Home » Milieu

Categoriearchief: Milieu

Congres over ‘Bijbel & Wetenschap’ 2022 – 7. dr. ir. Gijsbert Korevaar – Scheppingsgeloof en rentmeesterschap: bijbelse waarden en zorg voor de schepping

Op 22 oktober 2022 organiseerden Fundamentum, Geloofstoerusting en Logos Instituut een congres over ‘Bijbel & Wetenschap’.1 Industrieel ecoloog dr. ir. Gijsbert Korevaar gaf een lezing met als titel ‘Scheppingsgeloof en rentmeesterschap: bijbelse waarden en zorg voor de schepping’. Veel zegen bij het kijken en luisteren! Vragen kunnen gesteld worden via het contactformulier: https://oorsprong.info/contact/.

Zie ook hier een artikel over deze thematiek van dr. ir. Gijsbert Korevaar.

Voetnoten

Gevaar op het wad en de zorg voor Gods schepping – Bespreking ‘Gevaar op het wad’

“De wind schudde aan het ijzeren platform. Ilka leunde op haar armen terwijl ze over zee uitkeek. Ze genoot van het rustige moment na de emoties van de nacht. Toen werd haar aandacht getrokken door wat zich daar beneden afspeelde. De vloed had de dijk overspoeld, en met iedere aanrollende golf stortte zich een nieuwe watermassa het eiland in. Vol schrik, en toch nieuwsgierig, keek Ilka toe hoe het water steeds maar verder steeg.”

Bij Stichting Uit het Woord der Waarheid zijn verschillende kinder- en jeugdboeken verschenen die geschreven zijn door Bettina Kettschau. Vandaag bekijken we de ‘Vier vrienden’-serie, die ondertussen bestaat uit vijf deeltjes.

Verhaal

In het kort gaat het verhaal over vier vrienden die in Noord-Duitsland (het waddengebied) wonen en van alles meemaken op het wad. In de nacht wacht namelijk een huifkar de overtocht naar een van de Duitse waddeneilanden. Dat is voor de vier vrienden verdacht. Ze roepen hulp in van Lars, een betrouwbare andere koetsier, en gaan op onderzoek uit. Voor ze het weten zitten ze in een ernstig milieudelict. De milieuvervuilers wil vaten met kernafval (uranium) dumpen in de Noordzee. Tot overmaat van ramp wordt het eiland ook nog bedreigd door een springvloed, waardoor grote delen van het eiland onder water komen te staan. Gelukkig weten de vier vrienden met behulp van Lars en de (water)politie de zaak op te lossen.

Schepping

In dit boekje is veel aandacht voor de schepping. Zo worden de jongeren opgeroepen om goed voor het milieu te zorgen. Immers, dat is Gods opdracht die Hij de mensen meegaf in het paradijs.

’Niet dat we nu zulke uitgesproken milieuverbeteraars zijn, maar het is een heel normale zaak om alles niet te doen waarmee we het milieu zouden belasten of dieren en planten hun leefomgeving te ontnemen’. Lars knikte instemmend. ‘Dat is de natuurlijke verantwoordelijkheid die elk mens van zijn Schepper heeft gekregen, namelijk de aarde te bebouwen en te bewaren’.

Het is goed om onze jongeren dit uitgangspunt mee te geven. Niet de uitwassen, maar wel de goede zorg voor de schepping. Daarnaast heeft het boek aandacht voor Gods oorspronkelijke schepping en Zijn voorzienigheid.

‘Ik wist helemaal niet dat jij zo’n biologiefreak was’, zei Ernesto. ‘God heeft alles volgens een prachtig plan geschapen. Voor mij is het boeiend om naar de natuur te kijken en het te begrijpen’. Jan viel bijna van zijn fiets, omdat hij alles wilde zien en weten.

De vier vrienden willen ‘graag beschermen wat God geschapen heeft’. We moeten volgens de auteur ook proberen om in onze omgeving ‘een bewustzijn te creëren, dat de wereld Gods schepping is waarvoor wij ook een beetje verantwoordelijk zijn’. God heeft alles gemaakt en ‘je hoeft alleen maar om je heen te kijken, dan zie je dat er een liefdevolle en plannende hand aan het werk was in de schepping’. Een van de hoofdpersonen, Joachim, vult aan: ‘een geniale hand’. Ook Gods voorzienigheid heeft een plaats. God heeft Zijn schepping niet aan zichzelf overgegeven maar Hij zorgt er nog steeds voor en grijpt in als Hij denkt dat dit nodig is. Dat blijkt uit het gesprek van de vier vrienden over de geschiedenis van de Heere Jezus en de storm op zee. Hij bestrafte de wind en het water werd weer rustig. ‘Was de storm gewoon weg?’ ’Ja, God heeft toch alles gemaakt, en Hij kan alles weer in orde brengen wat niet in orde is. Toch ben ik soms bang, maar dat hoeft eigenlijk niet.’ Heel mooi dat de auteur zoveel aandacht heeft voor Gods schepping en Zijn onderhouding van alle dingen. We moeten ons bewust worden van Gods scheppende hand én onze verantwoordelijkheid nemen om voor Zijn schepping te zorgen. Niet als milieufreak, maar omdat God ons die opdracht gegeven heeft.

Het eerste deel van deze serie Arnichauds geheim is een mooi geschreven boekje over de vervolging van de Waldenzen. In dit boekje staan nauwelijks verwijzingen naar onze vroegste geschiedenis. Er wordt alleen geciteerd uit Psalm 121: “Mijn hulp is van de Heere, Die hemel en aarde gemaakt heeft.” Beide boeken zijn geschikt voor kinderen vanaf 11 jaar en worden hier van harte aanbevolen. Ook de aandacht voor het Evangelie valt in beide boeken op. Al zullen verschillenden uit onze achterban daarvoor andere bewoordingen kiezen.

Ook het vierde deel van deze serie met als titel ‘Spanning aan de Ganges’ bevat verwijzingen naar onze oergeschiedenis. De bespreking daarvan is hier te vinden.

Dit artikel werd geschreven in 2020.

Deze bespreking is onderdeel van het project ‘Onderwijzen en opvoeden voor de toekomst – Leren over onze vroegste geschiedenis in 2022’. Dit opvoedings- en onderwijsproject is onderdeel van het jaarplan ‘Fundamentum 2022’. Het boek is hier opgenomen in de lijst van gelezen kinder- en jeugdboeken.

De aarde bouwen en bewaren – Leven in een veranderende wereld

Eben-Haëzer, zo heette het schip van Jan Geense. Die naam (“Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen”) droeg het vrachtschip met ere. Schipper Geense (1848-1933) kon er regelmatig van getuigen hoe de Heere hem geholpen had. Bekend is het voorval dat Geense aan het eind van de week met een lading brouwgerst in Antwerpen kwam en de boodschap kreeg dat zijn schip op zondag gelost zou worden. Geense weigerde. Daarop werden de havenwerkers boos en ze zeiden dat ze hem tóch de volgende dag zouden lossen. De schipper stortte zijn hart voor de Heere uit en hij geloofde vast dat God machtig was dat te verhinderen. “Toen ik ‘s morgens buiten keek, was alles met ijs bedekt, want het had geregend en daarna gevroren, zodat er geen gelegenheid was om op straat te komen en nog minder om te lossen. Het was al in het laatst van april. Ze vroegen des maandags aan mij, in wat voor een God ik geloofde, want het was zeer opmerkelijk.”

Een sprekend voorbeeld waaruit blijkt dat God álle dingen bestuurt. De HEERE vroeg aan Job: “Heeft de regen een vader? Of wie baart de druppelen des dauws? Uit wiens buik komt het ijs voort? En wie baart den rijm des hemels?” De Heidelbergse Catechismus geeft het antwoord hierop in Zondag 10: “De almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, door welke Hij hemel en aarde (…) gelijk als met Zijn hand onderhoudt.”

Opwarming aarde

Loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren ontstaan niet “bijgeval” maar door Gods Vaderlijke hand. Daarom is het begrijpelijk dat christenen weleens moeite hebben met allerlei maatregelen rond het klimaat en de opwarming van de aarde. Sommigen doen er ronduit schamper over, anderen halen hun schouders op. De vraag klinkt: Is het niet een ongelovige, goddeloze gedachte dat een mens het klimaat kan beïnvloeden? Dat is toch grenzeloze zelfoverschatting? Een mens kan geen el aan zijn lengte toevoegen. En er zijn in het verleden zo vaak temperatuurschommelingen geweest.

