Home » Milieu

Categoriearchief: Milieu

Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar

Op 10 juni 2022 presenteerde minister Van der Wal haar startnotitie ”Nationaal Programma Landelijk Gebied”, met daarin ”richtinggevende emissie- reductiedoelstellingen”. Bij de boeren sloeg de notitie in als een bom.

De kabinetsplannen leiden tot veel commotie en de vraag of het allemaal wel nodig is. Daarbij wordt de onderbouwing ervan sterk betwijfeld. En dat onder het motto: ”Het gaat om metingen en feiten en niet om theoretische modellen.” Een motto van niet alleen boeren maar ook van een deel van de politieke partijen, zoals blijkt uit de nipt aangenomen VVD-motie op dit punt. Hieronder mijn reactie op de onderbouwing van de kabinetsplannen in vijf vragen en antwoorden.

1. Is een gemiddelde emissie- reductie van 50 procent nodig voor de natuur?

Vanuit de natuur gezien is dat zeker zo. Ammoniak en stikstofoxiden vermesten en verzuren de natuur al meer dan veertig jaar. De diversiteit aan plantensoorten neemt af door een onbalans in voedingsstoffen, enerzijds een tekort aan calcium, kalium en magnesium en anderzijds een overschot aan stikstof. Dat heeft negatieve effecten op de insecten-, vlinder- en vogelstand. Landelijk gezien gaat de biodiversiteit al decennia meetbaar achteruit door de uitstoot van stikstof boven de zogeheten ”kritische depositiewaarde”. Emissie- reductie zorgt wel voor herstel maar door jarenlange overbelasting slechts in beperkte mate. Bij de achteruitgang van de natuur speelt er uiteraard meer dan alleen stikstofdepositie, maar de verstoring van het ecosysteem door stikstof staat buiten kijf en is op vele gegevens en metingen gebaseerd.

2. Zijn die berekende overschrijdingen van kritische depositiewaarden wel realistisch als ze niet zijn gemeten?

Gemiddeld zeker wel. Modellen staan niet tegenover metingen, maar worden ermee gecombineerd. Modellen worden gebruikt om vragen te beantwoorden die je met metingen alleen niet kunt beantwoorden. Bijvoorbeeld het vaststellen van de bijdrage van landbouw, verkeer, industrie en buitenland aan de belasting van ammoniak en stikstofoxiden op natuur. Want je kunt die stikstofconcentraties wel meten, maar deze metingen vertellen je niet precies welke sector er verantwoordelijk voor is.

Modellen zijn pas bruikbaar als de modelresultaten goed overeenkomen met de metingen. Wat betreft stikstof is dit op landelijke en provinciale schaal het geval. Die conclusie volgt uit de gemiddeld goede overeenstemming tussen modelberekeningen en metingen op honderden plekken. De metingen liggen veelal zelfs iets hoger. Mede op basis daarvan zijn emissieschattingen ook bijgesteld. Wel is het waar dat in de berekende depositie en ook in de (overschrijding van de) kritische depositie er lokaal grote afwijkingen mogelijk zijn. Meer metingen veranderen echter weinig tot niets aan het landelijke beeld.

3. Is de variatie in emissie- reductiedoelstellingen goed onderbouwd?

Nee, wat mij betreft niet. Het kaartje met ”richtinggevende emissiereductiedoelstellingen” dat de commotie veroorzaakt, bevat precieze getallen van 12, 47, 58, 70 en 95 procent. De waarden tot 58 procent zijn gebaseerd op het halen van bepaalde ammoniakreductiedoelen; die van 70 en 95 procent op heel hoge reductie in de buurt van Natura 2000-gebieden. De effectiviteit van die aanpak is nergens onderbouwd.

Het principe om per gebied een reductiepercentage vast te stellen, is een begrijpelijk uitgangspunt. Het kabinetsbeleid is om in 2030 bijna driekwart van de natuurgebieden onder de kritische depositiewaarde te hebben. Bij een gelijke emissiereductie over heel Nederland kom je dan op 50 procent. Maar dat kan natuurlijk efficiënter door meer reductie te bewerkstelligen in gebieden waar de uitstoot hoog is en waar boerderijen vlak bij gevoelige natuurgebieden liggen. Dan is het niet vreemd dat je gebieden aanwijst met een reductie die hoger dan wel lager is dan het gemiddelde van 50 procent.

Maar een benadering met minder grote verschillen in reductiepercentages (bijvoorbeeld in vier klassen van 20 tot 70 procent) in grotere deelgebieden is om meerdere redenen verstandiger dan de huidige aanpak van zeer precieze reducties in veel deelgebieden met grote verschillen op heel korte afstand. De ondergrens van 20 procent is met relatief eenvoudige en betaalbare maatregelen te halen zonder het inkrimpen van de veestapel. De hogere percentages komen dan in gebieden met een toenemende opgave.

Minder klassen en grotere gebieden zijn ook logisch gezien de grote opgaves die er liggen op het gebied van klimaat, wat veel minder een regionale opgave is. Ten slotte zal het ook juridisch tot minder hoofdbrekens leiden. Ook bij deze aanpak is het overigens onvermijdelijk dat de boerensector in gebieden met de hoogste reductiedoelstelling moet inkrimpen. Want innovatie en techniek alleen zijn niet voldoende.

4. Is dan nog het middel niet erger dan de kwaal?

Bedenk bij de beantwoording van die vraag: het probleem is breder. Ten eerste is stikstof- emissie niet alleen een probleem voor de natuur maar ook voor onze gezondheid. Stikstofoxiden en ammoniak leveren beide een hoge bijdrage aan fijnstof, in Nederland circa 40 procent. Fijnstof is zeer schadelijk voor onze gezondheid. Volgens schattingen draagt fijnstof voor 21 procent bij aan alle bronchitisklachten, voor 11 procent aan longkankersterfte en voor 1 tot 2 procent aan luchtwegklachten en hart- en vaatziekten. Stikstof- oxiden in de atmosfeer zijn daarbij overigens extra schadelijk voor onze gezondheid mede ook door de vorming van ozon.

