‘Extract uit de Genealogie der Heeren Van Brakel’ geschreven door Diederik Louis baron van Brakell tot den Brakell (1768-1852) – Een overzicht

In het Gelders Archief te Arnhem is het ‘Extract uit de Genealogie der Heeren Van Brakel’ te vinden. Het extract telt zestien kantjes en is geschreven door mr. Diederik Louis baron van Brakel tot den Brakell (1768-1852). Hij was eveneens Heer van Vredestein en Over- en Nederasselt. Daarnaast advocaat, rechter en politicus namens de Liberalen.1 Omdat het extract ook nuttige informatie bevat over het geslacht ‘Van Meerten’ en diverse aangetrouwde telgen, wordt dit document getranscribeerd voor deze website. Op deze pagina een overzicht naar de afzonderlijke scans. Met dank aan het Gelders Archief dat zij deze scans beschikbaar hebben gesteld.2

Scan 1.

Voetnoten

Het gebruik en de misbruik van wetenschap – Science4Truth interviewt dr. ir. Dick den Hertog

Science4Truth interviewt dr. ir. Dick den Hertog. Het interview verscheen op 25 september 2023 en duurt iets meer dan 26 minuten. Dr. ir. Dick den Hertog is een wiskundige. In de video laat hij zien dat geloof en wetenschap niet elkaars tegenpolen zijn. De onderstaande video is in het Engels en bevat een Engelstalige ondertiteling.

Voetnoten

Zoogdieren uit de dinotijd – Een OnTopic uit Weet Magazine

Er worden er veel gevonden: fossielen van zoogdieren die volgens het standaardmodel in de tijd van de dino’s leefden. In China zijn onlangs weer twee nieuwe soorten ontdekt. Ze laten zien dat de zoogdieren ten tijde van de dinosauriërs meer gespecialiseerd waren dan gedacht.1

De Kaapse Goudmol (Chrysochloris asiatica). Bron: Wikipedia.

In China zijn fossielen gevonden van zoogdieren die nog niet eerder bekend waren. Het gaat om een klein dier met grote klauwen, dat waarschijnlijk in bomen leefde, en een klein zoogdier met graafpoten, dat waarschijnlijk tunnels groef, op zoek naar insecten. De ene soort heet Agilodocodon scansorius. Het is ‘t oudste in bomen levende zoogdier dat ooit is gevonden. Agilodocodon had verschillende kenmerken die hem geschikt maakten om te klimmen: lange klauwen, soepele, buigzame ellenbogen, polsen en enkels, en ledematen met dezelfde verhoudingen als die van andere in bomen levende zoogdieren. Uit het gebit blijkt dat de Agilodocodon een alleseter was. De andere soort heet Docofossor brachydactylus. Het is het ‘oudste’ ondergronds levende zoogdier dat tot nu toe is gevonden. Volgens de onderzoekers lijkt deze Docofossor op de hedendaagse Afrikaanse goudmol. Die leeft ondergronds, graaft tunnels en heeft een dikke pels.

Dit artikel is met toestemming overgenomen uit Weet Magazine. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2015, Zoogdieren uit de dinotijd. Ze waren verder dan gedacht, Weet 35: 9.

Bronnen

Was het karkas, gevonden aan de kust van Nieuw Zeeland, van een hedendaagse Plesiosaurus?

In veel artikelen en boeken, van creationisten en evolutionisten, wordt verwezen naar een karkas dat voor de kust van Nieuw-Zeeland is opgevist. Er wordt gespeculeerd dat het van een moderne Plesiosaurus geweest is. Wat is de waarheid achter deze beweringen?

Op 25 april 1977 werd door een Japanse trawler, de Zuiyo-maru, een mysterieus karkas van een dier opgevist. Het karkas werd opgevist vanuit een diepte van 300 meter, ongeveer 30 mijl (zo’n 48 km, red.) ten oosten van Christchurch in Nieuw-Zeeland. Foto’s, metingen en een schets van het karkas werden gemaakt door Michihiko Yano, waarnemend sectiehoofd van de Taiyo Fishery Company, die aan boord was. Er werden ook weefselmonsters genomen en het karkas werd vervolgens weer overboord gezet. Ooggetuigenverslagen en een studie van de foto’s geven aan dat het schepsel waarschijnlijk al 6-12 maanden dood was (Seta, 1978).

Het gevonden karkas aan de kust van Nieuw-Zeeland was waarschijnlijk niet van een Plesiosaurus, maar van een reuzenhaai. Bron: Pixabay.

Toen ze van de ontdekking hoorden, nam de Taiyo Fishery Company contact op met dr. Fujio Yasuda, professor in de ichtyologie aan de Visserij Universiteit van Tokio, om hem te helpen bij de identificatie van het dier. Om hem bij deze taak te helpen, besloot Dr. Yasuda een aantal andere wetenschappers in te schakelen. Voordat deze groep experts echter conclusies had getrokken, belegde de Taiyo Fishery Company op 20 juli 1977 een persconferentie waarop ze bekendmaakten dat er een vreemd karkas was ontdekt. Binnen enkele dagen speculeerden kranten, televisie en radio over de identiteit van het dier. In een poging om uit de ontstane verwarring te komen, riep dr. Tadayoshi Sasaki, voorzitter van de Tokyo University of Fisheries, wetenschappers uit veel verschillende vakgebieden bijeen om het probleem te onderzoeken en hun conclusies te publiceren. De groep kwam twee keer samen: in september 1977 en in 1978. Hun bevindingen werden door de Société Franco-Japonaise d’Oceanographie in een verzameldocument gepubliceerd (Sasaki, 1978).

Omdat het onmogelijk was om een volledige kopie van dit rapport in Verenigd Koninkrijk te krijgen, heb ik een aanvraag ingediend bij Dr. Makoto Manabe, Curator van Fossiele Reptielen in het National Science Museum in Tokio. Hij was zo vriendelijk mij een kopie te sturen. Enkele van de belangrijkste punten zijn hieronder samengevat.

Omura, Mochizuki en Kamiya (1978) wijzen erop dat het karkas borst- en rugvinnen had met vinstralen. Deze zijn kenmerkend voor vissen, wat het idee tegenspreekt dat het karkas van een Plesiosaurus was. Zeereptielen en zoogdieren hebben bindweefsel. Bovendien, als het dier een Plesiosaurus was, zouden de ledematen in dit stadium van de ontbinding moeten zijn losgekomen van de ruggengraat. De foto’s van het karkas laten zien dat de ledematen van het dier er nog aan zaten (Hasegawa en Uyeno, 1978). Maar als het geen Plesiosaurus was, wat was het dan wel? Elektronenmicroscopie en chemische analyse van hoornvezels die door de heer Yano uit de borstvin van het dier werden gehaald, ondersteunen de conclusie dat het karkas van een haai was. De hoornvezels waren qua morfologie en aminozuursamenstelling vrijwel identiek aan het elastodine van de reuzenhaai (Kimura, Fujii, Sato, Seta en Kubota, 1978). Metingen door de heer Yano naar de lichaamsverhoudingen ondersteunen deze identificatie ook. De ribben waren bijvoorbeeld 40 cm lang. Te kort voor die van een gewerveld dier, uitgezonderd de kraakbenige ribben van haaien (Hasegawa en Uyeno, 1978).

