Home » Artikelen geplaatst door Diederik van Dijk

Auteursarchief: Diederik van Dijk

Bizar: enorme toename abortus, maar D66 wil nóg ruimere wetgeving

Hieronder ziet u de interrupties van mr. Diederik van Dijk naar aanleiding van een speech in de Tweede Kamer door Wieke Paulusma (D66). Het onderlinge korte debat vond plaats tijdens de behandeling van de VWS-begroting op woensdag 24 januari 2024. Met dank aan de SGP dat zij deze video deelden op het YouTube-kanaal.

Een motie van mr. Diederik van Dijk over de onbekendheid van de langetermijneffecten van puberteitsremmers

Bij het twee-minuten-debat van 15 februari 2024 over de transgenderzorg diende Tweede Kamerlid mr. Diederik van Dijk (SGP) mede namens mr. Mirjam Bikker (CU) twee moties in. De moties zijn te lezen via de website van de Tweede Kamer (zie voetnoot). Van Dijk werd daarna bevraagd door twee leden van resp. GL-PvdA en D66. Hieronder is zijn verdediging terug te kijken.

NGK-predikant schrikt van ‘transgender-brochure’ NPV: terecht?

Dit artikel is samen met drs. Elise van Hoek geschreven.

‘NPV laat echte transgenders pastoraal in de kou staan met eenzijdige brochure’, stelde ds. Ernst Leeftink. Namens NPV-Zorg voor het leven reageren we desbevraagd op zijn bevindingen. Leeftink start met de observatie dat grote groepen christenen ‘ongenuanceerd’ elke vorm van transitie afwijzen op basis van twee argumenten. Als eerste de beïnvloeding vanuit woke denken en als tweede de door God gegeven orde van man en vrouw.1

Leeftink parafraseert enkele teksten uit de NPV-brochure waar hij de vinger bij wil leggen.2 Hij wordt ‘erg boos en verdrietig’ omdat de brochure God als Schepper en architect benoemt en vanuit theologisch-ethische argumenten pleit om de weg van transitie niet te gaan. In zijn verweer beroept Leeftink zich op publicaties van Douma die hij ‘volstrekt genegeerd’ vindt in de literatuurlijst aan het einde van de brochure.

De kritiek van ds Leeftink vraagt om een reactie. Inderdaad noemen wij Douma niet, evenmin als het lezenswaardige rapport dat in 1996 uitgebracht werd door het prof. dr. G.A. LindeboomInstituut waaraan Velema, maar ook de huidige ethici Jochemsen en Boer, meewerkten. Tussen de jaren negentig en 2023 liggen impactvolle culturele ontwikkelingen. Bewust kozen wij daarom voor actuele lectuur, waarbij we een zorgvuldige selectie maakten. Voor het denken in het spoor van Douma – en de actualisatie daarvan in de huidige cultuur – zou Leeftink echter het in de literatuurlijst opgenomen boek van James K. Beilby, Paul Rhodes Eddy e.a. kunnen lezen. Laten wij overigens wel heel voorzichtig zijn om precies in te vullen hoe vroegere eminente ethici over ingrijpende ontwikkelingen vandáág zouden spreken.

De NPV heeft een decennialange ervaring met de (voorheen sporadische) problematiek van genderdysforie. De conclusie van ds. Leeftink dat de NPV transitie louter op grond van Gods schepping afwijst, doet geen recht aan het geheel van de aangevoerde argumenten. Hoewel we de Bijbel als fundament van ons denken nemen, zijn er ook medische en sociaal-culturele argumenten die meewegen. De opmerking dat ‘lichamelijkheid daarmee met stip boven de psyche’ wordt gesteld, is onzorgvuldig geconcludeerd. Ook de conclusie dat de NPV hiermee transgenders in de kou laat staan, is onterecht. Wel is het zo dat de brochure niet primair op hulpvragers is gericht, maar ingaat op ontwikkelingen rond sekse en gender in de samenleving en op de relatie tussen cultuur en identiteit. Laat het een bemoediging voor ons allen zijn dat een vrouw die zichzelf non-binair noemt, zei: “Dit is de meest liefdevolle tekst die er op dit moment in Nederland bestaat.”

Is daarmee alles gezegd? Dat denken we niet. Uit de reactie van Leeftink proeven we de vraag naar hoe om te gaan met mensen met genderdysforie, genderincongruentie, genderproblemen of hoe we de actualiteit ook benoemen. Dat appel herkennen en delen we bij de NPV: er is een groot belang bij evenwichtige en actuele woorden en daden. Daarbij is nog genoeg te doen, waaronder ook een academische doordenking vanuit verschillende disciplines om de huidige gendervragen het hoofd te bieden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Voetnoten

Telemedicine: een door Kamerleden gepromoot gevaar

Deze bijdrage is geschreven samen met Chris Develing.

