Home » Seksualiteit

Categoriearchief: Seksualiteit

Een vraag die mij vaak gesteld wordt: hoe zit het met polygamie in de Bijbel? – Reactie van dr. Maarten Klaassen op drs. Jan de Visser

Wie het huwelijk definieert als een verbond tussen man en vrouw, krijgt regelmatig de vraag: Maar hoe zit het dan met polygamie in de Bijbel?

Wie gelooft dat God het huwelijk bestemd heeft voor één man en één vrouw kan zich verlegen of zelfs verward voelen bij het voorkomen van polygamie in de Bijbel. Wat ook gebeurt is dat mensen polygamie als argument gebruiken om ruimte te scheppen voor andere relatievormen. Dat gebeurde vorige week in het Nederlands Dagblad.1 In een podcast had ik het huwelijk gedefinieerd als een heteroseksueel verbond tussen man en vrouw.2 Ik kreeg daarop kritiek van ds. J. de Visser die het voorkomen van polygamie in de Bijbel aandroeg als argument tegen mijn visie.

Het lijkt erop dat De Visser het bestaan van polygamie in de Bijbel als argument ziet dat God het blijkbaar niet zo nauw neemt met huwelijk en seksualiteit – wat voor hem vervolgens weer lijkt te fungeren als argument dat wij dat ook niet hoeven te doen (en er bijvoorbeeld ruimte komt voor andere relatievormen, zoals een homoseksuele levensstijl). Dat zegt hij niet met zoveel woorden, maar dat impliceert hij duidelijk wel. Omdat deze gedachte breder leeft, is het goed hier nader op in te gaan en deze redenering te ontkrachten.

Dat polygamie (beter: polygynie) voorkomt in het Oude Testament is voor De Visser een ontkrachting van mijn these dat het huwelijk in essentie een heteroseksueel verbond van één man en één vrouw is. Ik ontken niet dat polygamie voorkwam in de Bijbel – de Bijbel is daar duidelijk genoeg over. Wel dienen hier een aantal kanttekeningen bij geplaatst te worden. Polygamie was een bekend fenomeen in de oudheid. Vaak was het alleen weggelegd voor de rijkeren; binnen koningshuizen had het ook een politiek-maatschappelijke functie in het kader van bondgenootschappen. Ontkracht het voorkomen van dit fenomeen de houdbaarheid van de these dat het huwelijk een verbond van één man en één vrouw is? Nee, geenszins. Dat iets voorkomt en gedoogd wordt is iets anders dan goedkeuring. Bovendien maakt het Oude Testament al impliciet kenbaar dat polygamie niet ‘werkt’; altijd geeft het spanning en wrijving (vgl. Gen. 16: 4, 30: 1). Zo wordt de onvolkomenheid van deze constructie zichtbaar.

Het grondpatroon van het huwelijk is gelegd bij de schepping. Dit grondpatroon (verlaten-hechten-één vlees worden, Gen. 2: 24) wordt door Christus bevestigd (Matth. 19: 5) en door Zijn apostel (Ef. 5: 31) nog eens herhaald: in de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan. De Visser miskent de gang van de openbaringsgeschiedenis en heeft geen oog voor het beslissend karakter van het nieuwe verbond dat door Christus wordt geïnitieerd en het oude verbond overtreft. Onder het oude verbond was het volk van God op weg naar de volwassenheid; onder het nieuwe verbond is die fase bereikt. Wat toen gedoogd werd, is nu niet meer van toepassing. De metafoor van het huwelijk als afspiegeling van de relatie tussen Christus en de gemeente (Bruid en Bruidegom, niet Bruidegom en bruidegom) laat dit niet toe.

Hoe dan ook is duidelijk dat waar polygamie onder het oude verbond getolereerd werd, dit in het nieuwe verbond niet het geval is. En dus kan polygamie geen argument zijn om vandaag de dag ruimte te zien voor homoseksuele verbintenissen, zeker niet in het licht van de expliciete gegevens die de Schrift op dit punt biedt. Dat homoseksueel gedrag een ‘gruwel’ genoemd wordt (een ernstige zonde) en polygamie niet, wijst er op dat het laatste echt van een andere orde is dan het eerste.

Mijn punt blijft staan: seksualiteit is een gave van God binnen de band van het huwelijk van een man en een vrouw. Dat heeft niets te maken met voor God willen spelen, zoals De Visser mij verwijt, maar gehoorzaamheid aan de Schrift. De Vissers verwijt aan mij komt op zijn eigen hoofd terecht. Als God willen zijn (Gen. 3: 22) is de kwalificatie die de Schrift geeft aan mensen die eigenmachtig Gods woord negeren of verdraaien. Ik vrees dat De Visser zich daar schuldig aan maakt. We weten waar dat toe leidde: Adam en Eva kwamen buiten de hof. Wie hen in dat spoor navolgt loopt hetzelfde risico.

Dat geldt niet alleen voor hen die volharden in seksuele zonden (welke dan ook), maar evenzeer voor hen die de Schriften verdraaien tot hun eigen verderf (2 Petr. 3: 16). Ik ga er niet over wie Gods Koninkrijk binnengaan zoals De Visser mij verwijt. Maar de Schrift is er duidelijk genoeg over: wie door misleidende woorden anderen hinderen Gods Koninkrijk binnen te gaan, zullen – tenzij ze zich bekeren – zelf ook niet binnengaan (Matth. 23: 13, Matth. 18: 6). Er staat inderdaad veel op het spel…

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Vuur, maar weinig licht – Bespreking ‘Vuur dat nooit dooft’

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: ”Vuur dat nooit dooft” is een verwarrend boek. Hoewel aangeprezen als „onmisbaar”, een „must have” en getipt voor het beste theologische boek van het jaar, maakt het deze kwalificaties helaas niet waar. Het helpt christenen niet verder in de bezinning op de thema’s seksualiteit en gender. De reden? De auteurs luisteren te veel naar de cultuur en te weinig naar de Bijbel.

René Erwich en Almatine Leene beogen vier doelen met ”Vuur dat nooit dooft”. Ze willen de huidige maatschappelijke context duiden, een historisch overzicht geven, wetenschappelijke benaderingen bespreken en theologische inzichten delen. Ten dele slagen ze daar ook in. Het boek bevat verschillende interessante en leerzame gedeelten waar de lezer zijn winst mee kan doen. Zo biedt hoofdstuk 2 een overzicht van visies op gender en seksualiteit door de eeuwen heen, maakt hoofdstuk 3 inzichtelijk hoe de wetenschappelijke omgang met gender zich ontwikkeld heeft en biedt hoofdstuk 5 een nuttige bespreking van de geweldige impact van pornografie.