Verder leidt de huidige vorm van landbouw ook tot problemen met de waterkwaliteit. Ook draagt die significant bij aan het klimaatprobleem. Minister Van der Wal spreekt dan ook steeds over natuur én water én klimaat. Behalve aan uitstoot aan ammoniak draagt de veestapel in sterke mate ook bij aan de uitstoot van de broeikasgassen lachgas en methaan. Verder spoelt stikstof, met name in de vorm van nitraat, uit naar grondwater en oppervlaktewater. Samen met de uitspoeling van fosfaat leidt dit tot een afname van de waterkwaliteit, waardoor de diversiteit en aantallen aan waterplanten, macrofauna en vissen afneemt.

Kortom, het is van belang om integraal te denken en bij maatregelen niet louter naar het effect op de stikstofdepositie te kijken. Wie al die doelstellingen samen beziet, kan niet anders dan concluderen dat naast innovatie ook een reductie van de veestapel noodzakelijk is.

5. En waarom vooral de boerensector?

Omdat de bijdrage van die sector veruit het grootst is, ook omdat ammoniak dichter bij de bron neerslaat dan stikstofoxiden, die voor het grootste deel de grens overgaan. Maar er moet zeker meer aandacht komen voor het evenredig verdelen van de pijn. Want daar steekt het bij de boeren. Het gevoel dat men gewoon kan blijven vliegen en rijden, terwijl zij alle pijn lijden. Hoewel het waar is dat de bijdrage van de industrie en het verkeer aan de stikstofdepositie circa vier maal zo laag is als die vanuit de landbouw, is het bij elkaar wel de helft. Niet bepaald verwaarloosbaar. En de effecten van de uitstoot van stikstofoxiden op de gezondheid, die ernstiger zijn dan die van de uitstoot van ammoniak, zouden ook zwaarder moeten meetellen. Inderdaad is de bijdrage van vliegverkeer maar een beperkt deel van de totale verkeersbijdrage en onvergelijkbaar met de bijdrage van de landbouw. Maar de klimaateffecten van vliegen zijn wel heel significant.

Ook hier geldt dat we het niet alleen van techniek moeten verwachten, zoals schonere auto’s en vliegtuigen, maar dat er ook een gedragsverandering moet komen. Meer de fiets en het openbaar vervoer, minder de auto en het vliegtuig. Naast veestapelreductie ook transportreductie. Ook de industrie moet bijdragen. Alleen dan dragen we het in solidariteit.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2022, Maak kabinetsplannen voor emissiereductie uitvoerbaar, Reformatorisch Dagblad 52 (66): 20-21 (artikel).

Van prof. De Vries verschenen al eerder twee artikelen over het stikstofprobleem op deze website, zie hier en hier.

Consumptieve leefstijl vraagt om bekering

Voor iedere Nederlander was dinsdag 12 april een droevige dag. Het was voor ons land namelijk Overshoot Day 2022. Dat wil zeggen dat er tot het einde van 2022 geen grondstoffen meer beschikbaar zijn, tenzij we Gods schepping uitputten of onze (verre) naaste tekortdoen.

Overshoot Day is, simpel gezegd, de dag waarop de duurzaam beschikbare middelen van een jaar op zijn. Deze dag wordt berekend door het wereldwijde verbruik van grondstoffen af te zetten tegen de hoeveelheid die de aarde jaarlijks kan leveren, zonder op den duur uitgeput te raken. Het verbruik blijkt inmiddels bijna tweemaal te hoog te zijn, zodat de wereldwijde Overshoot Day tegenwoordig in de maand juli valt.

In het Westen gebruiken we echter méér dan gemiddeld, door ons koopgedrag, onze reizen en de hoge eisen die we bijvoorbeeld stellen aan woongenot. Het Nederlandse verbruik is ruim driemaal te hoog, zodat de grondstoffen voor ons dit jaar op 12 april op waren. Als men wereldwijd hetzelfde zou gebruiken als wij, zouden er voor duurzame levering ruim drie werelden nodig zijn.

Oneerlijke verhoudingen

Hoewel we onze portie nu dus eigenlijk al verbruikt hebben, kunnen we niet anders dan ook de rest van het jaar nog grondstoffen gebruiken. Omdat die drie werelden er niet zijn, zullen we acht en een halve maand leven ten koste van Gods schepping en onze naaste. Zelfs om alleen maar in leven te blijven, zullen we de natuur en het klimaat verder moeten aantasten. Dat is zonde tegen de Schepper. Het is ook een inbreuk op de levensomstandigheden van toekomstige generaties. Wat wij te veel gebruiken –en dat is dus alles wat we gebruiken tot het einde van 2022– is er voor hen te weinig.

We zullen de rest van dit jaar ook leven ten koste van veel van onze naasten. Hoewel er niet altijd een direct verband is tussen onze overvloed en het gebrek elders op de wereld, is onze levensstijl wel een van de oorzaken van de oneerlijke verhoudingen.

Rentmeesters

Uitputting van de schepping is dus zonde tegen de Schepper. Hij gaf ons de scheppingsopdracht (Genesis 1:28) en zal daarmee geen ongebreidelde exploitatie bedoeld hebben. Wij zijn rentmeesters die het ‘kapitaal’ van onze Heer er in hoog tempo doorjagen. Omdat onze consumptie ten koste gaat van onze (toekomstige) medemensen, is die ook in tegenspraak met het gebod tot naastenliefde. Over-
shoot Day stelt ons dus schuldig aan het dubbele liefdesgebod van Jezus: God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf (Mattheüs 22:37-39).