In coronatijd kregen duizenden Britse vrouwen na een telefonisch consult abortuspillen thuisgestuurd. Telemedicine op deze manier is echter zeer riskant en moet in Nederland verboden blijven.

Kamerlid Corinne Ellemeet, (GroenLinks) twitterde met afschuw over de veroordeling van de Britse Carla Foster (44), die een ”doe-het-zelfabortus” onderging met abortuspillen. Wie het artikel bij haar tweet niet leest, zal denken dat de Britse rechter een uitglijder maakte. Het Kamerlid schreef namelijk dat de straf van 28 maanden cel (waarvan veertien maanden voorwaardelijk) volgde nadat de vrouw abortuspillen had genomen voorbij de medische grens van tien weken zwangerschap. In werkelijkheid gaat het om een illegale abortus bij 32 weken zwangerschap.

De Britse vrouw maakte gebruik van ”telemedicine”, dat begin 2020 in Engeland in werking trad vanwege de lockdowns. De patiënt krijgt bij telemedicine geen lichamelijk onderzoek, maar ontvangt dan een consult via een telefoon- of videogesprek. Zo kregen duizenden Britse vrouwen tijdens corona abortuspillen thuisgestuurd, waarna zij een volledige ”doe-het-zelfabortus ondergingen. Carla Foster was een van hen. Tijdens een telefonisch consult met de abortuskliniek zei ze zeven weken zwanger te zijn, waardoor ze de abortuspillen per post mocht ontvangen.

De veroordeling ontmaskert een groot nadeel van telemedicine: zonder echo, die normaliter standaard vóór iedere abortus wordt uitgevoerd, weet een arts niet hoe ver de zwangerschap is. Abortuspillen mogen uiterlijk tot de tiende zwangerschaps week worden gebruikt. Bij Foster ging het mis; ze moest de ambulance bellen. Eenmaal in het ziekenhuis beviel ze van een doodgeboren baby, waarna het ziekenhuispersoneel de politie inlichtte. Die vond later op haar computer zoekopdrachten over het beëindigen van een zwangerschap na 24 weken en het verhullen van een zwangere buik. In de rechtbank verklaarde Foster te worden achtervolgd door spijt en door beelden van het gezichtje van haar dode kind.

Risico’s

Ervaringen met telemedicine, in landen als Ierland en Engeland, geven inzicht in de risico’s ervan. Zo bracht de BBC het verhaal van ”Savannah”, een zestienjarig meisje dat met hevige bloedingen naar de spoedeisende hulp moest. Carla en Savannah zijn geen incidenten. Onderzoek na het opvragen van documenten van abortusklinieken liet zien dat er in 2020 duizenden meisjes en vrouwen naar het ziekenhuis moesten na een legale doe-het-zelfabortus. Toch pleitten abortusklinieken in het Verenigd Koninkrijk (met succes) voor het standaardiseren van telemedische abortusbehandelingen, zoals de bedenkers bij het Nederlandse ”Women on Waves” de behandelvorm noemen.

Vrijwillig?

Een ander gevaar van telemedicine is dat de abortusarts nauwelijks kan inschatten of de abortuskeuze vrijwillig wordt gemaakt. Bij een consult op afstand weet je immers nooit of een dwingende partner of vader naast de zwangere vrouw zit om het gesprek te sturen. Kevin Duffy was zelf ooit directeur van een Britse abortuskliniek. Tegenwoordig is hij actief tegenstander van abortus. Zijn vrijwilligers deden zich voor als patiënten, waarna zij de pillen thuis ontvingen, ondanks het liegen over hun naam, hun geboortedatum en de zwangerschapsduur.

Kamerlid Ellemeet, voorstander van telemedicine, schonk in haar reactie geen aandacht aan de gevaren voor vrouwen of de (vermoedelijk pijnlijke) dood van het kind. Abortusactivisten wijzen er vaak op dat de meerderheid van de neurowetenschappers stelt dat foetussen pijn kunnen ervaren na 24 weken zwangerschap. Toch had Ellemeet alleen oog voor de „genadeloos harde” straf die Foster was opgelegd. Daarna gebruikte ze die voor haar campagne om artikel 296 uit het Wetboek van Strafrecht te halen. (Dit bepaalt dat wie een abortus uitvoert strafbaar is, tenzij de abortus plaatsvindt in een speciale kliniek of een ziekenhuis, onder de voorwaarden uit de Wet afbreking zwangerschap.) Foster werd namelijk op grond van een vergelijkbaar wetsartikel veroordeeld. Hoe is deze opstelling mogelijk terwijl iedereen kan lezen dat het omgebrachte kind ver voorbij de 24-wekengrens was?

Deze onbewogen reactie op de dood van een levensvatbaar en gezond kind bevestigt wat volgers van het abortusdebat steeds vaker opvalt: voor veel feministen betekent ”baas in eigen buik” niet dat de vrouw ná 24 weken zwangerschap opeens haar zelfbeschikkingsrecht inlevert. Op zulke momenten mis je de rechts-liberale voorstanders van abortusrechten, die doorgaans niet zo’n extreme toegang tot abortus eisen.