Maar naast de genoemde vier doelen hebben de auteurs nog een vijfde doel. Hoewel ze heel bescheiden stellen slechts een „beetje orde in de verwarring te willen scheppen”, worden ze gedreven door een heel duidelijke missie, een missie die als een rode draad door het boek loopt – en dat is het ter discussie stellen van gevestigde patronen binnen de christelijke traditie, zoals binair denken en heteronormativiteit. Dat maakt het vanaf het begin een gekleurd boek. Terecht merkte dr. Yme Horjus op dat de conclusies al van tevoren vaststonden. Wat betreft gender vinden de auteurs dat man en vrouw „geen binair en polair gegeven” is, maar een „continuüm waarbinnen ruimte voor diversiteit is.” Er bestaan volgens hen „veel meer geslachtsvariaties dan slechts de mannelijke en vrouwelijke vorm.” Het „krampachtige binaire denken rondom gender” zou opgegeven moeten worden. Die aanname –die uiteraard een keuze is– leidt ertoe dat de auteurs sympathiek staan tegenover gendertransitie en homoseksualiteit.

Helaas heeft ”Vuur dat nooit dooft” de nodige kritiekpunten. Allereerst ontbreekt het dit boek aan een duidelijke eigen visie. De uitgave had aan kracht gewonnen als de auteurs minder zouden zijn teruggevallen op andere schrijvers en gewoon hun eigen verhaal geschreven hadden. Te vaak heeft het boek het karakter van een omgevallen boekenkast waarbij zo veel mogelijk visies aan het woord moeten komen. Daarnaast is het lezen van deze studie bij tijden een vermoeiende exercitie. Geregeld zijn zinnen verwarrend geconstrueerd, zodat je je afvraagt wat er nu precies bedoeld wordt. Wat bijvoorbeeld te maken van deze zin op blz. 63-64: „De ‘regie’ van de man werd steeds minder onderworpen aan de vormgevingseisen, waarbij voorheen, voordat de biologie zich ermee bemoeide, altijd een of andere medische rechtvaardiging had bestaan”? Daarnaast worden er regelmatig balletjes opgeworpen die vervolgens niet uitgewerkt worden.

Veel bezwaarlijker dan deze stilistische mankementen zijn echter de inhoudelijke bezwaren die tegen het betoog van de auteurs ingebracht moeten worden. De auteurs gaan tamelijk kritiekloos en naïef mee in het huidige discours over gender en seksualiteit zonder de fragwürdige aannames die daaronder liggen bloot te leggen. Het is een verbijsterende lacune dat de magistrale studie van Carl Trueman –die dat wél deed– niet eens aangehaald wordt door de auteurs. Enige vorm van cultuurkritiek ontbreekt vrijwel geheel.

Wat ook ontbreekt, is een helder normatief kader. De auteurs zijn vuurbang voor het vingertje. Ze maken al gelijk aan het begin duidelijk dat ze vooral niet willen voorschrijven. Als je op zoek bent naar een ethisch kader „moet je elders zijn.” Voordat je het weet zijn we moralistisch bezig; het gaat immers zo vaak al over grenzen. Tja, als zelfs theologen het daar niet meer over mogen hebben, wie dan nog wel?!

Maar hoe kan het anders als je de theologische vooronderstellingen aanhangt die Erwich en Leene aanhangen? Daar liggen de grootste vragen. God, geloof, theologie en seksualiteit hebben „met elkaar te maken”, maar over het hoe blijft veel onduidelijk. Dat is volgens de auteurs dan ook „niet eenvoudig” en veel hangt daarbij af van de „bril waarmee we de Bijbel lezen.” De auteurs geven aan dat ze de Bijbel niet willen lezen als een „wetboek” (wie wel? vraag je je af). In plaats daarvan stellen ze voor de Bijbel te lezen vanuit het kader van „verlangen”: het verlangen van God naar de mens en het menselijk verlangen naar relationaliteit.

Mijns inziens wordt de Schrift zo in een jas gestopt die slecht past. Niet dat verlangen niet belangrijk is, maar het is een thema dat in het geheel van de Schrift een bescheiden rol speelt en zeker geen kernthema is. Erger nog is dat met behulp van deze benadering de inhoud en zeggingskracht van Bijbelteksten gerelativeerd of geherinterpreteerd worden. Dat wordt duidelijk zichtbaar bij de behandeling van homoseksualiteit. Bij de zonde van Sodom zou het niet zozeer om homoseksualiteit gaan, maar om gebrek aan gastvrijheid. Deze exegese deugt beslist niet. In het licht van de heiligheidscode uit Leviticus (hoofdstuk 17-26) en de interpretatie hiervan bij Ezechiël wordt duidelijk dat het wel degelijk om seksuele zonde ging, in het bijzonder homoseksuele handelingen. Bovendien blijkt dat God al voor het betoonde gebrek aan gastvrijheid van plan was Sodom en Gomorra te verdelgen.

Als het gaat om Paulus’ visie op homoseksualiteit wordt weer eens de bewering gedaan dat het hier niet om homoseksualiteit als zodanig zou gaan, maar vooral om misbruik en exploitatie (van bijvoorbeeld jongens, zogenoemde pedasterie). Maar er is niets in Romeinen 1 wat aanleiding geeft tot de gedachte dat er sprake is van machtsmisbruik; alles wijst erop dat het seksuele handelen plaatsvindt in een sfeer van gelijkwaardigheid en wederzijdse instemming. Het zijn exegeses die al lang grondig weerlegd zijn; ook Ad de Bruijne –die zelf geen bezwaar heeft tegen homoseksuele relaties– is er in zijn recente studie over homoseksualiteit duidelijk over dat de Schrift alle vormen van homoseksueel gedrag veroordeelt.

Selectief

De auteurs geven er geen blijk van op de hoogte te zijn van hoogwaardige studies als die van Robert Gagnon, gaan vrijwel niet in interactie met andere stemmen, maar zijn heel selectief in hun literatuurkeuze. Zo wordt een echt debat uit de weg gegaan en wordt het preken voor eigen parochie. Je vraagt je af wat er zo nog overblijft van de helderheid (”claritas”) en vooral het gezag van de Schrift. In plaats van de wat vreemde keuze voor ”verlangen” als leidend motief, hadden de auteurs beter in kunnen steken met de klassieke trits schepping-val-verlossing. Echter, de schepping wordt gerelativeerd en het effect van de (zonde)val wordt compleet genegeerd. Dan zijn we mijlenver verwijderd van de klassiek-christelijke visie en is het niet vreemd dat dit boek zo weinig zeggingskracht heeft.

Je zou graag willen dat er iets minder aandacht was voor diversiteit en iets meer voor de zo broodnodige normativiteit. Daarvoor moet je niet bij Erwich en Leene zijn. Volgens de auteurs gaan we nu eenmaal struikelend door het leven – en ik kan helaas niet anders dan toestemmen dat er in dit boek heel wat gestruikeld wordt. Ja, het is waar, bij een complex thema als seksualiteit en gender zijn „antwoorden niet altijd te geven”, maar ik ben ervan overtuigd dat er in het licht van de Bijbel heel wat meer te zeggen is dan Erwich en Leene doen.

Dit boek draagt niet bij aan een helder getuigenis over Gods bedoeling met gender en seksualiteit, maar vergroot de verwarring veeleer. Het geeft wel vuur, maar weinig licht. Hooguit zal het hen die al ‘om’ waren, bevestigen in hun gelijk. We snakken ondertussen naar een boek in Nederland dat ons met kennis van zaken en trouw aan de Schrift en de christelijke traditie wel de weg kan wijzen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Klaassen, M., 2022, Vuur, maar weinig licht, Reformatorisch Dagblad 52 (201): 26-27 (artikel).