Laten we niet te snel denken dat het met ons wel meevalt. Als wij een gemiddelde Nederlandse levensstijl hebben –niets bijzonders dus– was 12 april onze persoonlijke Overshoot Day. Wanneer we enige matigheid proberen te betrachten, valt de datum voor ons iets later, maar waarschijnlijk niet veel later. Voor wie een bovenmodaal inkomen heeft, geldt eerder het omgekeerde. Gezien het nauwe verband tussen welvaart en consumptie passeerde onze persoonlijke Overshoot Day dan wellicht al eerder dit jaar.

Dagelijkse bekering

Het is dus geen wonder dat klimaat- en milieuclubs voortdurend oproepen tot gedragsverandering. Christenen moeten echter een spade dieper steken. Wat we nodig hebben, is bekering. Dan gaat het in de eerste plaats om erkenning van onze zonde en schuld, van onze onmacht ook. We hebben, uit ecologisch perspectief bezien, een door en door zondige levensstijl, waarin we gevangenzitten.

Wanneer we dat voor Gods aangezicht erkennen, dan kan het niet anders of er komt ook bekering in het leven van alledag. De zonde is een macht die ons in zijn greep houdt, maar iedere christen is geroepen hiertegen te strijden en de zonden in zijn of haar leven te doden.

De dagelijkse bekering wordt op dit gebied heel concreet. Onze levensstijl lijkt voor een belangrijk deel vorm te krijgen door twee vragen te stellen: Vind ik het leuk, prettig of mooi, en kan ik het betalen? Laten we echter twee andere vragen gaan stellen, bij alles wat we willen kopen of ondernemen. Ten eerste: Is het echt nodig? En vervolgens: Hoe kan dit het meest duurzaam?

Genade

Het gaat hierbij niet om links activisme, maar om gehoorzaamheid aan God. In de strijd tegen de zonde mogen we onszelf niet sparen (zie Mattheüs 5:29-30). Voorlopig zal onze Overshoot Day nog niet op 31 december vallen, en waarschijnlijk komt hij daar nooit. Het is dus, ook in dit opzicht, echt genade als de Heere ons toch wil verwelkomen in Zijn Koninkrijk, waar geen gebrek zal zijn en Zijn schepping niet meer zal zuchten. Wie daarheen onderweg mag zijn, is echter wel geroepen zich dagelijks te bekeren.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Waard, H. de, 2022, Consumptieve leefstijl vraagt om bekering, Reformatorisch Dagblad 52 (11): 28-29 (artikel).

Er is wel degelijk een stikstofprobleem – Hoogleraar Wim de Vries reageert op tegenwerpingen

Naast de wereldwijde corona- en klimaatcrisis wordt ons land geplaagd door een stikstofcrisis. Bij de formatie van het kabinet-Rutte IV heeft het zelfs geleid tot een nieuwe ministerspost voor Natuur en Stikstof. Voor de formatie was er al een Wet stikstofreductie en natuurverbetering aangenomen met daarin een budget van vijf miljard euro. Die wet verplicht ons om de stikstofuitstoot met 50 procent te verminderen, zodat de neerslag, vaak depositie genoemd, in 2035 voor circa 75 procent van alle Natura 2000-gebieden beneden een kritische waarde ligt. Inmiddels heeft het nieuwe kabinet het jaartal naar voren gehaald naar 2030 conform het advies van de commissie-Remkes. Daarvoor is een ambitieuze vergroeningsagenda opgesteld, waarvoor tot 2035 in totaal 25 miljard euro beschikbaar wordt gesteld.

Op die aanpak is kritiek. Net als bij corona en klimaat zijn er ontkenners, stikstofontkenners. Die kunnen ter onderbouwing van hun standpunt niet alleen terecht bij columns van Jan Cees Vogelaar van het Mesdagfonds in landbouwbladen, maar ook bij voormalig minister Ronald Plasterk, een gerenommeerd wetenschapper in de moleculaire genetica. Zo stelt Vogelaar dat de basis voor het stikstofbeleid ontbreekt omdat het gebaseerd zou zijn op rekenmodellen en niet op metingen van de stikstofdepositie – wat uit de lucht op de grond komt – en stikstof in de bodem. Dus weten we helemaal niet of er wel een probleem is.

Plasterk gaat nog verder. Die betoogt in een tweetal columns in De Telegraaf dat het bij stikstof om een door Nederland zelf gecreëerd probleem gaat. Uit kaartjes met scherpe landsgrenzen voor het stikstofoverschot zou je al kunnen zien dat er iets niet klopt, want stikstof houdt zich niet aan landsgrenzen. Dus – concludeert hij – is het probleem gecreëerd omdat wij zulke strenge normen opleggen aan onze snippertjes aan Natura 2000-gebieden. In buurlanden hebben ze nooit van een stikstofcrisis gehoord en wij hebben hem ook niet, aldus Plasterk. Helaas: al die kritiek mist elke grond. Voor Plasterk geldt: schoenmaker, hou je bij je leest.

Houdt stikstof halt bij de landsgrenzen?

Nee zeker niet. Satellietmetingen laten bijvoorbeeld hogere stikstofconcentraties zien in grote delen van Ierland, de Benelux, West-Duitsland, Bretagne en de Povlakte. Ammoniak en stikstofoxiden worden ook over vele honderden kilometers getransporteerd en uit vergelijking van modelberekeningen met metingen blijkt dat de stikstofdepositie in Nederland minder dan de helft is dan de uitstoot, omdat we zeer veel exporteren naar het buitenland.

Kennelijk heeft Plasterk een kaartje gezien met daarop de gemiddelde stikstofoverschotten per land. Zo’n kaart laat alleen maar zien dat wij gemiddeld per hectare de hoogste uitstoot hebben in Europa. De interpretatie die Plasterk eraan geeft is misplaatst.

Missen er metingen voor stikstof?

Nee. Die metingen zijn er wel degelijk. Om vast te stellen hoeveel depositie er is in gasvorm (droge depositie) worden elk uur op 73 plekken de concentraties van stikstofoxiden in de lucht gemeten. Daarnaast worden maandgemiddelde concentraties ammoniak op meer dan driehonderd plekken in Nederland gemeten, waaronder in ruim tachtig Natura 2000-gebieden, en elk uur wordt de ammoniakconcentratie gemeten op zes locaties. Verder wordt op acht locaties de regenval gemeten en hoeveel nitraat en ammonium er in het regenwater zit. Daarmee wordt de natte depositie van stikstof bepaald. Ook effecten zijn gemeten, waaronder stikstofgehalten in bossen, planten en in de bodem en de gevolgen die het heeft voor de natuur en de vitaliteit van bossen.

Er zijn ook modellen nodig. Die worden onder andere gebruikt om schattingen van de stikstofdepositie te maken op landelijk niveau en om inzicht te krijgen in de belangrijkste oorzaken ervan. Want al meet je op 10.000 plekken, dan nog moeten die metingen worden opgeschaald om tot landelijke uitspraken te komen. En metingen van stikstofconcentraties vertellen je niet welke sector er verantwoordelijk voor is.

Modelresultaten worden daarvoor echter wel vergeleken met metingen om te zien of de voorspellingen betrouwbaar zijn. Daarbij blijken berekende en gemeten stikstofconcentraties in de lucht een goede overeenkomst te vertonen. Wel liggen de gemeten concentraties aan ammoniak gemiddeld iets hoger dan de modelberekeningen en daarvoor wordt dan ook gecorrigeerd in de modellen.

Heeft de natuur een stikstofprobleem?

Jazeker. Door neerslag van stikstof op natuur verzuurt de bodem. Door de verzuring spoelen belangrijke voedingsstoffen als calcium, kalium en magnesium uit. Samen met de hoge aanvoer van stikstof leidt dit tot een onbalans in voedingsstoffen die zorgt voor een afname aan plantensoorten. Die heeft op zijn beurt weer geleid tot een afname aan insecten, vlinders en vogels. Door die onbalans in voedingsstoffen is ook de vitaliteit van bossen afgenomen en is de gevoeligheid voor droogte, ziekten en plagen groter geworden. Deze kennis is niet afgeleid van modelberekeningen maar van metingen, niet alleen in Nederland, maar in grote delen van Europa, de VS, China en Latijns-Amerika.

Helpt de afname in stikstofuitstoot dan niet?

Jawel, maar de natuur herstelt er nog niet echt van. En dat is mede het gevolg van een lange historische erfenis van meer dan 40 jaar. In de jaren tachtig was de stikstofbelasting nog veel hoger en werden kritische waarden nog veel meer overschreden. Sinds die tijd is de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak meer dan gehalveerd. Desondanks komt daardoor op ongeveer driekwart van de Nederlandse natuur nog steeds te veel stikstof terecht. Zo heeft in de Nederlandse natuur een opeenhoping van stikstof plaatsgevonden gedurende meer dan 40 jaar. Daardoor gaat die natuur ondanks de verlaging er nog steeds niet op vooruit. Denk aan iemand die veel te veel heeft gegeten en als gevolg van gezondheidsklachten niet lijnt maar minder te veel gaat eten. Dan kunnen door het overgewicht desondanks de klachten voorlopig blijven of zelfs toenemen.

In het buitenland is er toch geen probleem?

Het is een Europees en wereldwijd probleem. Natuurgebieden in het buitenland zijn vaak nog gevoeliger voor stikstof dan in Nederland en ook daar worden kritische waarden overschreden. Maar die overschrijding is veelal lager dan in Nederland, door de lagere stikstofuitstoot per hectare, daarom is de vergunningverlening er wat soepeler. Maar dit staat onder druk.

Zo wordt er een Vlaamse stikstofregeling ontwikkeld die vergelijkbaar is met de Nederlandse situatie en is recentelijk een strengere stikstofwet aangenomen. Daarmee kunnen agrarische ondernemers alleen nog bouwvergunningen krijgen als ze aantonen dat de natuur er niet door wordt aangetast. Verder krijgen alle landen te maken met de doelstelling van de Europese Green deal om de stikstofverliezen naar lucht en water voor 2030 met 50 procent terug te dringen. Zo groot zijn de verschillen dus niet.

Maar dan nog is het toch geen 25 miljard waard?

Bij de stikstofproblematiek gaat het om veel meer dan alleen effecten op de natuur. Zo dragen ammoniak en stikstofoxiden voor bijna 40 procent bij aan de vorming van fijnstof met grote gezondheidseffecten. Verder hebben we bij stikstofgebruik in de landbouw niet alleen te maken met uitstoot van ammoniak, maar ook van lachgas, wat een broeikasgas is. Samen met de uitstoot van methaan, met name uit koeien, en van CO2, met name uit dalende veengronden, moet dit worden teruggedrongen in verband met het klimaatakkoord. En dan zijn er nog verliezen van stikstof, samen met fosfor, naar grond- en oppervlaktewater, met gevolgen voor de waterkwaliteit. En ook die verliezen moeten minder om te voldoen aan de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water.

Het gaat bij die 25 miljard dus om een integrale transitie van de landbouw om negatieve effecten van te veel stikstof, fosfaat en broeikasgassen op klimaat, luchtkwaliteit, waterkwaliteit en gezondheid te verminderen. Kosten die zijn op te brengen door meer te betalen voor ons voedsel en boeren ook te belonen voor schone lucht, schoon water en behoud van de natuur.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Nederlands Dagblad. De bronvermelding luidt: Vries, W. de, 2022, Er is wel degelijk een stikstofprobleem, Nederlands Dagblad 78 (20.977): 12-13 (artikel).

Eerder schreef prof. dr. Wim de Vries het artikel ‘Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog’. Dit artikel is hier te vinden.