Obata en Tomoda (1978) waarschuwen dat het niet met zekerheid te zeggen is of het karkas van een reptiel of een haai is. Ze suggereren zelfs dat als het een haai is, het tot een nieuw geslacht zou kunnen behoren. Ze geven echter toe dat de chemische analyses van de hoornvezels die van de vin van het schepsel zijn genomen ‘de gedachte sterk ondersteunen‘ dat het dier een haai was en dat ‘er geen bekende fossiele reptielen zijn die overeenkomen met het onderzochte dier‘ (p.52).

Reuzenhaaien worden tijdens ontbinding soms ‘pseudo-Plesiosauriërs’ genoemd, vanwege hun gelijkenis met uitgestorven zeereptielen. Een vergelijking van het karkas uit Nieuw-Zeeland met een foto van een karkas van een reuzenhaai, gepubliceerd in het tijdschrift Diving World, laat zien dat ze qua uiterlijk veel op elkaar lijken (Anon, 1978). Het Nieuw-Zeelandse karkas was niet het eerste karkas dat zo’n verwarring veroorzaakte. Een ander geval was dat van een ‘zeeslang’ die in september 1809 aanspoelde bij Stronsay. Volgens commandant Rupert T. Gould, die in 1933 wervels van het karkas onderzocht, was dit dier ongetwijfeld een reuzenhaai (Dinsdale, 1966). Veel meer voorbeelden van karkassen van reuzenhaaien die werden aangezien voor Plesiosaurussen of zeeslangen worden gegeven in een klassiek boek over dit onderwerp door cryptozoöloog Bernard Heuvelmans (1968).

Een verwante mythe, die vaak wordt herhaald, is dat er in 1977 in Japan een postzegel met een Plesiosaurus werd uitgegeven om deze gedenkwaardige ontdekking te herdenken. In feite werd de postzegel uitgegeven om de 100ste verjaardag van het National Science Museum in Tokio te vieren en had dit waarschijnlijk niets te maken met het Nieuw-Zeelandse karkas (Boyle, 1994).

Concluderend lijkt het, ziende op het bewijsmateriaal, dat het karkas uit Nieuw-Zeeland een, in staat van ontbinding verkerende reuzenhaai, is. Mogelijk van een momenteel niet bekende reuzenhaaiensoort. Beweringen dat het karkas van een recent levende Plesiosaurus was, kunnen niet worden ondersteund. Het wordt sterk aangeraden dat creationisten zich daarom van dit argument onthouden.

Dit artikel is met toestemming vertaald uit Origins. De volledige bronvermelding luidt: Garner, P.A., 1996, The New Zealand ‘plesiosaur’, Origins 21: 24-25 (originele Engelstalige artikel).

Literatuur

  • Anon. (1978) Diving World No.29 (January).
  • Boyle, T.D. (1994) Letter to the editor, Creation Ex Nihilo Technical Journal, 8:155.
  • Dinsdale, T. (1966) The Leviathans, Routledge & Kegan Paul, London. p.185.
  • Hasegawa, Y., Uyeno, T. (1978), On the nature of the carcass of a large vertebrate found off of New Zealand, pp.63-65 in Sasaki, 1978.
  • Heuvelmans, B. (1968), In the wake ofthe sea-serpents, Rupert-Hart Davis, London.
  • Kimura, S., Fujii, K., Sato, H., Seta, S., Kubota, M. (1978), The morphology and chemical composition of horny fibres from an unidentified creature captured off the coast of New Zealand, pp.67-74 in Sasaki, 1978.
  • Obata,I., Tomoda, Y. (1978), Comparison of the unidentified animal with fossil animals, pp.45-54 in Sasaki, 1978.
  • Omura, H., Mochizuki, K., Kamiya, T. (1978), Identification of the carcass trawled by the Zuzyo-maru – from a comparative morphological viewpoint, pp.55-60 in Sasaki, 1978.
  • Sasaki, T. (1978), Collected papers on the carcass of an unidentified animal trawled off New Zealand by the Zuiyo-maru, La Societe Franco-Japonaise d’Oceanographie, Tokyo. pp.1-83.
  • Seta, S. (1978), On the condition of the carcass of the unidentified animal, pp.75-76 in Sasaki, 1978.

De val van Adam

Adam heeft het moeilijk. Een recente studie over hem stelt dat hij in hoog tempo aan het verdwijnen is van de culturele, weten­schappelijke en theologische podia. Dat heeft grote conse­quenties voor het christelijk geloof. De bekende Amerikaanse theoloog R. A. Mohler schreef onlangs dat waar elke generatie christenen te maken heeft met haar eigen theologische uit­dagingen, dat voor deze generatie de vraag naar het begin is.

“Wie de huidige inzichten over menselijke evolutie als juist beschouwt, moet op een aantal cruciale punten forse hermeneutische en theologische wissels omzetten.” Bron: Pixabay.

Na Darwin is Adam –en met hem de traditionele opvatting over schepping en zondeval– problematisch en voor velen ongeloofwaardig geworden. Een historische Adam, als eerste mens en stamvader van het menselijk ras –zoals traditioneel opgevat in jodendom en christendom– kan niet meer. In 2005 berichtte Cornell University (Ithaca, New York) dat chimpansees en mensen een gezamenlijke voorvader delen en dat zelfs vandaag 99 procent van het DNA van deze aap identiek is aan dat van de mens.

Dat deze visie onverenigbaar is met de traditionele lezing van Genesis – waar Adam als eerste mens en zondaar geponeerd wordt, hoeft geen betoog. Intussen hebben deze visies grote impact gehad op de theologie. De reacties variëren van stellige aanvaarding van het gangbare wetenschappelijke discours, tot resolute afwijzing. Daartussen liggen veel verlegenheid en ongemak. Evident is dat de gangbare weten­schappelijke visies langzaam maar zeker doorgesijpeld zijn en velen ‘om’ zijn.

Waar veel moderne theologen dit gegeven allang geaccepteerd hadden, volgen de laatste jaren, zij het schoorvoetend, ook veel orthodoxe collega’s. Dat leidde soms tot veel reuring. Eminente evangelicale oudtestamentici als de Amerikaanse Bruce Waltke, Tremper Longman en Peter Enns moesten hun leerstoel inleveren. Enns stelt dat, hoewel de Bijbel er zonder meer van uitgaat dat Adam een historische persoon was, wij vandaag die conclusie niet meer kunnen delen – en dat geeft ook niet. Adam en Eva hebben een symbolische functie, zij zijn een „leermodel” dat ons iets over de mens wil zeggen.

Recent gaf ook prof. dr. G. van den Brink aan het evolutionair paradigma als juist te beschouwen, overigens zonder de noties van een historische Adam en de zondeval te willen opgeven. Met vele anderen meent hij dat een integratie van het geloof in God de Schepper en de evolutietheorie mogelijk is; het zogenaamde theïstisch evolutionisme.

Dilemma’s

Zo’n oplossing –waarbij Adam overeind blijft en het gangbare wetenschappelijke paradigma deels aanvaard wordt– leidt uiteraard tot de nodige vragen en dilemma’s. Het impliceert het loslaten of herinterpreteren van enkele fundamentele Bijbelse gegevens. Ik noem er een zestal.

