Psychische gevolgen abortuspil lang onderschat

Het wetsvoorstel om de abortuspil bij de huisarts beschikbaar te krijgen, ligt nu bij de Eerste Kamer. De meningen zijn verdeeld. Nieuw Amerikaans onderzoek legt de vinger op de zere plek.

De CDC (Centers for Disease Control) melden dat in Amerika jaarlijks meer dan 1 miljoen zwangerschappen eindigen met een miskraam of doodgeboren kindje. Daarom wordt al jaren in oktober extra aandacht gegeven aan de pijn, de moeite en het verdriet van deze vrouwen met de ”Pregnancy & Infant Loss Awareness Month”.

“De studie laat zien dat een derde van de vrouwen na gebruikmaking van een medicamenteuze abortus (abortuspil) een negatief zelfbeeld hebben gekregen als gevolg van die ‘doe-het-zelf-thuisabortus'” De vrouw op de foto heeft geen relatie met het onderwerp. Bron: Pixabay.

Zelfbeeld

Uitgerekend in oktober van dit jaar verscheen er een nieuwe studie van de Amerikaanse non-profitorganisatie Support After Abortion, die mannen en vrouwen die worstelen met de gevolgen van een abortus helpt. Het is de eerste studie die uitsluitend de nadelige effecten van medicamenteuze abortussen onderzoekt. De studie laat zien dat een derde van de vrouwen na gebruikmaking van een medicamenteuze abortus (abortuspil) een negatief zelfbeeld hebben gekregen als gevolg van die ”doe-het-zelf-thuisabortus”.

Dat gaat namelijk zo. De eerste abortuspil wordt in een abortuscentrum ingenomen onder toezicht van een verpleegkundige. De tweede set abortuspillen wordt thuis toegediend door de zwangere vrouw zelf, waarna ze het kindje verliest. Hier is geen arts bij aanwezig. Deze werkwijze is in Amerika en in Nederland gelijk. Vrouwen kunnen bij de abortuspil niet boos worden op een ander die de abortus uitvoerde, maar enkel en alleen op zichzelf.

Counseling

Volgens Janine Marrone, oprichter van Support After Abortion, laat de studie ook duidelijk zien dat veel Amerikaanse vrouwen worstelen met de gevolgen van hun keuze voor abortus. Uit de nationale enquête blijkt namelijk dat 63 procent van de vrouwen na abortus hulp zocht of eigenlijk met iemand had willen praten. Slechts 18 procent van de vrouwen was zich bewust dat er zoiets als counseling na abortus bestaat.

Deze studie staat in schril contrast met hoe voorstanders en tegenstanders van abortus gewoonlijk abortusgerelateerde problemen duiden. Voorstanders in Amerika citeren vaak ”The Turnaway Study” om te kunnen beweren dat bijna geen enkele vrouw negatieve gevolgen van een abortus ervaart. Die studie heeft echter te maken met gebreken in de selectiecriteria, terwijl de nieuwe studie is gerandomiseerd in overeenstemming met demografische gegevens van het Amerikaanse CBS.

In Nederland wordt vaak het onderzoek van Jenneke Ditzhuizen onder 325 vrouwen aangehaald, om te onderbouwen dat vrouwen die psychische problemen krijgen na een abortus al psychische problemen hadden vóórdat de abortus plaatsvond. Echter, een veel groter Duits onderzoek uit 2019 onder 35.162 (!) vrouwen toonde juist het tegenovergestelde aan. Die studie wordt in Nederland genegeerd.

Trauma

Tegenstanders van abortus erkennen al lang dat abortusgerelateerde trauma’s bestaan; hun succesvolle behandelingsaanpak bestaat vaak uit persoonlijke, op geloof gebaseerde counseling en ondersteuning.

Volgens Lisa Rowe, CEO van Support After Abortion, leidt trauma vaak tot trauma: „Dit kan verklaren waarom 50 procent van de abortussen wordt ondergaan door vrouwen die al een eerdere abortus hebben ondergaan.” De erkende klinisch-maatschappelijk werker met een decennialange ervaring in het helpen van mensen die getraumatiseerd zijn door misbruik, verslaving en seksueel geweld zegt dat de campagne deze maand net zo goed bedoeld is voor vrouwen met problemen na abortus als voor vrouwen die worstelen na een miskraam of ander verlies. De methodiek, vragen, conclusies en gerelateerde documenten van deze studie zijn openbaar op de website van Support After Abortion.

In Nederland wil men huisartsen de mogelijkheid bieden om de abortuspil te verstrekken. Veel huisartsen blijken hieraan helemaal niet te willen meewerken. Ze vrezen, net als abortuscentra, dat dit een verslechtering van de procedure is.

Juist de stappen die in Nederland gezet zijn om de abortuspil eenvoudiger verkrijgbaar te maken (bovendien hoef je niet meer vijf dagen daarover na te denken), samen met de petitie om abortus uit het wetboek van strafrecht te halen, zetten vrouwen op het verkeerde been. Alsof een abortus een onschuldige ingreep zou zijn, te vergelijken met het nemen van een paracetamolletje. Dit onderzoek toont duidelijk het tegendeel aan. Het is tijd voor een pas op de plaats in ons land.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Helden, K. van, 2022, Psychische gevolgen abortuspil lang onderschat, Reformatorisch Dagblad 52 (166): 28-29 (artikel).

Over breinen en botten: konden oermensen praten? – Klaas Roos (MA) sprak op Nederlands congres d.d. 26 februari 2021

Op 26 februari 2021 organiseerde ik, Jan van Meerten, namens Logos Instituut, een congres over ‘Geloof en Wetenschap’. Taalkundige Klaas Roos (MA) sprak over taalwetenschap en paleoantropologie in een lezing met als titel ‘Over breinen en botten: konden oermensen praten?’ Deze video is, met dank aan Geloofstoerusting, opgenomen en hieronder te bekijken.

Vuur, maar weinig licht – Bespreking ‘Vuur dat nooit dooft’

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ”Vuur dat nooit dooft” is een verwarrend boek. Hoewel aangeprezen als „onmisbaar”, een „must have” en getipt voor het beste theologische boek van het jaar, maakt het deze kwalificaties helaas niet waar. Het helpt christenen niet verder in de bezinning op de thema’s seksualiteit en gender. De reden? De auteurs luisteren te veel naar de cultuur en te weinig naar de Bijbel.

René Erwich en Almatine Leene beogen vier doelen met ”Vuur dat nooit dooft”. Ze willen de huidige maatschappelijke context duiden, een historisch overzicht geven, wetenschappelijke benaderingen bespreken en theologische inzichten delen. Ten dele slagen ze daar ook in. Het boek bevat verschillende interessante en leerzame gedeelten waar de lezer zijn winst mee kan doen. Zo biedt hoofdstuk 2 een overzicht van visies op gender en seksualiteit door de eeuwen heen, maakt hoofdstuk 3 inzichtelijk hoe de wetenschappelijke omgang met gender zich ontwikkeld heeft en biedt hoofdstuk 5 een nuttige bespreking van de geweldige impact van pornografie.

Maar naast de genoemde vier doelen hebben de auteurs nog een vijfde doel. Hoewel ze heel bescheiden stellen slechts een „beetje orde in de verwarring te willen scheppen”, worden ze gedreven door een heel duidelijke missie, een missie die als een rode draad door het boek loopt – en dat is het ter discussie stellen van gevestigde patronen binnen de christelijke traditie, zoals binair denken en heteronormativiteit. Dat maakt het vanaf het begin een gekleurd boek. Terecht merkte dr. Yme Horjus op dat de conclusies al van tevoren vaststonden. Wat betreft gender vinden de auteurs dat man en vrouw „geen binair en polair gegeven” is, maar een „continuüm waarbinnen ruimte voor diversiteit is.” Er bestaan volgens hen „veel meer geslachtsvariaties dan slechts de mannelijke en vrouwelijke vorm.” Het „krampachtige binaire denken rondom gender” zou opgegeven moeten worden. Die aanname –die uiteraard een keuze is– leidt ertoe dat de auteurs sympathiek staan tegenover gendertransitie en homoseksualiteit.