Schuldvraag

Abortusactivisten probeerden telemedicine ook in Nederland erdoor te krijgen. Bureau Clara Wichmann, gesteund door Liliane Ploumen en Women on Waves, sleepte de Staat zelfs voor de rechter. De eis werd op 10 april 2020 afgewezen omdat Nederlandse abortusklinieken tegen waren. Het vonnis bevatte zowaar een interessante waarschuwing van de Stichting Samenwerkende Abortusklinieken Nederland (StiSAN) en het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA). Zij vreesden exact wat later in Engeland zou gebeuren met duizenden meisjes en vrouwen: abortuspillen verstrekken na tien weken zwangerschap kan verstrekkende medische gevolgen hebben voor een cliënt, waaronder ziekenhuisopname.

Des te vreemder is het dat voorstanders van telemedicine nu de schuld leggen bij de strafbaarheid van abortus na 24 weken. Het hele incident is intens verdrietig en kent alleen maar verliezers. Maar niemand kan eromheen dat Carla Foster voorlopig niet in staat is om voor haar levende kinderen te zorgen vanwege de desastreuze beslissing om telemedicine legaal te maken.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Dijk, D.J.H. van, Develing, C., 2023, Telemedicine: een door Kamerleden gepromoot gevaar, Reformatorisch Dagblad 53 (63): 33-33 (artikel).

Waarom géén abortus en wel de doodstraf – Opnieuw een verdediging van mr. Diederik van Dijk

Al enige tijd geleden deelden we een video waarin mr. Diederik van Dijk (SGP) in de Eerste Kamer een vraag beantwoordt over de doodstraf in relatie tot het afwijzen van abortus.1 Onlangs reageerde PvdA-Kamerlid mr. Jeroen Recourt op een bijdrage van mr. Diederik van Dijk. In zijn reactie ging het opnieuw om de doodstraf in relatie tot het afwijzen van abortus. Met dank aan de SGP kunnen we deze video hieronder delen.

Voetnoten

Abortus gaat over ongeboren leven en hoort daarom echt in het strafrecht

Vrouwen die abortus willen zijn er niet bij gebaat om abortus uit het strafrecht te halen. Abortus kan, ook met artikel 296, betoogt Diederik van Dijk.

BNN/VARA en het Humanistisch Verbond hebben de handen ineen geslagen om abortus via een burgerinitiatief uit het Wetboek van Strafrecht (WvSr) te krijgen. Onverstandig, juist omdat abortus niet zomaar iets is. Nu staat in artikel 296 WvSr dat het beëindigen van een zwangerschap strafbaar is, tenzij dit gebeurt door een arts in een ziekenhuis of kliniek met een vergunning. Het burgerinitiatief heeft inmiddels voldoende handtekeningen om parlementaire behandeling af te dwingen. De grootste klacht luidt dat abortus gezondheidszorg is en geen criminele daad. Toch zag de wetgever ooit reden om abortus in het strafrecht te houden. Geldt dit niet meer?

Door abortus geheel te scharen onder de gezondheidszorg vergeet men wat abortus zo anders maakt dan de reguliere geneeskunde. Binnen de geneeskunde draait het voornamelijk om het beter maken van mensen of leed te verzachten. De aard van een levensbeëindigende behandeling valt buiten de sfeer van ‘normaal medisch handelen’. Daarom zijn euthanasie en abortus niet onderhevig aan de civielrechtelijke regels van de geneeskundige behandelovereenkomst maar vallen ze onder de Wet toetsing levensbeëindiging (Wtl) en de Wet afbreking zwangerschap (Wafz). En in die laatste wet wordt niet in dezelfde bedekte termen over leven gesproken zoals de pro-abortusbeweging geregeld doet, bijvoorbeeld over ‘klompje cellen’ of ‘zwangerschapsproduct’. De wetgever spreekt bewust over ‘ongeboren leven’.

Beschermen

Bij invoering van de Wafz besloot de wetgever tot behoud van artikel 296 om vrouwen te blijven beschermen tegen illegale abortussen uitgevoerd door artsen of niet-artsen, aldus de memorie van toelichting. Onbedoeld helpt het schrappen van artikel 296 zwangere vrouwen dus allerminst. Wie baat hebben bij afschaffing zijn kwaadwillende of kwakzalvende individuen en artsen die bij het uitoefenen van hun beroep last hebben van de druk die dit wetsartikel op hen legt. Daarnaast zegt de memorie van toelichting dat de wetgever met het behoud van artikel 296 onderstreept welke waarde hij toekent aan de bescherming van ongeboren leven.