Een Adam die voorafgegaan is door een lange keten van mensachtige voorouders is moeilijk verenigbaar met het verslag van de directe schepping van de eerste mensen door God, zoals vermeld in Genesis. Adam is dan niet uit het stof der aarde geschapen, maar had gewoon twee ouders, net zoals Eva, die dan dus ook niet uit zijn rib geschapen is.

Verder: wanneer Adam een van de mensachtigen is die God op een bepaald moment gekozen heeft om Zijn beeld te dragen –een gedachte die veel theïstische evolutionisten aanhangen– dringt de vraag zich op wat dan de status is van de voorouders van deze Adam.

Een derde punt: volgens de huidige paleo-antropologie is er niet één Adam geweest, maar waren er heel veel Adams. Dat betekent dat de huidige populatie mensen nooit geheel van Adam afstamt. Dat staat op gespannen voet met Paulus’ bewering dat God uit „één bloed het hele menselijke geslacht” voortgebracht heeft (Hand. 17:26). Dat heeft uiteraard weer de nodige conse­quenties voor de visie op de erfzonde. Hoezo zou ik delen in de erfzonde van iemand van wie ik niet eens afstam?

Een vijfde fundamenteel gegeven: de aanname dat voor Adam de dood al eeuwenlang in de wereld was, laat zich moeilijk rijmen met Paulus’ bewering dat de dood „door één mens in de wereld gekomen is”: namelijk Adam (Rom. 5:12).

Ten slotte: het betekent ook een reductie van de gevolgen van de val: ziekte, pijn en lijden zijn geen gevolg van de val, maar inherent aan de schepping. Dat staat op gespannen voet met Paulus’ bewering dat de schepping aan de zinloosheid onderworpen is, niet vrijwillig, maar als gevolg van hem, lees: Adam, die haar daaraan onderworpen heeft (Rom. 8:20).

Kortom: wie de huidige inzichten als juist beschouwt, moet op een aantal cruciale punten forse hermeneutische en theologische wissels omzetten. Daar moet wel een prijs voor betaald worden. Iemand die dat inzag, was de Zwitserse theoloog Emil Brunner. Hij vergeleek de traditionele opvatting over Adam, schepping en zondeval met een centaur: een figuur uit de Griekse mythologie waar niemand meer in gelooft. Volgens hem is de traditionele augustijnse drieslag van schepping-zondeval-verlossing passé.

Ingebakken

Te onzent is ook prof. dr. A. van de Beek deze mening toegedaan. Volgens hem is er nooit een ”staat der rechtheid” geweest; de mens is altijd al gevallen geweest. Dat komt omdat het kwaad ingebakken zit in de schepping. Dat is in elk geval een eerlijke conclusie. Het geloof dat er al miljoenen jaren van lijden en dood gaande waren voordat Adam op het toneel verscheen, is moeilijk te verenigen met een goede schepping en een ”staat der rechtheid”.

Theologen die een historische Adam loslaten, laten dan ook vaak het augustijnse model van schepping-val-verlossing los en kiezen –met een beroep op de kerkvader Irenaeus– voor een „groeimodel” waarin God de mens vanuit een onvolmaakte schepping laat evolueren naar een hogere bestemming die pas in Gods toekomst bereikt wordt.

Het bovenstaande toont aan dat er een keuze gemaakt dient te worden: of voor de aannames van de huidige wetenschap of voor de meest voor de hand liggende lezing van Genesis 1-3: de directe schepping van Adam door God in een goede, harmonieuze schepping die als gevolg van menselijke overtreding aan de zinloosheid onder­worpen is.

Aan de revisionistische lezing van Genesis 1-3 liggen twee problemen ten grondslag. Het eerste is een onjuiste balans tussen algemene openbaring en bijzondere openbaring. Het lijkt erop dat wetenschappelijke aannames hoger ingeschat worden, of althans als interpreterend kader worden beschouwd, om de gegevens van de bijzondere openbaring, de Schrift, te duiden in plaats van andersom. De wetenschappelijke aannames bepalen de uitleg van de Schrift en dwingen de gelovige zelfs de meest voor de hand liggende uitleg te herzien of te herinterpreteren. Dat is een overschatting van de wetenschap –die op dit punt vooral met theorieën en niet-verifieerbare aannames werkt en deze extrapoleert naar het verleden– en een onderwaardering van het gezag van de Schrift als primaire kenbron van God en de werkelijkheid. Het is het Woord dat de werkelijkheid interpreteert, niet de werkelijkheid het Woord.

Breuk

Het tweede probleem is dat aanvaarding van het steeds meer veldwinnende nieuwe paradigma een breuk betekent met de traditie van de kerk der eeuwen. Zoals kerkhistoricus William VanDoodewaard zeer recent gedocumenteerd heeft aangetoond, hoort de traditionele Adam bij de grote traditie van de kerk. Loslating van deze lezing betekent niet alleen een breuk met deze traditie, maar vooral ook met het klassieke augustijnse paradigma van ”goede schepping-zondeval-verlossing”.

Dat is duidelijk zichtbaar bij prof. Van de Beek, die van mening is dat genoemde drieslag ingeruild dient te worden voor de tweeslag Adam-Christus. Het is op zijn minst bevreemdend dat deze theoloog, die zo veel waarde hecht aan de traditie van de kerk, op dit punt die traditie radicaal loslaat. Immers, zowel Schrift als traditie laat zien dat het geen kwestie is van of-of, maar van en-en.

Wie Adam laat vallen, veroorzaakt een domino-effect waarbij de hele verlossingsleer losgeweekt wordt uit het Bijbelse kader. Daarom: in plaats van Adam te laten vallen, kan hij beter blijven staan. Vallen doet hij toch wel. Maar dat kan hij alleen als hij ooit (be)stond. Zo wordt de Schrift het meest recht gedaan en is de komst van die andere Adam, Jezus Christus, het meest inzichtelijk. Want het blijft staan: „Adam niet geleerd, is Christus niet begeerd.”

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2015, De val van Adam, Reformatorisch Dagblad Accent 45 (31): 5 (artikel).

Literatuur

Op zijn eigen website (waar het artikel later ook verschenen is) geeft dr. Maarten Klaassen een literatuurlijst bij dit onderwerp. Deze lijst wordt ook aanbevolen.