Helaas heeft ”Vuur dat nooit dooft” de nodige kritiekpunten. Allereerst ontbreekt het dit boek aan een duidelijke eigen visie. De uitgave had aan kracht gewonnen als de auteurs minder zouden zijn teruggevallen op andere schrijvers en gewoon hun eigen verhaal geschreven hadden. Te vaak heeft het boek het karakter van een omgevallen boekenkast waarbij zo veel mogelijk visies aan het woord moeten komen. Daarnaast is het lezen van deze studie bij tijden een vermoeiende exercitie. Geregeld zijn zinnen verwarrend geconstrueerd, zodat je je afvraagt wat er nu precies bedoeld wordt. Wat bijvoorbeeld te maken van deze zin op blz. 63-64: „De ‘regie’ van de man werd steeds minder onderworpen aan de vormgevingseisen, waarbij voorheen, voordat de biologie zich ermee bemoeide, altijd een of andere medische rechtvaardiging had bestaan”? Daarnaast worden er regelmatig balletjes opgeworpen die vervolgens niet uitgewerkt worden.

Veel bezwaarlijker dan deze stilistische mankementen zijn echter de inhoudelijke bezwaren die tegen het betoog van de auteurs ingebracht moeten worden. De auteurs gaan tamelijk kritiekloos en naïef mee in het huidige discours over gender en seksualiteit zonder de fragwürdige aannames die daaronder liggen bloot te leggen. Het is een verbijsterende lacune dat de magistrale studie van Carl Trueman –die dat wél deed– niet eens aangehaald wordt door de auteurs. Enige vorm van cultuurkritiek ontbreekt vrijwel geheel.

Wat ook ontbreekt, is een helder normatief kader. De auteurs zijn vuurbang voor het vingertje. Ze maken al gelijk aan het begin duidelijk dat ze vooral niet willen voorschrijven. Als je op zoek bent naar een ethisch kader „moet je elders zijn.” Voordat je het weet zijn we moralistisch bezig; het gaat immers zo vaak al over grenzen. Tja, als zelfs theologen het daar niet meer over mogen hebben, wie dan nog wel?!

Maar hoe kan het anders als je de theologische vooronderstellingen aanhangt die Erwich en Leene aanhangen? Daar liggen de grootste vragen. God, geloof, theologie en seksualiteit hebben „met elkaar te maken”, maar over het hoe blijft veel onduidelijk. Dat is volgens de auteurs dan ook „niet eenvoudig” en veel hangt daarbij af van de „bril waarmee we de Bijbel lezen.” De auteurs geven aan dat ze de Bijbel niet willen lezen als een „wetboek” (wie wel? vraag je je af). In plaats daarvan stellen ze voor de Bijbel te lezen vanuit het kader van „verlangen”: het verlangen van God naar de mens en het menselijk verlangen naar relationaliteit.

Mijns inziens wordt de Schrift zo in een jas gestopt die slecht past. Niet dat verlangen niet belangrijk is, maar het is een thema dat in het geheel van de Schrift een bescheiden rol speelt en zeker geen kernthema is. Erger nog is dat met behulp van deze benadering de inhoud en zeggingskracht van Bijbelteksten gerelativeerd of geherinterpreteerd worden. Dat wordt duidelijk zichtbaar bij de behandeling van homoseksualiteit. Bij de zonde van Sodom zou het niet zozeer om homoseksualiteit gaan, maar om gebrek aan gastvrijheid. Deze exegese deugt beslist niet. In het licht van de heiligheidscode uit Leviticus (hoofdstuk 17-26) en de interpretatie hiervan bij Ezechiël wordt duidelijk dat het wel degelijk om seksuele zonde ging, in het bijzonder homoseksuele handelingen. Bovendien blijkt dat God al voor het betoonde gebrek aan gastvrijheid van plan was Sodom en Gomorra te verdelgen.

Als het gaat om Paulus’ visie op homoseksualiteit wordt weer eens de bewering gedaan dat het hier niet om homoseksualiteit als zodanig zou gaan, maar vooral om misbruik en exploitatie (van bijvoorbeeld jongens, zogenoemde pedasterie). Maar er is niets in Romeinen 1 wat aanleiding geeft tot de gedachte dat er sprake is van machtsmisbruik; alles wijst erop dat het seksuele handelen plaatsvindt in een sfeer van gelijkwaardigheid en wederzijdse instemming. Het zijn exegeses die al lang grondig weerlegd zijn; ook Ad de Bruijne –die zelf geen bezwaar heeft tegen homoseksuele relaties– is er in zijn recente studie over homoseksualiteit duidelijk over dat de Schrift alle vormen van homoseksueel gedrag veroordeelt.

Selectief

De auteurs geven er geen blijk van op de hoogte te zijn van hoogwaardige studies als die van Robert Gagnon, gaan vrijwel niet in interactie met andere stemmen, maar zijn heel selectief in hun literatuurkeuze. Zo wordt een echt debat uit de weg gegaan en wordt het preken voor eigen parochie. Je vraagt je af wat er zo nog overblijft van de helderheid (”claritas”) en vooral het gezag van de Schrift. In plaats van de wat vreemde keuze voor ”verlangen” als leidend motief, hadden de auteurs beter in kunnen steken met de klassieke trits schepping-val-verlossing. Echter, de schepping wordt gerelativeerd en het effect van de (zonde)val wordt compleet genegeerd. Dan zijn we mijlenver verwijderd van de klassiek-christelijke visie en is het niet vreemd dat dit boek zo weinig zeggingskracht heeft.

Je zou graag willen dat er iets minder aandacht was voor diversiteit en iets meer voor de zo broodnodige normativiteit. Daarvoor moet je niet bij Erwich en Leene zijn. Volgens de auteurs gaan we nu eenmaal struikelend door het leven – en ik kan helaas niet anders dan toestemmen dat er in dit boek heel wat gestruikeld wordt. Ja, het is waar, bij een complex thema als seksualiteit en gender zijn „antwoorden niet altijd te geven”, maar ik ben ervan overtuigd dat er in het licht van de Bijbel heel wat meer te zeggen is dan Erwich en Leene doen.

Dit boek draagt niet bij aan een helder getuigenis over Gods bedoeling met gender en seksualiteit, maar vergroot de verwarring veeleer. Het geeft wel vuur, maar weinig licht. Hooguit zal het hen die al ‘om’ waren, bevestigen in hun gelijk. We snakken ondertussen naar een boek in Nederland dat ons met kennis van zaken en trouw aan de Schrift en de christelijke traditie wel de weg kan wijzen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2022, Vuur, maar weinig licht, Reformatorisch Dagblad 52 (201): 26-27 (artikel).