Wie artikel 296 wil schrappen moet dus twee dingen bewijzen: dat het leven van vrouwen zonder de bescherming van deze wet niet slechter wordt én dat ongeboren leven niet bestaat of geen bescherming verdient. Niets daarvan is terug te vinden in het burgerinitiatief. Men spreekt over de betuttelende werking van het idee dat abortus strafbaar is. Dat terwijl artikel 296 niet gaat over de strafbaarheid van vrouwen. Ook dát blijkt uit de overwegingen van de wetgever, die stelt dat ‘het wetsontwerp een einde maakt aan de strafbaarstelling van de vrouw’.

Niet alleen zorg

Natuurlijk is abortus tot op zekere hoogte gezondheidszorg. Er komen medische instrumenten bij kijken, gehanteerd door bevoegde artsen. Maar als daarmee alles is gezegd, is euthanasie ook gezondheidszorg. Dat is evengoed een medisch proces, maar daarmee is het nog niet volledig te vatten binnen de kaders van de gezondheidszorg.

Door te doen alsof abortus geen morele implicaties met zich brengt, sluiten voorstanders hun ogen voor de werkelijkheid. Iedereen snapt dat abortus een ingrijpende keuze is die de vrouw maakt over haar toekomst, die van de verwekker en van het kind dat z’n toekomst verliest.

Voorstanders van abortusrechten moeten toch erkennen dat artikel 296 geen wezenlijke belemmering opwerpt voor de toegang tot abortus? Hopelijk mengen kritische voorstanders van abortusrechten zich in deze discussie. Wie beseft wat bij een abortus op het spel staat, denkt niet licht over de rol van het strafrecht. Wie erkent dat bij abortus een mens-in-ontwikkeling wordt gedood, beseft dat abortus haar plek in het strafrecht moet behouden. Vrouwen én ongeboren kinderen verdienen dat.

Dit opiniestuk verscheen in het dagblad Trouw en is met toestemming van de auteur hier overgenomen. Het originele artikel is hier te vinden.

Van Dijk over de abortuspil bij de huisarts – Zijn bijdrage in de Eerste Kamer

Op dinsdag 29 november 2022 debatteerde de Eerste Kamer over het initiatiefwetsvoorstel van Tweede Kamerleden Ellemeet (GroenLinks), Kuiken (PvdA), Paternotte (D66) en Van Wijngaarden (VVD) om de abortuspil via de huisarts te kunnen verstrekken. Lees hier de bijdrage van Diederik van Dijk.

Niet zolang geleden bespraken we in deze Kamer de afschaffing van de vaste beraadtermijn voor abortus. Ik heb toen vrij uitvoerig de visie van de SGP op abortus uiteengezet en ik ga dit niet volledig herhalen. Vrouwen die onbedoeld zwanger zijn, moeten kunnen rekenen op de allerbeste hulp en ondersteuning.

Het stoppen van een kloppend hart, het doden van een ongeboren kindje, is echter geen oplossing die past in een beschaafd land. Dat dit in Nederland 31.000 keer per jaar plaatsvindt en is toegestaan tot 24 weken zwangerschap is onvoorstelbaar. Uit onderzoek blijkt dat een flink percentage Nederlanders ook moeite heeft met deze ruime abortusgrens.

Een abortus heeft impact. Op de moeder, maar niet minder op het prille leven dat wordt beëindigd. Om die reden stellen we op grond van onze wetgeving dat het bij abortus moet gaan om een noodsituatie. Een abortus is een uiterste noodgreep. Dat moet ook zichtbaar zijn in de inrichting van de abortuszorg. Hoe je ook denkt over abortus, we spreken niet over een normale medische handeling. Er wordt menselijk leven gedood. Helaas is abortus steeds meer neergezet als een verantwoorde en denkbare optie als je onbedoeld zwanger bent.

In dit voorstel wordt de kring van zorgverleners die medicamenteuze zwangerschapsafbrekingen mogen verrichten ruimer getrokken. Ook de huisarts moet hieronder vallen. De toegankelijkheid van abortus wordt vergroot en abortus nog verder genormaliseerd. Er ontstaat onterecht het beeld dat abortus behoort tot reguliere zorg.

De SGP vindt dit pijnlijk. Naar de huisarts gaat een moeder om een geneesmiddel te krijgen voor haar zieke kind, niet om een pil te halen om het leven in haar buik te doden. Een abortuspil is geen medicijn, omdat een zwangerschap geen ziekte is.

Waar de abortuswet nog een balans zoekt tussen de positie van de vrouw enerzijds en het ongeboren kind anderzijds, legt dit wetsvoorstel eenzijdig de nadruk op het belang van de vrouw.

Voor de goede orde: Een abortuspil mag worden verstrekt tot negen weken zwangerschap. Het hartje begint te kloppen vanaf ongeveer vijf weken.

Tegelijkertijd bevreemdt het mij oprecht dat voorstanders van abortus dit wetsvoorstel zo breed lijken te omarmen. De toegang tot abortus is in ons land op dit moment toegankelijk en veilig geregeld. Biedt dit wetsvoorstel werkelijk de garantie dat de abortuszorg voor vrouwen beter wordt dan dat die nu is?