  • M. Barrett & A. B. Caneday (eds.), Four Views on the Historical Adam, Grand Rapids 2013.
  • G. van den Brink en C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek, Zoetermeer 2012.
  • G. van den Brink, ‘Overweeg geleide evolutie. Afwijzing van resultaten natuurwetenschap onverstandig’, in: De Waarheidsvriend 17 april 2015, 6-8.
  • W. VanDoodewaard, The Quest for the Historical Adam. Genesis, Hermeneutics, and Human Origins, Grand Rapids 2015.
  • J.P. Versteeg ‘Is Adam in het Nieuwe Testament een ‘leermodel’?, in: B.J. Oosterhoff e.a., Woord en kerk. Theologische bijdragen van de hoogleraren aan de Theologische Hogeschool der Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland bij de herdenking van het vijfenzeventig jarig bestaan van de Hogeschool, Amsterdam 1969, 29-70. (Dit artikel is in het Engels verschenen en voorzien van een uitvoerig voorwoord van Richard B. Gaffin Jr. waarin hij uitgebreid ingaat op de huidige controverse, J.P. Versteeg, Adam in the New Testament. Mere Teaching Model or first historical man? (Second edition, translated and with a Foreword by Richard B. Gaffin, Phillipsburg 2012).
  • R. Junker, ‘Entmythologisierung für Evangelikale: Haben Adam und Eva wirklich nicht gelebt? Anmerkungen zu einem Text von Siegfried Zimmer’, december 2014, te raadplegen via http://www.wort-und-wissen.de/artikel/a17/a17.pdf
  • R. Junker, Leven durch Sterben? Schöpfung, Heilsgeschichte und Evolution, Berlin 1993.
  • A.S. Kulikovsky, Creation, Fall, Restoration. A Biblical Theology of Creation, Fearn 2009.
  • J.C. Lennox, Seven Days that Divide the World. The Beginnings according to Genesis and Science, Grand Rapids 2011.
  • H. Madueme & M. Reeves, Adam, the Fall, and Original Sin. Theological, Biblical, and Scientific Perspectives, Grand Rapids 2014.
  • A.J. Mensink, ‘Wetenschap en geloof. Aanvaarden evolutiebiologie raakt het gezag van de Schrift’, in: De Waarheidsvriend 20 maart 2015, 4-6.
  • V.S. Poythress, Did Adam Exist?, Phillipsburg 2014.
  • Michael Reeves, ‘Adam and Eve’, in: N.C. Nevin (ed.), Should Christians Embrace Evolution? Biblical and Scientific responses, Nottingham 2009, 43-56.
  • ‘Were Adam and Eve Historical Persons?’ en ‘Can a Christian Hold to Theistic Evolution?’ in: K.D. Keathley and M. F. Rooker, 40 Questions about Creation and Evolution, Grand Rapids 2014, 237-243, 377-385.

Weidevogelgebied Eldikse Veld: Grutto’s en Tureluurs!

Een weidevogelvrijwilligster had me aangeraden dieper het Eldikse Veld in te gaan. Op 18 mei 2024 was het zover. In het beginstuk van het 200 ha grote weidevogelgebied lieten zich vijf Grutto’s horen en zien: zeker drie paar met jongen. Ook Tureluurs! Echter het hoge gras bemoeilijkte het tellen.

Oostelijker in het gebied werd ik opnieuw hartelijk begroet: een Grutto vloog me tegemoet en liet even later bovenin een knotwilg (!) de altijd sfeervolle grutto-roep horen: ook jongen. Toen was daar een brede wetering met … veel weidevogels! Op de foto een stukje van de brede sloot. De A15 vormt de noordgrens van het Eldikse Veld vandaar de auto’s. Op de paaltjes staan 7 Grutto’s en 4 (vaag) Tureluurs!! Hun geluiden buitelden over en door elkaar.

Wat opviel was dat op het graslandperceel rijk aan weidevogels een andere grassoort groeide. De lichtere grasvegetatie was minder dicht, ijler. Ideaal voor weidevogels om voedsel te vinden? In totaal nam ik hier minimaal 23 Grutto’s en 7 Tureluurs waar.

Het rapport Natuuronderzoek Eldikse Veld van drs. Felix (2004) vermeldt voor 1996 t/m 2004 gemiddeld 38 paar Grutto’s en 10 paar Tureluurs. Het aantal Tureluurs is zeker niet achteruitgegaan.

Aan een totaalschatting van de Grutto waag ik me niet. In april is het Weidevogelbord Eldikse Veld onthuld. Het bord vermeldt: ‘De bescherming van de vogels wordt ingevuld door een samenwerking tussen de boeren en weidevogelvrijwilligers.’ Fijn! Het is onze blijvende taak de natuur te beheren en te behouden.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Het GemeenteNieuws. De volledige bronvermelding luidt: Kooij, H. van der, 2024, Weidevogelgebied Eldikse Veld: Grutto’s en Tureluurs!, Het GemeenteNieuws 23 (22): 7.

De ene ‘Van Wijhe’ is de andere niet – Puzzelen met het wapen ‘Van Wijhe’ op diverse rouwborden

Onlangs tekende ik een kwartierstaat bij diverse rouwborden van nazaten van Johan van Eck van Panthaleon en Elisabeth van Meeckeren.1 Deze rouwborden plaatste ik op de website ‘Oorsprong’ omdat er ook een wapen van Van Meerten in getekend was. Over de linkerzijde van deze kwartierstaat ben ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zeker van, m.u.v. een klein foutje (Margriet van Eck x Adriaan Vonck, moet worden Aleid van Eck x Jan (of: Johan) Vonk2 Over de rechterzijde van de genoemde kwartierstaat, met de vrouwelijke lijn, was ik vrij onzeker. Omdat aan de rechterkant een ‘Van Wijhe’ voorkwam heb ik contact gezocht met de stichting ‘Vrienden van de Wijenburg’.3 Na wat heen en weer gemaild te hebben, hebben zij mij uiteindelijk voor het Wijhe-deel de oplossing in handen gegeven.

De achterkant van kasteel Wijenburg waar sommige Van Wijhe’s gewoond hebben. Bron: Wikipedia.

Het linkerdeel van de door mij getekende kwartierstaat moet anders. Dat Elisabeth een kind was van Otto van Wijhe, daarvoor is er onvoldoende bewijs gevonden.4 De in de voetnoot genoemde website heeft het volgens de stichting ook mis als het gaat om Herman en Antonia. Dit waren geen kinderen van Otto van Wijhe, maar van Dirk Walravenszoon van Wijhe. De ‘Genealogie Van Meeckeren’ die te raadplegen is via Google Books5, geeft ook aan dat het plaatsen van Elisabeth Wijhe een probleem is. Daar wordt gemeend dat zij een dochter is van Reinier van Wijhe en Margaretha van Egeren. Volgens deze genealogie kregen Dirk van Meeckeren en Elisabeth van Wijhe drie kinderen: Johan (tr. Aleyt van Wely), Herman en Mechteld (tr. Daem van Heerdt).

Volgens de scribent zou het op het genoemde rouwbord gaan om de Arnhemse tak van de Van Wijhe’s.6 Op de website van stichting ‘Vrienden van de Wijenburg’ staat veel informatie over de Van Wijhe’s in het algemeen, maar ook over de Arnhemse tak in het bijzonder. Hieruit wordt duidelijk dat Elisabeth een dochter was van Gijsbert van Wijhe en Heijlwich van Lyenden. Evidentie daarvoor wordt geleverd uit een verpachtingsakte van 1548 waarin weduwe Heijlwich (Gijsbert was toen al overleden) en haar dochter Elisabeth van Wijhe worden genoemd.7 Deze akte werd mede ondertekend door (waarschijnlijk) zoon Johan van Meeckeren en oom Goossen van Wijhe (de jongste broer van Gijsbert). Elisabeth trouwde in 1539 met Dirck van Meeckeren. Zoon Johan van Meeckeren wordt, samen met zijn vrouw Aleida (of: Aleyt) van Wely, in een leenaktenboek van het kwartier van Nijmegen.8 Vader Gijsbert van Wijhe was een zoon van Herman van Wijhe (de jonge) en Alijt van Bemmel, dochter van Willem (Alards) van Bemmel. Dirk van Meeckeren en Elisabeth van Wijhe hadden ten minste drie kinderen: Johan, Herman en Mechteld. Johan hebben we hierboven al genoemd. Herman wordt vaak verward met Dirck, maar er zal waarschijnlijk veelal staan Herman Dircksz. van Meeckeren. Hij was getrouwd met een, naar naam, onbekende Van Meeckeren, dochter van Johan van Meeckeren en Hadewich van Bemmel. Johan was op zijn beurt weer zoon van Sander van Meeckeren en ? van Leesten. Mechteld trouwde volgens het Nederlands Adelsboek met Daem van Heerde.9