Vertaal scheppingsgeloof naar duurzaam klimaatbeleid

Verontrustende getallen zijn niet de belangrijkste reden om bezig te zijn met klimaat. Christenen zijn het aan onze Schepper en onze medeschepselen verplicht te zorgen voor de schepping.

Na Prinsjesdag en in de daaropvolgende Algemene Politieke Beschouwingen is er weer veel gedebatteerd over het klimaat. Er klinken dan grote woorden, zoals ”klimaathysterie” en ”klimaatgekkigheid”. Wat mij opnieuw opviel in dat debat is dat er over het hele politieke spectrum veel aandacht is voor de getalsmatige kant van het beleid. Wat de afgelopen weken ook meerdere keren naar voren kwam was de vraag: zou het allemaal wel zin hebben, want Nederland is maar klein en onze bijdrage valt daardoor in het niet bij andere landen? Voor mij als ingenieur –hoe verbazingwekkend dat ook moge zijn– zijn de getalletjes echter niet de belangrijkste reden om me bezig te houden met het klimaat. Of er nu wel of niet grote rampen staan te gebeuren, of er nu wel of niet voldoende wetenschappelijke basis is voor de voorgestelde maatschappelijke transities, het gaat mij er vooral om wat God hierin van mij vraagt. Is het een Bijbelse opdracht om me bezig te houden met klimaat en duurzaamheid, of niet?

De Bijbel spreekt in directe zin bijna nergens over het klimaat. Er is wel de belofte aan Noach (Genesis 8) dat zomer en winter niet zullen ophouden, maar geen enkel klimaatmodel gaat zover dat zomers en winters helemaal zouden verdwijnen. In indirecte zin vinden we in de Bijbel wel allerlei aanwijzingen voor het omgaan met ons klimaat. Klimaat bepaalt immers waar we gezond en veilig kunnen wonen en klimaatverandering betekent dat de plek waar we wonen onleefbaar of juist meer leefbaar zou kunnen worden. De aarde is leefbaar, omdat de Heere God die aarde leefbaar heeft geschapen voor mensen, dieren en planten en dat is inclusief het klimaat.

Klimaatzegen

Als Israël uit Egypte vertrekt, verhuizen zij van het klimaat van Egypte naar het klimaat van Kanaän en krijgen daarmee letterlijk te maken met klimaatverandering. In Egypte was er de Nijl, die het land altijd maar weer van voldoende water voorzag. In het Beloofde Land zal het voor Israël echter anders gaan. Deuteronomium 11 zegt daarover: „Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel. Het is een land waar de Heere, uw God, voor zorgt.” Een leefbaar en vruchtbaar klimaat is daarom een zegen van God, een teken van Zijn voorzienigheid. Maar zoals met elke zegen van God het geval is, kan ook de klimaatzegen verkeerd worden gebruikt, worden aangetast of veranderd in het tegenovergestelde.

God heeft de wereld geschapen en Israël een leefbaar stuk ervan gegeven, „vloeiend van melk en honing”, maar dan moet er ook voortdurend worden gewerkt aan de leefbaarheid van het land. Gods zegen vraagt van ons een antwoord. Leviticus 19 en de daaropvolgende hoofdstukken beschrijven daarom uitgebreid hoe dat land verzorgd moet worden. Het land moet vruchtbaar blijven en in goede orde worden doorgegeven aan de volgende generaties. Het gaat hier om een sociale samenleving: de armen mogen gebruikma­ken van de niet gemaaide stukken akker en van de druiven die zijn achtergebleven in de wijngaard. Het gaat om een duurzame samenleving: de akker wordt regelmatig met rust gelaten om te herstellen en de vruchtbomen moeten eerst een aantal jaar groeien voor er geplukt mag worden. Het gaat om een samenleving waarin economische groei gelimiteerd en eerlijk is: schulden worden weg gescholden en het land wordt herverdeeld in het vijftigste jaar.

Nog steeds richtinggevend

Uiteraard gaat het in de eerste vijf boeken van Mozes alleen over landbouw en over veeteelt. In onze tijd gaat het niet meer alleen over de agrarische sector, het gaat nu ook om de bouwsector, de mijnbouw, energievoorziening en om industriële productie. We hebben daarbij in de afgelopen zestig jaar heel veel bewijs verzameld dat industrie en consumptiegedrag het klimaat kunnen veranderen, dat afval het milieu onomkeerbaar kan aantasten, dat ongebreidelde economische groei hele natuurgebieden kan verwoesten.

Ook al is daarmee onze wereld zo veel anders dan die van Mozes, nog steeds is Gods Woord in Deuteronomium en Leviticus voor ons richtinggevend. Als we allerlei soorten erts wegslepen uit Afrika voor ons eigen belang en niets overlaten voor de eigenlijke bewoners van de regio, of als we in Nederland aardbevingen veroorzaken door alle aardgas uit de bodem te willen halen en het land geen rust te gunnen, of als we de schulden in de wereld alleen maar laten oplopen en nooit een jubeljaar uitroepen, dan zondigen wij.

Pauselijke encycliek

Klimaat- en milieudiscussies zijn onderdeel van een groter geheel. Het kon de afgelopen weken weleens lijken dat duurzaamheid in Nederland alleen nog maar draait om concentraties van koolstof en stikstof, maar dat is veel te beperkt. Van de zeventien duurzaamheidsdoelen van de Verenigde Naties gaan er twee over het klimaat en duurzame energie, de andere doelen verdienen ook aandacht. De pauselijke encycliek ”Laudato Si” uit 2015 is nog steeds de meest grondige theologische bezinning op duurzaamheid en daarmee ook voor protestanten een prachtige bron van Bijbelse wijsheid. De encycliek begint met de beschrijving van de schepping „als ons gezamenlijk huis.” We bewonen Gods schepping gezamenlijk met dieren, planten en mensen. We hebben als plicht dat huis in goede orde na te laten aan onze kinderen. Zoals in elk goed huishouden de een niet mag worden voorgetrokken op de ander, of dat de kwetsbaren in het huis extra bescherming nodig hebben, zo moeten wij zorgen voor rechtvaardigheid en veiligheid in het ‘huis van de schepping’. Door duurzaam te leven en ons bezig te houden met klimaatbeleid, zorgen wij voor Gods schepping, zowel voor de aarde als die daarop wonen (Psalm 24) en brengen daarmee ons scheppingsgeloof in praktijk.

