Home » Artikelen geplaatst door Willem Ouweneel

Auteursarchief: Willem Ouweneel

Wil de juiste Adam opstaan alsjeblieft? – Dr. Willem Ouweneel over zijn boek ‘Adam, waar ben je?’

Dankbaar mag ik schrijven dat mijn boek over Adam uit is, mét de vraag die God hem ooit stelde: ‘Waar ben je?’ In het Hebreeuws zijn deze drie woorden slechts één woord: ‘ayyeká? In de antieke Griekse en Syrische vertalingen is de eigennaam aan deze vraag toegevoegd: ‘Adam, waar ben je?’ De vraag kan letterlijk opgevat worden: ‘Waar heb je jezelf verborgen?’, maar ook figuurlijk: ‘In welke toestand verkeer je?’ Uiteraard waren de antwoorden op beide vragen al aan God bekend. Maar Hij wilde dat de eerste mens zelf met de antwoorden zou komen.

In de titel van mijn boek heeft Gods vraag zowel een figuurlijke als een uitgebreide betekenis: Adam, waar kunnen we je vandaag vinden? Ben je verdwenen in de ‘bosschages’ van mythe, sage en archetype? Ben je verdwenen in een ‘bosschage’ dat zwaar beïnvloed is door het evolutiedenken, waarin je misschien nog wel ‘historisch’ bent, maar waarin je nauwelijks nog lijkt op het bijbelse plaatje? Of ben je nog steeds waar je duizenden jaren geweest bent: in de feitelijke wereld van de echte geschiedenis? Kunnen wij nog steeds vertrouwen wat Mozes, Jezus en Paulus ons over jou verteld hebben, of moeten we vandaag luisteren naar de stemmen van de ‘moderne wetenschap’ om te begrijpen wat zij bedoelden? Ben jij direct geschapen door God, misschien 6.000-10.000 jaar geleden, of ben je het product van miljoenen jaren evolutie?

Wil de juiste Adam opstaan alsjeblieft? Het is een beetje als het oude tv-spelletje: ‘Wie van de drie?’ Je kunt vandaag inderdaad kiezen uit (minstens) drie Adams:

(A) De Adam van de ‘vrijzinnige’ theologen; dat is de Adam die al vóór de opkomst van het moderne evolutionisme ontworpen werd: de mythische Adam, eventueel afgeleid van de oude Soemerische of Babylonische mythologie.

(B) De Adam van theologen die, als het om de hoofdpunten van het christelijk geloof gaat, ‘orthodox’ zijn, maar als het om Genesis 1-3 (of 1-11) gaat ‘vrijzinnig’. De meest progressieve leden van deze groep geven eigenlijk al helemaal niet meer om een of andere ‘historische’ Adam of een ‘historische’ zondeval. De meest behoudende leden van deze groep willen nog wel graag vasthouden aan een ‘historische’ Adam of ‘historische’ zondeval, alleen lijken die twee bitter weinig op de historische Adam en de historische zondeval zoals we die uit de Bijbel kennen.

(C) De Adam van orthodoxe theologen die niet alleen vasthouden aan de hoofdpunten van het christelijk geloof, maar ook aan de historiciteit van Genesis 1-3 (of 1-11). Dat begrip ‘historisch’ is nog best lastig; daar besteed ik in mijn boek dan ook een heel hoofdstuk aan. Maar het betekent op z’n minst dat men Genesis 1-11 leest ongeveer zoals Jezus en Paulus dat lazen.

Aanhangers van (A) en (B) citeren Paulus vaak uitvoerig en zetten hem daarbij graag weg als ‘kind van zijn tijd’, die wat de oudste geschiedenis betreft ook niet beter wist. En dat geeft niet, redeneert men, want dat raakt verder helemaal niet de kern van het christelijk geloof. Met andere woorden: je kunt best een aanhanger van (B) zijn en toch ‘orthodox’!