Heeft dr. Prosman het boek gelezen met één oog dicht? – Een Twitter-draad van dr. René Erwich als reactie op een recensie in De Waarheidsvriend

Het boek ‘Vuur dat nooit dooft’ lijkt een steen in de vijver van de Gereformeerde Theologie te worden.1 De Gereformeerde Gezindte zou op het gebied van seksualiteit hoognodig moeten ‘omdenken’ (p. 37). Helaas voor de auteurs blijkt niet iedereen in de Gereformeerde Gezindte dat van plan te zijn. Eén van de auteurs van het genoemde boek, hoogleraar praktische theologie dr. René Erwich, reageert daarom als in de spreekwoordelijke wiek geschoten op theologen die het oneens zijn met het boek. Systematisch theoloog dr. Jan Hoek2 zou last hebben van een ‘normatieve reflex’ en ’empirie allergie’.3 Theoloog dr. Yme Horjus4 ‘smeert het debat dicht’ en haalt ‘zijn bekende eenzijdige kijk op wat een ‘echt’ theologische discussie is’ van stal.5 Theoloog dr. Ad Prosman6 zou het boek gelezen hebben ‘met één oog dicht’7 en zijn recensie ‘dient niemand, ook uw achterban [die van De Waarheidsvriend, JvM] niet’.8 Op de recensie van classicus en theoloog dr. Benno Zuiddam9 hoopt dr. Erwich nog te reageren.10

Nu kan ik mij voorstellen dat de emotie komt bovendrijven als een jarenlang project wordt aangepakt. Zo’n boek is immers toch je kindje geworden. Wanneer het gesprek wordt platgeslagen met dergelijke emoties wordt het ‘open gesprek’ niet verder geholpen. Vandaag plaatste ik een drietal recensies, van dr. Prosman, dr. Horjus en dr. Zuiddam.11 Via LinkedIn kreeg ik reactie van dr. René Erwich, een van de auteurs van het boek ‘Vuur dat nooit dooft’. Hij schreef:

“Graag ook onze reactie op dit artikel overnemen om eenzijdige beeldvorming en het gemakkelijk wegzetten van zaken te voorkomen. Dat doet het debat recht.”

Met dat laatste ben ik het eens, als er reacties zijn dan moeten die ook weergegeven (of er liever naar verwezen) worden. Bij navraag via LinkedIn bleek de recensie van dr. Ad Prosman in De Waarheidsvriend te worden bedoeld met ‘dit artikel’. Zelf was ik niet bekend met een officiële reactie van de auteurs op dit artikel dan alleen een Twitter-draad van dr. René Erwich. Kan dat als officiële reactie gezien worden? Volgens dr. Stefan Paas is een (opinie)artikel toch echt iets anders dan een tweet (of Twitter-draadje). En dat ben ik het met dr. Paas eens. Social media is in mijn ogen veel vrijblijvender en vluchtiger.12 Dr. Erwich ziet de Twitter-draad echter als officiële reactie op de recensie. In een vervolgreactie schrijft dr. Erwich nog:

“Jan van Meerten, wellicht vrijblijvend maar niet minder fundamenteel, zou fijn zijn als die reactie vermeld werd. Lijkt me ook gewoon eerlijker. Horjus, Prosman en Zuiddam melden zich vanuit een specifieke hoek en dat is prima, maar dan ook de andere geluiden laten horen s.v.p.”

Ik ben het eens met het feit dat er verwezen moet worden naar de reacties, om zo de discussie inzichtelijk te maken en de standpunten eerlijk weer te geven. Dat wil niet zeggen dat we met Fundamentum alle meningen maar een podium zouden moeten geven. Fundamentum is niet een neutraal christelijk platform waar de pluriformiteit van aardse kerkgenootschappen zichtbaar zou moeten worden. We staan ergens voor! Bij Fundamentum wijzen we bijvoorbeeld homoseksuele praxis af als zonde (op de manier van Johannes 8)13 en geven we een pastoraal bewogen getoonzette ‘nee’ bij transitie.14 Daarnaast belijden en verdedigen we bijvoorbeeld een zesdaagse schepping, historische zondeval en een wereldwijde zondvloed.15 Uiteraard moeten we deze standpunten op een gedegen wijze beargumenteren met het oog en een toonzetting gericht op het zielenheil van de naaste. Dat wil niet zeggen dat we allerhande meningen in artikelvorm overnemen op onze website. Om tegemoet te komen aan het verzoek van de auteur hieronder een weergave van de Twitter-draad in verhaalvorm. Dit doe ik zonder inmenging of annotaties. Zelf heb ik het boek bijna uitgelezen en hoop ik, als de Heere leven en gezondheid geeft, hiervan een recensie te maken. De recensie zal hoogstwaarschijnlijk negatief zijn, heb het boek namelijk met gemengde (maar vooral negatieve) gedachten gelezen.

Reactie van dr. René Erwich op Twitter

Dr. René Erwich reageerde op Twitter in een paar korte statements op de recensie van dr. Ad Prosman in De Waarheidsvriend n.a.v. het boek ‘Vuur dat nooit dooft’. Hij geeft aan dat hij de reactie ook namens dr. Almatine Leene geeft. Hieronder in quote-vorm zijn hele reactie.16

Onze reactie op dr. Prosman in De Waarheidsvriend op ‘Vuur dat nooit dooft’ in een paar korte statements:
(1) Wij beweren in het boek niet dat er afscheid genomen moet worden van binair denken, wel een relativering van dat denken.
(2) Wij schrijven nergens dat de Bijbel verantwoordelijk is voor allerlei onderdrukkingsmechanismen; wel zijn we van mening dat specifieke interpretaties van met name het OT hebben bijgedragen aan onderdrukking van vrouwen.
(3) We presenteren in het boek het resultaat van een lezing van een aantal teksten en thema’s uit de Bijbel; Prosmans bewering dat onze interpretatie van data en de optelsom van OT/NT m.b.t. seksualiteit samen de emancipatiebehoefte van vandaag realiseert, is ronduit ongefundeerd.
(4) Prosman heeft wellicht een cursus ‘closereading’ nodig. Hij ziet geen onderscheid tussen het citeren van of verwijzen naar een wetenschappelijke bron enerzijds en de mening van ons als auteurs anderzijds (Vuur dat nooit dooft, p. 167, voetnoot 146).
(5) Wij beweren dat de menselijke seksualiteit een herrijking nodig heeft vanuit een trinitarisch perspectief, dit i.p.v. een eenzijdige inbedding in Grieks-Romeinse dualistische concepten. Dat is dus wat anders dan dat wij alles als dualistisch wegzetten.
(6) Wij beweren dat het krampachtige binaire denken moet worden opgegeven vanwege het herscheppende en transformatieve werk van de Geest. Prosmans interpretatie dat volgens ons het binaire man-vrouw denken moet worden opgeheven delen wij niet. Zijn analyse is incorrect.
(7) Prosman claimt dat ‘wie verlangen als criterium en leidraad kiest, (die) baant de weg voor homoseksualiteit…’. Wij bedoelen alleen dat ‘verlangen’ een sterk grondmotief is dat haar inbedding en zuivering vindt in relatie tot de Opgestane en Zijn Geest.
(8) Ten slotte: De Waarheidsvriend, het zou uw blad zieren als u iets zorgvuldiger te werk gaat in het recenseren van deze literatuur en iets zorgvuldiger leeswerk verricht voordat u de zaak affakkelt. Dat dient niemand, ook uw achterban niet.

De reactie op de recensie van dr. Ad Prosman is daarmee niet mals. Bij het vierde statement van de auteurs staat een verwijzing naar voetnoot 146 van het boek Vuur dat nooit dooft. Voor de volledigheid, in deze voetnoot staat het volgende:

Jennings (Jennings, 2019) wijst in zijn uitvoerige bijdrage over homoseksualiteit ook op een groot aantal andere teksten in de Bijbel en voorbeelden waarin homoseksualiteit op een of andere wijze naar voren lijkt te komen, en niet enkel in teksten uit het Nieuwe Testament. In dit verband gaat hij in op de liefdesrelatie tussen Ruth en Noömi (Ruth 1:16-17). De beide vrouwen moeten volgens Jennings hun relatie verborgen houden in een patriarchale samenleving en met dat doel heeft Ruth geen andere optie dan hun overleven veilig te stellen door een relatie met Boaz aan te gaan. Interessant is het commentaar in Ruth 4:14. Ruth slaapt met Boaz, raakt zwanger en baart een zoon. De omstanders getuigen dan tegen Noömi: ‘Geprezen zei de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan! Hij zal je je levensvreugde teruggeven en je onderhouden als je oud bent, want je schoondochter, die je liefheeft en die meer waard is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.’ De vreugde over de geboorte van de zoon richt zich niet op Boaz, maar op het feit dat Noömi een zoon heeft gekregen. Dat is een opmerkelijk commentaar in de tekst. Jennings interpretatie is boeiend en vraagt om verdere reflectie. Uiteraard komen achtereenvolgens ook de relatie tussen David en Jonathan aan de orde (1 en 2 Samuel), de centurio die Jezus vraagt om hulp voor zijn zieke knecht (Mat. 8) en het verhaal over de Ethiopische eunuch (Hand. 8:26-39). Jennings wijst ook op een mogelijke queer-lezing van teksten waarin de relatie tussen God en het volk Israël wordt beschreven. Hierbij is het volgens Jennings van belang om te zien dat bijvoorbeeld bij de profeten Amos en Hosea, maar zeker ook bij Jeremia en Ezechiël, de relatie tussen God en zijn volk vaak sterk gefeminiseerd wordt, God is vaak de jaloerse en benadeelde echtgenoot die moet omgaan met een overspelig Israël.