Niet bagatelliseren

Moeten we ons dan bij het vormen van klimaatbeleid helemaal niet bezighouden met getallen? Ja natuurlijk wel. We moeten bij elke innovatie analyseren wat daarvan de milieueffecten zijn. We moeten bezig blijven met het bouwen van ingewikkelde en uitdagende rekenmodellen. ”Meten is weten” geldt zonder meer ook voor het klimaat en het ondersteunen van het klimaatbeleid. Het gaat mij er vooral om dat we als christenen het probleem niet blijven bagatelliseren omdat er nog wetenschappelijke onzekerheden zijn, of steeds weer naast ons neerleggen omdat we de klimaatmodellen niet vertrouwen. We zijn het in de eerste plaats aan onze Schepper en onze medeschepselen verplicht om te zorgen voor de schepping en het bijbehorende klimaat en daardoor Hem te prijzen Die ons het leven geeft.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Korevaar, G., 2021, Vertaal scheppingsgeloof naar duurzaam klimaatbeleid, Reformatorisch Dagblad 51 (169): 20-21 (artikel).

Schepper breekt in onze wereld in en dus is het crisis

Onze planeet gaat God aan het hart. Daarom kunnen we hoop hebben midden in de huidige klimaatcrisis. Vooral als een kerk die niet ”moet”, maar ”mag”.

Het VN-klimaatrapport maakt het nodige los. ”IPCC geeft kerk veel huiswerk”, zo was ergens te lezen. Ik haakte meteen af op de titel en zag hierin een variatie van het bekende ”de-kerk-moet”-refrein, waarvan collega Wim de Bruin zei: „Ik probeer alle artikelen waarin de combinatie van ”kerk” en ”moet” staat niet te lezen. Het zuigt je leeg…” Maar crisissignalen worden sterker en sterker.

Voorop staat: het genoemde rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) is alarmerend en bevestigt een gitzwart toekomstbeeld. De opwarming van de aarde gaat steeds harder, het ijs op de poolkappen smelt steeds sneller. De biodiversiteit neemt af en de vervuiling van de zeeën neemt dramatische vormen aan. Maar ik ben het niet eens met wie zegt dat de klimaatcrisis in de kerk niet leeft. Vooral heb ik moeite met de moeterige toon en het jongleren met het thema schuld. Hier stoot je mensen mee af, terwijl er zoveel op het spel staat. Immers, in de klimaatcrisis is God dingen aan het doen. Want deze wereld is Góds wereld, hoe verkeerd wij mensen er ook mee omgaan.

Zondvloed

Onlangs luisterde ik naar een preek over Genesis 8 en 9. Het eerste punt was: de grootste klimaatcrisis is al geweest, namelijk de zondvloed. Dat was een catastrofe van ongekende wereldomvang. Het water kwam tot de bergtoppen. Wat een ongekende zeespiegelstijging!

Ik vond dit verhelderend. Vooral omdat deze oude klimaatramp werd gekoppeld aan wat heet het natuurverbond, dat we ook het milieuverbond kunnen noemen, dat God sluit met Noach en zijn nakomelingen (de mensheid) en met alles wat leeft.

God belooft plechtig: „Hierbij sluit ik een verbond met jullie en met jullie nakomelingen, en met alle levende wezens die bij jullie zijn. Deze belofte doe ik jullie: nooit weer zal alles wat leeft door het water van een vloed worden uitgeroeid, nooit weer zal er een zondvloed komen om de aarde te vernietigen.”

Hiermee zegt God: Deze wereld is van Mij en die laat Ik niet los. Dat geeft hoop en verwachting! En dit verbond is niet minder van kracht dan dat met Abraham en zijn nakomelingen, dat bij elke doop aan de orde komt.

Oordeel

Ons woord ”crisis” komt uit het Grieks en betekent ”oordeel”. Dan kan het gaan om het eeuwige oordeel, maar ook om oordelen, crises in de tijd. En dat wil zeggen dat God maar zo deze wereld binnenkomt. In de tijd van koning Achab stapt de profeet Elia maar zo het paleis in Samaria binnen en zegt hij: „Zo zegt God: er zal drie jaar geen regen vallen.” God bonkt niet op de deuren van het paleis, maar elke keer als koning Achab in de jaren die verstrijken naar de lucht kijkt en geen wolkje kan waarnemen, denkt hij aan die man die claimde in dienst van de God van Israël, de God van deze wereld, te staan. Hij kon daarin de fluister van liefde horen: Achab, ik houd van je. Ik ben de Koning van alle koningen van deze aarde. Keer terug tot Mij.

Wat een crisis. Toen! Maar hoe zit dat nu? We denken dat deze wereld van ons is. We vliegen en vervoeren, produceren en consumeren, vervuilen en verbranden. En we vergeten dat deze wereld Gods wereld is, dat God een verbond heeft gesloten met de vogels, de dieren, de bomen en de planten. Een milieuverbond. In lijn met dit verbond handelt God en dat leidt tot een milieucrisis.

Het rijke deel van de wereld plundert het arme deel. Onze lege batterijen en accu’s transporteren we naar landen in Afrika, zoals Ghana, waar mensen ziek worden van het demonteren ervan. Onze plastic flessen gaan voor een deel naar Indonesië, waar ze veelal in de rivieren terechtkomen. En de schepen die ze vervoeren, danken we af aan India, waar werkers voor een habbekrats het zware werk doen en waar kilometers strand vervuild zijn door afgewerkte oliën en zware metalen.