Heeft dr. Prosman het boek gelezen met één oog dicht? – Een Twitter-draad van dr. René Erwich als reactie op een recensie in De Waarheidsvriend

Het boek ‘Vuur dat nooit dooft’ lijkt een steen in de vijver van de Gereformeerde Theologie te worden.1 De Gereformeerde Gezindte zou op het gebied van seksualiteit hoognodig moeten ‘omdenken’ (p. 37). Helaas voor de auteurs blijkt niet iedereen in de Gereformeerde Gezindte dat van plan te zijn. Eén van de auteurs van het genoemde boek, hoogleraar praktische theologie dr. René Erwich, reageert daarom als in de spreekwoordelijke wiek geschoten op theologen die het oneens zijn met het boek. Systematisch theoloog dr. Jan Hoek2 zou last hebben van een ‘normatieve reflex’ en ’empirie allergie’.3 Theoloog dr. Yme Horjus4 ‘smeert het debat dicht’ en haalt ‘zijn bekende eenzijdige kijk op wat een ‘echt’ theologische discussie is’ van stal.5 Theoloog dr. Ad Prosman6 zou het boek gelezen hebben ‘met één oog dicht’7 en zijn recensie ‘dient niemand, ook uw achterban [die van De Waarheidsvriend, JvM] niet’.8 Op de recensie van classicus en theoloog dr. Benno Zuiddam9 hoopt dr. Erwich nog te reageren.10

Nu kan ik mij voorstellen dat de emotie komt bovendrijven als een jarenlang project wordt aangepakt. Zo’n boek is immers toch je kindje geworden. Wanneer het gesprek wordt platgeslagen met dergelijke emoties wordt het ‘open gesprek’ niet verder geholpen. Vandaag plaatste ik een drietal recensies, van dr. Prosman, dr. Horjus en dr. Zuiddam.11 Via LinkedIn kreeg ik reactie van dr. René Erwich, een van de auteurs van het boek ‘Vuur dat nooit dooft’. Hij schreef:

“Graag ook onze reactie op dit artikel overnemen om eenzijdige beeldvorming en het gemakkelijk wegzetten van zaken te voorkomen. Dat doet het debat recht.”

Met dat laatste ben ik het eens, als er reacties zijn dan moeten die ook weergegeven (of er liever naar verwezen) worden. Bij navraag via LinkedIn bleek de recensie van dr. Ad Prosman in De Waarheidsvriend te worden bedoeld met ‘dit artikel’. Zelf was ik niet bekend met een officiële reactie van de auteurs op dit artikel dan alleen een Twitter-draad van dr. René Erwich. Kan dat als officiële reactie gezien worden? Volgens dr. Stefan Paas is een (opinie)artikel toch echt iets anders dan een tweet (of Twitter-draadje). En dat ben ik het met dr. Paas eens. Social media is in mijn ogen veel vrijblijvender en vluchtiger.12 Dr. Erwich ziet de Twitter-draad echter als officiële reactie op de recensie. In een vervolgreactie schrijft dr. Erwich nog:

“Jan van Meerten, wellicht vrijblijvend maar niet minder fundamenteel, zou fijn zijn als die reactie vermeld werd. Lijkt me ook gewoon eerlijker. Horjus, Prosman en Zuiddam melden zich vanuit een specifieke hoek en dat is prima, maar dan ook de andere geluiden laten horen s.v.p.”

Ik ben het eens met het feit dat er verwezen moet worden naar de reacties, om zo de discussie inzichtelijk te maken en de standpunten eerlijk weer te geven. Dat wil niet zeggen dat we met Fundamentum alle meningen maar een podium zouden moeten geven. Fundamentum is niet een neutraal christelijk platform waar de pluriformiteit van aardse kerkgenootschappen zichtbaar zou moeten worden. We staan ergens voor! Bij Fundamentum wijzen we bijvoorbeeld homoseksuele praxis af als zonde (op de manier van Johannes 8)13 en geven we een pastoraal bewogen getoonzette ‘nee’ bij transitie.14 Daarnaast belijden en verdedigen we bijvoorbeeld een zesdaagse schepping, historische zondeval en een wereldwijde zondvloed.15 Uiteraard moeten we deze standpunten op een gedegen wijze beargumenteren met het oog en een toonzetting gericht op het zielenheil van de naaste. Dat wil niet zeggen dat we allerhande meningen in artikelvorm overnemen op onze website. Om tegemoet te komen aan het verzoek van de auteur hieronder een weergave van de Twitter-draad in verhaalvorm. Dit doe ik zonder inmenging of annotaties. Zelf heb ik het boek bijna uitgelezen en hoop ik, als de Heere leven en gezondheid geeft, hiervan een recensie te maken. De recensie zal hoogstwaarschijnlijk negatief zijn, heb het boek namelijk met gemengde (maar vooral negatieve) gedachten gelezen.

Reactie van dr. René Erwich op Twitter

Dr. René Erwich reageerde op Twitter in een paar korte statements op de recensie van dr. Ad Prosman in De Waarheidsvriend n.a.v. het boek ‘Vuur dat nooit dooft’. Hij geeft aan dat hij de reactie ook namens dr. Almatine Leene geeft. Hieronder in quote-vorm zijn hele reactie.16

Onze reactie op dr. Prosman in De Waarheidsvriend op ‘Vuur dat nooit dooft’ in een paar korte statements:
(1) Wij beweren in het boek niet dat er afscheid genomen moet worden van binair denken, wel een relativering van dat denken.
(2) Wij schrijven nergens dat de Bijbel verantwoordelijk is voor allerlei onderdrukkingsmechanismen; wel zijn we van mening dat specifieke interpretaties van met name het OT hebben bijgedragen aan onderdrukking van vrouwen.
(3) We presenteren in het boek het resultaat van een lezing van een aantal teksten en thema’s uit de Bijbel; Prosmans bewering dat onze interpretatie van data en de optelsom van OT/NT m.b.t. seksualiteit samen de emancipatiebehoefte van vandaag realiseert, is ronduit ongefundeerd.
(4) Prosman heeft wellicht een cursus ‘closereading’ nodig. Hij ziet geen onderscheid tussen het citeren van of verwijzen naar een wetenschappelijke bron enerzijds en de mening van ons als auteurs anderzijds (Vuur dat nooit dooft, p. 167, voetnoot 146).
(5) Wij beweren dat de menselijke seksualiteit een herrijking nodig heeft vanuit een trinitarisch perspectief, dit i.p.v. een eenzijdige inbedding in Grieks-Romeinse dualistische concepten. Dat is dus wat anders dan dat wij alles als dualistisch wegzetten.
(6) Wij beweren dat het krampachtige binaire denken moet worden opgegeven vanwege het herscheppende en transformatieve werk van de Geest. Prosmans interpretatie dat volgens ons het binaire man-vrouw denken moet worden opgeheven delen wij niet. Zijn analyse is incorrect.
(7) Prosman claimt dat ‘wie verlangen als criterium en leidraad kiest, (die) baant de weg voor homoseksualiteit…’. Wij bedoelen alleen dat ‘verlangen’ een sterk grondmotief is dat haar inbedding en zuivering vindt in relatie tot de Opgestane en Zijn Geest.
(8) Ten slotte: De Waarheidsvriend, het zou uw blad zieren als u iets zorgvuldiger te werk gaat in het recenseren van deze literatuur en iets zorgvuldiger leeswerk verricht voordat u de zaak affakkelt. Dat dient niemand, ook uw achterban niet.

De reactie op de recensie van dr. Ad Prosman is daarmee niet mals. Bij het vierde statement van de auteurs staat een verwijzing naar voetnoot 146 van het boek Vuur dat nooit dooft. Voor de volledigheid, in deze voetnoot staat het volgende:

Jennings (Jennings, 2019) wijst in zijn uitvoerige bijdrage over homoseksualiteit ook op een groot aantal andere teksten in de Bijbel en voorbeelden waarin homoseksualiteit op een of andere wijze naar voren lijkt te komen, en niet enkel in teksten uit het Nieuwe Testament. In dit verband gaat hij in op de liefdesrelatie tussen Ruth en Noömi (Ruth 1:16-17). De beide vrouwen moeten volgens Jennings hun relatie verborgen houden in een patriarchale samenleving en met dat doel heeft Ruth geen andere optie dan hun overleven veilig te stellen door een relatie met Boaz aan te gaan. Interessant is het commentaar in Ruth 4:14. Ruth slaapt met Boaz, raakt zwanger en baart een zoon. De omstanders getuigen dan tegen Noömi: ‘Geprezen zei de HEER, die jou vandaag iemand gegeven heeft die voor je zorgen zal. Moge zijn naam in Israël blijven voortbestaan! Hij zal je je levensvreugde teruggeven en je onderhouden als je oud bent, want je schoondochter, die je liefheeft en die meer waard is dan zeven zonen, heeft hem gebaard.’ De vreugde over de geboorte van de zoon richt zich niet op Boaz, maar op het feit dat Noömi een zoon heeft gekregen. Dat is een opmerkelijk commentaar in de tekst. Jennings interpretatie is boeiend en vraagt om verdere reflectie. Uiteraard komen achtereenvolgens ook de relatie tussen David en Jonathan aan de orde (1 en 2 Samuel), de centurio die Jezus vraagt om hulp voor zijn zieke knecht (Mat. 8) en het verhaal over de Ethiopische eunuch (Hand. 8:26-39). Jennings wijst ook op een mogelijke queer-lezing van teksten waarin de relatie tussen God en het volk Israël wordt beschreven. Hierbij is het volgens Jennings van belang om te zien dat bijvoorbeeld bij de profeten Amos en Hosea, maar zeker ook bij Jeremia en Ezechiël, de relatie tussen God en zijn volk vaak sterk gefeminiseerd wordt, God is vaak de jaloerse en benadeelde echtgenoot die moet omgaan met een overspelig Israël.

De volledige bronvermelding van Jennings 2019 is niet te vinden of het moet gaan om Jennings 2017. Dan luidt de volledige bronvermelding: Jennings, T.W., 2017, ‘Same-seks Relations in the Biblical World’, in: Thatcher, A. (ed.), The Oxford Handbook of Theology, Sexuality, and Gender (Oxford: Oxford University Press), blz. 206-221. Kennelijk hebben dr. Ad Prosman of de redactie van De Waarheidsvriend nog niet gereageerd op deze Twitter-draad. De auteur stelt voor om een briefwisseling op te starten in De Waarheidsvriend. Hij schrijft via Twitter:17

Voorstel: we openen een open briefwisseling in De Waarheidsvriend over de verschillen van inzicht om zo een goed gezamenlijk beeld te krijgen? Kunnen dr. Prosman, dr. Leene en ik het debat goed voeren op argumenten. Minder kun je toch niet verwachten als het zo belangrijk is!

Het voorstel van dr. René Erwich is een prima voorstel om op in te gaan. Wellicht komt deze briefwisseling nog eens tot stand of is inmiddels al afgesproken het zó of op een andere manier te doen. Laat het inhoudelijke debat maar gevoerd worden.

Voetnoten

Sprookjesboek – Bespreking ‘Vuur dat nooit dooft’

René Erwich, hoogleraar praktische theologie, en Almatine Leene, predikant in de GKv, vatten een paar jaar geleden het plan op om de kerken te dienen bij het nadenken over gender en seksualiteit. Dat resulteerde onlangs in de uitgave van het boek Vuur dat nooit dooft. Gender, seksualiteit & theologie in gesprek. Helpt dit boek de kerken verder?

Opvallend is dat de beide auteurs niet uitgaan van het bestaan van twee geslachten, man en vrouw, maar kiezen voor een zogenoemde fluïde (vloeibare) benadering van gender en seksualiteit (p.31). ‘Gender zit tussen je oren en niet tussen je benen’, zeggen ze (p.72), waarbij hun taalgebruik wel iets zegt over hun sociaal-maatschappelijke oriëntatie.

De auteurs menen dat alle transgender zelfidentificatie (= zelf bepalen of je man, vrouw of iets anders bent) een vorm van geslachtsvariatie is, punt. Pluriforme genderidentiteit (het bestaan van allerlei genders) leidt volgens hen tot een prachtige theologische verdieping, waarbij al het mannelijke en vrouwelijke in iedereen uiteindelijk zijn bestemming vindt in Christus. (p.240)

Eros

Het gaat in dit boek ten diepste om eros, seksueel verlangen met een onlosmakelijke lichamelijke component. Volgens Erwich en Leene heeft dit verlangen een normatieve functie: ze zien de mens met zijn gevoelens als normatieve genderidentiteit en dat bepaalt uiteindelijk wat ethisch gewenst is. Dat de Bijbel ook spreekt over liefde in brede zin (het verlossende agape voor een gevallen wereld, ook in seksueel opzicht), over Adam als het mannelijke verbondshoofd en over een ordening van de samenleving volgens de schepping – dat is voor de auteurs niet van belang. Waar de Schrift in deze patriarchale termen spreekt, beoordelen ze dat negatief en als cultureel bepaald. (p.159) ‘Feitelijk is dit een vorm van seksisme, het bevoorrechten van een geslacht boven een ander geslacht en dat heeft veel invloed gehad en heeft dat nog steeds.’ (p.38) Zowel de Bijbel als de christelijke liturgieën en liederen staan hier schuldig voor het aangezicht van de auteurs.

Geslachtsblindheid

Het boek volgt kritiekloos de theorie van Thomas Laqueur.1 De auteurs menen dat mannelijk en vrouwelijk slechts principes zijn en geen seksen (p.51). Het verschil zou gradueel zijn: ‘er is één geslacht en dat is mannelijk. Pas rond 1800 veranderde deze gedachte’. Dit is wel een zeer verwarde kijk op de opvattingen van vroegere geslachten.