Tja, Paulus kun je misschien op zo’n manier wegzetten, maar Jezus (de Logos door wie God alles geschapen heeft!) niet. Jezus plaatste Adam en Eva aan het ‘begin van de schepping’ (Mark. 10:6). Kennelijk was er voor Jezus geen enorme tijdsspanne tussen Genesis 1:1 (het begin van de wereld) en vers 26-28 (de schepping van Adam en Eva). Het ‘begin van de schepping’ viel min of meer samen met het begin van de menselijke geschiedenis; er waren maar vijf dagen tussenin, geen miljarden jaren. Dit is een bekend argument van jonge-aarde-creationisten, en het is moeilijk de kracht ervan over het hoofd te zien. Het enige tegenargument zou zijn dat wij niet te veel in Jezus’ woorden moeten lezen omdat Hij het hier niet heeft over het thema van oorsprongen als zodanig, maar over het thema van huwelijk en echtscheiding. Toch kunnen we ons afvragen of Jezus ooit iets zomaar terloops zei. Zou het niet zo kunnen zijn dat Jezus gewoon dezelfde visie op Genesis 1 hanteerde die Joden en christenen eeuwenlang gehanteerd hebben? Bedenk: de Logos was erbij toen de wereld geschapen werd.

Jezus sprak ook over Satan en zijn rol bij de val van de eerste mensen; Hij zei tegen zijn opponenten: ‘U bent uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten van uw vader doen; die was een mensenmoordenaar van het begin af en staat niet in de waarheid, omdat geen waarheid in hem is. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit het zijne, omdat hij een leugenaar is en de vader ervan’ (Joh. 8:44). Satan wordt een moordenaar en een leugenaar genoemd omdat hij met zijn leugens Adam en Eva de geestelijke dood bezorgde (vgl. Gen. 2:17; 3:4). Let in Johannes 8:44 weer op de uitdrukking ‘het begin’: vanaf het begin van de geschiedenis openbaarde Satan zich als een moordenaar en een leugenaar. Met andere woorden: Adams val vond plaats aan het begin van de menselijke geschiedenis, of zelfs aan het begin van de wereldgeschiedenis. Kennelijk was het voor Jezus vanzelfsprekend; er waren geen miljarden jaren tussen Genesis 1 en Genesis 3 – zelfs niet een paar jaar.

Voor alle duidelijkheid: dit is een theologisch boek, niet een natuurwetenschappelijk boek (al ben ik naast theoloog ook bioloog). Mijn punt is niet zozeer of de algemene evolutietheorie aanvaardbaar is of niet (al heb ik mijn ernstige biologische twijfels op dit punt). Mijn punt is dit: als je de evolutietheorie aanvaardt, kun je dan het orthodoxe christendom overeind houden? Mijn antwoord is nee. In het boek gebruik ik zo’n 350 pagina’s om dit degelijk te onderbouwen. Lees maar na!

Het boek is hier verkrijgbaar via de uitgever Buijten & Schipperheijn, zowel in paperback- als in hardcoverversie.

Eerder verscheen op deze website zijn artikel met als titel ’14 uitdagingen aan hen die geloven dat Adam een geëvolueerde aapmensachtige was’. Dit artikel is hier te lezen. Zijn tweede artikel dat raakvlakken heeft met deze discussie draagt de titel ‘Tien stellingen over schepping, evolutie, Adam en de zondeval’. Dit artikel is hier te lezen.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

14 uitdagingen aan hen die geloven dat Adam een geëvolueerde aapmensachtige was

Veel christenen geloven dat Adam een geëvolueerde aapmensachtige (in vaktaal: hominide) was; oftewel afgekort: AGH (Adam Geëvolueerde Hominide). Ik ben ervan overtuigd dat zulke christenen dan wel met de Bijbel in botsing komen. Ik heb voor hen daarom veertien uitdagingen:

  1. Als God ooit een paar hominiden uitkoos uit een veel grotere populatie om een verbondsrelatie met hen aan te gaan, waarom heeft Hij dat in de Bijbel dan niet gewoon gezegd? Dat was toch niet zo moeilijk uit te leggen? Waarom sprak Hij dan via Genesis alsof Adam en Eva direct door Hem geschapen waren, zonder dat er andere mensen bestonden?
  2. Is het niet volstrekt gekunsteld om aan te nemen dat er ergens in de vermeende menselijke evolutie een punt geweest is waarop God een populatie, of zelfs een enkel mensenpaar, had kunnen verkiezen tot zijn ‘verbondsvolk’ doordat het wezenlijk verschilde van de andere hominiden, en die populatie, of dat mensenpaar, dan ‘Adam en Eva’ te noemen?
  3. Waarom willen AGH’ers zo graag iets doen dat niemand ooit eerder gedaan heeft: de ‘moderne wetenschap’ ‘verzoenen’ met de Bijbel? Voor wie doen ze het? Zeker niet om indruk te maken op gewone evolutionisten; die hebben geen behoefte aan of begrip voor een dergelijke ‘verzoening’, en zouden die alleen maar bespottelijk maken. Vrijzinnige theologen hebben ook geen interesse; die ‘weten’ allang dat Gen. 1-3 puur mythisch is. En behoudende christenen hebben ook geen belangstelling; die lezen Gen. 1-3 gewoon zoals Jezus en Paulus dat deden.
  4. Waarom kunnen we in het licht van de ‘moderne wetenschap’ Genesis 1-3 niet meer lezen zoals vroeger, maar kunnen we wel vasthouden aan de bijbelse wonderen, vooral aan de opstanding van Christus? Die zijn in het licht van diezelfde ‘moderne wetenschap’ toch evenzeer onhoudbaar?
  5. Het gaat in de discussie altijd over Adam en Eva, maar wat weet AGH ons te vertellen over Kaïn en Abel, naar wie ook in het Nieuwe Testament verwezen wordt? Wat blijft er van hen over? En Henoch, ‘de zevende van Adam af’? En Noach? En de zondvloed?
  6. Waarom heeft AGH het altijd over Paulus, die een ‘verouderd wereldbeeld’ zou hebben aangehangen, dat wij niet meer hoeven over te nemen? Waarom heeft AGH het nooit over Jezus, niet precies hetzelfde ‘verouderde wereldbeeld’ aanhing? Wist Hij niet beter? Paste Hij zich alleen maar aan? Maar waarom? Hij kon de mensen toch gewoon vertellen hoe het zat met het wereldbeeld en met Adam en de zondeval?
  7. In de Bijbel is Adam de ‘eerste mens’, Eva kwam uit hem voort, zij waren ‘zeer goed’ geschapen, tot zij in de zonde vielen (van zeer goed tot zeer slecht), waardoor de dood de mensenwereld binnenkwam; alle latere mensen stammen van hen af. Volgens AGH waren Adam en Eva (hoe ook opgevat) niet de eerste mensen, zij kwamen uit een hominide wereld die al vol boosheid zat (moord, diefstal, leugen, promiscuïteit), de menselijke dood bestond allang, hun val (hoe ook opgevat) was geen gebeurtenis maar hoogstens een soort rijpingsproces, en zij waren niet de voorouders van de hele mensheid. Hoe kan AGH nu beweren dat hun theorieën toch rechtdoen aan de Bijbel?