Comfort en luxe

Jezus Christus spreekt in een aantal redes over de komst van het Koninkrijk, bijvoorbeeld in Lukas 17. Dan tekent Hij de tijd voor zijn wederkomst als volgt: „En zoals het eraan toeging in de dagen van Noach, zo zal het ook zijn in de dagen van de Mensenzoon: ze aten, ze dronken, ze huwden, ze werden uitgehuwelijkt, tot aan de dag waarop Noach de ark binnenging en de vloed kwam die iedereen verzwolg. Of zoals het eraan toeging in de dagen van Lot: ze aten, ze dronken, ze kochten, ze verkochten, ze plantten, ze bouwden; maar op de dag waarop Lot wegtrok uit Sodom, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen allen om. Zo zal het ook gaan op de dag waarop de Mensenzoon wordt geopenbaard.”

Op zich noemt Jezus geen verkeerde dingen, maar als je God vergeet, dan denk je dat je er ‘natuurlijk’ recht op hebt, vergeet je te delen, houd je de paupers en losers buiten de deur en maak je overmatig gebruik van de mogelijkheden van Google, Facebook, Apple, Samsung, Amazon, Microsoft, Tesla, enzovoort. Onze goden van comfort en luxe.

Waar gaat het om?

De belangrijkste vraag is niet: Waar zitten we in de crisis, in de reeks van oordelen (waar ook het boek Openbaring zicht op geeft)? En ook niet: Wat moet ik eraan doen? Doen wij wel genoeg? Hoe gaan we de planeet redden? Wij mensen gaan deze planeet niet redden. Evenmin de wetenschap, de techniek of een nieuwe ‘Einstein’. Dit is juist de reden dat het sinds de Verlichting zo mis ging: we zijn de Schepper van deze aarde vergeten.

In het ons keren tot God ligt daarom de oplossing. In een leven in verbondenheid met Hem. Met Jezus Christus, die onze zonde, ons verzieken en verprutsen van alle dingen vergeeft door zijn daad aan het kruis van Golgotha. In een leefwijze die God centraal zet en zijn verbond met ons en alle levende wezens. Dat geeft hoop en toekomst aan ons en alle generaties die nog komen.

Dat staat niet los van het concreet maken van een crisisbestendige levensstijl. In de liturgie en in het leven mogen deze noties terugkomen. Het mag ons brengen tot eenvoudiger leven, minder technologiegebruik, afwijzing van machtspolitiek, liefde voor de naaste en respect voor de natuur. Want: deze planeet gaat God aan het hart. Zo kunnen we hoop hebben in de klimaatcrisis; vooral als een kerk die niet ”moet”, maar ”mag”.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Het originele artikel is hier te lezen. Bronvermelding: Linde, E. van der, 2021, Schepper breekt in onze wereld in en dus is het crisis, Reformatorisch Dagblad 51 (126): 28-29 (artikel).

Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog

Nergens is het systeem om de uitstoot van stikstof te schatten zo goed op orde als in Nederland. Belangrijk, want door neerslag van stikstof vindt in de bodem onder meer verzuring plaats. Dit leidt tot een sterke afname van planten, insecten en vogels.

Stikstof houdt de gemoederen nog steeds bezig. Zo is de Eerste Kamer in maart dit jaar akkoord gegaan met de stikstofwet, die voorziet in een afname in de uitstoot van stikstof met 50 procent in 2035. Maar dat soort reducties zijn volgens Geesje Rotgers van de stichting Agrifacts (RD 12-7) gebaseerd op simplistische rekenmodellen. En die leiden tot een papieren werkelijkheid, stelt ze. Klopt die aantijging?

Recent zijn er vier stikstofrapporten uitgebracht. Op verschillende wijze geven die een nadere onderbouwing aan de vereiste reductie in stikstofuitstoot en waar die reducties het effectiefst zijn. Daarbij spelen inderdaad modellen een rol. Die modellen simplistisch noemen verraadt een enorm gebrek aan kennis, want dat zijn ze bepaald niet. Door over een papieren werkelijkheid te spreken, wekt Rotgers de suggestie gewekt dat resultaten van die modellen helemaal losstaan van metingen, maar dat is volslagen onjuist. De concentraties stikstofoxiden, met name afkomstig uit verkeer, worden elk uur op 73 plekken met geavanceerde apparatuur gemeten. Verder worden de maandgemiddelde concentraties ammoniak op meer dan 300 plekken in Nederland gemeten, waarvan ruim 80 in natuurgebieden. Modelvoorspellingen worden vergeleken met die metingen, en de overeenkomst daartussen is heel groot. Voor de statisch onderlegde lezer: een correlatiecoëfficiënt van meer dan 0,95. Daar likt elke modelleur zijn vingers bij af. En dus kun je die modellen gebruiken om schattingen te maken op plaatsen waar je niet meet. Dat moet je doen om voor heel Nederland een beeld te krijgen, ook al zou je op honderdduizend plekken meten.

Onderschat

Vanwege de kritiek op modellen heeft minister Schouten de ”Commissie meten en berekenen” ingesteld (de commissie-Hordijk). Die beoordeelde het Nederlandse meet- en rekensysteem als goed. En dat was een terughoudend oordeel. Feitelijk is het heel goed. Vrijwel nergens in de wereld is het systeem om de uitstoot te schatten, dat de invoer voor het luchtmodel vormt, zo goed op orde als in Nederland. Wel blijken de metingen voor ammoniak helaas gemiddeld wat hoger te liggen dan de modellen, wat erop wijst dat de uitstoot van ammoniak wordt onderschat. Daarom wordt er gecorrigeerd voor die klaarblijkelijk te optimistische schatting. Wel kan lokaal de onzekerheid in stikstofbelasting of in de schatting van die belasting vrij groot zijn. Maar het gemiddelde beeld is betrouwbaar, net zoals dat geldt voor een gemiddelde weervoorspelling. Met haar zogenaamde ”natuurcheck” in het Wierdense veld in Overijssel ridiculiseert Rotgers ook de effecten van stikstof op natuur. De suggestie is dat het bij stikstof alleen zou gaan om het in stand houden van kleine stukjes wensnatuur. Want zo noemt zij de circa 100 vierkante meter actief hoogveen, die zij kennelijk niet heeft kunnen ontdekken. Wellicht nuttig om te vermelden dat drie ecologen van verschillende organisaties onlangs geconstateerd hebben dat het actieve hoogveen is uitgebreid van circa 100 naar 140 vierkante meter, maar feitelijk gaat het daar niet echt om. Veel belangrijker in dit gebied de 380 hectare herstellend hoogveen.