Of wordt er niet geredeneerd vanuit de belangen van vrouwen, maar slechts vanuit het dogma van de zelfbeschikking en abortus als volstrekt vrije keus? Het zou toch wel wrang zijn als dit wetsvoorstel zozeer wordt gedreven door de wens om abortus toegankelijker te maken dat de zorg voor vrouwen die dit betreft ondersneeuwt. Dat vrijheid uiteindelijk ten koste gaat van kwaliteit van zorg.

Ik begrijp goed dat verschillende abortusklinieken vrezen voor hun verdienmodel en daarom met gefronste wenkbrauwen kijken naar dit wetsvoorstel. Maar hun bezwaren raken wel een inhoudelijk punt: Het verstrekken van de abortuspil is geen kleinigheid. Dergelijke specialistische zorg ligt nu immers niet voor niets bij bevoegde en vergunningplichtige zorgverleners.

Het is daarom vreemd dat de initiatiefnemers menen dat het om een eenvoudige ingreep gaat. Natuurlijk is het innemen van een pil onder toeziend oog van een arts of verpleegkundige niet moeilijk. Ook de verdere behandeling thuis is technisch niet ingewikkeld. Maar we moeten niet doen alsof het om een paracetamol gaat.

FIOM zegt op hun website: “Het is fijn als je niet alleen bent als je de abortuspil inbrengt, zodat er iemand bij je is die je in de gaten kan houden en zo nodig hulp voor je kan regelen.” Dat impliceert dat er complicaties kunnen optreden. De abortuspil wekt een miskraam op. Tot negen weken mag het kloppende hartje worden gestopt zodat het kindje levenloos geboren wordt.

Sprekend over de kwaliteit van de abortuszorg: Naar alle waarschijnlijkheid zal de gemiddelde huisarts slechts enkele malen per jaar betrokken zijn bij de verstrekking van de abortuspil. Dat betekent dat niet vast staat dat huisartsen gegarandeerd voldoende ervaring opbouwen waarmee een medisch-technische kwaliteit van zorg gegarandeerd blijft. Ook hier de vraag of we wel zeker weten dat vrouwen gediend worden met dit wetsvoorstel.

Bovendien kan de SGP nog steeds niet goed inzien waarom de vertrouwde huisarts niet langdurig betrokken kan zijn in de begeleiding en nazorg van de vrouw, zónder dat die huisarts zelf de abortuspil voorschrijft. In de memorie van toelichting geven de initiatiefnemers zelf ook aan dat huisartsen al intensief betrokken zijn bij de opvang en nazorg van vrouwen die de abortuspil verstrekt krijgen via abortusklinieken of gynaecologen. De praktijk van nazorg en verdere zorg rondom anticonceptie door de huisarts bestaat dus al. Wat is hier de winst van het wetsvoorstel?

Ik hoor de initiatiefnemers al reageren: “De winst ligt in het vergroten van de toegankelijkheid van de abortuszorg en de mogelijkheid dat deze zorg in de vertrouwde omgeving van de eigen huisarts verleend wordt.” Maar rekenen de initiatiefnemers zich dan niet té snel té rijk?

Het gaat in deze Kamer te weinig over de huisarts. Zij zijn de bodem, het fundament, de pijlers van ons gezondheidszorgsysteem. Afgelopen zomer stonden ze op het Malieveld om te protesteren tegen de gigantische werkdruk. Het integraal zorgakkoord is door hen niet getekend. De Groene Amsterdammer bracht in kaart dat binnen zes jaar ongeveer een op de drie huisartsen met pensioen gaan. Een opvolger staat lang niet altijd klaar. Het Nivel meldde dat in 2019 maar liefst 64 procent van de huisartsen de noodzakelijke werkzaamheden niet afkrijgt.

Kortom, is die vertrouwdheid van de eigen huisarts niet een fabeltje? Een mythe van de randstad? Een fenomeen dat we binnenkort alleen nog maar in het Openluchtmuseum tegenkomen? Die gezellige dorpsdokter van vroeger?

Moeten we het niet éérst gaan hebben over het op orde brengen van de huisartsenzorg als zodanig voordat we het gaan hebben over het verplaatsen van nóg meer zorg naar de huisarts? Want anders zal de betonrot van de werkdruk, schaarse zorgcapaciteit en administratieve lasten definitief ook deze pijler doorknagen. Moeten we niet eerst met elkaar zorgen dat die huisarts zelf toegankelijk blijft, alvorens we het systeem van de Nederlandse abortuszorg openbreken?