De volledige bronvermelding van Jennings 2019 is niet te vinden of het moet gaan om Jennings 2017. Dan luidt de volledige bronvermelding: Jennings, T.W., 2017, ‘Same-seks Relations in the Biblical World’, in: Thatcher, A. (ed.), The Oxford Handbook of Theology, Sexuality, and Gender (Oxford: Oxford University Press), blz. 206-221. Kennelijk hebben dr. Ad Prosman of de redactie van De Waarheidsvriend nog niet gereageerd op deze Twitter-draad. De auteur stelt voor om een briefwisseling op te starten in De Waarheidsvriend. Hij schrijft via Twitter:17

Voorstel: we openen een open briefwisseling in De Waarheidsvriend over de verschillen van inzicht om zo een goed gezamenlijk beeld te krijgen? Kunnen dr. Prosman, dr. Leene en ik het debat goed voeren op argumenten. Minder kun je toch niet verwachten als het zo belangrijk is!

Het voorstel van dr. René Erwich is een prima voorstel om op in te gaan. Wellicht komt deze briefwisseling nog eens tot stand of is inmiddels al afgesproken het zó of op een andere manier te doen. Laat het inhoudelijke debat maar gevoerd worden.

Voetnoten

Sprookjesboek – Bespreking ‘Vuur dat nooit dooft’

René Erwich, hoogleraar praktische theologie, en Almatine Leene, predikant in de GKv, vatten een paar jaar geleden het plan op om de kerken te dienen bij het nadenken over gender en seksualiteit. Dat resulteerde onlangs in de uitgave van het boek Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit & theologie in gesprek. Helpt dit boek de kerken verder?

Opvallend is dat de beide auteurs niet uitgaan van het bestaan van twee geslachten, man en vrouw, maar kiezen voor een zogenoemde fluïde (vloeibare) benadering van gender en seksualiteit (p.31). ‘Gender zit tussen je oren en niet tussen je benen’, zeggen ze (p.72), waarbij hun taalgebruik wel iets zegt over hun sociaal-maatschappelijke oriëntatie.

De auteurs menen dat alle transgender zelfidentificatie (= zelf bepalen of je man, vrouw of iets anders bent) een vorm van geslachtsvariatie is, punt. Pluriforme genderidentiteit (het bestaan van allerlei genders) leidt volgens hen tot een prachtige theologische verdieping, waarbij al het mannelijke en vrouwelijke in iedereen uiteindelijk zijn bestemming vindt in Christus. (p.240)

Eros

Het gaat in dit boek ten diepste om eros, seksueel verlangen met een onlosmakelijke lichamelijke component. Volgens Erwich en Leene heeft dit verlangen een normatieve functie: ze zien de mens met zijn gevoelens als normatieve genderidentiteit en dat bepaalt uiteindelijk wat ethisch gewenst is. Dat de Bijbel ook spreekt over liefde in brede zin (het verlossende agape voor een gevallen wereld, ook in seksueel opzicht), over Adam als het mannelijke verbondshoofd en over een ordening van de samenleving volgens de schepping – dat is voor de auteurs niet van belang. Waar de Schrift in deze patriarchale termen spreekt, beoordelen ze dat negatief en als cultureel bepaald. (p.159) ‘Feitelijk is dit een vorm van seksisme, het bevoorrechten van een geslacht boven een ander geslacht en dat heeft veel invloed gehad en heeft dat nog steeds.’ (p.38) Zowel de Bijbel als de christelijke liturgieën en liederen staan hier schuldig voor het aangezicht van de auteurs.

Geslachtsblindheid

Het boek volgt kritiekloos de theorie van Thomas Laqueur.1 De auteurs menen dat mannelijk en vrouwelijk slechts principes zijn en geen seksen (p.51). Het verschil zou gradueel zijn: ‘er is één geslacht en dat is mannelijk. Pas rond 1800 veranderde deze gedachte’. Dit is wel een zeer verwarde kijk op de opvattingen van vroegere geslachten.

Het principiële probleem dat ook hier terugkeert is dat de auteurs de theologische notie van het verbond niet verdisconteren. Ook hun taalkundig geheugen is kort. Tot in de twintigste eeuw beschouwde men het vrouwelijke als bij het mannelijke inbegrepen. Er is in de Schrift en de Westerse traditie weliswaar sprake van één menselijk geslacht (of bloed, vgl. Hand. 17:26), maar zowel theologisch, biologisch als sociaal werd dit altijd strikt gescheiden in mannelijk en vrouwelijk.

Het menselijk denken, ons kijken naar de werkelijkheid en de taalkundige uitdrukking ervan, verloopt al duizenden jaren in termen van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Dat de wereld vanaf de Franse Revolutie de man niet meer ziet als verbondshoofd van de schepping, die verantwoording aan God schuldig is, moge duidelijk zijn. Maar dat betekent geenszins dat de westerse samenleving pas rond 1800 begon te denken in termen van mannelijk en vrouwelijk. Wie dat zegt, heeft nooit echt Grieks, Latijn, Frans of oudere vormen van Nederlands gestudeerd. Daarbij: alleen al de middeleeuwse kerkelijke regels over intersekse (hoogst uitzonderlijke gevallen waarbij iemand met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken ter wereld komt) laten zien dat het denken in twee geslachten – mannelijk en vrouwelijk – ook voor 1800 voluit normatief was. Na de puberteit moest men zich conformeren aan zijn/haar biologische geslacht en daarbij blijven.

Vaagheid

Naar duidelijke seksuele moraal en normativiteit zoekt de lezer in dit boek tevergeefs. De hoofdregel is dat er geen sprake mag zijn van misbruik of ongewenstheid. De theologie heeft als gesprekspartner slechts te zeggen dat wederkerigheid van seksueel verlangen als lichamelijke expressie belangrijk is (p.201). Zou iemand die onbevangen het Nieuwe Testament leest ook tot die conclusie komen?

Een seksueel actieve Jezus is in dit boek kennelijk een optie. De auteurs spreken van ‘een al dan niet gehuwde Christus’ en ‘Christus als huwelijkspartner vooral in metaforische zin’ (p.151). Daarbij geven ze de indruk zich te distantiëren van de vroege kerk. De superioriteit van het celibatair leven zoals bepaalde kerkvaders dit voorstonden, was ‘gebaseerd op hun overtuiging dat Jezus niet getrouwd was’ (p.151).

Schriftgebruik

Het boek kenmerkt zich door situatie-ethiek, dat wil zeggen dat er geen vaste waarheid of normatieve ethische handelwijze is die overal voor alle mensen geldt. Het benadert de Schrift exegetisch niet als eenheid, als Godspraak van de Geest. Veel wat de auteurs niet uitkomt, verwerpen ze als achterhaald of cultureel bepaald. Paulus’ veroordeling van homoseksualiteit op grond van Gods natuurlijke openbaring (Rom. 1) wordt bij Erwich en Leene: ‘Paulus richt zich tegen homoseksuele activiteit waarin sprake is van misbruik en exploitatie’ (p.166). Natuurlijk doet de apostel dit impliciet ook, maar de tekst verwerpt homoseksueel gedrag van mannen en vrouwen expliciet op grond van Gods scheppingsbedoeling.