De kern is dat het bij de schade van stikstof op de natuur om heel veel meer gaat dan om kleine stukjes veen die je wilt behouden. Door neerslag van stikstof op natuur vindt er in de bodem verzuring plaats, met als gevolg een tekort aan calcium, kalium en magnesium. Dit leidt bijvoorbeeld bij kool- en pimpelmezen tot eieren met een te dunne schaal en jongen die al in het nest hun pootjes breken.

Verder hebben het overschot aan stikstof en de verzuring negatieve effecten op de diversiteit aan plantensoorten. Veel kenmerkende soorten worden overwoekerd en daardoor kunnen insecten en vlinders ook moeilijker overleven. Met weer als gevolg dat de vogelstand terugloopt. In bossen op de hoge zandgronden zijn roofvogels zoals havik, buizerd, sperwer en boomvalk sterk achteruitgegaan. Die achteruitgang komt ook doordat het probleem al meer dan veertig jaar speelt. Het heette begin 1980 ”zure regen”. Dat ging toen ook al om de neerslag van stikstofoxiden en ammoniak uit verkeer en landbouw. Daarnaast was er ook neerslag van zwaveloxiden, maar de uitstoot daarvan is sinds 1980 met circa 90 procent gedaald.

Boerenbedrog

Sindsdien 1990 is ook de uitstoot van stikstofoxiden en ammoniak meer dan gehalveerd. Desondanks komt op ongeveer driekwart van de Nederlandse natuur nog steeds te veel stikstof terecht. Want destijds was de belasting torenhoog. En daardoor gaat de natuur er nog steeds niet op vooruit. Door het probleem te bagatelliseren bewijs je boeren geen dienst en pleeg je boerenbedrog.

Daarbij moet ook bedacht worden dat stikstofgebruik in de landbouw niet alleen tot uitstoot van ammoniak leidt, maar ook van het broeikasgas lachgas en tot verliezen van nitraat naar grond- en oppervlaktewater. En ook die verliezen moeten minder vanwege effecten op het klimaat en de waterkwaliteit. We staan naar mijn vaste mening dan ook op de drempel van een transitie in ons voedselsysteem. Ik begrijp de frustratie van de boeren goed als het gaat om hun gevoel dat zij tegen marginale prijzen voedsel moeten produceren en dat ook nog eens milieuvriendelijk. De kosten van die transitie moeten we niet afwentelen op de boeren, maar we dienen hun meer te betalen voor ons voedsel en hen ook te belonen voor schone lucht, schoon water en behoud van de natuur.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Vries, W. de, 2021, Stikstofmodellen zijn geen boerenbedrog, Reformatorisch Dagblad 51 (96): 34-35 (artikel).

Sint Eustatius wil plasticsoep bestrijden en doet wegwerpplastic in de ban

Plasticsoep is een wereldprobleem. Wie kent de foto niet van de dode albatros, doodgegaan door allemaal doppen van plastic flessen in z’n lijf1 of de schildpad met een plastic rietje door zijn neus2. Voor het eilandbestuur van Sint Eustatius reden om het beleid rond wegwerpplastic aan te pakken. Afgelopen twee jaar is op Sint Eustatius gewerkt aan de goedkeuring van de ‘Afvalverordening voor verbod op plastic materialen en boodschappentassen voor eenmalig gebruik’. Wegwerpplastic wordt in de ban gedaan.3

Het hoofddoel van dit verbod is om de hoeveelheid afval te verminderen én een schonere omgeving te creëren voor inwoners en bezoekers. Het Antilliaans Dagblad meldde vorige week dat bedrijven nog twee maanden de tijd krijgen om hun huidige voorraad wegwerpplastic op te maken, voor plastic tassen geldt zes maanden. ‘Nadat deze periode is verstreken moeten alle resterende verboden items worden vernietigd’. De verordening ging in per 1 april 2021.

Bij plastic producten gaat het dan om: boodschappentassen, rietjes, roerstaafjes, keukengerei, wegwerpborden, wegwerpbekers, wegwerpkommen, wegwerpbestek, wattenstaafjes en ballonconfetti. Ook wegwerpmateriaal van piepschuim wordt verboden. Om dit proces makkelijker te maken worden gratis alternatieven aangeboden aan belanghebbenden. Beleidsadviseur economische ontwikkeling op Sint-Eustatius, Arlene Spanner, gaf aan dat ‘op deze manier (…) belanghebbenden verschillende materialen’ kunnen ‘uitproberen op kwaliteit, duurzaamheid en grootte. Het is een poging om ze te helpen bij het keuzeproces’.

Overigens komt deze verordening niet als donderslag bij heldere hemel. In juli 2019 tekende de eilandbesturen van de BES-eilanden een overeenkomst met de toenmalige Nederlandse staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, Stientje van Veldhoven (D66)4, om het gebruik van wegwerpplastic tegen te gaan. Op Saba is dit verbod al sinds oktober van kracht, op Bonaire wordt hier nog aan gewerkt. Het is een positieve ontwikkeling in de strijd tegen de plasticsoep.5

Voetnoten