Zoals we dat in goed Engels zeggen: Don’t fix what ain’t broken. Oftewel, niet iets repareren wat niet kapot is. Het huidige systeem zorgt voor duidelijkheid en eenheid van zorg. De initiatiefnemers geven aan dat het de huisarts vrij staat om de abortuspil al dan niet aan te bieden. Intussen heb ik van diverse huisartsen begrepen dat zij al e-consulten of mailtjes kregen van vrouwen of ze niet even de abortuspil willen voorschrijven.

Hoe vrijblijvend is het als de algemene indruk is: de abortuspil is bij de huisarts verkrijgbaar? En zijn daarmee die huisartsen die extra behandeling niet ook nog op hun bordje willen, niet alsnog tijd en energie kwijt aan het afwijzen of doorverwijzen van deze patiënten?

Los van de ideologische kant van dit wetsvoorstel is het voor de SGP een oprechte vraag of met dit wetsvoorstel de vrouw die onbedoeld zwanger is, wel geholpen wordt. Zijn de vermeende voordelen zo groot dat ze opwegen tegen de reële nadelen van dit wetsvoorstel? Willen we echt de huisarts wéér iets op hun bordje schuiven terwijl diezelfde huisarts afgelopen zomer op het Malieveld stond vanwege een overvol bord?

Is het een goed idee om ter wille van keuzevrijheid en zelfbeschikking meer risico’s de abortuszorg binnen te laten? Want met dit wetsvoorstel wordt de abortuszorg gefragmenteerd met alle risico’s van dien. Willen we de duidelijkheid van het huidige systeem opofferen aan de mythe van de eigen huisarts zonder dat de huisartsen zelf hier voldoende in erkend zijn en zonder dat duidelijk is dat dit de kwaliteit van zorg voor de vrouw ten goede komt?

En over die fragmentatie: De abortuspraktijk wordt altijd secuur gemonitord. Maar hoe vindt precies de registratie plaats van het aantal door de huisarts verstrekte abortuspillen, en daarmee het aantal gepleegde abortussen langs deze route? Blijven we goed zicht houden op het aantal abortussen? Ik zie uit naar de reactie van de indieners.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van de website van de Staatkundige Gereformeerde Partij (SGP). Het originele artikel is hier te vinden.

Links-liberale hoek wil discussie over transgenderwet de kop indrukken – Bijdrage van mr. Diederik van Dijk n.a.v. antidiscriminatiewetgeving

Op 13 september 2022 was er in de Eerste Kamer een debat over de antidiscriminatiewetgeving met de parlementaire onderzoekscommissie. Mr. Diederik van Dijk (SGP) besprak de politieke rel rondom de transgenderwet. Arda Gerkens (SP) en dr. Mei Li Vos (PvdA) reageerden op het korte betoog.

Géén productie van menselijk leven voor onderzoek

Deze gastbijdrage is geschreven samen met Eline Gorter-van Huizen (MSc.). Eline was onlangs ook te gast bij Family7 om over dit onderwerp te spreken (zie hier). Het samen geschreven artikel is een vervolg op een eerder artikel en een bijdrage aan de discussie met het Wetenschappelijke Instituut van het CDA (zie hier de bijdrage van het WI CDA in de discussie).

Het voorkomen van lijden is legitiem, maar niet als ander menselijk leven daarvoor wordt opgeofferd. Laat ook voor het CDA de beschermwaardigheid van embryo’s vooropstaan.

Dijkman en Poortman, beiden werkzaam voor het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA (WI), betogen dat het geoorloofd kan zijn om embryo’s te benutten voor onderzoek om erfelijke ziekten en lijden te voorkomen (Reformatorisch Dagblad 30-7). Na dit onderzoek worden de desbetreffende embryo’s vernietigd. De auteurs vinden dit onderzoek zo belangrijk dat dit zwaarder weegt dan de beschermwaardigheid van embryo’s. Vanuit het oogpunt van barmhartigheid mogen we in hun ogen leven (embryo’s) creëren en gebruiken om lijden te voorkomen. Hier kiest de NPV een andere weg. Het voorkomen van lijden is legitiem, maar niet als ander menselijk leven daarvoor wordt opgeofferd.

De beschermwaardigheid van embryo’s moet vooropstaan. De menselijke waardigheid dient het uitgangspunt te zijn van alle manieren van omgaan met menselijke wezens, ongeacht hun ontwikkelingsstadium en vermogens. Dat betekent dat ook een embryo om bescherming vraagt. Een embryo is een wezen dat waarde heeft in zichzelf. Het heeft een doelgerichtheid om tot ontwikkeling te komen. Uit één bevruchte eicel groeit onder de juiste omstandigheden een compleet uniek mens.

Testmateriaal

Hoewel de wens al jarenlang bestaat, is het tot nu toe verboden om embryo’s te kweken voor onderzoek. Wat ons betreft terecht. Dat het CDA aan dit verbod morrelt, impliceert het oversteken van een principiële grens: er ontstaat productie van menselijk leven voor louter wetenschappelijke doeleinden. We introduceren zo een nieuwe categorie van menselijk leven: menselijk leven dat vanaf het eerste moment is bestemd om zuiver instrumenteel, als testmateriaal, gebruikt te worden.