Dit moge zo zijn voor de vier rouwborden van de ‘Van Ecks’ (kinderen van Johan van Eck van Panthaleon en Elisabeth van Meeckeren). Het geldt niet voor het rouwbord van Adriaan van Zuylen van Nyevelt (?-1650).10 De moeder van Adriaan, Aleida van Eck, is een dochter van Henrick van Eck. Henrick is op zijn beurt zoon van Johan van Eck van Panthaleon en Aleid van Meeckeren. Gaan we verder terug dan komen we hier wapen ‘Van Wijhe’ tegen. Uit het voornoemde boekje ‘Genealogie Van Meeckeren’ blijkt dat haar vader Gerrit van Meeckeren is. Hij was eerst getrouwd met een onbekende Van Wijhe en later met Mechteld de Boese. Deze onbekende Van Wijhe was een dochter van Johan van Wijhe en Elisabeth van Meeckeren. Dat Gerrit hertrouwde is de verklaring waarom Aleid anno 1515 deelde met haar stiefmoeder.11 Aleid had in ieder geval één zus: Maria. Zij was getrouwd met Daem van Heerde en toen deze in 1513 overleed met Sijbert van Bueren. Elders lezen we dat deze Johan een zoon was van Walraven van Wijhe en rond 1390 getrouwd is met Elisabeth van Meeckeren en dat daardoor het kasteel Hernen in de familie Van Wijhe kwam.12 Wat de naam van die onbekende dochter zelf is, dat wordt niet duidelijk. Johan van Wijhe en Elisabeth van Meekeren hadden wel een dochter die Aleid heette, maar zij was getrouwd met de neef van haar vader: Dirk van Wijhe Hermanszoon. Ook de website van stichting ‘Vrienden van de Wijenburg’ geeft geen resultaat. Hier wordt hetzelfde gezegd: namelijk dat Johan van Wijhe met Elisabeth van Meeckeren trouwde en dat zij op haar beurt weer een dochter was van Herman van Meeckeren. Zoon Herman van Wijhe (de boer van de onbekende dochter Van Wijhe) was de stamvader van de Hernense Van Wijhe’s.13

Tenslotte

Een deel van de legpuzzel rond de Van Wijhe’s lijkt opgelost. Herman (Dircksz.) van Meeckeren, de vader van Elisabeth en de schoonvader van Johan van Eck van Panthaleon, was een zoon van Dirck van Meeckeren en Elisabeth van Wijhe. Deze Elisabeth was geen dochter van Otto of Reinier, maar van Gijsbert van Wijhe en Heijlwich van Lienden. Op het rouwbord van Adriaan van Zuylen van Nyevelt komen we ook een Van Wijhe tegen als moeder van een Van Meeckeren. We moeten deze moeder niet verwarren met Elisabeth. De ouders van Aleid van Meeckeren zijn Gerrit van Meeckeren en een nog onbekende Van Wijhe. Deze onbekende Van Wijhe was een dochter van Johan van Wijhe en Elisabeth van Meeckeren. Daardoor is de puzzel naast opgelost ook wat complexer geworden, want wie was die onbekende Van Wijhe?

Voetnoten

‘In onze benadering zit een fors verschil’ – Wetenschapsjournalist schrijft zijn slotbrief aan bioloog én wetenschapsjournalist

Beste René,

Ik herken me in jouw ervaring dat het lastig is om in kort bestek zo’n complex onderwerp grondig uit te benen. Ik loop jouw brief op volgorde door, en zal daarop waar nodig reageren.

Je begint met de terechte conclusie dat geen enkel wetenschappelijk argument mijn standpunt zal kunnen veranderen als het gaat over de schepping zoals die is beschreven in Genesis 1 en 2. In mijn vorige brief heb ik aangegeven dat de (methodologisch naturalistische) wetenschap geen zinvolle uitspraken kan doen over een wonder. Simpelweg omdat wonderen buiten het wetenschappelijke onderzoeksterrein vallen. Jouw reactie is vervolgens dat forensische wetenschap uit allerlei feiten kan komen tot ‘wettig en overtuigend bewijs’. Inderdaad. Zelfs tot de rechtbank toe wordt het aanvaard als bewijs.

Maar het gaat bij de schepping over een wonder, en dat verandert de zaak compleet. Ik neem een ander wonder als illustratie. De Heere Jezus heeft als eerste wonder in Kana water in wijn veranderd. Stel, je zou die wijn methodologisch naturalistisch via de forensische wetenschap onderzoeken met alle moderne apparatuur die daarvoor beschikbaar is. Dan zou de uitkomst luiden: uitstekende rode wijn, heeft wellicht vijf jaar gerijpt in eikenhouten vaten. Het alcoholgehalte is 12 procent, dat betekent dat het suikergehalte van de druiven vrij hoog moet zijn geweest. Naturalistisch gezien kloppen de feiten met de conclusie dat het een uitstekende wijn was (Joh. 2:10).

Maar deze wijn is niet gemaakt uit zoete druiven, heeft geen vijf jaar gerijpt in eikenhouten vaten, enzovoort. Hier is een wonder gebeurd: water is in een ogenblik in wijn veranderd. Daarom kloppen de conclusies van het naturalistische onderzoek niet.

Volgens mij gaat de (methodologisch) naturalistische wetenschap buiten zijn boekje wanneer ze een goddelijk wonder wil onderzoeken. Want ze veronderstelt dan immers (tegen het getuigenis van Gods Woord) vooraf dat er geen goddelijk scheppingswonder heeft plaatsgehad: God speelt immers geen rol bij het naturalistische onderzoek. Dan is de uitkomst ook naturalistisch, en zal een goddelijk scheppingswonder evenmin worden (h)erkend. Daarom kun je in je laatste brief stellen: ‘Wat overeind blijft is dat de feiten uit de wetenschap niet passen bij een scenario waarin het leven op aarde in zes dagen is geschapen.’ Mijn kanttekening hierbij: de feiten spreken een zesdaagse schepping niet tegen; de naturalistische conclusies van de wetenschap wel.

Vervolgens de ‘schatkamers van de hagel’ die in Job worden genoemd. Ik noemde Job een poëtisch Bijbelboek. Dat is volgens mij niet omstreden. Tegelijk neem ik het spreken van God in Genesis 1-3 zeer letterlijk, maar doe ik dat volgens jou niet in Job. Dat valt nog te bezien.

Ik neem het Bijbelboek Job, met veel gereformeerde theologen, als een historisch boek. Job heeft werkelijk geleefd, en wat hij heeft meegemaakt, is werkelijk gebeurd (Jak. 5:11). Tegelijk is de tekst poëtisch van aard. De kanttekeningen van de Statenvertaling zeggen het zo bij Job 38:22: ‘God spreekt bij gelijkenis, om te tonen Zijn grote macht, waardoor Hij, als het Hem belieft, grote overvloed van sneeuw en hagel kan voortbrengen, alsof Hij grote schatkameren gereed had, waarin Hij de sneeuw en den hagel, tegen dat Hij ze gebruiken wilde, weggesloten had.