Het principiële probleem dat ook hier terugkeert is dat de auteurs de theologische notie van het verbond niet verdisconteren. Ook hun taalkundig geheugen is kort. Tot in de twintigste eeuw beschouwde men het vrouwelijke als bij het mannelijke inbegrepen. Er is in de Schrift en de Westerse traditie weliswaar sprake van één menselijk geslacht (of bloed, vgl. Hand. 17:26), maar zowel theologisch, biologisch als sociaal werd dit altijd strikt gescheiden in mannelijk en vrouwelijk.

Het menselijk denken, ons kijken naar de werkelijkheid en de taalkundige uitdrukking ervan, verloopt al duizenden jaren in termen van mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Dat de wereld vanaf de Franse Revolutie de man niet meer ziet als verbondshoofd van de schepping, die verantwoording aan God schuldig is, moge duidelijk zijn. Maar dat betekent geenszins dat de westerse samenleving pas rond 1800 begon te denken in termen van mannelijk en vrouwelijk. Wie dat zegt, heeft nooit echt Grieks, Latijn, Frans of oudere vormen van Nederlands gestudeerd. Daarbij: alleen al de middeleeuwse kerkelijke regels over intersekse (hoogst uitzonderlijke gevallen waarbij iemand met zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtskenmerken ter wereld komt) laten zien dat het denken in twee geslachten – mannelijk en vrouwelijk – ook voor 1800 voluit normatief was. Na de puberteit moest men zich conformeren aan zijn/haar biologische geslacht en daarbij blijven.

Vaagheid

Naar duidelijke seksuele moraal en normativiteit zoekt de lezer in dit boek tevergeefs. De hoofdregel is dat er geen sprake mag zijn van misbruik of ongewenstheid. De theologie heeft als gesprekspartner slechts te zeggen dat wederkerigheid van seksueel verlangen als lichamelijke expressie belangrijk is (p.201). Zou iemand die onbevangen het Nieuwe Testament leest ook tot die conclusie komen?

Een seksueel actieve Jezus is in dit boek kennelijk een optie. De auteurs spreken van ‘een al dan niet gehuwde Christus’ en ‘Christus als huwelijkspartner vooral in metaforische zin’ (p.151). Daarbij geven ze de indruk zich te distantiëren van de vroege kerk. De superioriteit van het celibatair leven zoals bepaalde kerkvaders dit voorstonden, was ‘gebaseerd op hun overtuiging dat Jezus niet getrouwd was’ (p.151).

Schriftgebruik

Het boek kenmerkt zich door situatie-ethiek, dat wil zeggen dat er geen vaste waarheid of normatieve ethische handelwijze is die overal voor alle mensen geldt. Het benadert de Schrift exegetisch niet als eenheid, als Godspraak van de Geest. Veel wat de auteurs niet uitkomt, verwerpen ze als achterhaald of cultureel bepaald. Paulus’ veroordeling van homoseksualiteit op grond van Gods natuurlijke openbaring (Rom. 1) wordt bij Erwich en Leene: ‘Paulus richt zich tegen homoseksuele activiteit waarin sprake is van misbruik en exploitatie’ (p.166). Natuurlijk doet de apostel dit impliciet ook, maar de tekst verwerpt homoseksueel gedrag van mannen en vrouwen expliciet op grond van Gods scheppingsbedoeling.

Een tekst die de auteurs past, ontvangt daarentegen de hoogste lof zonder dat de tekstuele context verrekend wordt. Zo wordt 1 Korintiërs 7:4 (‘ook de man beschikt niet over zijn eigen lichaam, maar de vrouw’) geprezen als zeer revolutionair, want in de Romeinse wereld zou seksualiteit een uitdrukking van macht zijn geweest ‘van mannen naar vrouwen’ (p.159). Ten diepste is dit een biblicistische benadering, een vorm van liberaal buikspreken die teksten losmaakt uit het denken van de Schrift en integreert in een andere levens- en wereldbeschouwing.

Historisch brongebruik

De selectieve omgang met primaire bronnen beperkt zich niet tot de Bijbel. De auteurs menen blijkbaar dat ze op deze wijze ook mogen omgaan met de kerkgeschiedenis. Ik geef een aantal voorbeelden van wat de auteurs zeggen en vergelijk dat met de werkelijkheid zoals die uit de kerkelijke bronnen blijkt.

Geen echtelijk verkeer voor geestelijken?

‘In 303 werd al geëist dat zowel bisschoppen, priesters en diakenen, alsook geestelijken die aan het altaar dienen zich
onthielden van echtelijk verkeer en moesten ophouden met het verwekken van kinderen’ (p.53).

De werkelijkheid: de vroege kerk kende geen algemeen verbod op seks voor geestelijken. Erwich en Leene zeggen niet wie of welke vergadering dit eiste, maar bedoelen waarschijnlijk de synode van Elvira (al dateren ze die elders in 306). Veel geleerden plaatsen de synode niet in 306 maar tussen 300 en 303, voor de grote vervolging onder keizer Diocletianus.) Het gaat hier hoe dan ook om een regionale kerkelijke wet die ingegeven was door een specifieke historische situatie waarin men het onverantwoord vond om zijn vrouw zwanger te maken. De inhoud van canon (regel) 33 is een logisch uitvloeisel van Mattheus 24:19 (‘Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen’) en 1 Korintiërs 7:29 (‘Laten zij die vrouwen hebben, voortaan zijn alsof ze die niet hebben’). Zelfs het middeleeuwse canonrecht (bijv. Hostiensis, Lectura X 3.34.7) behandelt echtelijk verkeer binnen het huwelijk als een verplichting die ook aan de vrouw verschuldigd is. Wel kwam er uit hygiënische overwegingen een verbod op seksuele omgang van geestelijken voorafgaand aan de eucharistiebediening.

Geen seks in het decanaat?

‘Op het concilie van Elvira in 306 werd besloten dat hogere geestelijken (paus, dekens en bisschoppen) zich moesten onthouden van seks’ (p.53).

De werkelijkheid: Elvira was een regionale synode in Spanje die geen besluiten nam voor de hele kerk. Het besluit waarvan de auteurs hier spreken is overigens niet terug te vinden in de canones van Elvira. Bovendien: de paus bestond in 306 nog niet, alle metropolieten werden ‘paus’ genoemd. Ook dekens bestonden in 306 niet. Het decanaat is een organisatievorm die pas in de negende eeuw in Frankrijk ontstond en zich daarna over de westerse kerk verbreidde. Dat er getrouwde bisschoppen waren, is goed gedocumenteerd. De Westerse Kerk telde tot ver in de middeleeuwen pausen die getrouwd waren: Adrianus II (867–872) leefde met zijn vrouw in het Lateraanse paleis, Johannes XVII (1003) trouwde voordat hij gekozen werd tot bisschop van Rome. Dat een bisschop ‘de man van één vrouw’ moet zijn (1 Tim. 3:2) werd door de kerk niet in twijfel getrokken.

Zelfverminking Origenes?

‘Bijvoorbeeld de kerkvader Origenes (184-253) die zichzelf castreerde. Daar kreeg hij later spijt van, want
zo hoefde hij het gevecht met seksuele begeerten niet meer aan te gaan’ (p.54).

De werkelijkheid: In zijn late werk over het gebed (De Oratione XX.1) schrijft Origenes dat iemand die gecastreerd is niet in de kerk mag komen. Dit maakt zijn zelfcastratie historisch onwaarschijnlijk. Dat hij er later spijt van kreeg omdat hij graag de strijd aan wilde gaan tegen seksuele begeerten is een psychologisch inzicht van Erwich en Leene dat niet te herleiden is tot het werk van Origenes.

Zelfcastratie wenselijk?

‘De gedachte dat Jezus snel zou terugkomen had vooral aan het begin van de kerkgeschiedenis grote invloed. Het krijgen van kinderen was dan immers minder belangrijk. Het huwelijk bevolkt de aarde, maagdelijkheid de hemel en die hemel was voor veel mensen de belangrijkste prioriteit. Zelfcastratie was daarom wenselijk’ (p.55).

De werkelijkheid: wie aan zelfcastratie deed kwam onder tucht en mocht geen priester worden (canon 1 van Nicea 325). Kerkvaders als Chrysostomos spraken in dit verband van ‘moordenaars van Gods schepping’.

Transitie door onthouding?

‘Seksuele onthouding bood mensen met een lage status (vrouwen, armen en ongeschoolden) de mogelijkheid om een held te worden. Deze maagden hadden volgens Clemens hun seksualiteit overwonnen en daardoor konden zij mannelijke functies bekleden in de kerk. Ze werden niet langer als vrouwen gezien, maar als leden van een derde gender’ (p.56).

De werkelijkheid: Een derde gender dat toelating geeft tot de kerkelijke ambten is niet terug te vinden bij Clemens van Alexandrië, maar is een radicale feministische (her)interpretatie van zijn werk door de historicus April DeConick. De vroegkerkelijke schrijvers zijn eenduidig: de kerkelijke ambten zijn voorbehouden aan mannen die aan de voorwaarden voldoen. Er is geen derde sekse van vrouwen die een transitie tot man hebben ondergaan.

De vrouw een mislukte man?

‘De gedachte dat vrouwen eigenlijk mislukte mannen waren, zoals men in de oudheid al dacht, vind je dus terug in de vroege kerkgeschiedenis’ (p.56).

De werkelijkheid: Hiëronymus schreef aan een moeder die de maagdelijkheid van haar dochters wilde beschermen. Daarvoor geeft hij praktische tips. Het vrouwenlichaam is zo uiterst mooi en aantrekkelijk dat het tot zonde of een legitiem huwelijk kan verleiden. Wie maagd wil blijven, moet zich daarvan bewust zijn en ingetogen optreden uit zelfbescherming.

Prostitutie noodzakelijk?

‘De visie van de kerkvaders had ervoor gezorgd dat het huwelijk in de Middeleeuwen lange tijd werd veracht… Prostitutie was soms noodzakelijk omdat men niet wilde dat het zaad van een man verspild werd…’ (p.57).

De werkelijkheid: Hoewel de overheid dikwijls een tolerant beleid voerde, veroordeelden de middeleeuwse kerkelijke
canonregels seks buiten het huwelijk; seks met een prostituee gold als verzwarende omstandigheid.2 De canonregels eisten overigens zwaardere straffen voor bezoekers van prostituées en eigenaren van hoerenhuizen dan voor de betrokken vrouwen.

Conclusie

Vuur dat nooit dooft schept eigen waarheden in zijn omgang met de Schrift en de kerkgeschiedenis. Wie serieus beweert: dat de Kerk zelfcastratie wenselijk achtte, prostitutie noodzakelijk vond om geen zaad te verspillen, en vrouwen beschouwde als mislukte mannen die via seksuele onthouding konden uitstijgen tot een derde gender – doet niet aan wetenschap maar schrijft een sprookjesboek. Daarmee zijn de kerken niet gediend. Het boek wil helpen het open gesprek over seksualiteit serieus te voeren, ook als er verschil van inzicht blijft bestaan (p.249). Deze recensie bewijst dat het in ieder geval in dat opzicht geslaagd is.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Nader Bekeken. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2022, Sprookjesboek, Nader Bekeken 29 (9): 304-308.

Waarom ik geen spijt heb van mijn handtekening onder de Nashvilleverklaring

Vijf jaar geleden werd in de Amerikaanse stad Nashville een verklaring opgesteld over het huwelijk die bekend zou komen staan als de Nashville Statement.1 Vele bekende, voornamelijk evangelicale theologen en voorgangers betuigden adhesie. De verklaring werd in verschillende talen gepubliceerd en riep her en der flinke commotie op. De heftigste van allemaal ging over de Nederlandstalige Nashvilleverklaring (januari 2019).2 Was het dat waard?

De verklaring werd direct – nog voordat de vertalers om een reactie was gevraagd – geframed als een anti-homodocument. Dat was schadelijk voor mensen met homoseksuele gevoelens, en onjuist wat betreft de verklaring. Het document wil namelijk vooral een positief getuigenis afgeven over het huwelijk als heilzame instelling van God. In lijn daarmee neemt de verklaring afstand van zaken die het zicht op Gods bedoeling vertroebelen of daarmee mee in strijd zijn.

Linkse roeptoeters

Dat dit tot verbazing en ongenoegen in de samenleving leidde, hoefde niet te verbazen. De gemeente Amsterdam bijvoorbeeld reageerde direct en tweette: ‘Je mag zijn die je bent’. Zo staan miljoenen in het leven. Het is de populaire verwoording van wat Carl Trueman ‘expressief individualisme’ noemt: de gedachte dat je ‘jezelf’ moet kunnen zijn en dit te allen tijde dient te kunnen uiten.3 Wie hierin niet meedoet is de sjaak en krijgt een of ander ‘foob’-label opgeplakt: een manier van framen die iedereen die er anders over denkt in een verdachte hoek plaatst.

Zelfs een voorzichtige en bescheiden campagne als Gendertwijfel vorige week (waar deskundigen uit diverse disciplines kanttekeningen plaatsen bij het gemak waarmee (jonge) mensen van geslacht kunnen veranderen) wordt weggezet als transfoob en daarom staatsgevaarlijk.4 Het was dat het reclamebureau gelukkig net op tijd zijn huiswerk goed deed5, anders hadden linkse roeptoeters hun zin gekregen.6 De tolerantie waar ze de mond zo vol van hebben, blijkt in de praktijk alleen te gelden voor hen die er net zo over denken als zijzelf. In zo’n tijd kan het bijna niet anders of elk geluid dat afwijkt van de mainstream kan op verzet en tegenspraak rekenen. Deze reactie zegt natuurlijk nog niets over de (on)juistheid van datgene wat tegenspraak oproept.

Ik kom weer bij de Nashvilleverklaring. Je hoeft het natuurlijk niet met iedere punt of komma eens te zijn. Maar duidelijk is, dat deze verklaring gewoon verwoordt wat voor christenen tot voor kort gemeengoed was: het huwelijk tussen man en vrouw als instelling van God, de verschillende roeping van man en vrouw en afwijzing van alle vormen van wat de Schrift ‘porneia’ noemt ( seksueel gedrag buiten het huwelijksverbond van man en vrouw).

Dick Schinkelshoek betoogde vorige week in het Nederlands Dagblad dat de Nashvilleverklaring alleen maar het tegendeel bereikt heeft van wat ze beoogde.7 Ze heeft volgens hem alleen maar geleid tot meer emancipatie van vrouwen en homo’s in de kerk. Dat zou kunnen. Maar dat zegt meer over die delen van de kerk dan over de Nashvilleverklaring. Progressieve christenen lijken het belangrijker te vinden om mee te bewegen met wat er in de samenleving speelt dan om vast te houden wat de kerk altijd heeft geloofd. Nieuwe manieren van omgang met de Bijbel, gecombineerd met hermeneutische moves zorgen ervoor dat je uit kunt komen bij het tegendeel van wat de Schrift stelt. Want wat de Schrift stelt, dat was natuurlijk ‘toen’; dat hoeven wij nu zo niet meer te zien…

Theologie én ethiek

Schinkelshoek beweert dat het lijkt dat voor Nashville en zijn steunbetuigers het christelijk geloof zo ongeveer lijkt te staan of te vallen met de seksuele ethiek. Daarmee slaat hij de hamer op de kop. Want zo is het inderdaad. Wie meent de ethiek los te kunnen maken van de theologie dwaalt. Dat doet de Schrift zelf nooit. Een blik in de brieven van Paulus maakt duidelijk dat theologie en ethiek door hem nooit van elkaar losgemaakt worden. Voor hem is de ethiek (het leven) niet anders dan de consequentie van de theologie (de leer). En wie een beetje vertrouwd is met de geschriften van de kerkvaders weet dat het voor hen niet anders is.

De Rooms-Katholieke Kerk met zijn diepe respect voor de traditie heeft dat beter begrepen dan veel protestanten vandaag en biedt daarom een ethiek die veel meer raakvlak heeft met de Schrift en het algemeen christelijk belijden dan wat onder protestanten momenteel gangbaar is. Het is dan ook niet vreemd dat in het nieuwste handboek over seksualiteit van protestantse origine een geluid te horen is dat op veel punten haaks staat op dit algemeen christelijk belijden.8

En daarom mogen we na vijf jaar blij zijn met Nashville. Want Nashville biedt precies wat we vandaag hard nodig hebben: een beter, betrouwbaarder – want algemeen christelijk – geluid dan wat momenteel veelal te horen is. Door de grote ophef zijn veel christenen wakker geschud. Mannen en vrouwen met homoseksuele gevoelens die in Bijbels spoor wensen te gaan wisten zich gesteund. En de bezinning op deze en dergelijke thema’s is sindsdien verdiept en verbreed. En daarom heb ik geen seconde spijt gehad, mijn handtekening hieronder gezet te hebben. Inderdaad: ik zou het zo weer doen!

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Nashville-studiedag 12 september 2019 (4): Ing. M. de Rechter – Wat staat er op het spel?

Op 12 september 2019 werd de Nashville studiedag gehouden. De vierde spreker van de dag, ing. Miel de Rechter, sloot het morgengedeelte af met een korte uitleiding over ‘Wat staat er op het spel?’ In de komende weken willen we, als de Heere leven spaart, de video’s van de studiedag ook via deze website delen. Dit met dank aan de Werkgroep Nashville Verklaring.

Nashville-studiedag 12 september 2019 (3): Dr. P. de Vries – Bijbels-theologische lezing LHBTQ

Op 12 september 2019 werd de Nashville studiedag gehouden. De derde spreker van de dag, dr. Piet de Vries, gaf een Bijbels-theologische lezing. In de komende weken willen we, als de Heere leven spaart, de video’s van de studiedag ook via deze website delen. Dit met dank aan de Werkgroep Nashville Verklaring.

Homoseksualiteit raakt echt aan belijden kerk

Homoseksualiteit heeft niets te maken met het belijden van de kerk, betoogde ds. J. de Visser (ND 4-8). Het verloop van de Lambethconferentie, die van 26 juli tot 6 augustus werd gehouden in Canterbury, spreekt echter andere taal.

Kort gezegd stelt ds. De Visser: omdat er in de belijdenisgeschriften van de kerk niet over homoseksualiteit gesproken wordt, heeft de belijdenis niets van doen met homoseksualiteit. Dat is een nogal biblicistische benadering. Biblicistisch is het als je stelt dat, wanneer een bepaald begrip niet in de Bijbel voorkomt, dat begrip niet Bijbels is. Maar zo werkt het niet in de theologie. Er zijn legio begrippen die niet in de Bijbel voorkomen maar toch verrassend Bijbels zijn, zoals Drie-eenheid, erfzonde enzovoort.

Zonneklaar

Nee, inderdaad: het woord ”homoseksualiteit” komt in de kerkelijke belijdenis niet voor. En dat is logisch. Niemand dacht erover de Bijbelse visie daarop te moeten staven in een belijdenisgeschrift, omdat die evident was.

Van kerkvaders tot reformatoren en velen na hen: ze zijn zonneklaar in hun afwijzen van de homoseksuele praxis. Het kost weinig moeite om uit de exegese van de kerk der eeuwen tientallen voorbeelden te noemen om dat te onderbouwen. Tot ver in de 20e eeuw was dit de algemeen aanvaarde visie in de wereldkerk. Waar oosters-orthodoxen, rooms-katholieken en protestanten ook van mening over mochten verschillen, niet hierover. Bavinck, Barth, maar ook een hedendaagse eminente nieuwtestamenticus als N. T. Wright laten er geen misverstand over bestaan hoe de Schrift op dit punt uitgelegd moet worden. Zij zouden het er van harte mee eens zijn dat dit terdege het belijden van de kerk raakt.

Strijdig met belijden

Als ds. De Visser stelt dat tegenstanders van homoseksuele relaties „het belijden van de kerk (…) in ieder geval niet achter [zich] hebben staan”, dan is dat feitelijk onjuist. Want al spreekt de belijdenis niet expliciet over homoseksualiteit, zij doet dat wel impliciet. De ”onkuisheid” waarover de Heidelbergse Catechismus in zondag 41 spreekt, omvat alle vormen van wat de Schrift ”porneia” noemt: alle vormen van seksueel gedrag buiten de relatie man-vrouw in een huwelijksverbond, dus ook homoseksueel gedrag. De belijdenis heeft dus op dit punt het Schriftgetuigenis achter zich staan.

Als dan de Protestantse Kerk het zegenen van homoseksuele relaties toestaat, handelt ze daarmee in strijd met haar eigen belijden en –nog veel belangrijker– de Heilige Schrift. Als ds. De Visser stelt dat de synode met ord. 5.4 (het kerkordeartikel dat ruimte biedt voor het zegenen van andere relaties dan het huwelijk tussen man en vrouw) „een definitieve en onherroepelijke uitspraak heeft gedaan”, is dat een schokkende bewering. Het is een veeg teken als in de kerk iets onherroepelijk is. Dan staat de kerk boven het Woord in plaats van andersom.

Het lijkt er helaas op dat dit inderdaad het geval is in de Protestantse Kerk. Echter, wat synodes ook besluiten: zodra en zolang kerkelijke uitspraken met het Woord van God in tegenspraak zijn, hebben zij geen enkele zeggingskracht en geldingskracht.