Wanneer een wetenschapper boven dit embryo gaat staan en het naar eigen oordeel en inzicht gaat gebruiken om kennis te produceren, instrumentaliseert hij of zij het embryo. Er is dan sprake van ”verdingelijking”. Onzes inziens is dat een fundamentele schending van de menselijke waardigheid. Een afweging over één embryo verschilt dan principieel niet van afwegingen over vele embryo’s; de gevolgen zijn echter wel veel groter bij grote aantallen embryo’s.

De NPV acht het overigens een illusie dat het mogelijk is om embryo-onderzoek kleinschalig te houden. Om over een nieuwe techniek als het veranderen van DNA in embryo’s genoeg kennis te verkrijgen, is veel onderzoek nodig. Daarmee zullen ook veel embryo’s worden vernietigd. En als je embryokweek toestaat voor één (nobel) doel, waarom dan niet voor andere doelen? Waar de één ziekten wil bestrijden, wil een ander vruchtbaarheidsbehandelingen verbeteren.

Schaduwzijden

De CDA-auteurs maken een vergelijking met huidige vruchtbaarheidstrajecten waarbij ivf wordt toegepast. Die vergelijking gaat niet zomaar op. Leidend is daar de totstandkoming van een zwangerschap, waarbij de man en vrouw die hun ei- of zaadcellen beschikbaar stellen een diepgewortelde wens hebben om vader of moeder te worden. Het is een feit dat de praktijk van ivf grote schaduwzijden kent, waaronder onderzoek met restembryo’s. De NPV is geen voorstander van ivf-trajecten als daarbij restembryo’s ontstaan. Het doel heiligt niet ieder middel. Het bewust creëren van nieuw leven dat vervolgens door eigen handelen weer tenietgaat, wijst de NPV zowel bij ivf als bij onderzoek af.

In hun bijdrage beklemtonen de auteurs van het CDA dat zij niet willen uitgaan van een zogeheten ”toenemende beschermwaardigheid” van leven. Zij verdedigen de idee van ”fundamentele beschermwaardigheid” van leven. Nu heeft het geen zin om aan een woordenspel te doen. Feit is dat het WI ruimte ziet om het vroegste begin van het menselijk leven moreel anders te waarderen dan het leven in een verder gevorderd stadium. Bewust wordt dit gemarkeerd met de term ”pre-embryo”. Mede in dit licht concluderen de auteurs dat het voorkómen van menselijk lijden in bepaalde gevallen zwaarder weegt dan de beschermwaardigheid van het embryo. Zo wordt de weg gebaand voor het creëren van embryo’s voor onderzoek om ziekten te voorkomen.

De auteurs bepleiten terecht een zeer zorgvuldig proces. Maar dat is geen garantie voor een moreel verantwoorde uitkomst, zoals blijkt uit het ”zorgvuldige proces” bij euthanasie, waarbij steeds meer groepen mensen voor actieve levensbeëindiging in aanmerking komen. Tot nu toe wilde het CDA het creëren van embryo’s voor onderzoek niet toestaan, tot ergernis van de liberale partijen. Verlaat de partij deze koers, dan is dit bepaald geen winst voor het prille leven. Laat ook voor het CDA de beschermwaardigheid van embryo’s vooropstaan!

Offer embryo’s niet op voor onderzoek naar wijzigen DNA

Deze gastbijdrage is geschreven samen met Eline Gorter-van Huizen (MSc.). Eline was onlangs ook te gast bij Family7 om over dit onderwerp te spreken (zie hier).

Embryo’s gebruiken voor onderzoek om de techniek van kiembaanmodificatie te verbeteren, is vooral het najagen van een onzekere droom, waarbij met zekerheid veel pril leven wordt opgeofferd. Een weg die we niet moeten inslaan.

Het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA (WI) ziet ruimte om embryo’s te kweken voor onderzoek naar het aanpassen van DNA om erfelijke ziekten te voorkomen. Volgens het WI is dit onderzoek zo belangrijk dat het zwaarder weegt dan de beschermwaardigheid van embryo’s. De NPV deelt deze gedachtegang niet. De beschermwaardigheid van embryo’s moet vooropstaan. Ook het aanpassen van DNA in embryo’s is een ingrijpende stap, die beter doordacht moet worden.

Het WI stelt in een recent rapport dat embryo’s geen absolute beschermwaardigheid hebben: soms mogen andere belangen zwaarder wegen dan de beschermwaardigheid. Volgens het WI is het voorkomen van ernstige erfelijke ziekten door kiembaanmodificatie zo’n belangrijk doel. Bij kiembaanmodificatie wordt een embryo gecreëerd in een ivf-behandeling en wordt het DNA aangepast om een erfelijke ziekte te voorkomen. Deze techniek is nog niet veilig en effectief genoeg. Om de techniek verder te ontwikkelen, is onderzoek nodig met speciaal gekweekte embryo’s. Het speciaal kweken van embryo’s voor onderzoek is nu niet toegestaan in Nederland. Eerder lieten D66 en VVD al weten dat zij dit willen veranderen. Nu ziet ook het CDA mogelijkheden hiervoor.