Nu terug naar Genesis 1. Hoewel de scheppingsgebeurtenissen beknopt in verheven taal zijn opgeschreven, (noem het desnoods poëzie) is het Bijbelhoofdstuk niet minder historisch dan de geschiedenis van Abraham, Izak en Jakob, zoals ik in mijn vorige brief probeerde uit te leggen. Dat volgt ook uit andere gedeelten in de Bijbel, zoals Genesis 2:2; Exodus 20:11; Exodus 31:17; Hebreeën 4:4.

Wat betreft de vallende sterren in Openbaring, stel je dat ik die niet letterlijk neem. Dat klopt. Openbaring is eschatologisch van aard. Het beschrijft toekomstige gebeurtenissen in beelden en visioenen. In die zin zit er wel een historische kern in het Bijbelboek. Anderzijds grijpt Openbaring voor de toekomst van Gods kinderen nadrukkelijk terug op Genesis en de volmaakt geschapen toestand in het paradijs (Opnb. 2:7; vgl. Luk. 23:43 en 2 Kor. 12:4). Dat is juist een Bijbelse aanwijzing om de ‘zeer goede’ schepping als letterlijk gebeurde historie te lezen.

Dan jouw volgende punt; je schreef: ‘Maar ik geloof niet dat de Bijbel een historisch juiste beschrijving van de schepping heeft gegeven, een conclusie die ik trek na afweging van wat er in de Bijbel over is geschreven, hoe theologen en Bijbelwetenschappers daarover denken én wat grote aantallen natuurwetenschappers (inclusief een behoorlijk aantal christenen) over het verleden van onze planeet, de biodiversiteit en onze eigen afstamming hebben ontdekt.’ En je vervolgt: ‘Ik vind het pijnlijk dat je dit platslaat tot de conclusie dat de wetenschap bepaalt hoe ik Genesis 1 lees.

Laat ik beginnen met jouw laatste zin. Het was allerminst mijn bedoeling om jou pijn te doen of de discussie plat te slaan. Maar mijn constatering dat je ‘hiermee je positie duidelijk hebt gemaakt‘, was wel kort door de bocht. Ik heb daarbij heel wat denkstappen overgeslagen. Ik zal proberen mijn gedachtegang onder woorden te brengen.

Dat Genesis vandaag de dag anders wordt gelezen, ligt niet aan de Bijbeltekst. Die is duidelijk en die bestaat al veertig eeuwen. Hoewel er bij allerlei theologen afgelopen eeuwen allerlei opvattingen over de schepping zijn geweest, stemmen ze hierin overeen dat ze bogen voor Gods Woord. Dat werd anders door de Renaissance en met name door de Verlichting, waardoor de menselijke ratio steeds meer boven Gods Woord werd geplaatst. Met het verschijnen van boeken die deep time gingen promoten in de geologie (Hutton, Lyell) en in de biologie (Darwin) kwam dat in een stroomversnelling. Het aloude principe dat het door Gods Geest geïnspireerde Woord van God zichzelf verklaart, ging geleidelijk overboord. Daarvoor kwamen de menselijke ratio en historische Schriftkritiek in de plaats. Tel daarbij op dat de wetenschap steeds verder van de theologie af is komen te staan en steeds naturalistischer werd. En je hebt de situatie van vandaag: schriftkritische theologen die buigen voor de naturalistische wetenschap en wetenschappers die zich niet laten gezeggen door de goddelijke openbaring van historische feiten in Zijn Woord.

Als je Genesis niet leest als historie, komt dat niet door de Bijbel. Want als we Schrift met Schrift vergelijken, zoals de gereformeerde hermeneutiek (leesregel) vanouds de exegese (uitleg) van de Bijbel heeft gestempeld, kun je niet anders dan Genesis als historie lezen. Een invloed van buitenaf bepaalt dus dat we Genesis anders zouden moeten gaan lezen. Dat is de menselijke ratio in combinatie met de hedendaagse wetenschap. Ik breek hier dus geen lans voor een blind geloof in de Bijbel, maar wel voor een onderwerping van ons verstand, onze ratio, aan Gods Woord.

Vervolgens uit je kritiek op hoe ik de wetenschap in mijn boek aan de orde stel in verband met deep time. Ik loop alle drie de punten op volgorde na.

1. Het RATE-onderzoek dat creationistische wetenschappers hebben uitgevoerd om het deep time-dogma te toetsen. Je verwijst naar een artikel van Randy Isaacs waarin hij het onderzoek stap voor stap doorloopt. Het onderzoek zelf is volgens de wetenschappelijke methode uitgevoerd, dus verifieerbaar en herhaalbaar. Dat maakt dat het onderwerp van discussie kan zijn. Uiteindelijk stelt Randy Isaacs twee kritiekpunten aan de orde: versneld radioactief verval en het zogeheten hitteprobleem, waarmee dat gepaard zou zijn gegaan.

Voor versneld radioactief verval levert Eugene Chaffin een fysisch mechanisme. Dat het kán werken, beschrijf in mijn boek aan de hand van een Duits onderzoek. Dan blijft over het hitteprobleem, maar dat is algemeen bekend. Daarvoor hebben creationisten inderdaad nog geen oplossing gevonden, maar ook dat onderzoek gaat door. De koolstof-14-methode laat ik rusten. Die heb ik in mijn boek ook niet besproken, omdat deze niet direct is gelinkt aan deep time.

2. Dan hebben we het probleem van het licht van verre sterren en de lichtsnelheid. Je beschuldigt me ervan de lezer hier op het verkeerde been te zetten. Ik denk dat je hier samen met Matzke een vergissing maakt. De consequentie van het ASC-model Lisle is juist dat hij de eenrichtingssnelheid van licht als onbepaald kán veronderstellen, omdat deze niet te meten is. Het is een van de pilaren waar zijn theorie op rust. Dat Matzke dat ‘disastrous’ noemt, begrijp ik. Het is desastreus voor zijn opvatting over deep time.

Het andere punt dat Matzke in 2014 ‘disastrous’ noemt, is achterhaald sinds de publicatie van Lisle’s boek The Physics of Einstein (2018), pagina 253-272, waarin hij ingaat op de bedenkingen (objections) van onder meer Matzke tegen zijn ASC-benadering.

3. Komen we ten slotte bij jouw derde punt: mijn kritiek op gemeenschappelijke afstamming. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat je hier doet aan cherry-picking. Want in mijn boek bespreek ik veel sterkere argumenten tegen gemeenschappelijke afstamming dan je in je brief aanhaalt.

Maar goed, je haalt Woese en zijn afstammingslijnen aan. Je schrijft: ‘Jij vult dit aan met ‘Anders gezegd: er zijn geen eenduidige evolutionaire afstammingslijnen te trekken’. Het klopt dat ik dit geschreven heb. Ik constateer dat ik hier een woord ben vergeten: er zijn geen eenduidige evolutionaire afstammingslijnen uit te trekken. Ik spits deze zin toe op Woeses afstamminglijnen. Vervolgens ga ik er verder in op de afstammingslijnen. Dan blijkt dat er grote problemen zijn bij maken van eenduidige afstamminglijnen, hoewel je dat in je brief probeert te ontkennen. Ik citeer maar even uit mijn boek wat Richard Buggs, evolutiebioloog aan de Queen Mary University in zijn inaugurele rede zei, namelijk dat ‘iemands conclusie ten aanzien van levensbomen sterk afhankelijk is van iemands persoonlijke overtuiging. Geen enkele levensboom laat zich onomstotelijk bewijzen’.