Allemaal heel begrijpelijke vragen. Vaak gaan ze gepaard met een bepaalde emotie: de vragen ontstaan niet alleen vanuit het besef van Gods voorzienigheid, maar ook omdat men de maatregelen als onredelijk en bedreigend ervaart. Dat is niet verwonderlijk. Je zult maar je hele leven gebouwd hebben aan je bedrijf, de vierde generatie boer zijn en telkens weer uit Den Haag horen dat het anders moet of dat je ermee moet stoppen. Omdat er te veel gras op de heide staat. Of omdat Europa vindt dat we vegetariërs moeten worden. Of omdat Greenpeace denkt dat de ijsberen uitsterven. Zit er niet een geestelijke strijd achter die klimaathetze?

Nogmaals: begrijpelijke vragen. Maar voor een goed antwoord erop is het nodig om ze wat te ontrafelen. Niet zelden worden in discussies hierover kwesties op één hoop geveegd, die los van elkaar staan. Waar hebben we het eigenlijk over?

Milieuvervuiling

Laten we beginnen bij milieuvervuiling. Een volle vuilniszak mag je niet aan de kant van de straat gooien en motorolie hoort niet in het riool. Die vormen van vervuiling vallen snel op en iedereen voelt aan hoe schadelijk en onwenselijk dit is. Bij de luchtverontreiniging door een auto (kooldioxide, stikstofoxide, fijnstof) wordt het moeilijker. Dat is niet zichtbaar en er staat het gemak van een transportmiddel tegenover.

Vervuiling is er in vele vormen. Het gaat niet alleen om uitstoot van fabrieken of ammoniak uit stallen. Een grote bron van vervuiling is het onafbreekbare plastic in drinkrietjes, plastic tasjes, flesjes en verpakkingen. Veel daarvan belandt uiteindelijk in de zee, in de vorm van heel kleine stukjes, microplastic. De berichten over de gevolgen zijn verontrustend: als de productie van plastic in het huidige tempo toe blijft nemen, zit er over dertig jaar meer plastic in de oceaan dan vis. En plastic bevindt zich overal op aarde, tot op de toppen van bergen. Microplastic komt zelfs voor in het bloed en de longen van de meeste mensen.

Biodiversiteit

Een van die mogelijke gevolgen van vervuiling is de afname van biodiversiteit. De variatie aan soorten planten en dieren, inclusief bodemleven, vissen en insecten, is heel belangrijk. Ze zorgen voor evenwicht in bodem, water en lucht. Een grootschalige studie van de Verenigde Naties uit 2019 toont aan dat al één op de vier soorten gevaar loopt. Het gaat dus niet om het uitsterven van een enkel zeldzaam slakje of een wilde orchidee maar om een sterke afname van het aantal soorten.

Biodiversiteit wordt niet alleen bedreigd door vervuiling (bijvoorbeeld het gebruik van bestrijdingsmiddelen of bemesting en stikstofuitstoot), maar er zijn veel meer oorzaken: ontbossing, verstedelijking, eentonige akkers en klimaatverandering. Ook in Nederland is die afname al duidelijk zichtbaar: heidevelden die overwoekerd worden door grassen; bermen vol bramen en brandnetels, maar zonder bloemen.

Broeikas

Een ander mogelijk gevolg is de opwarming van de aarde. Onder wetenschappers is er geen discussie meer over de vraag óf de aarde, de zeeën en de lucht geleidelijk warmer worden. Ze zijn het er ook vrijwel unaniem over eens dat de mens daar een factor in is. Dat is niet de mening van linkse clubjes of natuurbeschermers, maar dat is gebaseerd op metingen die even betrouwbaar zijn als onze koortsthermometer. Sinds 1900 is de aarde met 1,2 graad opgewarmd en de gevolgen daarvan zijn duidelijk merkbaar. De discussie gaat vooral over de vraag hoe dat verder gaat, hoe ernstig de schade ervan is en wat ertegen te doen valt.

Het gaat bij al deze onderwerpen dus om een ingewikkeld proces. Gewasbeschermingsmiddelen en de uitstoot van stikstof kunnen invloed hebben op de biodiversiteit, maar dat leidt niet direct tot opwarming van de aarde. Echter, fabrieken, auto’s en koeien die stikstofoxiden uitstoten, produceren ook broeikasgassen (kooldioxide, methaan) die wel bijdragen aan die opwarming. Die opwarming beïnvloedt weer de biodiversiteit. Tegelijkertijd stimuleert stikstof vaak ook de groei van planten die weer kooldioxide ópnemen, wat de opwarming dan weer tegengaat.

Maakbaarheid

Dat dit proces zo ingewikkeld is, verklaart waarom er ook zo veel verschil van mening bestaat. Een politicus kan eenvoudig een argument vinden om tegen een maatregel te zijn. Boeren stellen de meetmethodes en de modellen ter discussie. Consumenten hechten aan hun vrijheden en willen hun leefpatroon niet aanpassen. Vliegvakanties, autorijden, eetpatronen, gemak, iedereen heeft wel een reden waarom hij op de oude voet verder wil gaan of zich verzet tegen windmolens en zonnepanelen.

Er is nog een andere kant. In onze tijd overheerst de gedachte van de maakbaarheid. Dat doet denken aan de coronamaatregelen: alsof de mens zelf baas is, heer en meester over de schepping, en alsof de mensheid zelf zijn lot bepaalt.

Dat is een on-Bijbelse gedachte. God bestuurt alle dingen, ook met betrekking tot de schepping en de natuur. Tegelijkertijd neemt dat de verantwoordelijkheid van de mens niet weg. Net zoals een mens zijn gezondheid niet in de hand heeft maar toch zijn leven niet in gevaar mag brengen door te roken of ongezond te eten.

Bouwen en bewaren

Zo heeft een christen ook de plicht om zorg te dragen voor het behoud van de schepping. Een belangrijk uitgangspunt is de opdracht die de Heere bij de schepping, vóór de zondeval, geeft aan de eerste mens. Adam krijgt in Genesis 2:15 de taak om de hof van Eden te bouwen en te bewaren. Bouwen wijst op het verbouwen van gewassen en het benutten van grondstoffen. Maar bewaren betekent: het beschermen tegen verval en vervuiling. De Bijbelverklaarders Patrick, Polus en Wels schrijven hierbij: “Te bebouwen en te bewaren wil zeggen, om de hof, door zijn zorg en arbeid, in dezelfde staat te houden als hij die vond.” De verklaring van Calvijn bij deze tekst is ook treffend. De Heere geeft met deze opdracht aan “dat wij, hetgeen de Heere ons ter hand stelt, met dat doel bezitten, dat wij, tevreden [zijnde] met een vruchtbaar en matig gebruik, het overige zouden bewaren.” Dus: niet eindeloos de aarde kaalplukken en uitbuiten, maar matig zijn. En, vervolgt Calvijn: “Die een akker bezit, moet dus de jaarlijkse vrucht trekken, en toezien dat hij de grond door zorgeloosheid niet laat uitgeput worden, maar hij moet zich erop toeleggen, om hem aan de nakomelingen over te leveren, zoals hij hem heeft ontvangen, of nog beter bebouwd.” Dus: de aarde bebouwen maar tegelijk zodanig bewaren dat onze kinderen die beter aantreffen dan wij.

Zonde

Dit gebod aan Adam, de scheppingsopdracht, krijgt meestal weinig aandacht. Toch hangt de huidige discussie over stikstofuitstoot, veeteelt en natuurbeheer nauw samen met de verhouding van dit bouwen en bewaren. Bebouwen mag, is zelfs een plicht, maar nooit ten koste van het bewaren.

Het is ook een belangrijk gebod: het is nog ouder dan de instelling van het huwelijk en waarschijnlijk is het al gegeven vóór de eerste sabbatdag. Eigenlijk is het opvallend dat dat niet zo beleefd wordt als een gebod. Als overspel zonde is, en de gedachte eraan ook, en als we ons zorgen maken over de ontheiliging van de rustdag, dan mogen we het schenden van deze scheppingsopdracht toch ook zonde noemen? Iedereen beseft wel dat je een leeg blikje niet in de berm moet gooien omdat dat vervuiling is, maar zien we dat ook als strijdig met het gebod van God, dus als zónde?

Voor Jan Geense was het schenden van de sabbat zonde. Terecht. De God van de schepping bewaarde hem voor de spot van de havenwerkers. Maar voor wie een teer geweten heeft, weegt ook het bouwen én bewaren van de aarde zwaar.