Respect

De NPV heeft fundamentele bezwaren tegen de weg die het WI inslaat. Het WI stelt niet te willen meegaan in het idee dat de beschermwaardigheid van embryo’s toeneemt naarmate ze zich ontwikkelen (toenemende beschermwaardigheid). Tegelijk ziet het ruimte om het vroegste begin van het menselijk leven moreel anders te waarderen dan het leven in een verder gevorderd stadium. Dat is wel degelijk een denktrant van toenemende beschermwaardigheid. Uit het rapport kan worden afgeleid dat het voorkómen van menselijk lijden voor het WI het belangrijkste uitgangspunt is in deze context, in plaats van de beschermwaardigheid van het embryo.

De NPV erkent dat menselijk lijden vreselijk kan zijn. Daartegenover staat dat een embryo het prille begin is van menselijk leven; dat is wetenschappelijk onomstreden. Wij geloven dat God de Schepper is van elk mensenleven en vanaf het begin bij dit leven is betrokken, ook al is het zo klein als een embryo. Uit één bevruchte eicel groeit onder de goede omstandigheden een compleet mensje. Daarom moeten we met het grootste respect omgaan met embryo’s. We mogen embryo’s nooit gebruiken voor onderzoek en vervolgens vernietigen. Het is extra problematisch om embryo’s te creëren als ware het in een fabriek, los van de context van een zwangerschap. We gebruiken embryo’s dan alsof het geen menselijk leven is, maar materiaal.

Illusie

Om aan de beschermwaardigheid van embryo’s recht te doen, wil het WI „strikte voorwaarden” aan het onderzoek stellen. Maar vervolgens blijft het rapport vrij vaag over die voorwaarden. Zo schrijft de auteur dat „redelijke grenzen” gesteld moeten worden aan hoe lang een embryo in een laboratorium mag worden opgekweekt. Nu al speelt in de politiek de discussie om de 14 dagen die embryo’s in het lab mogen worden gekweekt te verruimen naar 28 dagen. De lezer tast in het duister hoe het WI in deze discussie staat.

Verder hangt het standpunt of embryo-onderzoek voor een specifieke technologie gerechtvaardigd is voor het WI af van de belofte en potentie van die techniek. Een eerste kanttekening daarbij is dat die potentie moeilijk in te schatten is. Wetenschappers en samenleving zijn vaak geneigd om mogelijkheden uit te vergroten. Daarnaast zullen veelbelovende technieken zich blijven aandienen; zo zal de praktijk van embryo-onderzoek ook uitdijen. Het is een illusie dat het mogelijk is om embryo-onderzoek beperkt te houden als je eenmaal de deur openzet naar het kweken van embryo’s voor onderzoek.

Risico’s

Het WI beschouwt kiembaanmodificatie als een veelbelovende techniek, maar wil het pas toestaan als „onderzoek heeft aangetoond dat de methode veilig is voor de persoon en het nageslacht.” De realiteit is dat het onmogelijk is om dit met embryo-onderzoek in het laboratorium aan te tonen. Op een gegeven moment zullen de eerste kinderen met aangepast DNA geboren moeten worden. Pas als zij decennialang gevolgd zijn en zelf weer nageslacht krijgen, weten we meer over de veiligheid op langere termijn. Dan zijn echter verschillende generaties blootgesteld aan onbekende risico’s. Dat geldt eens te meer omdat kiembaanmodificatie alleen in combinatie met ivf gedaan kan worden. De oudste mensen die door ivf zijn ontstaan, zijn nu nog geen 45 jaar. Er zijn aanwijzingen dat zij een hoger risico hebben op ouderdomsziekten, maar de tijd moet leren of dat werkelijk zo is. Het is een stap in het duister wanneer je ivf combineert met DNA-aanpassingen. We stellen ons nageslacht daarmee bloot aan grote risico’s.

Embryo’s gebruiken voor onderzoek om de techniek van kiembaanmodificatie te verbeteren, is vooral het najagen van een onzekere droom, waarbij met zekerheid veel pril leven wordt opgeofferd. Een weg die we niet moeten inslaan.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Dijk, D.J.H. van, Gorter-van Huizen, E., 2022, Offer embryo’s niet op voor onderzoek naar wijzigen DNA, Reformatorisch Dagblad 52 (86): 24-25 (artikel).

Drs. P.H.J. (Pieter Jan) Dijkman en drs. A. (André) Poortman reageerden in het Reformatorisch Dagblad van 30 juli 2022 op het bovenstaande artikel.