Voor de andere zaken die je noemt, bijvoorbeeld Lynn Margulis en haar symbiosetheorie, de voorouders van de soorten in het Cambrium en dat je Pakicetus ziet als een voorouder van de walvis, geldt stuk voor stuk dat je er alleen in kunt geloven wanneer je de gemeenschappelijke afstamming van de soorten als vooronderstelling hanteert. En dat doe ik niet.

Ik ga met onderbouwing uit de literatuur in op de onmogelijkheid van Lynn Margulis’ endosymbiosetheorie. Ik vroeg me af: Waarom laat je uit je brief weg dat evolutionair bioloog Eugene Koonin gefundeerde kritiek op haar theorie heeft, zoals ik in mijn boek schreef? Zet je dan in je brief de lezers niet op het verkeerde been?

Over het de relatie Precambrium en Cambrium kan ik je verwijzen naar The Comprehensive Guide to Science and Faith (2021), hoofdstuk 31: Does the Fossil Record Demonstrate Darwinian Evolution? van dr. Günter Bechly. Zijn conclusie is: nee.

Dat ten slotte Pakicetus een hoefdier is geweest, blijkt niet uit mijn literatuur. ‘It was a wolf-like animal’. Maar dat maakt verder voor mijn gedachtegang niet uit. Ik geloof op grond van Genesis 1 dat walvissen (vijfde dag) en landdieren (zesde dag) zijn geschapen naar hun aard.

Jammer vind ik dat je deze brief afsluit met een insinuatie die je verder niet onderbouwt: ‘Maar de manier waarop je deze voorbeelden gebruikt is, het spijt mij dit te moeten zeggen, veelal niet correct.’ Zo’n beschuldiging kun je beter achterwege laten of deze grondig onderbouwen.

Wat mij betreft had je hoofdstuk 23 eruit gelicht. Daarin beschrijf ik:

  1. Dat de genetica en de chemie falen om de oorsprong van de genetische code te verklaren;
  2. Dat de moleculaire biologie faalt om een evolutionair mechanisme te leveren voor universele gemeenschappelijke afstamming;
  3. Dat de evolutiebiologie faalt in het geven van gedetailleerde evolutionaire verklaringen voor de oorsprong van complexe biochemische kenmerken of de oorsprong van nieuwe functionele biologische informatie;
  4. Dat de ontwikkelingsbiologie faalt om de feiten in overeenstemming te brengen met de verwachtingen van universele gemeenschappelijke afstamming;
  5. Dat het fossielenarchief faalt in het ondersteunen van het darwinistische evolutiemodel.

Dan was onze briefwisseling vast nog wat spannender geweest.

Ik kom tot een afronding. Ik heb het gewaardeerd dat je met me van gedachten wilde wisselen over mijn boek. Ook dat je pogingen hebt gedaan om er gaten in te schieten. Die zetten mij ook weer aan het denken. ‘IJzer scherpt men met ijzer; alzo scherpt een man het aangezicht zijns naasten’, zei de Spreukendichter (Spr. 27:17).

Ik heb het jammer gevonden dat je mijn Bijbelse argumenten nauwelijks aan de orde stelt in je brieven, maar dat je vrijwel uitsluitend bent ingegaan op wetenschappelijke argumenten. Ik heb dat ervaren als een eenzijdigheid in onze briefwisseling.
Ik heb vooral gemerkt dat er in onze benadering van het onderwerp schepping-evolutie een fors verschil zit. Ik benader het vanuit de theologie met een aantal wetenschappelijke noten; jij vanuit de wetenschap met een enkele theologische noot.

Toch blijf ik zitten met een vraag, die je ik aan je meegeef ter overdenking: hoe kun je het scheppingswonder uit Genesis 1 terzijde schuiven en dat lezen vanuit een evolutionair gezichtspunt, terwijl je het wonder van Christus’ opstanding wel aanvaardt; hoewel de naturalistische wetenschap beide niet kan verifiëren of falsifiëren? Hoe maak je onderscheid om wel in het ene en niet in het andere wonder te geloven? Dat botst met mijn gevoel van logica.

Tenslotte. Ik waardeer het dat we op de stof kritisch konden ingaan, maar dat de toon van de brieven goed is gebleven. Dat we hier ten dele kennen, onderschrijf ik van harte. Ik heb veel van je geleerd, en hopelijk heb je de briefwisseling niet ervaren als een verkettering van jouw mening. Waar we elkaar de hand kunnen reiken, moeten we dat ook zeker doen.

Gode bevolen!

Bart

Noot van de redactie: De slotbrief van dr. René Fransen is op de website van CVandaag (hier) te vinden. Het overzicht van deze briefwisseling is hier te vinden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Christelijk getuigenis broodnodig in Europarlement

Als we niet in actie komen, verdwijnen onze christelijke waarden via de EU. De sloopkogel van een progressief-liberale meerderheid richtte zich in Europa op onderwijs, abortus en familierecht. We kunnen het tij nog keren. Hoop gloort bij de Europese verkiezingen op 6 juni.

Het lijkt soms een frontlinie die steeds maar opschuift: progressief-liberale politici die oprukken met hun ”alles-moet-kunnen-mentaliteit” en ons als verdedigers van christelijke waarden in het nauw brengen. Via het Europees Parlement willen ze hun visie opdringen. Ze richten hun pijlen op degenen die vasthouden aan christelijke waarden, zoals het gezin of het leven. Hun individualistische en egoïstische visie, vermomd als ”modernisering”, maakt de samenleving echter niet gelukkiger of beter. Integendeel.

Als christenen moeten we de strijd daarom niet opgeven. We moeten juist opstaan en opkomen voor onze christelijke waarden. De Bijbel vraagt ons te getuigen en het geloof te verdedigen. En dat moet zeker in de Europese Unie, waar veel wetten ontstaan.

Waar hebben we als christenen voor te strijden? Ik noem enkele fronten: onze visie op het gezin en op abortus, de vrijheid om voor Bijbelse principes uit te komen en ons onderwijs, dat ook onder druk staat.

Huwelijk

De Bijbel leert ons wat een huwelijk is. Een huwelijk is een speciale verbintenis tussen één man en één vrouw. Zo’n verbintenis geeft het gezin een stabiele basis. De Europese Commissie heeft echter een voorstel ingediend voor een Europees ouderschapscertificaat. Dat wil zeggen: als één EU-land een andersoortige gezinsvorm erkent (een ”regenbooggezin” of een meeroudergezin; in theorie zelfs ook polygamie), dan is een ander EU-land verplicht om die gezinsvorm te erkennen als het gezin naar dat land verhuist. Zelfs als dat andere land die gezinsvorm in de eigen wetgeving helemaal niet erkent.

Het gevolg is dus dat het EU-land met de meest liberale wetgeving voor huwelijk en gezin leidend wordt voor de hele EU. En dat terwijl de EU helemaal geen bevoegdheden heeft met betrekking tot het gezinsbeleid. Een sluipend gevaar! Gelukkig zijn er (nog) lidstaten die dit ouderschapscertificaat blokkeren, zoals Hongarije. Maar de Europese Commissie voert de druk op.