Een tekst die de auteurs past, ontvangt daarentegen de hoogste lof zonder dat de tekstuele context verrekend wordt. Zo wordt 1 Korintiërs 7:4 (‘ook de man beschikt niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw’) geprezen als zeer revolutionair, want in de Romeinse wereld zou seksualiteit een uitdrukking van macht zijn geweest ‘van mannen naar vrouwen’ (p.159). Ten diepste is dit een biblicistische benadering, een vorm van liberaal buikspreken die teksten losmaakt uit het denken van de Schrift en integreert in een andere levens- en wereldbeschouwing.

Historisch brongebruik

De selectieve omgang met primaire bronnen beperkt zich niet tot de Bijbel. De auteurs menen blijkbaar dat ze op deze wijze ook mogen omgaan met de kerkgeschiedenis. Ik geef een aantal voorbeelden van wat de auteurs zeggen en vergelijk dat met de werkelijkheid zoals die uit de kerkelijke bronnen blijkt.

Geen echtelijk verkeer voor geestelijken?

‘In 303 werd al geëist dat zowel bisschoppen, priesters en diakenen, alsook geestelijken die aan het altaar dienen zich
onthielden van echtelijk verkeer en moesten ophouden met het verwekken van kinderen’ (p.53).

De werkelijkheid: de vroege kerk kende geen algemeen verbod op seks voor geestelijken. Erwich en Leene zeggen niet wie of welke vergadering dit eiste, maar bedoelen waarschijnlijk de synode van Elvira (al dateren ze die elders in 306). Veel geleerden plaatsen de synode niet in 306 maar tussen 300 en 303, voor de grote vervolging onder keizer Diocletianus.) Het gaat hier hoe dan ook om een regionale kerkelijke wet die ingegeven was door een specifieke historische situatie waarin men het onverantwoord vond om zijn vrouw zwanger te maken. De inhoud van canon (regel) 33 is een logisch uitvloeisel van Mattheus 24:19 (‘Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen’) en 1 Korintiërs 7:29 (‘Laten zij die vrouwen hebben, voortaan zijn alsof ze die niet hebben’). Zelfs het middeleeuwse canonrecht (bijv. Hostiensis, Lectura X 3.34.7) behandelt echtelijk verkeer binnen het huwelijk als een verplichting die ook aan de vrouw verschuldigd is. Wel kwam er uit hygiënische overwegingen een verbod op seksuele omgang van geestelijken voorafgaand aan de eucharistiebediening.

Geen seks in het decanaat?

‘Op het concilie van Elvira in 306 werd besloten dat hogere geestelijken (paus, dekens en bisschoppen) zich moesten onthouden van seks’ (p.53).

De werkelijkheid: Elvira was een regionale synode in Spanje die geen besluiten nam voor de hele kerk. Het besluit waarvan de auteurs hier spreken is overigens niet terug te vinden in de canones van Elvira. Bovendien: de paus bestond in 306 nog niet, alle metropolieten werden ‘paus’ genoemd. Ook dekens bestonden in 306 niet. Het decanaat is een organisatievorm die pas in de negende eeuw in Frankrijk ontstond en zich daarna over de westerse kerk verbreidde. Dat er getrouwde bisschoppen waren, is goed gedocumenteerd. De Westerse Kerk telde tot ver in de middeleeuwen pausen die getrouwd waren: Adrianus II (867–872) leefde met zijn vrouw in het Lateraanse paleis, Johannes XVII (1003) trouwde voordat hij gekozen werd tot bisschop van Rome. Dat een bisschop ‘de man van één vrouw’ moet zijn (1 Tim. 3:2) werd door de kerk niet in twijfel getrokken.

Zelfverminking Origenes?

‘Bijvoorbeeld de kerkvader Origenes (184-253) die zichzelf castreerde. Daar kreeg hij later spijt van, want
zo hoefde hij het gevecht met seksuele begeerten niet meer aan te gaan’ (p.54).

De werkelijkheid: In zijn late werk over het gebed (De Oratione XX.1) schrijft Origenes dat iemand die gecastreerd is niet in de kerk mag komen. Dit maakt zijn zelfcastratie historisch onwaarschijnlijk. Dat hij er later spijt van kreeg omdat hij graag de strijd aan wilde gaan tegen seksuele begeerten is een psychologisch inzicht van Erwich en Leene dat niet te herleiden is tot het werk van Origenes.

Zelfcastratie wenselijk?

‘De gedachte dat Jezus snel zou terugkomen had vooral aan het begin van de kerkgeschiedenis grote invloed. Het krijgen van kinderen was dan immers minder belangrijk. Het huwelijk bevolkt de aarde, maagdelijkheid de hemel en die hemel was voor veel mensen de belangrijkste prioriteit. Zelfcastratie was daarom wenselijk’ (p.55).

De werkelijkheid: wie aan zelfcastratie deed kwam onder tucht en mocht geen priester worden (canon 1 van Nicea 325). Kerkvaders als Chrysostomos spraken in dit verband van ‘moordenaars van Gods schepping’.

Transitie door onthouding?

‘Seksuele onthouding bood mensen met een lage status (vrouwen, armen en ongeschoolden) de mogelijkheid om een held te worden. Deze maagden hadden volgens Clemens hun seksualiteit overwonnen en daardoor konden zij mannelijke functies bekleden in de kerk. Ze werden niet langer als vrouwen gezien, maar als leden van een derde gender’ (p.56).

De werkelijkheid: Een derde gender dat toelating geeft tot de kerkelijke ambten is niet terug te vinden bij Clemens van Alexandrië, maar is een radicale feministische (her)interpretatie van zijn werk door de historicus April DeConick. De vroegkerkelijke schrijvers zijn eenduidig: de kerkelijke ambten zijn voorbehouden aan mannen die aan de voorwaarden voldoen. Er is geen derde sekse van vrouwen die een transitie tot man hebben ondergaan.

De vrouw een mislukte man?

‘De gedachte dat vrouwen eigenlijk mislukte mannen waren, zoals men in de oudheid al dacht, vind je dus terug in de vroege kerkgeschiedenis’ (p.56).

De werkelijkheid: Hiëronymus schreef aan een moeder die de maagdelijkheid van haar dochters wilde beschermen. Daarvoor geeft hij praktische tips. Het vrouwenlichaam is zo uiterst mooi en aantrekkelijk dat het tot zonde of een legitiem huwelijk kan verleiden. Wie maagd wil blijven, moet zich daarvan bewust zijn en ingetogen optreden uit zelfbescherming.

Prostitutie noodzakelijk?

‘De visie van de kerkvaders had ervoor gezorgd dat het huwelijk in de Middeleeuwen lange tijd werd veracht… Prostitutie was soms noodzakelijk omdat men niet wilde dat het zaad van een man verspild werd…’ (p.57).

De werkelijkheid: Hoewel de overheid dikwijls een tolerant beleid voerde, veroordeelden de middeleeuwse kerkelijke
canonregels seks buiten het huwelijk; seks met een prostituee gold als verzwarende omstandigheid.2 De canonregels eisten overigens zwaardere straffen voor bezoekers van prostituées en eigenaren van hoerenhuizen dan voor de betrokken vrouwen.

Conclusie

Vuur dat nooit dooft schept eigen waarheden in zijn omgang met de Schrift en de kerkgeschiedenis. Wie serieus beweert: dat de Kerk zelfcastratie wenselijk achtte, prostitutie noodzakelijk vond om geen zaad te verspillen, en vrouwen beschouwde als mislukte mannen die via seksuele onthouding konden uitstijgen tot een derde gender – doet niet aan wetenschap maar schrijft een sprookjesboek. Daarmee zijn de kerken niet gediend. Het boek wil helpen het open gesprek over seksualiteit serieus te voeren, ook als er verschil van inzicht blijft bestaan (p.249). Deze recensie bewijst dat het in ieder geval in dat opzicht geslaagd is.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Nader Bekeken. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2022, Sprookjesboek, Nader Bekeken 29 (9): 304-308.