De kerk is gelukkig groter dan de Protestantse Kerk. Als we de ”democratie van de geschiedenis” laten meespreken, is snel duidelijk hoe de verhoudingen liggen. Om maar niet te spreken over de grote meerderheid van de wereldkerk vandaag de dag.

Protest

Dat werd vorige week in Engeland goed merkbaar. Honderden Anglicaanse bisschoppen waren daar bijeen op de Lambethconferentie. Daar werd zichtbaar hoe homoseksualiteit de kerk wereldwijd raakt en hoe groot –gelukkig!– het verzet is tegen de stappen die progressieven nemen. Waar 140 (voornamelijk westerse) bisschoppen instemming betuigden met een verklaring die lhbti-liefde in toegewijde relaties ”heilig” noemde, steunden meer dan 500 bisschoppen deze verklaring niet. Dit nog afgezien van de tientallen bisschoppen die uit protest de conferentie niet eens wilden bezoeken. Een grote meerderheid van de Anglicaanse Kerk wil beslist vasthouden aan een verklaring uit 1998 waarin de homoseksuele praxis wordt afgewezen als zijnde strijdig met de Bijbel.

Westers fenomeen

Acceptatie van homoseksualiteit is een recent verschijnsel, ingegeven door een nieuwe hermeneutiek en sterk beïnvloed door de omringende cultuur. Het is met name een westers fenomeen dat zich grotendeels voordoet in een sterk krimpende, vergrijzende kerk. De uitspraak van een Afrikaanse bisschop tijdens de Lambeth-conferentie dat driekwart van de Anglicaanse Kerk een andere mening is toegedaan, zal niet ver naast de waarheid zitten. Dat is wel de kerk van de toekomst.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Klaassen, M., 2022, Homoseksualiteit raakt echt aan belijden kerk, Reformatorisch Dagblad 52 (112): 24-25 (artikel).

Nashville-studiedag 12 september 2019 (2): Dr. M. Klaassen – Cultuur-historische lezing “Seksuele Revolutie”

Op 12 september 2019 werd de Nashville studiedag gehouden. De tweede spreker van de dag, dr. Maarten Klaassen, gaf een cultuur-historische lezing ‘seksuele revolutie’. In de komende weken willen we, als de Heere leven spaart, de video’s van de studiedag ook via deze website delen. Dit met dank aan de Werkgroep Nashville Verklaring.

Hanteer Bijbel als uniek normatieve gids op seksueel terrein

Over het Schriftberoep in de ethiek (inclusief seksualiteit) is van orthodox-protestantse zijde grondig nagedacht. Voorbijgaan aan die bezinning is slechts tot groot nadeel.

Prof. dr. René Erwich en dr. Almatine Leene komen terug (Reformatorisch Dagblad van 8-8) op het eerder gedane verslag van de presentatie van hun boek ”Vuur dat nooit dooft” (RD 24-6). Ze memoreren daarbij dat ik bij die gelegenheid vroeg waarin hun betoog verschilt van prof. dr. F. O. van Genneps publicatie ”Mensen hebben mensen nodig” uit 1972. Het toen door Erwich gegeven antwoord is nu in hun artikel nader uitgewerkt. Ik heb er behoefte aan te preciseren wat ik met mijn vraag heb bedoeld en ook aan te geven waarom het antwoord van Erwich en Leene mij niet bevredigt.

Volmondig geef ik de auteurs toe dat zij in vergelijking met Van Gennep de thematiek in een veel breder kader plaatsen. Dat hebben ze gedaan door een ter zake kundige hantering van het viertakenmodel van Richard Osmer. Ze doen een serieuze poging om nieuwe kennis uit wetenschappen zoals biologie, psychologie en seksuologie theologisch te verdisconteren. Dat is naar mijn overtuiging volkomen terecht en prijzenswaardig. Inderdaad heeft theologie bij vragen over gender andere wetenschappen nodig en terecht stellen Erwich en Leene dat de normativiteit van de Schrift in gesprek moet worden gebracht met inzichten uit andere wetenschappen.

Kernnoties

Mijn grote zorg is echter, ook na herlezing van dit boek, dat deze normativiteit van de Schrift ernstig in het gedrang komt. Indertijd bestond in grote delen van de Nederlandse Hervormde Kerk en zeker in de breedte van de gereformeerde gezindte grote moeite met de benadering van Van Gennep, die in zijn seksuele ethiek het beroep op de Schrift versmalde tot de kernnotie van het ”verbond”. Zo gebeurde dat ook in de pastorale handreiking ”In liefde trouw zijn”, die in 1983 verscheen in de toenmalige Gereformeerde Kerken (synodaal). In ”Vuur dat nooit dooft” lijken de auteurs dezelfde weg te gaan door de notie ”verlangen” centraal te stellen.

Het beroep op zulke kernnoties kan zeker diepe en zinvolle aspecten van de Bijbelse boodschap doen oplichten. Tegelijkertijd blijven vele andere Bijbelse gegevens ongebruikt, bijvoorbeeld over de uniciteit van het huwelijk tussen man en vrouw, de fundamentele betekenis van het man of vrouw zijn vanuit de schepping naar Gods beeld, de teksten die waarschuwen voor allerlei vormen van seksuele onreinheid enzovoorts.

Spanningsveld

Erwich en Leene wijzen in navolging van de Amerikaanse theoloog David Jenson een benadering af die de Bijbel ziet als een gids voor seksualiteit, waarin zekere teksten worden uitgekozen die bepalend zijn voor wat wel en wat niet mag op seksueel gebied. Ze stellen dan: „Dit maakt van de Bijbel een soort wetboek, waarbij weinig ruimte is voor diverse contexten.”

Mij gaat dit veel te kort door de bocht. Is het Woord van God niet de beste gids op alle levensterreinen? Zeker, er moet zorgvuldig worden nagedacht over de actuele toepassing van Bijbelwoorden en er gaat veel mis wanneer losse teksten klakkeloos worden geciteerd. Maar over het Schriftberoep in de ethiek (inclusief seksualiteit) is van orthodox-protestantse zijde grondig nagedacht (ik noem bijvoorbeeld het werk van J. Douma en W. H. Velema). Voorbijgaan aan de resultaten van die bezinning is slechts tot groot nadeel. De christelijke ethiek staat naar een woord van S. Meijers in het voortdurende spanningsveld van áándachtig en índachtig. Aandachtig ten aanzien van de gegeven situatie (en dan doen alle wetenschappen voluit mee) en indachtig het hele Woord van God (tota Scriptura). Daarbij moeten we ook teksten die een andere (bijvoorbeeld patriarchale) cultuur ademen en contextueel gekleurd zijn zorgvuldig beluisteren, om hun blijvende normatieve kern recht te doen en door te vertalen (de hermeneutische opdracht).

Ik hoop dat de auteurs van ”Vuur dat nooit dooft” zich nader willen bezinnen op de unieke normativiteit van heel de Schrift als Woord van God en stem uit de hemel.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Hoek, J., 2022, Hanteer Bijbel als uniek normatieve gids op seksueel terrein, Reformatorisch Dagblad 52 (118): 25 (artikel).