  8. Hoe en wanneer in de vermeende menselijke evolutie veranderden dierlijke hominiden (die ophouden te bestaan als zij sterven) in menselijke hominiden (die eeuwig voortbestaan na hun dood), oftewel hoe veranderden dierlijke hominiden in wezens die existentieel aangelegd zijn op een relatie met het Hogere, dus ten diepste transcendente wezens zijn, personen, beelddragers van God, wezens met geest, ziel en lichaam? Als het antwoord van AGH’ers zou zijn dat dit teruggaat op een wonderbaarlijk ingrijpen van God (wat in evolutionistische ogen een doodzonde is), dan vragen we waarom zij niet gewoon letterlijk in Genesis 1-2 geloven.
  9. Mensen zijn schepsels die bij het sterven óf overgaan in het eeuwige leven, óf in eeuwig oordeel. Dat vooronderstelt een openbaring van God, reeds aan de allereerste mensen, een openbaring die heel wat verder ging dan Gods openbaring in de natuur. Over welke goddelijke openbaring beschikten volgens AGH de eerste hominiden die ‘mensen’ genoemd konden worden, op grond waarvan zij wisten hoe aan het eeuwig oordeel te ontkomen viel? Hoe ‘sprak’ God volgens AGH tot hen?
  10. Adam en Eva werden aangesteld tot heersers over de hele schepping. Als AGH gelijk heeft, hoe ging dat dan in zijn werk? Hoe heersten de eerste mensen, of de tot ‘Adam en Eva’ gebombardeerde hominiden, over de rest van de vermeende toenmalige mensheid?
  11. Als AGH’ers ruimte laten voor een ‘historische zondeval’ in enige vorm, hoe stellen zij zich dan voor hoe God na die val de band met de mens weer aanknoopte? Het gaat niet slechts om de val van die eerste mensen, maar ook om hun herstel. Hoe ging dat in zijn werk? En wat gebeurde er met de mensen in ‘Adams’ tijd die niet gevallen waren? Graag bijbelse antwoorden – geen gefantaseer.
  12. Om welke goddelijke test ging het in de zondeval zoals AGH zich die voorstelt? Het ging toch niet slechts om ‘Adams’ evolutionaire onvolkomenheid? Welk gebod was bij de AGH-zondeval in het geding? Hoe waren die eerste mensen van dat gebod op de hoogte? En welke rol speelde Satan in die zondeval? Welke ‘slang’ was er bij de AEG-zondeval aan de orde? En welke boom? Welke vijgenbladeren? Welke ‘rokken van vellen’? Als dit allemaal figuurlijk moet worden opgevat, hoe kunnen we AGH dan serieus nemen?
  13. Als de wereld, en ook de mensheid, zeer geleidelijk zijn ontstaan (over miljarden jaren), waarom moeten we dan geloven in een plotselinge wederkomst van Christus en een nieuwe wereld? Is het niet logischer aan te nemen wat de ‘moderne wetenschap’ ons over de toekomst van ons zonnestelsel te vertellen heeft?
  14. Als de dood natuurlijkerwijs bij de mens hoort, waarom moest Christus dan sterven om niet alleen de geestelijke, maar ook de lichamelijke dood weg te nemen?