Boek ‘Vuur dat nooit dooft’ vermijdt echt theologische discussie

Er is een zeer sterke neiging zichtbaar om mensen die zich rekenen tot de lhbtiq+-gemeenschap ook vanuit de kerkelijke wereld met compassie en meeleven te bejegenen. Maar mag de Schrift daarbij zijn eigen zeggingskracht behouden?

Het boek ‘Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit en theologie in gesprek’ van prof. dr. René Erwich en dr. Almatine Leene (RD 24-6 en 8-8) heb ik kort na de verschijning van voor naar achter gelezen. Opvallend is dat het boek bijna geheel is gewijd aan de genderproblematiek, terwijl de titel is ontleend aan Hooglied 8:7 en 8, dat één grote ode is aan de liefde tussen man en vrouw (M en V).

Het is mij duidelijk geworden dat de auteurs van ‘Vuur dat nooit dooft’ ruimte zoeken voor alle mogelijke genderuitingsvormen. Een woordvoerder van de organisatie van de Canal Pride in Amsterdam verklaarde op tv dat nu alle letters van het alfabet bij deze manifestatie wel zo’n beetje vertegenwoordigd waren. Het is voor mij echter de vraag of deze ‘rek’ aanwezig is in het Hooglied. Maar de titel van het boek is daar wel aan ontleend!

Maar één conclusie

Het boek is één grote hoeveelheid citaten van vele auteurs. Het toont een enorme belezenheid, die breed wordt uitgestald. Veel mensen zullen erdoor geïmponeerd raken, om niet te zeggen overweldigd. Ik las al ergens dat iemand het boek een ”must have” had genoemd.

Ik begreep dat bij de presentatie nadruk werd gelegd op het niet innemen van standpunten. Dat bevreemdt mij, want de opbouw van het boek is van dien aard dat mensen op grond van het aangedragen materiaal eigenlijk maar één conclusie kunnen trekken: er moet in kerk en samenleving ruimte komen voor alle lhbtiq+-ers en men zou in de kerkelijke wereld niet al bij voorbaat een anti-houding moeten aannemen.

Hermeneutische sleutel

Mij echter overtuigde het boek eigenlijk niet. Ik kwam erachter dat de conclusies ervan al van tevoren vaststonden. De schrijvers kozen voor „het narratief van verlangen” dat in de Bijbel verankerd zou liggen. Dat is hun hermeneutische sleutel. Daarmee hopen ze dat alles wat ze schrijven plausibiliteit krijgt.

In de aanvulling van de auteurs (RD 8-8) op het verslag van de boekpresentatie (RD 24-6) wordt gesteld dat de normativiteit van de Schrift in gesprek moet worden gebracht met inzichten uit andere wetenschappen. Dat lijkt me een goed uitgangspunt, maar hoe voorkomen we dat de Bijbel meteen wordt weggeblazen? Mag de Schrift zijn eigen zeggingskracht behouden?

Onoverkomelijk

Een werkelijk theologische discussie gaan de schrijvers naar mijn opvatting uit de weg. Serieuze tegenspraak komt niet in het boek voor. Ik ben benieuwd naar wat het voor de auteurs betekent dat „zulke mensen (onder anderen mannen die met mannen slapen) het Koninkrijk van God niet zullen beërven” (1 Korinthe 6:10).

Feitelijk is dit een tuchtuitspraak. Ik kan mij niet voorstellen dat andere wetenschappelijke disciplines het gesprek willen en kunnen aangaan over deze uitspraak van Paulus, die niet getuigt van enige acceptatie. In het Bijbels-theologische hoofdstuk geven de schrijvers geen bevredigend antwoord op dit punt, dat voor velen wél onoverkomelijk is in zo’n genderdiscussie.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Horjus, Y., 2022, Boek ”Vuur dat nooit dooft” vermijdt echt theologische discussie, Reformatorisch Dagblad 52 (112): 25 (artikel).

Als geslacht niet meer telt – René Erwich en Almatine Leene banen de weg voor alle vormen van seksualiteit

Twee theologen van orthodoxe huize schreven een boek over seksualiteit. Zij wilden over deze materie een compleet boek schrijven, maar het gevolg is dat de ene gedachte over de andere buitelt. Menige lezer zich zal afvragen wat de auteurs met Vuur dat nooit dooft beogen.

In het boek van René Erwich en Almatine Leene komt het hele spectrum van seksualiteit aan de orde. Wie dit boek leest, beseft dat de hele kijk op seksualiteit in de loop van nauwelijks twee decennia ingrijpend veranderd is. Dat heeft uiteraard fundamentele gevolgen voor onze visie op het huwelijk. De auteurs van Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit & theologie in gesprek geven een flinke impuls aan wijt zij ‘omdenken’ noemen (p. 37). Erwich was docent aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en is nu als hoogleraar verbonden aan een theologische universiteit in Melbourne. Leene is predikant te Hattem (Gkv) en daarnaast docent Theologie in Zwolle. Zij kreeg bekendheid als Theoloog des Vaderlands (2020/21).

Omdenken

Om een indruk te geven van de inhoud van het boek geef ik hier een summiere opsomming. Het boek bestaat uit zeven hoofdstukken die verschillende facetten van gender en seksualiteit bespreken. Aan de orde komen: de geschiedenis van gender en seksualiteit (hoofdstuk 2), wat de moderne wetenschap erover te zeggen heeft (3), hoe deze begrippen functioneren in de Bijbel (4), hoe het concept van ‘verlangen’ ons in deze vragen verder helpt (5), met welke hedendaagse vormen van gender en seksualiteit we te maken hebben (6), plus een inleiding en nabeschouwing.

Wat bedoelen de auteurs met omdenken? De kern is dat we afscheid moeten nemen van het zogenaamde binaire denken en dat kerk en theologie plaats moeten inruimen voor het genderspectrum. Het binaire denken gaat ervan uit dat er twee geslachten zijn: man en vrouw. Wie in de lijn van een genderspectrum denkt, vindt dit achterhaald en ook veel te simpel. Want het is niet zo, betogen Erwich en Leene, dat wie biologisch man is, ook denkt, leeft en voelt als man en omgekeerd geldt ditzelfde voor een vrouw. Een man kan zich vrouwelijk voelen en een vrouw mannelijk. Het kan gaan wringen tussen geslacht en gender. We zijn eraan gewend geraakt dat relatiepatronen bepaald werden door het biologisch geslacht en niet door gender (hoe men zich ‘voelt’). Dit is het zogenaamde genderessentialisme: je gedraagt je zoals je geslacht is en niet zoals je je voelt (p. 74). Genderessentialisme is onrecht, zelfs onderdrukking. Voor een vrouw komt daar nog een extra vorm van onderdrukking bij, omdat zij steevast een lagere plaats inneemt dan de man. In de Hebreeuwse Bijbel zijn vrouwen meestal ‘in seksueel opzicht bezit van mannen’ (p. 136). Dus is de Bijbel verantwoordelijk voor allerlei onderdrukkingsmechanismen.

Ruimere opvattingen over seks

Het is toch wel verrassend dat Erwich en Leene in hoofdstuk 4 willen aantonen dat het Oude Testament in bepaalde opzichten behoorlijk liberale opvattingen huldigde. Dat geldt dan voor seksuele verhoudingen en niet zozeer wat man-vrouwverhoudingen betreft. Kort gezegd: in dit boek wordt betoogd dat het Oude Testament vrij omgaat met seks en dat het Nieuwe Testament de vrouw bevrijdt uit haar nederige positie. Dus als we Oude en Nieuwe Testament bij elkaar optellen, hebben we de emancipatie en bevrijding waar we in onze tijd behoefte aan hebben.