Abortus

De Bijbel leert ons dat ieder mens beschermwaardig is, zeker ook het kwetsbare beginnende leven. Abortus is doodslag op een pril mensenleven in de moederschoot. De praktijk is helaas toegestaan in Nederland en veel andere EU-landen, onder voorwaarden. Enkele landen, zoals Malta en Polen, verbieden abortus.

Liberale politici eisen echter dat het recht op abortus een Europees mensenrecht wordt. Abortus zou dan niet meer verboden mogen worden in EU-landen. Ook in Nederland zou deze kwalijke praktijk dan uit het Wetboek van Strafrecht moeten worden geschrapt.

Een raar idee? Helaas niet. De Franse president Macron maakt zich hier hard voor. In eigen land heeft hij het al zo ver gekregen dat het recht op abortus verankerd is in de Franse grondwet. Ook in het Europees Parlement riep een meerderheid onlangs op om van abortus een mensenrecht te maken. Gelukkig was dit nog slechts een vrijblijvende oproep. Om dit daadwerkelijk te kunnen doen, zou een verdragswijziging nodig zijn. Elk land kan dat blokkeren, dus ook een conservatiever land als Malta of Italië.

Bijbel citeren

Wij zien het als een voorrecht om de Bijbel te mogen citeren. Uiteraard ook Bijbelverzen die bepaalde zonden veroordelen. Maar nu ligt er een voorstel van de Europese Commissie op tafel dat ”haatzaaien” op Europees niveau strafbaar stelt. Onze grootste zorg is dat de voorgestelde definitie erg vaag en breed is. Ook Bijbelverzen zouden eronder kunnen vallen, bijvoorbeeld verzen waarin staat dat het klassieke huwelijk een huwelijk tussen één man en één vrouw moet zijn. Wie dit uitspreekt, loopt het risico dan voor de rechter te moeten verschijnen wegens discriminatie. Vergezocht? Helemaal niet. Dit is al praktijk in Finland. Parlementslid Päivi Räsänen had een Bijbelvers op Twitter gezet. Ze moet zich nu, tot de Finse Hoge Raad toe, verdedigen wat betreft haar vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting.

Onderwijs

Ook het onderwijs begint steeds meer een front te worden waarop we als christenen in de verdrukking raken. De vrijheid om christelijk onderwijs te geven is in gevaar. Wat speelt er?

De Europese Unie is niet bevoegd tot onderwijsbeleid, maar de Europese Commissie probeert met beleidskaders aan de scholen vrijblijvende sturing te geven. Een voorbeeld is de Europese Onderwijsruimte. Dit is een (nog vrij vage) visie om in alle EU-landen dezelfde beleidsdoelen vast te stellen. Bijvoorbeeld dat 96 procent van de jonge kinderen naar de voorschoolse opvang moet gaan. En meer omstreden: dat scholen gendersensitiviteit moeten promoten.

Bovendien, als de eerdergenoemde Europese haatzaaiwet wordt aangenomen, zal dat ook consequenties hebben voor het onderwijs. De kinderen op school meegeven dat het Bijbelse huwelijk een verbintenis tussen één man en één vrouw is, zou dan zomaar strafbaar kunnen worden!

Rechtse meerderheid

Er staan dus, tegen wil en dank, belangrijke ethische onderwerpen op de Europese agenda. Ons christelijk getuigenis is nodig. Alleen daardoor kunnen we helpen voorkomen dat de EU onze waarden verder ondermijnt. Niets doen is geen optie. Als we aan de zijlijn op de EU staan te mopperen, verandert dat geen letter aan de kwalijke voorstellen.

Er gloort echter hoop. Volgens de opiniepeilingen in de 27 EU-landen tekent zich een rechtse meerderheid af in het Europees Parlement. Bij zo’n meerderheid vallen onze christelijke plannen in vruchtbare aarde. Maar dat gaat niet vanzelf. Wat helpt, is om bij de Europese verkiezingen op donderdag 6 juni te stemmen op een partij die christelijke waarden verdedigt.

De wetteksten vragen van de scholen ook dat ze een Europese identiteit smeden. Leerlingen moeten zich ”Europeaan” gaan voelen. Euroscepsis wordt aan een gebrek aan kennis en onderwijs geweten.

Wat de SGP betreft, blijft onderwijs een bevoegdheid van de EU-landen. Deze partij verzet zich tegen pogingen om meer macht naar Brussel te brengen. De vrijheid van onderwijs in Nederland is een groot goed. In vergelijking met andere Europese landen bevindt het christelijk onderwijs zich in ons land in een bijzondere positie, omdat het gefinancierd wordt door de overheid.

De schoolbestuurders zijn zich gelukkig bewust van het gevaar. De Vereniging Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS) houdt jaarlijks internationaal overleg in Brussel. Bestuurslid Pieter Moens, die vorige week afscheid nam, sprak hier samen met christelijke onderwijsmensen uit heel Europa over thema’s als burgerschap en genderideologie. Dat is waardevol in onze strijd voor het behoud van deze waarden.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Ruissen, B.J. van, 2024, Christelijk getuigenis broodnodig in Europarlement, Reformatorisch Dagblad 54 (43): 26-27 (artikel).

Dr. Peter Borger op 21 juni 2024 D.V. in Amsterdam om te spreken over ‘God en Zijn schepselen’

Op 21 juni 2024 D.V. spreekt dr. Peter Borger in het Christ Worship Center’ (CWC) te Amsterdam.1 De titel van zijn lezing luidt: ‘God en Zijn schepselen, of hoe de moderne biowetenschappen Zijn werk ontdekken’. Dr. Peter Borger is een Nederlandstalige wetenschapper die bekend is geworden vanwege zijn boek ‘Terug naar de Oorsprong’.2 De kosten voor deze avond bedragen 10 euro per persoon of 12,50 euro aan de deur. Hoe vooraf betaald kan worden, wordt op de website niet duidelijk.3

De avond start op 19:00 uur en het gebouw van CWC is te vinden aan de Witbolstraat 9 te Amsterdam en bereikbaar via Metro 52 station Noorderpark en Bus 34 en 35 halte Mosplein. Dr. Borger wordt aangekondigd als specialist in signaaltransductienetwerken en genregulatie-systemen. De samenvatting van de lezing vervolgt: “Hij is één van de grensverleggende wetenschappers binnen de nieuwe biologie. Daarin staat onder meer centraal dat soortenvorming daadwerkelijk plaatsvindt, omdat het genoom daarvoor is geprogrammeerd, maar dat alle verschillende soorten niet allemaal dezelfde voorouder hebben. Ook wordt vanuit deze tak van de biologie duidelijk dat er geen genetische informatie-toename nodig is om nieuwe soorten voort te brengen. Alle informatie om nieuwe soorten te vormen was reeds aanwezig in het genoom vanaf de tijd dat de oervormen werden geschapen.” Bij de verschijning van de gereviseerde versie ‘Terug naar de Oorsprong’ werd dr. Borger geïnterviewd door het Reformatorisch Dagblad. Het bovenstaande sluit daarbij aan.4 Deze lezing van dr. Borger wordt ook aanbevolen voor twijfelaars, critici en sceptici.

Voetnoten