeente Zevenaar), vlakbij UNESCO Werelderfgoed Romeinse Limes. Op deze plek hebben meerdere tempels gestaan. Er zijn resten van godenbeelden, reliëfs en beschilderd pleisterwerk gevonden. Bijzonder is de vondst van meerdere complete votiefstenen of wijaltaren, gewijd aan verschillende goden en godinnen. Dit is voor Nederland, maar ook internationaal, zeer uitzonderlijk.

Met dank aan archeologisch bureau RAAP voor deze video van deze bijzondere vondst.

Leenaktenboek over vijf morgen land te Ingen: Een bruikbaar puzzelstuk

Het doen van genealogisch onderzoek naar voorouders is hetzelfde als het leggen van een complexe legpuzzel met veel ontbrekende puzzelstukjes. Het is echter ook staan op de schouders van reuzen. Dankzij bewaarkunst en transcriptiewerk (onder andere door leden van de HKK&O) is het mogelijk om een deel van die legpuzzel compleet te maken. Via Delpher kwasm ik het Register Leenaktenboek van het Vorstendom Gelre en Graafschap Zutphen – Het Kwartier van Nymegen tegen.1 Daarin vinden we iets over de geschiedenis van een stuk van 5 morgen land te Ingen dat overging van vader op zoon of dochter. Het geeft tegelijkertijd een stukje informatie over de voorouders en nakomelingen van de in de Ingense kerk begraven Dirck van Meerten en Bertha van Eck.2

Grafzerk van Dirck van Meerten (?-1568) en Bertha van Eck (?-1531) in de Hervormde Kerk te Ingen. Bron: Joke Honders.

Het gaat om een stuk van vijf morgen land van Dirck (of: Derich) van Eylsweerdt, in het kerspel Ingen in Ingenerbroeck gelegen. Dirck ontving het ‘tot eenen Zutphense leene‘ in 1402. Het land werd aan de linkerkant omgeven door nog meer land van Dirck van Eylsweert en aan de rechterkant door land van Steven van Deylen. Hilgunt (of: Hillegonda), de dochter van Dirck, erft het stuk land van haar vader in 1405.3 Ze is getrouwd met Roelof van Meerten.4 In 1424 treedt er een wijziging op in de belening en wordt het land omgeven door land van Willem ende Roloff Fastaitz zoon.

Willem van Meerten erft het stuk land anno 1436. En dit gaat in 1455 weer over op zijn zoon Roelof van Meerten. Opnieuw zien we een wijziging bij de buren. Nu is aan de ene zijde (oosten) Derck van Rijn te vinden en aan de andere zijde (westen) Jan Kouterick Maess. Dit lijkt zo te blijven tot 1465 en zien we dat aan de zuidkant de ‘Ommerschen grave’ ligt.5

Het land gaat vervolgens over op Johan van Meerten, de broer van Roelof. Roelof was al 17 jaar in het buitenland en de familie wist niet of hij nog in leven was. Daarom heeft Johan het land te leen ontvangen, met de belofte het weer terug te geven als Roelof zou terugkomen. We spreken dan over 19 juli 1481. Dit is nog het geval in 1501. Of Roelof ooit is teruggekeerd weten we niet, want op 15 juni 1526 erft Dirck van Meerten6 het stuk land van zijn oom Johan. De omgeving is nu ook veranderd. Ten oosten zit Roloff Joosten, ten zuiden nog steeds de Ommerengrave, ten westen Johan Arntssoon en de erfgenamen van Herman Gerrits en ten noorden bevindt zich de Langesteeg.7 Het contract is vernieuwd op 10 juni 1544 en op 8 oktober 1557.

Dirck van Meerten, zoon van de hierboven genoemde Dirck, erft het stuk land van zijn vader op 4 april 1569. Zijn vader is namelijk op 20 december 1568 overleden. Van hem, en zijn vrouw Bertha van Eck, ligt een mooie grafzerk in Ingen. Deze grafzerk is dankzij het lobbywerk van de predikant H.J. Schouten (1865-1936) bewaard gebleven.8

Arnt van Meerten erft het stuk land weer van zijn vader. Deze geeft het, na het overlijden van zijn vrouw Francina van Mevert (of: Meverden) in 1621, aan zijn dochter Elisabet, die het op 12 mei 1621 aan haar zus Christiana (of: Cristina Sibilla) overdraagt. In deze akte wordt ook nog een zoon van Arnt genoemd, namelijk Evert (of: Everardt9 Deze Everardt komt ook voor in de Protokollen van Bezwaar van de Bank van Kesteren en Zoelen).10 Het stuk land gaat de volgende tijd over en weer naar beide zussen, totdat op 11 december 1628 de helft van het land beleend wordt door Everhardt de Cock van Opijnen als bijzondere leen, bij opdracht van Bernhart van Reetraet. Met als aantekening ‘daervan hij in vijff naestcommende weecken belooft aggreatie uyt to brengen van dese opdracht‘. Laatstgenoemde Bernhard was de man van Elisabet en de zwager van Christina Sibilla. Het land is daarna niet meer in leen geweest door één van de Van Meertens.11 We lezen nog de namen Wilt, van Broeckhuysen en Adam van Delen. De andere helft van de vijf morgen wordt beleend door Roelantt van Eck, ‘tot een besonder leen‘. Hoewel het land niet meer in bezit is gebleven van de Van Meertens, het geheel blijft toch een bruikbaar puzzelstuk.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het De Baron. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2023, Leenaktenboek over vijf morgen land te Ingen: een bruikbaar puzzelstuk, De Baron 6 (2): 14-15. De Baron is het blad van de Historische Kring Kesteren & Omstreken (www.hkko.nl).

Voetnoten

Anna van Meerten in ‘Een oude dame in een nieuw Jasje’ – Een herinneringsboekje aan de restauratie van de Nederlands Hervormde Kerk van Rijswijk (Gld)

Aan het eind van de vorige eeuw verscheen er een herinneringsboekje naar aanleiding van de voltooiing van de restauratie van de Nederlands Hervormde Kerk van Rijswijk. Rijswijk is een dorpje in Gelderland, in de Gemeente Buren.3

Volgens overlevering zou de kerk gesticht zijn door Suitbertus, een metgezel van Willibrord. Hogendoorn geeft aan dat dit niet meer te achterhalen. Wel wordt het dorpje rond 890 genoemd in een document. De kerk en het dorp heeft in die lange tijd veel te verduren gehad. De schrijver noemt dat op 7 juli 1427 er zelfs een veldslag werd uitgevochten tussen de Utrechtenaren en onder andere de Betuwenaren. De Martinuskerk is genoemd naar St. Martinus die rond 316 na Christus in Hongarije leefde en later bisschop van Tours werd. Over de geschiedenis van deze kerk, de indeling van het kerkgebouw en de restauratie is in dit boekje veel meer te lezen, maar daarvoor verwijzen we u naar de link in de voetnoot. Wat nog wel het vermelden waard is, is dat er in de Rijswijkse kerk zo’n 20 rouwborden hebben gehangen. Helaas verbood de Franse bezetter het hangen van rouwborden in de kerken. De kerkenraad besloot de borden te verwijderen.

“Wat er van die borden terecht gekomen is, is onbekend. Een gedeelte zal ongetwijfeld opgegeten zijn door houtworm. Een ander gedeelte zal waarschijnlijk wel verbrand zijn. Gelukkig reisde rond 1790 een baron d’Yvoy door onze streken. In alle kerken waar hij kwam, tekende hij de toen aanwezige grafzerken, rouwborden en glas-in-lood ramen. Zodoende zijn er afbeeldingen bewaard gebleven van de Rijswijkse borden.”

Anna van Meerten

Hogendoorn beschrijft ook interessante zaken rond de grafkelder in de kerk. Deze bevond zich aan de noordzijde van het koor. Hij geeft aan dat het voor hem onbekend is wie er in deze grafkelder begraven zouden liggen, mogelijk de familie Goltsteijn. De op bladzijde 14 genoemde Albert moet niet verward worden met de man van Hillegonda van Meerten.4 In de kerk ligt ook Gijsbert van Hardenbroek begraven. De tekst in het boekje luidt als volgt:

“Een zerk met het alliantiewapen van Hardenbroek-van Bemmel, waaronder een catrouche in rolwerk tussen een cherub en een doodshoofd met het opschrift: “Int jaer onsse Heere Jesu Christ duysent ses ho[n]dert ende acht sterf ioncheer Gysbert van Hardenbrok maerschalk va[n] Abcaude e[n]de Eemlandt” Gijsbert van Hardenbroek werd maarschalk van Eemland in 1578, van Abcoude in 1584. Hij was eerst gehuwd met Christina van Gellecum. Daarna met Berta van Bemmel, Rijswijkse van geboorte en dochter van Heimerich en Anna van Meerthen. Ze overleden 24 januari 1606. In 1571 krijgt Gijsbert een aantal landerijen in erfpacht in de Breemaat. Na zijn dood gaan die over op zijn weduwe Bertha van Bemmel. Blijkbaar is Berta van Bemmel een heel stuk jonger dan haar man. In 1650 leeft ze nog en krijgt ze ruim 1 ½ ha. In het Neder Broek in erfpacht.”

Veel wordt er duidelijk uit dit citaat. Wie er echter overleden zijn op 24 januari 1606 wordt niet duidelijk. Gaat het hier om Heijmerick en Anna5 of om Christina van Gellicum (maar dan zou de meervoudsvorm niet passen)? Volgens een auteur van de Nieuwsbrief HKK&O zou het hier gaan om de overlijdensdatum van Bertha. Dan is het onjuist dat ze daarna nog leeft en moet de genoemde Bertha die een stuk land in erfpacht krijgt een andere zijn.6

Voetnoten

‘Elff hondt weijcamp met eenige bomen’ opgedragen aan Adriaen van Meerten (?-?)

De Osenvorenreeks, te vinden in de studiezaal van Historische Kring Kesteren en omstreken (HKKO), bevat een schat aan informatie voor genealogisch onderzoek. Hieronder wordt protocol 54 weergegeven uit dit Rechterlijk Archief Nederbetuwe. Het gaat over Het gaat over Adriaen van Meerten die een stuk land opgedragen krijgt.1

“D’erfgen: van Gisbert Henricksz hebben opgedraegen aen Adriaen van Meerten een weijcamp met eenige bomen beplant groot omtrent elff hondt daer oost Jan Rutgers, zuijden Henrick Joosten cum suis ende noorden de gemeente vermogens een brieff gedateert 11 Decemb: 1667. Geregt: ex- 30 Martij 1668.
#Transp:.#

Het gaat hier, omdat hij (en zijn vrouw) ook op de volgende bladzijde ter sprake komen, hoogstwaarschijnlijk om Adriaen van Meerten die getrouwd was met Anneke (Peters) van der Eem.2