In het Oude Testament was seks buiten het huwelijk geoorloofd. Denk maar aan de aartsvaders, aan de koningen, aan het verschijnsel van bijvrouwen (bijvoorbeeld Hanna en Peninna). Ook homoseksualiteit werd volgens de auteurs niet veroordeeld. Zonder enig bewijs worden de liefde tussen David en Jonathan en tussen Naomi en Ruth als voorbeelden van homoseksualiteit genoemd (p. 167, noot 146). Uit dit alles moet blijken dat het huwelijk bijna een randverschijnsel was en dat men in Israël ruime opvattingen had over seks.

Tweepoligheid

Fundamenteler is hoe de auteurs Genesis 1:27 lezen, namelijk heel anders dan de kerk de eeuwen door gedaan heeft (p. 158). In dit vers staat dat God de mens mannelijk en vrouwelijk schiep. Dat betekent, zo schrijven zij, dat God een spectrum van gendermogelijkheden schiep waarvan het man-zijn en vrouw-zijn de twee polen zijn waarbinnen een grote variatie mogelijk is. Daarbij zullen we moeten denken aan homoseksualiteit en de meest uiteenlopende vormen van heteroseksualiteit. Zie de opsomming in hoofdstuk 3.

Erwich en Leene willen in de man-vrouwverhouding veel meer dynamiek aanbrengen. Het binaire denken (de tweepoligheid, bijvoorbeeld God-mens, man-vrouw, hemel-aarde, lichaam-geest) noemen zij dualistisch (p. 192) en zonder omwegen of verdere uitleg wordt de kerkelijke uitleg van Genesis 1:27 als afgedaan beschouwd. Het gebrek aan verantwoording van keuzes is trouwens typerend voor dit boek. Maar het punt dualiteit (het binaire denken) verdient nu juist wel aandacht. Dualisme brengt scheiding, dualiteit verenigt. Daar gaat het om. Genesis is niet dualistisch, maar benoemt dualiteit die juist de compleetheid van Gods schepping benadrukken. Hemel en aarde: dat is de compleetheid van de schepping. Lichaam en geest: dat is de compleetheid van de mens. Man en vrouw is de compleetheid van het huwelijk. Dualiteit is geen simplificering. Het wil alleen zeggen dat alle complexe systemen uiteindelijk hierop teruggaan. Het wil ook zeggen dat wie deze fundamentele tweeheid ontkent, uitkomt bij een holisme waarin alles tot één beginsel te herleiden is, zodat ook God en mens tot elkaar te herleiden zijn. De consequentie is uiteindelijk dat de mens de plaats van God inneemt.

Totaal nieuwe orde

Het binaire man-vrouwdenken is door Christus opgeheven, leer ik. Met instemming wordt Sarah Coakley aangehaald, die schrijft dat Christus elke tweeheid heeft tenietgedaan en tot eenheid heeft gemaakt (p. 194). Christus heeft dus ook de tweeheid van man en vrouw tenietgedaan. Man en vrouw zijn in Christus met elkaar verzoend. In Christus is een nieuwe mens tot stand gekomen. Geslachtelijke verschillen zijn niet meer van belang. Daarom moet ieder mens, wie ‘hij’ of ‘zij’ ook is – tussen aanhalingstekens omdat dit verschil eigenlijk niet meer van toepassing is – zichzelf verstaan vanuit Christus, dus als een mens voor wie geslacht niet meer telt. Dr. A.A. van Ruler zou uit zijn vel gesprongen zijn als hij dit had gelezen! Alsof de geschapen werkelijkheid als zodanig niet goed is! Het komt er dus op neer dat het man-zijn en vrouw-zijn tot de gebrokenheid van de schepping behoren, want anders zou Christus die tweeheid niet hoeven te verzoenen. Christus maakt heel, geneest, brengt de mens tot zijn doel door het man- of vrouw-zijn op te heffen, zodat dit onderscheid geen rol meer hoeft te spelen in de vragen rond seksualiteit. Omdat in Christus geen man of vrouw is (Gal. 3:28), moeten we voortaan spreken over het ‘continuüm mens, mensheid, menselijke werkelijkheid, personen’ (p. 197). Dit is een ‘totaal nieuwe orde’.

Afgezien van het feit dat dit betoog de theologische grenspalen fundamenteel verzet, wordt ons hier ook heel duidelijk gemaakt dat de diversiteit die zo sterk bepleit wordt (genderspectrum), tot een dwingende en verstikkende eenvormigheid leidt, namelijk tot de mens-in-het-algemeen, wiens biologische geslacht geen rol meer speelt.

Verlangen

In het boek is de focus op de Anglicaanse theologie gericht. Dat betekent dat de nadruk niet op verzoening ligt maar op de menswording van Christus. In Christus ontmoeten God en mens elkaar. Ze ontmoeten elkaar in een wederzijds verlangen: zoals God verlangt naar de mens, zo verlangt de mens naar God. Dit noemen de auteurs de narratief van het verlangen, dat zij ontlenen aan Rowan Williams, voormalig aartsbisschop van de Anglicaanse Kerk (p. 41, 115,199 en hoofdstuk 5). Williams zegt dat in het verlangen naar God de mens het initiatief bij God moet laten. Zo is het ook in de seksuele liefde, want dan heb ik niet langer de leiding over wie ik ben. In het (seksuele) verlangen ervaar ik de ‘enorme hulpeloosheid van mijn eigen ik’ (p. 41). Met andere woorden, in het seksuele verlangen is de mens pas echt aangewezen op de ander. Alleen de ander kan geven wat ik mis.

Deze gedachte is bepaald niet nieuw, want ieder mens is in alle facetten van zijn bestaan aangewezen op de ander, van wieg tot graf. Toch hebben de auteurs met het woord ‘verlangen’ wel degelijk iets fundamenteels op het oog, namelijk dat daar waar mensen echt naar elkaar verlangen, elke seksuele verhouding aanvaardbaar is. Want wie verlangen als criterium en leidraad kiest, baant de weg voor homoseksualiteit, maar evengoed voor alle andere vormen van seksualiteit. ‘Verlangen heeft voorrang op geslacht, gender en seksualiteit’ (p. 191). Duidelijker kan het niet gezegd worden, Een echt verlangen naar de ander bepaalt of een relatie goed is of niet. Een zuiver (seksueel) verlangen is zelfs een teken van het nieuwe leven in het Koninkrijk van God; dan zijn we een nieuwe schepping, hebben we een nieuw lichaam, vertonen we het beeld van God en hebben we de nieuwe mens aangetrokken (p. 197).

Zo wordt in dit boek het leven in Gods goede schepping op een fatale wijze vermengd met het leven in het Koninkrijk van God. Bovendien wordt het leven in het Koninkrijk op een onbijbelse wijze ingevuld.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit De Waarheidsvriend. De volledige bronvermelding luidt: Prosman, A.A.A., 2022, Als geslacht niet meer telt. René Erwich en Almatine Leene banen de weg voor alle vormen van seksualiteit, De Waarheidsvriend 110 (35): 7-9 (artikel).

Feedback & Vragen 2022: Commentaar op de presentatie van dr. Peter Borger – Wel of geen ‘big surprise’?

Vorige maand werd het congres ‘Bijbel & Wetenschap’ georganiseerd. Op dit congres sprak moleculair bioloog dr. Peter Borger. Zijn lezing had als titel: ‘Terug naar de oorsprong: over baranomen en soortvorming’. In deze lezing haalde Borger onderzoek naar de zandraket (A. thaliana) aan en het citaat ‘a big surprise’. Op de manier van aanhalen kwam via Twitter kritiek. Hieronder een reactie op de kritiek.1

Onderzoek naar het genoom van de zandraket (Arabidopsis thaliana) zorgt voor verrassende resultaten én een discussie via Twitter. Bron: Wikipedia.