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Slavernij in de Bijbel: een excuus voor het tot slaaf maken van zwarten?

In mijn jonge jaren heb ik in Amerika diverse creationistische conferenties meegemaakt. Daar heb ik prachtige lezingen gehoord, maar ook bijzonder vreemde toespraken. Ik herinner me een medicus die wilde bewijzen dat de zonde gekoppeld was aan een bepaald chromosoom, en omdat Jezus wel een aardse moeder, maar geen aardse vader had, kreeg Hij niet dat zonde-chromosoom mee – vandaar zijn zondeloosheid. Ik (als geneticus) wreef mijn ogen uit over deze nonsens.

Maar een andere toespraak was nog doller. Hier was een spreker die wilde bewijzen dat zwarte mensen inferieure mensen waren – indien zij al ‘mensen’ in bijbelse zin waren – en dat witte mensen zich niet met hen moesten vermengen. Impliciet bood de spreker daarmee een zekere rechtvaardiging van de Amerikaanse slavernij (zij het niet voor de wreedheid ervan). Eerlijk gezegd heeft dat soort toespraken mijn vertrouwen in het klassieke Amerikaanse creationisme destijds behoorlijk aangetast; wat liepen daar voor malloten rond!?

Ik realiseerde me dat die tweede toespraak precies van het soort was waarmee sommige christenen vroeger het tot slaaf maken van zwarte mensen hebben geprobeerd te rechtvaardigen. Daarbij voerde men met name twee ‘bijbelse’ argumenten aan. Het ene argument was dat noch het Oude, noch het Nieuwe Testament ernaar streefde de slavernij als zodanig uit te bannen. Men zag niet in dat dit nog geen rechtvaardiging van de slavernij betekende. Men zag namelijk niet dat God er allereerst op uit is de slaven zélf te veranderen, en ook hun meesters geestelijk te vernieuwen (vgl. Ef. 6:9; Kol. 4:1); dan zou de slavernij als maatschappelijk instituut op de lange duur vanzelf wel verdwijnen. Zo is het in de gekerstende Romeinse wereld inderdaad gegaan.

Het tweede ‘bijbelse’ argument betrof de vervloeking van Kanaän, de zoon van Cham, in Genesis 9:25. De eerste fout die men maakte is dat men die vervloeking stilzwijgend van Kanaän overhevelde op vader Cham, zodat alle Chamieten als vervloekt werden beschouwd. En de tweede fout die men maakte was Cham tot stamvader van met name de zwarte volken te maken. Ergo: de zwarte volken waren door God vervloekt. In allerlei oudere bijbelverklaringen (Matthew Henry, Keil & Delitzsch) wordt deze verklaring als vanzelfsprekend overgenomen, ook al veroordeelden de oudere uitleggers de slavernij wel. Ook in de tijd van de apartheid in Zuid-Afrika was de hier genoemde verklaring van Genesis 9 nog heel gewoon. En een bijbelleraar als Isaäc da Costa zat in zijn jonge jaren ook op deze lijn: in zijn Bezwaren tegen den geest der eeuw (1823) verwierp hij de voorgestelde afschaffing van de slavernij, omdat hij die afschaffing als modernistische nieuwlichterij beschouwde. (Later nam Da Costa overigens een genuanceerder standpunt in.)

Een enorm principieel verschil tussen slavernij zoals die ook onder het volk Israël voorkwam, en de slavernij van zwarten – tot in de negentiende eeuw aan toe – was dat deze laatste racistisch was: zwarten mochten tot slaven gemaakt worden omdat zij vervloekte zwarten waren. In de Bijbel is de slavernij nooit racistisch; een verarmde Israëliet kon zelfs zichzelf als slaaf verkopen (Ex. 21), en krijgsgevangenen (vijanden van Gods volk) konden tot slaaf gemaakt worden (Deut. 21). Maar racistische slavernij – het tot slaaf maken van bepaalde mensen omdat zij bepaalde raciale kenmerken vertoonden – kwam in Israël niet voor. Wél bij de Egyptenaren: de Israëlieten werden tot slaven gemaakt omdat zij Israëlieten waren. Daarom stortte God zijn plagen uit over deze door en door racistische slavernij.

De katholieken én protestanten die, op vaak wrede wijze, in Afrika slaven buitmaakten om die in de Nieuwe Wereld als slaven te verkopen, verdienden diezelfde plagen. Stel je voor: met name de Hollanders waren goed in het transport van zulke slaven: bovendeks deden zij hun Schriftlezingen en zongen zij hun Psalmen, terwijl zij in het ruim van hun schip achthonderd geroofde zwarte gevangenen vervoerden, en dat ook nog eens in de wetenschap dat een kwart van hen onderweg zou bezwijken. Deze praktijk goed te praten met een beroep op de slavernij in de Bijbel getuigde van grote onwetendheid of morbide zelfbedrog.

Er waren enkele predikanten in de Nadere Reformatie die de slavernij veroordeelden; Bernardus Smytegelt († 1739) bijvoorbeeld. Maar er waren er ook die de slavernij goed praatten; Godefridus Udemans († 1649) bijvoorbeeld.1 Ik ken van vóór 1800 geen enkele Nederlandse religieuze stroming die in dit opzicht geheel en al vrijgepleit kan worden. Onze voorouders waren collectief schuldig aan de vreselijke slavernijpraktijken.