Dit artikel is met toestemming van de auteur en de redactie overgenomen uit het Kerkblad der Oud Gereformeerde Gemeente in Nederland. De bronvermelding luidt: Bruijn, S.M. de, 2022, De aarde bouwen en bewaren, Kerkblad der Oud Gereformeerde Gemeente 45 (14): 134-136.

Wetenschappelijk model nuttig maar niet alwetend

In politieke discussies en beleidsvorming spelen modellen een belangrijke rol. Ze zijn ook betrouwbaar, mits ze passen bij de vraagstelling en niet worden overvraagd.

Ons land wordt geplaagd door meerdere crises, waaronder de corona-, klimaat- en stikstofcrisis. Die laatste hebben zelfs geleid tot een nieuwe minister voor Natuur en Stikstof en voor Klimaat en Energie. En de nieuwe minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is verantwoordelijk voor het coronabeleid. Bij al deze ministeries is er sprake van beleidsontwikkeling en evaluatie van bestaand beleid.

Het is belangrijk dat dit gebeurt op basis van de juiste informatie. Daarin speelt de wetenschap een rol, want zij heeft het imago van objectieve waarheidsvinding die los staat van iemands politieke overtuiging. En bij die beleidsvorming spelen ook modellen een rol. De vraag is: waartoe die modellen?

Functie

Bij het beleid rond de bestrijding van corona, de opwarming van de aarde en de stikstofproblematiek wordt gebruikt gemaakt van (reken)modellen. Modellen waarmee zowel de gevolgen van bepaalde ontwikkelingen als ook de resultaten van eventuele beleidsmaatregelen worden ‘geprojecteerd’. Want de gevolgen van beleid kun je niet vooraf meten en ze berusten dus altijd op inschattingen.

Daarnaast worden modellen gebruikt om de relatieve bijdrage van sectoren aan een probleem vast te stellen. Zo wordt het stikstofmodel van het RIVM gebruikt voor het vaststellen van de bijdrage aan de stikstofbelasting in Nederland van onder andere landbouw, verkeer, industrie en buitenland. Want je kunt die concentraties wel meten, maar deze metingen vertellen je niet welke sector er verantwoordelijk voor is. ”Meten is weten” gaat hierbij niet op. En op dezelfde wijze zijn er modellen die de bijdrage van sectoren aan de stijging van broeikasgasconcentraties berekenen. Ten slotte worden modellen gebruikt om schattingen te maken op landelijk, Europees of zelfs globaal niveau. Want al meet je op 10.000 plekken, dan nog moeten die worden opgeschaald om tot landelijke uitspraken te kunnen komen.

Sturen

Kan de politiek vertrouwen op resultaten die voortkomen uit wetenschappelijke modellen? En moeten die dan het beleid bepalen? In het algemeen is het mijns inziens verstandig om tussen twee klippen door te zeilen. Enerzijds is er de klip dat de wetenschap, en daarmee ook wetenschappelijke modellen, een status van openbaring wordt toegekend („de wetenschap spreekt”), waarbij alle nuances en onzekerheden zijn weggevallen.

Aan de andere zijde is er de klip dat het gezag van de wetenschap, en dus ook de waarde van wetenschappelijke modellen, wordt aangevallen als de uitkomst je niet aanstaat en op basis van het idee dat wetenschap „ook maar een mening is”. Momenteel zie je die tendens sterker worden, mede onder invloed van het populisme.

Een voorbeeld van een uitermate onkritische houding is de wijze waarop soms wordt omgegaan met de resultaten van economische modelberekeningen van het Centraal Planbureau bij de evaluatie van partijprogramma’s. Relatief kleine verschillen worden dan benadrukt als waren de modelresultaten de hoogste waarheid. Zo zijn er onzekerheden die te maken hebben met het feit dat macro-economisch gedrag niet alleen wordt bepaald door financiële overwegingen, maar ook door menselijke impulsen en emoties. Dit wordt niet of nauwelijks in die modellen verdisconteerd. Omgekeerd is er soms sprake van een uiterst kritische houding bij de resultaten van stikstof- en klimaatmodellen, met name als er belangen in het spel zijn en de resultaten sommige mensen niet aanstaan.

Vraagstelling

De betrouwbaarheid van een modeluitspraak hangt samen met de vraag die gesteld wordt. Als voorbeeld kun je denken aan een zoon die aan zijn vader vraagt of ze een reis van 1200 km naar een vakantiebestemming op dezelfde dag halen als ze ’s morgens om zes uur vertrekken. Het antwoord van die vader is gebaseerd op een model, namelijk de afstand gedeeld door de verwachte gemiddelde snelheid.

Die snelheid hangt samen met de auto, de rijstijl, het aantal en de lengte van de pauzes onderweg en de inschatting van files. Het antwoord „we halen het deze dag” is waarschijnlijk vrij betrouwbaar; 1200 km in 18 uur lukt veelal wel. De betrouwbaarheid wordt al veel minder als de vraag is of ze ’s avonds tussen tien en elf uur aankomen, en nog minder als de vraag is of dit tussen half elf en vijf over half elf is.

Hetzelfde principe geldt voor de reactie van een burger op de weersverwachting. Die verwachting is gebaseerd op modelberekeningen. De berekeningen van de gemiddelde regenval over Nederland op de volgende dag zijn veelal zeer betrouwbaar. Maar naarmate je meer detail wilt hebben in ruimte en tijd, wordt het onbetrouwbaarder.

Dit kan ook worden geïllustreerd met de betrouwbaarheid van stikstofemissie- en depositiemodellen. De commissie-Hordijk, die dit moest onderzoeken, concludeerde dat de modelkwaliteit voldoende tot goed is om landelijk gemiddeld de stikstofdepositie op natuurterreinen te bepalen en de bijdragen van sectoren aan die depositie te berekenen. Hoewel er lokaal wel relatief grote afwijkingen voorkomen, is er gemiddeld goede overeenstemming tussen modelberekeningen en daadwerkelijke metingen op honderden plekken. Tegelijk werd geconcludeerd dat die modellen niet geschikt zijn voor vergunningverlening. Want het criterium daarvoor is dat je onder een extreem kleine toename in de stikstofdepositie per hectare van een nabijgelegen natuurterrein blijft. En zo betrouwbaar is het model niet.

Evaluatie

Zijn politieke keuzes te baseren op modellen? Ja, mits je geen vragen aan het model stelt waarvoor het feitelijk niet is ontworpen. Dan krijg je berekeningen met een (veel te) grote onzekerheid. Een voorbeeld is de vergunningverlening op basis van stikstofmodellen.

In de politiek zijn er ook andere overwegingen die geen onderdeel zijn van een model, maar die wel meegewogen moeten worden. Die kunnen zelfs heel wezenlijk zijn. Als vragen en gevoelens die niet wetenschappelijk zijn te beantwoorden buiten de orde worden verklaard, kan dat burgers het gevoel geven dat hun problemen in het publieke debat geen aandacht krijgen.

Modelresultaten kennen altijd een bepaalde onzekerheid die twee kanten uitgaat: de werkelijkheid kan gunstiger maar ook ongunstiger uitpakken. Zo worden er circa tien modellen gebruikt om de bandbreedte in de verwachte temperatuurstijging aan te geven bij klimaatvoorspellingen. Uit reconstructie van het verleden blijkt dat de werkelijkheid net iets ongunstiger is dan de meest pessimistische voorspelling.

Kortom: gebruik modellen in het beleid niet kritiekloos. Ga na of het model wel betrouwbaar genoeg is om de vraag te beantwoorden. Is het doelgeschikt? En laat de wetenschap dan de onzekerheden aangeven om onjuiste beleidstoepassingen te voorkomen.

Deze onzekerheid moet de wetenschap ook communiceren. Door te grote beleidsdruk kan men in een positie worden gemanoeuvreerd dat het model overvraagd wordt. Daar valt nog wel iets te verbeteren. Maar laat de beoordeling van modelresultaten niet over aan organisaties die wel een belang maar geen deskundigheid hebben. Die beoordelingen zijn per definitie niet betrouwbaar!

Al eerder schreef de hoogleraar drie op deze website geplaatste artikelen over het stikstofprobleem. Zie resp. hier, hier en hier.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2022, Wetenschappelijk model nuttig maar niet alwetend, Reformatorisch Dagblad 52 (30): 26-27 (artikel).

Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar

Op 10 juni 2022 presenteerde minister Van der Wal haar startnotitie ”Nationaal Programma Landelijk Gebied”, met daarin ”richtinggevende emissie- reductiedoelstellingen”. Bij de boeren sloeg de notitie in als een bom.