De kritiek van drs. Bart Klink2 :

“Peter Borger heeft het vanaf ca. 25 minuten over onderzoek naar de zandraket en claimt de auteurs te citeren dat hun bevindingen ‘a big surprise!’ waren. Ik kan dat citaat alleen niet vinden in het artikel (…). Hoe zit dat Peter?”

Peter Borger gaf aan dat je dergelijke uitspraken nooit kunt vinden in het wetenschappelijk artikel. Hij gaf de referentie van het citaat echter niet, maar maande Bart Klink om verder te zoeken.

Drs. Bart Klink3:

“Een citaat is een letterlijke tekst uit je bron. Waarom staat die er niet in, zoals je claimt op je slide?”

En verder4:

“Ik wil erop kunnen vertrouwen dat als jij een onderzoek aanhaalt, dat daarin ook daadwerkelijk staat wat jij claimt dat erin staat. Dat is hier dus niet het geval. Wat vind jij van deze omgang met literatuur Jan van Meerten?”

In reactie hierop gaf ik aan dat ik niet bekend ben met het onderzoek naar de zandraket noch met alle interviews die de auteurs gedaan hebben naar aanleiding van dat onderzoek. Daarom kan ik er dus niets zinnigs over zeggen. Maar ik gaf aan de auteurs wel te kunnen mailen of het inderdaad ‘a big surprise’ was. Maar dat ik niet bij voorbaat in het beklaagdenbankje wil gaan zitten. Heb de auteurs uiteindelijk niet gemaild want, zo gaf ik aan, vind ik de vraag of de auteurs dit ‘a big surprise’ vinden niet zo spannend.

Repliek

De vraag bleef mij echter bezighouden en daarom heb ik kort verdiept in de herkomst van het citaat. Hieronder mijn reactie op de reactie van drs. Bart Klink. Op het congres gaf dr. Peter Borger twee voorbeelden van polyvalentie, namelijk verlies of verdubbeling van DNA. Het eerste voorbeeld was die van de zandraket (Arabidopsis thaliana). Borger gaf in de dia aan dat genetische analyse aantoonde dat elk tiende gen redundant is en verloren mag gaan. Daarmee was de voorouder van deze soorten genetisch veel rijker en complexer, niet eenvoudiger! Borger geeft op de dia in citaatvorm ‘A big surprise!’ weer. Bron voor de dia is een paper van Clark et al. in Science.5 Bart Klink doet voorkomen alsof de referentie naar de wetenschappelijke paper óók de bron is voor ‘a big surprise’. Hij is gaan zoeken op het citaat in de originele paper en vond dat niet. Dat klopt, het citaat staat ook niet in het Science-paper. Dit is conform wat Peter Borger via Twitter liet weten. Ik zie de referentie overigens ook meer als bron van de dia dan als bron van het citaat.

Dezelfde tekst kwam ik elders via Twitter op een andere dia van Borger tegen over deze zandraket.6 Hier stond nog een extra bron toegevoegd. Het is een link naar Phys.org. Het artikel draagt de titel ‘One species, many genomes’. In dit artikel vinden we de strekking van het citaat terug. Medeonderzoeker dr. Detlef Weigler geeft in het artikel het volgende aan: “That even in a minimal genome every tenth gene is dispensable, has been a great surprise.” Het artikel meldt daarnaast dat het ‘is surprising that Arabidopsis has such a plastic genome’ en ‘the results were surprising’.7 Een ander artikel op Phys.org met als titel ‘Charting ever-changing genomes’. We vinden daar wel het woord ‘surprising’ terug. Het is opnieuw dr. Weigel die via dit artikel het volgende aangeeft: “We found that one out of 10 genes is very different. This plasticity is truly surprising for a genome that’s very streamlined and unlike bigger genomes doesn’t contain a lot of junk DNA.”8 Via Google zocht ik verder naar het originele citaat. Ik kwam erachter dat Arabidopsis zelfs een eigen website heeft (TAIR). TAIR staat voor The Arabidopsis Information Resource. Onder het artikel ‘Policy Statement on Arabidopsis thaliana Reference Sequence’ is een reactie van dezelfde dr. Weigel te vinden. Op 25 november 2008 schrijft dr. Weigel: “While whole-genome sequencing of EMS mutants to identify causal mutations does work (we are three for three so far), a big surprise has been the number of mutations, either spontaneous or left over from previous rounds of mutagenesis. Starting with a single individual of CS70000 would be a good strategy for any mutant screen, but even then, be aware that individual, not mutagenized lines will undoubtedly have mutations that distinguish them from the canonical CS70000 sequence, which will be the average from many individuals.9

A great surprise’, ‘a big surprise’ en ‘surprising’ geeft de strekking van het citaat en het letterlijke citaat. De uitkomsten bleken voor de onderzoekers verrassend. Interessant? Nee, eigenlijk niet. Relevant? Nee, eigenlijk ook niet. In spreekwoordenland zou ik dit ‘spijkers op laag water zoeken’ noemen. Allereerst geeft dr. Borger in zijn dia niet aan dat het citaat ook uit het originele paper komt. Ten tweede komt het citaat of de strekking van het citaat verschillende malen voor in de populair-wetenschappelijke artikelen over het onderzoek. Ten derde is het voor mij niet zo interessant of een auteur de uitkomst wel of geen ‘big surprise’ vindt. Het onderzoek naar de zandraket (Arabidopsis thaliana) is daarentegen wel interessant en met dank aan dr. Borger weet ik er weer wat meer van.

Voetnoten

‘Wonderlijke ontmoetingen en dito uitreddingen’ – Bespreking ‘Gedenkstenen’

In de Bijbel lezen we dat God vraagt gedenkstenen op te richten om zo de grote daden van de Heere niet te vergeten en Hem alleen de eer te geven. In Gedenkstenen brengt Kees van Helden dit in praktijk.

Samen met zijn vrouw Anne-Mieke was Van Helden zestien jaar lang betrokken bij het werk voor stichting Schreeuw om Leven. Eerst als vrijwilliger, later als directeur. In Gedenkstenen blikt hij terug op deze bijzondere periode in zijn leven, waarin hij heeft ervaren dat God grote dingen deed. Regelmatig mocht hij zien hoe helend het Evangelie van Jezus Christus is en hoe God ingrijpt in mensenlevens.

Wanneer er sprake was van felle tegenstand, werden soms wegen gebaand; als er een rekening moest worden betaald terwijl er geen geld was, kwam er soms zomaar uitkomst. Ontroerend zijn de getuigenissen van ongewenst zwangere vrouwen die, ondanks de weerstand, ervoor kozen om hun kindje te houden en daarbij de hulp kregen die nodig was. In dit boek krijgen ruim veertig persoonlijke herinneringen een plaats. Ze schetsen wonderlijke ontmoetingen en dito uitreddingen. Het gaat onder andere over: het verspreiden van een huis-aan-huis-folder, een sponsorplan, een spreekbeurt, wakers en een hulpverlenersbus, de jaarlijkse ‘Mars voor het Leven’, bidden om een auto en een huilende smiley.

De auteur neemt de lezer gemakkelijk mee in de wereld van het ongeboren leven, van moeders in nood en van jongeren die vastlopen op moreel gebied. Doordat het persoonlijke herinneringen zijn, is de tekst meestal geschreven in de ik- en wij-vorm. De hoofdstukken zijn kort en los van elkaar te lezen.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit de GezinsGids. De volledige bronvermelding luidt: Bruin-Palland, D. de, 2022, Persoonlijke herinneringen. Gedenkstenen, GezinsGids 75 (8): 73.

Global Flood and Flood Geology – Dr. Leonard Brand sprak op het congres ‘Geloof jij het?’ (2013)

Op 5 september 2013 sprak dr. Leonard Brand in Assen voor de congressenserie ‘Geloof jij het?‘ (2013). De titel van zijn eerste lezing was ‘Global Flood and Flood Geology‘. De eerste lezing van dr. Leonard Brand is hier te bekijken. Met dank aan Geloofstoerusting is deze video opgenomen en kunnen wij die hieronder delen.