Naast het genoemde principiële verschil (racistische en niet-racistische slavernij) waren er ook grote praktische verschillen. In de kerken waar nog elke zondag de Tien Geboden worden voorgelezen, kan men het elke zondag horen. Eerst in het vierde gebod: op de sabbatdag mag niemand werk verrichten, ook je dienstknecht en je dienstmaagd niet. Oftewel: ook je slaaf en je slavin niet (zie hetzelfde woord ‘slaaf/slavin’ in bijv. Gen. 12:16; 20:14; 32:5; 39:17,19). En in het tiende gebod: ‘Je moet niet de dienstknecht of de dienstmaagd van je naaste begeren’. Oftewel: ‘de slaaf of de slavin van je naaste’.

Zolang de Torah bestaat, zal het gezegd blijven worden: gun je slaven hun wekelijkse rust en blijf van de slaven van je naaste af! Het fenomeen ‘slaaf’ bestond nu eenmaal – maar wees dan op z’n minst goed voor je slaaf. Bovendien zegt het achtste gebod: ‘Je moet niet stelen’, en dat gaat óók over het stelen van mensen (Deut. 24:7). Hadden al die witte slavenhandelaars uit vroeger eeuwen dát maar eens bedacht: ‘Hij die een man steelt en hem verkoopt, moet zeker ter dood gebracht worden’ (Ex. 21:16). Laten we het na honderdvijftig jaar maar eens gewoon mogen zeggen: onze voorouders die dik geld verdienden aan de zwarte slavenhandel, hebben – volgens de Wet van Mozes – stuk voor stuk de doodstraf verdiend.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Tien stellingen over schepping, evolutie, Adam en de zondeval

Hier is alvast een voorproefje van mijn boek over de historische Adam en de historische zondeval. Ik heb hier niet de ruimte om de tien stellingen die ik geef, te onderbouwen, dus de lezer hoeft ook niet te proberen ze te weerleggen. Als ik geen argumenten geef, hoef je ook niet met tegenargumenten te komen. Dus bespaar je de moeite; ik zal er niet op ingaan. Neem de stellingen gewoon in je op, proef ze op je tong, en lees het boek.1 Pas daarna mag de discussie wat mij betreft in alle hevigheid losbarsten.

1. Tegenwoordig proberen sommige christenen een middenweg te zoeken tussen orthodoxe theologie en vrijzinnige theologie: ze zijn orthodox als het gaat om de centrale delen van het evangelie, maar liberaal als het gaat om Genesis 1–3. Dat kan nooit goed gaan; uiteindelijk loopt dit hele denken, zoals sinds de Verlichting steeds weer gebeurd is, in voortschrijdende etappes uit op vrijzinnige theologie.

2. Veel mensen willen zorgvuldig onderscheid maken tussen de evolutietheorie, die zij aanvaarden, en de ideologie van het evolutionisme, die zij verwerpen. Ik heb daar wel begrip voor. Formeel zou het zelfs misschien juist kunnen zijn. Maar in de praktijk werkt het volgens mij in het geheel niet: de evolutietheorie blijkt in de praktijk onlosmakelijk verbonden te zijn en te blijven met het evolutionistisch kader waarin zij staat.

3. In het verleden zijn er vele verschillende exegeses van Genesis 1–3 geweest, die toch allemaal opereerden binnen hetzelfde hermeneutische (uitlegkundige) kader, waarin de Schrift steeds principieel werd toegestaan voor zichzelf te spreken. De tegenwoordige tendens om Genesis te ‘verzoenen’ met de ‘moderne wetenschap’ vereist echter een wezenlijk nieuwe hermeneutiek, die fundamenteel onaanvaardbaar is, zowel voor de ‘moderne wetenschappers’ zelf (die de verzoening niet ver genoeg vinden gaan) als voor bijbelgetrouwe christenen (die de verzoening te ver vinden gaan).