De kabinetsplannen leiden tot veel commotie en de vraag of het allemaal wel nodig is. Daarbij wordt de onderbouwing ervan sterk betwijfeld. En dat onder het motto: ”Het gaat om metingen en feiten en niet om theoretische modellen.” Een motto van niet alleen boeren maar ook van een deel van de politieke partijen, zoals blijkt uit de nipt aangenomen VVD-motie op dit punt. Hieronder mijn reactie op de onderbouwing van de kabinetsplannen in vijf vragen en antwoorden.

1. Is een gemiddelde emissie- reductie van 50 procent nodig voor de natuur?

Vanuit de natuur gezien is dat zeker zo. Ammoniak en stikstofoxiden vermesten en verzuren de natuur al meer dan veertig jaar. De diversiteit aan plantensoorten neemt af door een onbalans in voedingsstoffen, enerzijds een tekort aan calcium, kalium en magnesium en anderzijds een overschot aan stikstof. Dat heeft negatieve effecten op de insecten-, vlinder- en vogelstand. Landelijk gezien gaat de biodiversiteit al decennia meetbaar achteruit door de uitstoot van stikstof boven de zogeheten ”kritische depositiewaarde”. Emissie- reductie zorgt wel voor herstel maar door jarenlange overbelasting slechts in beperkte mate. Bij de achteruitgang van de natuur speelt er uiteraard meer dan alleen stikstofdepositie, maar de verstoring van het ecosysteem door stikstof staat buiten kijf en is op vele gegevens en metingen gebaseerd.

2. Zijn die berekende overschrijdingen van kritische depositiewaarden wel realistisch als ze niet zijn gemeten?

Gemiddeld zeker wel. Modellen staan niet tegenover metingen, maar worden ermee gecombineerd. Modellen worden gebruikt om vragen te beantwoorden die je met metingen alleen niet kunt beantwoorden. Bijvoorbeeld het vaststellen van de bijdrage van landbouw, verkeer, industrie en buitenland aan de belasting van ammoniak en stikstofoxiden op natuur. Want je kunt die stikstofconcentraties wel meten, maar deze metingen vertellen je niet precies welke sector er verantwoordelijk voor is.

Modellen zijn pas bruikbaar als de modelresultaten goed overeenkomen met de metingen. Wat betreft stikstof is dit op landelijke en provinciale schaal het geval. Die conclusie volgt uit de gemiddeld goede overeenstemming tussen modelberekeningen en metingen op honderden plekken. De metingen liggen veelal zelfs iets hoger. Mede op basis daarvan zijn emissieschattingen ook bijgesteld. Wel is het waar dat in de berekende depositie en ook in de (overschrijding van de) kritische depositie er lokaal grote afwijkingen mogelijk zijn. Meer metingen veranderen echter weinig tot niets aan het landelijke beeld.

3. Is de variatie in emissie- reductiedoelstellingen goed onderbouwd?

Nee, wat mij betreft niet. Het kaartje met ”richtinggevende emissiereductiedoelstellingen” dat de commotie veroorzaakt, bevat precieze getallen van 12, 47, 58, 70 en 95 procent. De waarden tot 58 procent zijn gebaseerd op het halen van bepaalde ammoniakreductiedoelen; die van 70 en 95 procent op heel hoge reductie in de buurt van Natura 2000-gebieden. De effectiviteit van die aanpak is nergens onderbouwd.

Het principe om per gebied een reductiepercentage vast te stellen, is een begrijpelijk uitgangspunt. Het kabinetsbeleid is om in 2030 bijna driekwart van de natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde te hebben. Bij een gelijke emissiereductie over heel Nederland kom je dan op 50 procent. Maar dat kan natuurlijk efficiënter door meer reductie te bewerkstelligen in gebieden waar de uitstoot hoog is en waar boerderijen vlak bij gevoelige natuurgebieden liggen. Dan is het niet vreemd dat je gebieden aanwijst met een reductie die hoger dan wel lager is dan het gemiddelde van 50 procent.

Maar een benadering met minder grote verschillen in reductiepercentages (bijvoorbeeld in vier klassen van 20 tot 70 procent) in grotere deelgebieden is om meerdere redenen verstandiger dan de huidige aanpak van zeer precieze reducties in veel deelgebieden met grote verschillen op heel korte afstand. De ondergrens van 20 procent is met relatief eenvoudige en betaalbare maatregelen te halen zonder het inkrimpen van de veestapel. De hogere percentages komen dan in gebieden met een toenemende opgave.

Minder klassen en grotere gebieden zijn ook logisch gezien de grote opgaves die er liggen op het gebied van klimaat, wat veel minder een regionale opgave is. Ten slotte zal het ook juridisch tot minder hoofdbrekens leiden. Ook bij deze aanpak is het overigens onvermijdelijk dat de boerensector in gebieden met de hoogste reductiedoelstelling moet inkrimpen. Want innovatie en techniek alleen zijn niet voldoende.

4. Is dan nog het middel niet erger dan de kwaal?

Bedenk bij de beantwoording van die vraag: het probleem is breder. Ten eerste is stikstof- emissie niet alleen een probleem voor de natuur maar ook voor onze gezondheid. Stikstofoxiden en ammoniak leveren beide een hoge bijdrage aan fijnstof, in Nederland circa 40 procent. Fijnstof is zeer schadelijk voor onze gezondheid. Volgens schattingen draagt fijnstof voor 21 procent bij aan alle bronchitisklachten, voor 11 procent aan longkankersterfte en voor 1 tot 2 procent aan luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. Stikstof- oxiden in de atmosfeer zijn daarbij overigens extra schadelijk voor onze gezondheid mede ook door de vorming van ozon.

Verder leidt de huidige vorm van landbouw ook tot problemen met de waterkwaliteit. Ook draagt die significant bij aan het klimaatprobleem. Minister Van der Wal spreekt dan ook steeds over natuur én water én klimaat. Behalve aan uitstoot aan ammoniak draagt de veestapel in sterke mate ook bij aan de uitstoot van de broeikasgassen lachgas en methaan. Verder spoelt stikstof, met name in de vorm van nitraat, uit naar grondwater en oppervlaktewater. Samen met de uitspoeling van fosfaat leidt dit tot een afname van de waterkwaliteit, waardoor de diversiteit en aantallen aan waterplanten, macrofauna en vissen afneemt.

Kortom, het is van belang om integraal te denken en bij maatregelen niet louter naar het effect op de stikstofdepositie te kijken. Wie al die doelstellingen samen beziet, kan niet anders dan concluderen dat naast innovatie ook een reductie van de veestapel noodzakelijk is.

5. En waarom vooral de boerensector?

Omdat de bijdrage van die sector veruit het grootst is, ook omdat ammoniak dichter bij de bron neerslaat dan stikstofoxiden, die voor het grootste deel de grens overgaan. Maar er moet zeker meer aandacht komen voor het evenredig verdelen van de pijn. Want daar steekt het bij de boeren. Het gevoel dat men gewoon kan blijven vliegen en rijden, terwijl zij alle pijn lijden. Hoewel het waar is dat de bijdrage van de industrie en het verkeer aan de stikstofdepositie circa vier maal zo laag is als die vanuit de landbouw, is het bij elkaar wel de helft. Niet bepaald verwaarloosbaar. En de effecten van de uitstoot van stikstofoxiden op de gezondheid, die ernstiger zijn dan die van de uitstoot van ammoniak, zouden ook zwaarder moeten meetellen. Inderdaad is de bijdrage van vliegverkeer maar een beperkt deel van de totale verkeersbijdrage en onvergelijkbaar met de bijdrage van de landbouw. Maar de klimaateffecten van vliegen zijn wel heel significant.

Ook hier geldt dat we het niet alleen van techniek moeten verwachten, zoals schonere auto’s en vliegtuigen, maar dat er ook een gedragsverandering moet komen. Meer de fiets en het openbaar vervoer, minder de auto en het vliegtuig. Naast veestapelreductie ook transportreductie. Ook de industrie moet bijdragen. Alleen dan dragen we het in solidariteit.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2022, Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar, Reformatorisch Dagblad 52 (66): 20-21 (artikel).

Van prof. De Vries verschenen al eerder twee artikelen over het stikstofprobleem op deze website, zie hier en hier.

Consumptieve leefstijl vraagt om bekering

Voor iedere Nederlander was dinsdag 12 april een droevige dag. Het was voor ons land namelijk Overshoot Day 2022. Dat wil zeggen dat er tot het einde van 2022 geen grondstoffen meer beschikbaar zijn, tenzij we Gods schepping uitputten of onze (verre) naaste tekortdoen.

Overshoot Day is, simpel gezegd, de dag waarop de duurzaam beschikbare middelen van een jaar op zijn. Deze dag wordt berekend door het wereldwijde verbruik van grondstoffen af te zetten tegen de hoeveelheid die de aarde jaarlijks kan leveren, zonder op den duur uitgeput te raken. Het verbruik blijkt inmiddels bijna tweemaal te hoog te zijn, zodat de wereldwijde Overshoot Day tegenwoordig in de maand juli valt.

In het Westen gebruiken we echter méér dan gemiddeld, door ons koopgedrag, onze reizen en de hoge eisen die we bijvoorbeeld stellen aan woongenot. Het Nederlandse verbruik is ruim driemaal te hoog, zodat de grondstoffen voor ons dit jaar op 12 april op waren. Als men wereldwijd hetzelfde zou gebruiken als wij, zouden er voor duurzame levering ruim drie werelden nodig zijn.

Oneerlijke verhoudingen

Hoewel we onze portie nu dus eigenlijk al verbruikt hebben, kunnen we niet anders dan ook de rest van het jaar nog grondstoffen gebruiken. Omdat die drie werelden er niet zijn, zullen we acht en een halve maand leven ten koste van Gods schepping en onze naaste. Zelfs om alleen maar in leven te blijven, zullen we de natuur en het klimaat verder moeten aantasten. Dat is zonde tegen de Schepper. Het is ook een inbreuk op de levensomstandigheden van toekomstige generaties. Wat wij te veel gebruiken –en dat is dus alles wat we gebruiken tot het einde van 2022– is er voor hen te weinig.

We zullen de rest van dit jaar ook leven ten koste van veel van onze naasten. Hoewel er niet altijd een direct verband is tussen onze overvloed en het gebrek elders op de wereld, is onze levensstijl wel een van de oorzaken van de oneerlijke verhoudingen.

Rentmeesters

Uitputting van de schepping is dus zonde tegen de Schepper. Hij gaf ons de scheppingsopdracht (Genesis 1:28) en zal daarmee geen ongebreidelde exploitatie bedoeld hebben. Wij zijn rentmeesters die het ‘kapitaal’ van onze Heer er in hoog tempo doorjagen. Omdat onze consumptie ten koste gaat van onze (toekomstige) medemensen, is die ook in tegenspraak met het gebod tot naastenliefde. Over-
shoot Day stelt ons dus schuldig aan het dubbele liefdesgebod van Jezus: God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf (Mattheüs 22:37-39).

Laten we niet te snel denken dat het met ons wel meevalt. Als wij een gemiddelde Nederlandse levensstijl hebben –niets bijzonders dus– was 12 april onze persoonlijke Overshoot Day. Wanneer we enige matigheid proberen te betrachten, valt de datum voor ons iets later, maar waarschijnlijk niet veel later. Voor wie een bovenmodaal inkomen heeft, geldt eerder het omgekeerde. Gezien het nauwe verband tussen welvaart en consumptie passeerde onze persoonlijke Overshoot Day dan wellicht al eerder dit jaar.

Dagelijkse bekering

Het is dus geen wonder dat klimaat- en milieuclubs voortdurend oproepen tot gedragsverandering. Christenen moeten echter een spade dieper steken. Wat we nodig hebben, is bekering. Dan gaat het in de eerste plaats om erkenning van onze zonde en schuld, van onze onmacht ook. We hebben, uit ecologisch perspectief bezien, een door en door zondige levensstijl, waarin we gevangenzitten.

Wanneer we dat voor Gods aangezicht erkennen, dan kan het niet anders of er komt ook bekering in het leven van alledag. De zonde is een macht die ons in zijn greep houdt, maar iedere christen is geroepen hiertegen te strijden en de zonden in zijn of haar leven te doden.

De dagelijkse bekering wordt op dit gebied heel concreet. Onze levensstijl lijkt voor een belangrijk deel vorm te krijgen door twee vragen te stellen: Vind ik het leuk, prettig of mooi, en kan ik het betalen? Laten we echter twee andere vragen gaan stellen, bij alles wat we willen kopen of ondernemen. Ten eerste: Is het echt nodig? En vervolgens: Hoe kan dit het meest duurzaam?

Genade

Het gaat hierbij niet om links activisme, maar om gehoorzaamheid aan God. In de strijd tegen de zonde mogen we onszelf niet sparen (zie Mattheüs 5:29-30). Voorlopig zal onze Overshoot Day nog niet op 31 december vallen, en waarschijnlijk komt hij daar nooit. Het is dus, ook in dit opzicht, echt genade als de Heere ons toch wil verwelkomen in Zijn Koninkrijk, waar geen gebrek zal zijn en Zijn schepping niet meer zal zuchten. Wie daarheen onderweg mag zijn, is echter wel geroepen zich dagelijks te bekeren.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Waard, H. de, 2022, Consumptieve leefstijl vraagt om bekering, Reformatorisch Dagblad 52 (11): 28-29 (artikel).

Er is wel degelijk een stikstofprobleem – Hoogleraar Wim de Vries reageert op tegenwerpingen

Naast de wereldwijde corona- en klimaatcrisis wordt ons land geplaagd door een stikstofcrisis. Bij de formatie van het kabinet-Rutte IV heeft het zelfs geleid tot een nieuwe ministerspost voor Natuur en Stikstof. Voor de formatie was er al een Wet stikstofreductie en natuurverbetering aangenomen met daarin een budget van vijf miljard euro. Die wet verplicht ons om de stikstofuitstoot met 50 procent te verminderen, zodat de neerslag, vaak depositie genoemd, in 2035 voor circa 75 procent van alle Natura 2000-gebieden beneden een kritische waarde ligt. Inmiddels heeft het nieuwe kabinet het jaartal naar voren gehaald naar 2030 conform het advies van de commissie-Remkes. Daarvoor is een ambitieuze vergroeningsagenda opgesteld, waarvoor tot 2035 in totaal 25 miljard euro beschikbaar wordt gesteld.

Op die aanpak is kritiek. Net als bij corona en klimaat zijn er ontkenners, stikstofontkenners. Die kunnen ter onderbouwing van hun standpunt niet alleen terecht bij columns van Jan Cees Vogelaar van het Mesdagfonds in landbouwbladen, maar ook bij voormalig minister Ronald Plasterk, een gerenommeerd wetenschapper in de moleculaire genetica. Zo stelt Vogelaar dat de basis voor het stikstofbeleid ontbreekt omdat het gebaseerd zou zijn op rekenmodellen en niet op metingen van de stikstofdepositie – wat uit de lucht op de grond komt – en stikstof in de bodem. Dus weten we helemaal niet of er wel een probleem is.

Plasterk gaat nog verder. Die betoogt in een tweetal columns in De Telegraaf dat het bij stikstof om een door Nederland zelf gecreëerd probleem gaat. Uit kaartjes met scherpe landsgrenzen voor het stikstofoverschot zou je al kunnen zien dat er iets niet klopt, want stikstof houdt zich niet aan landsgrenzen. Dus – concludeert hij – is het probleem gecreëerd omdat wij zulke strenge normen opleggen aan onze snippertjes aan Natura 2000-gebieden. In buurlanden hebben ze nooit van een stikstofcrisis gehoord en wij hebben hem ook niet, aldus Plasterk. Helaas: al die kritiek mist elke grond. Voor Plasterk geldt: schoenmaker, hou je bij je leest.

Houdt stikstof halt bij de landsgrenzen?

Nee zeker niet. Satellietmetingen laten bijvoorbeeld hogere stikstofconcentraties zien in grote delen van Ierland, de Benelux, West-Duitsland, Bretagne en de Povlakte. Ammoniak en stikstofoxiden worden ook over vele honderden kilometers getransporteerd en uit vergelijking van modelberekeningen met metingen blijkt dat de stikstofdepositie in Nederland minder dan de helft is dan de uitstoot, omdat we zeer veel exporteren naar het buitenland.

Kennelijk heeft Plasterk een kaartje gezien met daarop de gemiddelde stikstofoverschotten per land. Zo’n kaart laat alleen maar zien dat wij gemiddeld per hectare de hoogste uitstoot hebben in Europa. De interpretatie die Plasterk eraan geeft is misplaatst.

Missen er metingen voor stikstof?

Nee. Die metingen zijn er wel degelijk. Om vast te stellen hoeveel depositie er is in gasvorm (droge depositie) worden elk uur op 73 plekken de concentraties van stikstofoxiden in de lucht gemeten. Daarnaast worden maandgemiddelde concentraties ammoniak op meer dan driehonderd plekken in Nederland gemeten, waaronder in ruim tachtig Natura 2000-gebieden, en elk uur wordt de ammoniakconcentratie gemeten op zes locaties. Verder wordt op acht locaties de regenval gemeten en hoeveel nitraat en ammonium er in het regenwater zit. Daarmee wordt de natte depositie van stikstof bepaald. Ook effecten zijn gemeten, waaronder stikstofgehalten in bossen, planten en in de bodem en de gevolgen die het heeft voor de natuur en de vitaliteit van bossen.

Er zijn ook modellen nodig. Die worden onder andere gebruikt om schattingen van de stikstofdepositie te maken op landelijk niveau en om inzicht te krijgen in de belangrijkste oorzaken ervan. Want al meet je op 10.000 plekken, dan nog moeten die metingen worden opgeschaald om tot landelijke uitspraken te komen. En metingen van stikstofconcentraties vertellen je niet welke sector er verantwoordelijk voor is.

Modelresultaten worden daarvoor echter wel vergeleken met metingen om te zien of de voorspellingen betrouwbaar zijn. Daarbij blijken berekende en gemeten stikstofconcentraties in de lucht een goede overeenkomst te vertonen. Wel liggen de gemeten concentraties aan ammoniak gemiddeld iets hoger dan de modelberekeningen en daarvoor wordt dan ook gecorrigeerd in de modellen.

Heeft de natuur een stikstofprobleem?

Jazeker. Door neerslag van stikstof op natuur verzuurt de bodem. Door de verzuring spoelen belangrijke voedingsstoffen als calcium, kalium en magnesium uit. Samen met de hoge aanvoer van stikstof leidt dit tot een onbalans in voedingsstoffen die zorgt voor een afname aan plantensoorten. Die heeft op zijn beurt weer geleid tot een afname aan insecten, vlinders en vogels. Door die onbalans in voedingsstoffen is ook de vitaliteit van bossen afgenomen en is de gevoeligheid voor droogte, ziekten en plagen groter geworden. Deze kennis is niet afgeleid van modelberekeningen maar van metingen, niet alleen in Nederland, maar in grote delen van Europa, de VS, China en Latijns-Amerika.

Helpt de afname in stikstofuitstoot dan niet?

Jawel, maar de natuur herstelt er nog niet echt van. En dat is mede het gevolg van een lange historische erfenis van meer dan 40 jaar. In de jaren tachtig was de stikstofbelasting nog veel hoger en werden kritische waarden nog veel meer overschreden. Sinds die tijd is de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak meer dan gehalveerd. Desondanks komt daardoor op ongeveer driekwart van de Nederlandse natuur nog steeds te veel stikstof terecht. Zo heeft in de Nederlandse natuur een opeenhoping van stikstof plaatsgevonden gedurende meer dan 40 jaar. Daardoor gaat die natuur ondanks de verlaging er nog steeds niet op vooruit. Denk aan iemand die veel te veel heeft gegeten en als gevolg van gezondheidsklachten niet lijnt maar minder te veel gaat eten. Dan kunnen door het overgewicht desondanks de klachten voorlopig blijven of zelfs toenemen.

In het buitenland is er toch geen probleem?

Het is een Europees en wereldwijd probleem. Natuurgebieden in het buitenland zijn vaak nog gevoeliger voor stikstof dan in Nederland en ook daar worden kritische waarden overschreden. Maar die overschrijding is veelal lager dan in Nederland, door de lagere stikstofuitstoot per hectare, daarom is de vergunningverlening er wat soepeler. Maar dit staat onder druk.

Zo wordt er een Vlaamse stikstofregeling ontwikkeld die vergelijkbaar is met de Nederlandse situatie en is recentelijk een strengere stikstofwet aangenomen. Daarmee kunnen agrarische ondernemers alleen nog bouwvergunningen krijgen als ze aantonen dat de natuur er niet door wordt aangetast. Verder krijgen alle landen te maken met de doelstelling van de Europese Green deal om de stikstofverliezen naar lucht en water voor 2030 met 50 procent terug te dringen. Zo groot zijn de verschillen dus niet.

Maar dan nog is het toch geen 25 miljard waard?

Bij de stikstofproblematiek gaat het om veel meer dan alleen effecten op de natuur. Zo dragen ammoniak en stikstofoxiden voor bijna 40 procent bij aan de vorming van fijnstof met grote gezondheidseffecten. Verder hebben we bij stikstofgebruik in de landbouw niet alleen te maken met uitstoot van ammoniak, maar ook van lachgas, wat een broeikasgas is. Samen met de uitstoot van methaan, met name uit koeien, en van CO2, met name uit dalende veengronden, moet dit worden teruggedrongen in verband met het klimaatakkoord. En dan zijn er nog verliezen van stikstof, samen met fosfor, naar grond- en oppervlaktewater, met gevolgen voor de waterkwaliteit. En ook die verliezen moeten minder om te voldoen aan de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water.

Het gaat bij die 25 miljard dus om een integrale transitie van de landbouw om negatieve effecten van te veel stikstof, fosfaat en broeikasgassen op klimaat, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en gezondheid te verminderen. Kosten die zijn op te brengen door meer te betalen voor ons voedsel en boeren ook te belonen voor schone lucht, schoon water en behoud van de natuur.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Nederlands Dagblad. De bronvermelding luidt: Vries, W. de, 2022, Er is wel degelijk een stikstofprobleem, Nederlands Dagblad 78 (20.977): 12-13 (artikel).

Eerder schreef prof. dr. Wim de Vries het artikel ‘Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog’. Dit artikel is hier te vinden.

Vertaal scheppingsgeloof naar duurzaam klimaatbeleid

Verontrustende getallen zijn niet de belangrijkste reden om bezig te zijn met klimaat. Christenen zijn het aan onze Schepper en onze medeschepselen verplicht te zorgen voor de schepping.

Na Prinsjesdag en in de daaropvolgende Algemene Politieke Beschouwingen is er weer veel gedebatteerd over het klimaat. Er klinken dan grote woorden, zoals ”klimaathysterie” en ”klimaatgekkigheid”. Wat mij opnieuw opviel in dat debat is dat er over het hele politieke spectrum veel aandacht is voor de getalsmatige kant van het beleid. Wat de afgelopen weken ook meerdere keren naar voren kwam was de vraag: zou het allemaal wel zin hebben, want Nederland is maar klein en onze bijdrage valt daardoor in het niet bij andere landen? Voor mij als ingenieur –hoe verbazingwekkend dat ook moge zijn– zijn de getalletjes echter niet de belangrijkste reden om me bezig te houden met het klimaat. Of er nu wel of niet grote rampen staan te gebeuren, of er nu wel of niet voldoende wetenschappelijke basis is voor de voorgestelde maatschappelijke transities, het gaat mij er vooral om wat God hierin van mij vraagt. Is het een Bijbelse opdracht om me bezig te houden met klimaat en duurzaamheid, of niet?

De Bijbel spreekt in directe zin bijna nergens over het klimaat. Er is wel de belofte aan Noach (Genesis 8) dat zomer en winter niet zullen ophouden, maar geen enkel klimaatmodel gaat zover dat zomers en winters helemaal zouden verdwijnen. In indirecte zin vinden we in de Bijbel wel allerlei aanwijzingen voor het omgaan met ons klimaat. Klimaat bepaalt immers waar we gezond en veilig kunnen wonen en klimaatverandering betekent dat de plek waar we wonen onleefbaar of juist meer leefbaar zou kunnen worden. De aarde is leefbaar, omdat de Heere God die aarde leefbaar heeft geschapen voor mensen, dieren en planten en dat is inclusief het klimaat.

Klimaatzegen

Als Israël uit Egypte vertrekt, verhuizen zij van het klimaat van Egypte naar het klimaat van Kanaän en krijgen daarmee letterlijk te maken met klimaatverandering. In Egypte was er de Nijl, die het land altijd maar weer van voldoende water voorzag. In het Beloofde Land zal het voor Israël echter anders gaan. Deuteronomium 11 zegt daarover: „Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel. Het is een land waar de Heere, uw God, voor zorgt.” Een leefbaar en vruchtbaar klimaat is daarom een zegen van God, een teken van Zijn voorzienigheid. Maar zoals met elke zegen van God het geval is, kan ook de klimaatzegen verkeerd worden gebruikt, worden aangetast of veranderd in het tegenovergestelde.

God heeft de wereld geschapen en Israël een leefbaar stuk ervan gegeven, „vloeiend van melk en honing”, maar dan moet er ook voortdurend worden gewerkt aan de leefbaarheid van het land. Gods zegen vraagt van ons een antwoord. Leviticus 19 en de daaropvolgende hoofdstukken beschrijven daarom uitgebreid hoe dat land verzorgd moet worden. Het land moet vruchtbaar blijven en in goede orde worden doorgegeven aan de volgende generaties. Het gaat hier om een sociale samenleving: de armen mogen gebruikma­ken van de niet gemaaide stukken akker en van de druiven die zijn achtergebleven in de wijngaard. Het gaat om een duurzame samenleving: de akker wordt regelmatig met rust gelaten om te herstellen en de vruchtbomen moeten eerst een aantal jaar groeien voor er geplukt mag worden. Het gaat om een samenleving waarin economische groei gelimiteerd en eerlijk is: schulden worden weg gescholden en het land wordt herverdeeld in het vijftigste jaar.

Nog steeds richtinggevend

Uiteraard gaat het in de eerste vijf boeken van Mozes alleen over landbouw en over veeteelt. In onze tijd gaat het niet meer alleen over de agrarische sector, het gaat nu ook om de bouwsector, de mijnbouw, energievoorziening en om industriële productie. We hebben daarbij in de afgelopen zestig jaar heel veel bewijs verzameld dat industrie en consumptiegedrag het klimaat kunnen veranderen, dat afval het milieu onomkeerbaar kan aantasten, dat ongebreidelde economische groei hele natuurgebieden kan verwoesten.

Ook al is daarmee onze wereld zo veel anders dan die van Mozes, nog steeds is Gods Woord in Deuteronomium en Leviticus voor ons richtinggevend. Als we allerlei soorten erts wegslepen uit Afrika voor ons eigen belang en niets overlaten voor de eigenlijke bewoners van de regio, of als we in Nederland aardbevingen veroorzaken door alle aardgas uit de bodem te willen halen en het land geen rust te gunnen, of als we de schulden in de wereld alleen maar laten oplopen en nooit een jubeljaar uitroepen, dan zondigen wij.

Pauselijke encycliek

Klimaat- en milieudiscussies zijn onderdeel van een groter geheel. Het kon de afgelopen weken weleens lijken dat duurzaamheid in Nederland alleen nog maar draait om concentraties van koolstof en stikstof, maar dat is veel te beperkt. Van de zeventien duurzaamheidsdoelen van de Verenigde Naties gaan er twee over het klimaat en duurzame energie, de andere doelen verdienen ook aandacht. De pauselijke encycliek ”Laudato Si” uit 2015 is nog steeds de meest grondige theologische bezinning op duurzaamheid en daarmee ook voor protestanten een prachtige bron van Bijbelse wijsheid. De encycliek begint met de beschrijving van de schepping „als ons gezamenlijk huis.” We bewonen Gods schepping gezamenlijk met dieren, planten en mensen. We hebben als plicht dat huis in goede orde na te laten aan onze kinderen. Zoals in elk goed huishouden de een niet mag worden voorgetrokken op de ander, of dat de kwetsbaren in het huis extra bescherming nodig hebben, zo moeten wij zorgen voor rechtvaardigheid en veiligheid in het ‘huis van de schepping’. Door duurzaam te leven en ons bezig te houden met klimaatbeleid, zorgen wij voor Gods schepping, zowel voor de aarde als die daarop wonen (Psalm 24) en brengen daarmee ons scheppingsgeloof in praktijk.

Niet bagatelliseren

Moeten we ons dan bij het vormen van klimaatbeleid helemaal niet bezighouden met getallen? Ja natuurlijk wel. We moeten bij elke innovatie analyseren wat daarvan de milieueffecten zijn. We moeten bezig blijven met het bouwen van ingewikkelde en uitdagende rekenmodellen. ”Meten is weten” geldt zonder meer ook voor het klimaat en het ondersteunen van het klimaatbeleid. Het gaat mij er vooral om dat we als christenen het probleem niet blijven bagatelliseren omdat er nog wetenschappelijke onzekerheden zijn, of steeds weer naast ons neerleggen omdat we de klimaatmodellen niet vertrouwen. We zijn het in de eerste plaats aan onze Schepper en onze medeschepselen verplicht om te zorgen voor de schepping en het bijbehorende klimaat en daardoor Hem te prijzen Die ons het leven geeft.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Korevaar, G., 2021, Vertaal scheppingsgeloof naar duurzaam klimaatbeleid, Reformatorisch Dagblad 51 (169): 20-21 (artikel).

Schepper breekt in onze wereld in en dus is het crisis

Onze planeet gaat God aan het hart. Daarom kunnen we hoop hebben midden in de huidige klimaatcrisis. Vooral als een kerk die niet ”moet”, maar ”mag”.

Het VN-klimaatrapport maakt het nodige los. ”IPCC geeft kerk veel huiswerk”, zo was ergens te lezen. Ik haakte meteen af op de titel en zag hierin een variatie van het bekende ”de-kerk-moet”-refrein, waarvan collega Wim de Bruin zei: „Ik probeer alle artikelen waarin de combinatie van ”kerk” en ”moet” staat niet te lezen. Het zuigt je leeg…” Maar crisissignalen worden sterker en sterker.

Voorop staat: het genoemde rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is alarmerend en bevestigt een gitzwart toekomstbeeld. De opwarming van de aarde gaat steeds harder, het ijs op de poolkappen smelt steeds sneller. De biodiversiteit neemt af en de vervuiling van de zeeën neemt dramatische vormen aan. Maar ik ben het niet eens met wie zegt dat de klimaatcrisis in de kerk niet leeft. Vooral heb ik moeite met de moeterige toon en het jongleren met het thema schuld. Hier stoot je mensen mee af, terwijl er zoveel op het spel staat. Immers, in de klimaatcrisis is God dingen aan het doen. Want deze wereld is Góds wereld, hoe verkeerd wij mensen er ook mee omgaan.

Zondvloed

Onlangs luisterde ik naar een preek over Genesis 8 en 9. Het eerste punt was: de grootste klimaatcrisis is al geweest, namelijk de zondvloed. Dat was een catastrofe van ongekende wereldomvang. Het water kwam tot de bergtoppen. Wat een ongekende zeespiegelstijging!

Ik vond dit verhelderend. Vooral omdat deze oude klimaatramp werd gekoppeld aan wat heet het natuurverbond, dat we ook het milieuverbond kunnen noemen, dat God sluit met Noach en zijn nakomelingen (de mensheid) en met alles wat leeft.

God belooft plechtig: „Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met jullie nakomelingen, en met alle levende wezens die bij jullie zijn. Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen.”

Hiermee zegt God: Deze wereld is van Mij en die laat Ik niet los. Dat geeft hoop en verwachting! En dit verbond is niet minder van kracht dan dat met Abraham en zijn nakomelingen, dat bij elke doop aan de orde komt.

Oordeel

Ons woord ”crisis” komt uit het Grieks en betekent ”oordeel”. Dan kan het gaan om het eeuwige oordeel, maar ook om oordelen, crises in de tijd. En dat wil zeggen dat God maar zo deze wereld binnenkomt. In de tijd van koning Achab stapt de profeet Elia maar zo het paleis in Samaria binnen en zegt hij: „Zo zegt God: er zal drie jaar geen regen vallen.” God bonkt niet op de deuren van het paleis, maar elke keer als koning Achab in de jaren die verstrijken naar de lucht kijkt en geen wolkje kan waarnemen, denkt hij aan die man die claimde in dienst van de God van Israël, de God van deze wereld, te staan. Hij kon daarin de fluister van liefde horen: Achab, ik houd van je. Ik ben de Koning van alle koningen van deze aarde. Keer terug tot Mij.

Wat een crisis. Toen! Maar hoe zit dat nu? We denken dat deze wereld van ons is. We vliegen en vervoeren, produceren en consumeren, vervuilen en verbranden. En we vergeten dat deze wereld Gods wereld is, dat God een verbond heeft gesloten met de vogels, de dieren, de bomen en de planten. Een milieuverbond. In lijn met dit verbond handelt God en dat leidt tot een milieucrisis.

Het rijke deel van de wereld plundert het arme deel. Onze lege batterijen en accu’s transporteren we naar landen in Afrika, zoals Ghana, waar mensen ziek worden van het demonteren ervan. Onze plastic flessen gaan voor een deel naar Indonesië, waar ze veelal in de rivieren terechtkomen. En de schepen die ze vervoeren, danken we af aan India, waar werkers voor een habbekrats het zware werk doen en waar kilometers strand vervuild zijn door afgewerkte oliën en zware metalen.

Comfort en luxe

Jezus Christus spreekt in een aantal redes over de komst van het Koninkrijk, bijvoorbeeld in Lukas 17. Dan tekent Hij de tijd voor zijn wederkomst als volgt: „En zoals het eraan toeging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: ze aten, ze dronken, ze huwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. Of zoals het eraan toeging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard.”

Op zich noemt Jezus geen verkeerde dingen, maar als je God vergeet, dan denk je dat je er ‘natuurlijk’ recht op hebt, vergeet je te delen, houd je de paupers en losers buiten de deur en maak je overmatig gebruik van de mogelijkheden van Google, Facebook, Apple, Samsung, Amazon, Microsoft, Tesla, enzovoort. Onze goden van comfort en luxe.

Waar gaat het om?

De belangrijkste vraag is niet: Waar zitten we in de crisis, in de reeks van oordelen (waar ook het boek Openbaring zicht op geeft)? En ook niet: Wat moet ik eraan doen? Doen wij wel genoeg? Hoe gaan we de planeet redden? Wij mensen gaan deze planeet niet redden. Evenmin de wetenschap, de techniek of een nieuwe ‘Einstein’. Dit is juist de reden dat het sinds de Verlichting zo mis ging: we zijn de Schepper van deze aarde vergeten.

In het ons keren tot God ligt daarom de oplossing. In een leven in verbondenheid met Hem. Met Jezus Christus, die onze zonde, ons verzieken en verprutsen van alle dingen vergeeft door zijn daad aan het kruis van Golgotha. In een leefwijze die God centraal zet en zijn verbond met ons en alle levende wezens. Dat geeft hoop en toekomst aan ons en alle generaties die nog komen.

Dat staat niet los van het concreet maken van een crisisbestendige levensstijl. In de liturgie en in het leven mogen deze noties terugkomen. Het mag ons brengen tot eenvoudiger leven, minder technologiegebruik, afwijzing van machtspolitiek, liefde voor de naaste en respect voor de natuur. Want: deze planeet gaat God aan het hart. Zo kunnen we hoop hebben in de klimaatcrisis; vooral als een kerk die niet ”moet”, maar ”mag”.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Linde, E. van der, 2021, Schepper breekt in onze wereld in en dus is het crisis, Reformatorisch Dagblad 51 (126): 28-29 (artikel).

Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog

Nergens is het systeem om de uitstoot van stikstof te schatten zo goed op orde als in Nederland. Belangrijk, want door neerslag van stikstof vindt in de bodem onder meer verzuring plaats. Dit leidt tot een sterke afname van planten, insecten en vogels.

Stikstof houdt de gemoederen nog steeds bezig. Zo is de Eerste Kamer in maart dit jaar akkoord gegaan met de stikstofwet, die voorziet in een afname in de uitstoot van stikstof met 50 procent in 2035. Maar dat soort reducties zijn volgens Geesje Rotgers van de stichting Agrifacts (RD 12-7) gebaseerd op simplistische rekenmodellen. En die leiden tot een papieren werkelijkheid, stelt ze. Klopt die aantijging?

Recent zijn er vier stikstofrapporten uitgebracht. Op verschillende wijze geven die een nadere onderbouwing aan de vereiste reductie in stikstofuitstoot en waar die reducties het effectiefst zijn. Daarbij spelen inderdaad modellen een rol. Die modellen simplistisch noemen verraadt een enorm gebrek aan kennis, want dat zijn ze bepaald niet. Door over een papieren werkelijkheid te spreken, wekt Rotgers de suggestie gewekt dat resultaten van die modellen helemaal losstaan van metingen, maar dat is volslagen onjuist. De concentraties stikstofoxiden, met name afkomstig uit verkeer, worden elk uur op 73 plekken met geavanceerde apparatuur gemeten. Verder worden de maandgemiddelde concentraties ammoniak op meer dan 300 plekken in Nederland gemeten, waarvan ruim 80 in natuurgebieden. Modelvoorspellingen worden vergeleken met die metingen, en de overeenkomst daartussen is heel groot. Voor de statisch onderlegde lezer: een correlatiecoëfficiënt van meer dan 0,95. Daar likt elke modelleur zijn vingers bij af. En dus kun je die modellen gebruiken om schattingen te maken op plaatsen waar je niet meet. Dat moet je doen om voor heel Nederland een beeld te krijgen, ook al zou je op honderdduizend plekken meten.

Onderschat

Vanwege de kritiek op modellen heeft minister Schouten de ”Commissie meten en berekenen” ingesteld (de commissie-Hordijk). Die beoordeelde het Nederlandse meet- en rekensysteem als goed. En dat was een terughoudend oordeel. Feitelijk is het heel goed. Vrijwel nergens in de wereld is het systeem om de uitstoot te schatten, dat de invoer voor het luchtmodel vormt, zo goed op orde als in Nederland. Wel blijken de metingen voor ammoniak helaas gemiddeld wat hoger te liggen dan de modellen, wat erop wijst dat de uitstoot van ammoniak wordt onderschat. Daarom wordt er gecorrigeerd voor die klaarblijkelijk te optimistische schatting. Wel kan lokaal de onzekerheid in stikstofbelasting of in de schatting van die belasting vrij groot zijn. Maar het gemiddelde beeld is betrouwbaar, net zoals dat geldt voor een gemiddelde weervoorspelling. Met haar zogenaamde ”natuurcheck” in het Wierdense veld in Overijssel ridiculiseert Rotgers ook de effecten van stikstof op natuur. De suggestie is dat het bij stikstof alleen zou gaan om het in stand houden van kleine stukjes wensnatuur. Want zo noemt zij de circa 100 vierkante meter actief hoogveen, die zij kennelijk niet heeft kunnen ontdekken. Wellicht nuttig om te vermelden dat drie ecologen van verschillende organisaties onlangs geconstateerd hebben dat het actieve hoogveen is uitgebreid van circa 100 naar 140 vierkante meter, maar feitelijk gaat het daar niet echt om. Veel belangrijker in dit gebied de 380 hectare herstellend hoogveen.

De kern is dat het bij de schade van stikstof op de natuur om heel veel meer gaat dan om kleine stukjes veen die je wilt behouden. Door neerslag van stikstof op natuur vindt er in de bodem verzuring plaats, met als gevolg een tekort aan calcium, kalium en magnesium. Dit leidt bijvoorbeeld bij kool- en pimpelmezen tot eieren met een te dunne schaal en jongen die al in het nest hun pootjes breken.

Verder hebben het overschot aan stikstof en de verzuring negatieve effecten op de diversiteit aan plantensoorten. Veel kenmerkende soorten worden overwoekerd en daardoor kunnen insecten en vlinders ook moeilijker overleven. Met weer als gevolg dat de vogelstand terugloopt. In bossen op de hoge zandgronden zijn roofvogels zoals havik, buizerd, sperwer en boomvalk sterk achteruitgegaan. Die achteruitgang komt ook doordat het probleem al meer dan veertig jaar speelt. Het heette begin 1980 ”zure regen”. Dat ging toen ook al om de neerslag van stikstofoxiden en ammoniak uit verkeer en landbouw. Daarnaast was er ook neerslag van zwaveloxiden, maar de uitstoot daarvan is sinds 1980 met circa 90 procent gedaald.

Boerenbedrog

Sindsdien 1990 is ook de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak meer dan gehalveerd. Desondanks komt op ongeveer driekwart van de Nederlandse natuur nog steeds te veel stikstof terecht. Want destijds was de belasting torenhoog. En daardoor gaat de natuur er nog steeds niet op vooruit. Door het probleem te bagatelliseren bewijs je boeren geen dienst en pleeg je boerenbedrog.

Daarbij moet ook bedacht worden dat stikstofgebruik in de landbouw niet alleen tot uitstoot van ammoniak leidt, maar ook van het broeikasgas lachgas en tot verliezen van nitraat naar grond- en oppervlaktewater. En ook die verliezen moeten minder vanwege effecten op het klimaat en de waterkwaliteit. We staan naar mijn vaste mening dan ook op de drempel van een transitie in ons voedselsysteem. Ik begrijp de frustratie van de boeren goed als het gaat om hun gevoel dat zij tegen marginale prijzen voedsel moeten produceren en dat ook nog eens milieuvriendelijk. De kosten van die transitie moeten we niet afwentelen op de boeren, maar we dienen hun meer te betalen voor ons voedsel en hen ook te belonen voor schone lucht, schoon water en behoud van de natuur.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2021, Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog, Reformatorisch Dagblad 51 (96): 34-35 (artikel).