4. Als Adam en Eva, net als de zondeval, ‘historisch’ waren, dan waren ze dat noch in de zin van de journalistiek of de geschiedwetenschap, noch in de zin van het biblicistisch literalisme (dat alles overdreven ‘letterlijk’ neemt). Toch waren Adam en Eva wel degelijk het eerste paar mensen in de geschiedenis, rechtstreeks geschapen door God en de voorouders van de hele mensheid. Bovendien was de zondeval wel degelijk een unieke, historische gebeurtenis, die tijdens hun leven plaatsvond. Dit vast te stellen is van wezenlijk belang voor een juist theologisch verstaan van de Bijbel als geheel.

5. Als gevolg van de leer van de menselijke evolutie zijn veel theologen in verwarring gebracht over de bijbelse aard van de schepping, van de mens en van de zonde. Genesis 1 is het hoofdstuk dat fundamentele principes vastlegt over de schepping van het heelal als geheel, en de schepping van de mens in het bijzonder, en bereidt ons zo voor op de zondeval van de eerste mensen (Gen. 3). Zonder bijbelse scheppings-, mens- en zondeleer geen bijbelse verlossingsleer, en zelfs geen bijbelse godsleer.

6. Het geloof in een menselijke evolutie leidt steeds weer tot zowel een ‘vermenselijking’ van dieren als een ‘verdierlijking’ van de mens (om ze maar zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen). Theologische opvattingen omtrent het wezen van de mens die gebaseerd zijn op de idee van de menselijke evolutie, lopen per definitie gevaar de ware visie op de mens, zoals we die in het bijbelse denken aantreffen, te kleineren en te onderschatten. En nogmaals: zonder bijbelse mensleer geen bijbelse verlossingsleer.

7. Hoeveel metaforen en antropomorfismen en andere literaire stijlfiguren men ook in Genesis 2 en 3 wenst te onderscheiden, de boom des levens en de boom van de kennis van goed en kwaad, plus de slang, zijn door en door historisch. Het verstaan van hun ware aard en betekenis is essentieel voor het begrijpen van de geschiedenis van de schepping, de zondeval, de verlossing van de mens en de voleinding van de menselijke geschiedenis, en dus voor het begrijpen van het christendom als zodanig.

8. Om het bijbelse evangelie te verstaan is het wezenlijk in te zien dat de verlossing in en door Christus niet te begrijpen is zonder de zondeval van het eerste mensenpaar; evenzo is deze zondeval niet te begrijpen zonder de voorafgaande fase van het ‘zeer goed’ zijn (Gen. 1:30). De zondeval was echt een val, en niet slechts een soort rijpingsproces van de vroege mens. Verlossing is herstel van de oorspronkelijke staat van de mens (weliswaar op een veel hoger niveau, maar dit verandert niets aan het principe van ‘herstel’).

9. Het bijbelse thema van de ‘erfzonde’ (ook wel ‘oorsprongszonde’ genoemd) vooronderstelt een eerste (‘oorspronkelijk’) mensenpaar, Adam en Eva, die in de zonde vielen (‘oorsprongszonde’) en hun thans zondig geworden natuur doorgaven aan al hun nakomelingen. Het vooronderstelt ook dat er destijds geen andere mensen in de wereld waren, en dat er ook nu geen andere mensen zijn dan zij die van Adam en Eva afstammen.

10. De wijze waarop Jezus en de nieuwtestamentische auteurs (Paulus voorop) Genesis 1–11 opvatten, namelijk als historische gebeurtenissen, is beslissend voor de manier waarop wijzelf deze hoofdstukken behoren te lezen. Paulus is beschouwd als een man uit de oudheid met een verouderd wereldbeeld, die nu eenmaal niet beter wist. Maar dit gaat niet op voor de Zoon van God, die van precies hetzelfde wereldbeeld uitging. Door dit gegeven blijkt het probleem van de historische Adam uiteindelijk zelfs christologische dimensies te hebben. Het bevestigt de stelling dat de historische Adam en de historische zondeval van wezenlijk belang zijn om de kern van het christendom te begrijpen.

Het boek ‘Adam waar ben je?’ van prof. dr. Willem Ouweneel verscheen bij uitgeverij ‘Buijten & Schipperheijn’.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website Christelijk Informatieplatform (CIP). Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten