Home » Artikelen geplaatst door Benno Zuiddam

Auteursarchief: Benno Zuiddam

Dierenleed in katholiek perspectief – Reactie van dr. Benno Zuiddam op ‘Teeth and Talons’

Mijn eerste reactie: ik ben het eens met hoofdthesis. De overtuiging dat dierenleed “is incompatible with the belief in a benevolent God who takes care of all living beings”, wordt pas vooral een overtuiging en argument tegen God wordt na de komst van de evolutietheorie.1 Bij Darwin ging een wissel om, maar de trein komt pas later op het station. De auteur constateert terecht dat het vooral vanaf 1920 is dat het een probleem raakt. Feitelijk stamt het probleem als argument dus uit die latere tijd. Dit is niet toevallig. In de twintigste eeuw dacht men uiteindelijk de motor voor de evolutie ontdekt te hebben die bij Darwin nog ontbrak, het mechanisme waardoor het construct ook daadwerkelijk kon plaatsvinden, in de vorm van de erfelijkheidswetten van Mendel. Vanaf dat moment, en in het filosofisch klimaat van die tijd, vielen alle oude weerhouders van de fysicotheologie uit de tijd van Newton en Boyle. Er was geen Ontwerper meer nodig, maar de materie ontwierp zichzelf, als product van tijd en toeval. Richard Dawkins legt het allemaal mooi uit in zijn Blind Watchmaker.

In het klimaat van oprukkend existentialisme en democratisering en daarmee samenhangende individualisering, kwam ook de vraag die het gebrek aan ontwerp en de daarmee samenhangende verantwoordelijkheid ten diepste wilde omzeilen, of vaststellen dat deze verantwoordelijkheid er niet meer was: Hoe kan God, als hij al zou bestaan, goed zijn als hij een schepping heeft gemaakt die dierenleed insloot?

Die vraag was op zich al eerder gesteld. De Griekse filosofie probeerde al duizenden jaren geleden verklaringen te geven voor de om ons heen bestaande situatie. Niet alleen van dierenleed, maar van kwaad en sterfelijkheid. Plato kerkerde de ziel, en de gnostiek beschouwde het aardse als een lagere materiële werkelijkheid. Net als stromingen in het Hindoeïsme. Het gaat erom om geestelijk hogerop te komen en uiteindelijk ook letterlijk, want hier beneden is het niet. Dat geeft aan dat er een breed draagvlak onder de religieuze en wijsgerige mens geweest is om de aarde als een aangetaste of dan toch onwenselijke sfeer te zien. Waar het onrecht en de dood heerste en de leugen triomfeerde. Het verhaal van de kleipot van Pandorra spreekt boekdelen. De enige godheid bij de Grieken die enigszins onbaatzuchtig de belangen van de arme mensheid op het oog had was Prometheus, waarbij Zeus de carnivoriteit van een roofvogel inzet om dagelijks diens lever te eten terwijl Prometheus vastgeketend is aan een rots. De carnivoor als oordeel van de goden.

Zo komen we het in de heilige boeken van het Oude en Nieuwe Testament ook tegen. Samen met andere concepten die we in onze tijd verloren lijken te hebben. Mensen en dieren niet als losstaande individuen en wezens, maar deel van een samenhang die weer in relatie staat tot de Schepper God. Daarom spreekt de Schrift van zowel berit als kosmos, van verbond en de geschapen wereld. Die eerste wereld en goede schepping zijn deel van de eerste mens, de eerste Adam als
verantwoordelijk eigenaar en hoofd. Alle dieren kent hij met name, de mens in verhouding tot de dierenwereld. De rechtvaardige die goed is voor zijn beesten. Na de zondeval wordt de kosmos van de eerste Adam getroffen door Gods vloek. De dood zul je sterven; מות māweṯ en tijdelijkheid als zwarte schaduw en bedreiging voor de mens die voor de eeuwigheid geschapen was. Bij de Ugarieten was Mot de zoon van El (לֵ א ʾēl, maar waarschijnlijk te onderscheiden van יםִ להֱ ֹא ,ʾĚlōhīm).

In de Bijbel is Mot de vloek van Elohim. Deze begint in te treden als de mens Gods bedoelingen niet langer vertrouwt en zich laat leiden door begeerte. Het schepsel zucht. Evolutionaire aanpassing bij de nieuwe gevallen leefomgeving vindt plaats. Ja ook dat bestuurt God in zijn raad. In zijn toelatende wil bestuurt hij de aarde, -laat na de zontvloed toe dat de mens ook vlees mag eten – zelfs zo dat de Heere de jonge leeuwen spijzigt te zijner tijd (Ps. 145:15-16). Zelfs in het toelaten van de dood is God rechtvaardig en bestuurt barmhartig. Daarom vervolgt de Psalmist: De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, en goedertieren in al Zijn werken. (vs.17) Maar het blijft Paradise lost. Dat er iets onwenselijks zit in dieren die dieren eten, blijkt tot in de spijswetten toe, niet alleen die van het Oude Testament maar ook in de Koran. Dieren die dieren eten zijn voor de mens onrein.

Dat God zijn hand niet terugtrekt maar een gevallen wereld blijft besturen, is genade en verdraagzaamheid. Zoals de zondigende mens God pijn doet, God is immers meer dan een theorie?, wordt deze gebrokenheid blijvend weerspiegeld in de gevallen kosmos. Vanaf Genesis 3 is er hoop dat het werk van de boze uiteindelijk verbrijzeld zal worden. Jesaja zingt ervan in hoofdstuk elf. Dieren die weer gewassen van het veld zullen eten in plaats van elkaar, zoals in Genesis 1. Uiteindelijk is er niets minder nodig dan wedergeboorte. Niet alleen van de mens, geestelijk en uiteindelijk ook lichamelijk op de jongste dag. Maar ook een wedergeboorte van hemel en aarde, een wederoprichting van alle dingen, een kosmos waar rechtvaardigheid zal heersen, en zoals het eschaton proclameert: de dood niet meer zal zijn. Alzo lief had God de wereld, de kosmos. In de Bijbel gaat het om heel veel meer dan de ziel van de mens.

Onwillekeurig rijst de vraag of het magistrale werk van collega Slootweg niet meer aansluiting vindt bij de gnostiek dan bij de kerkvaders. De wereld is nu eenmaal het domein van de evolutionaire wetenschap. Het min of meer eeuwig bestaan van leed en dood als scheppings- en onderhoudingsbeginselen wordt in dit boek genormaliseerd. De interpretatie van de Bijbel wordt er vervolgens bij aangepast. Die zouden we anders moeten gaan lezen. Eigenlijk sluit Slootweg hierbij volledig aan bij een deel van het christendom van mijn jeugd: de oude vrijzinnigheid.

Echter: Als de Bijbel ten diepste onhistorisch over de grote zaken van leven en dood spreekt, is zij dan nog theologisch zinvol? Het grote panorama en het “nu jaagt de dood geen angst meer aan,-ook dieren zijn bang voor de dood- want alles is voldaan” stort dan wel ineen als een vertroostend maar ten diepste onhistorisch perspectief. De dood heerste ver voor Adam en zijn dierlijke voorouders. Predatory instinct als scheppingsregel om vooruit te komen, van plankton tot in het Cambrium. Als God dieren schiep om te doden en onze voorouders dieren waren, is de verzoening in Christus dan niet overbodig, ten diepste irrationeel en de opstanding en Christelijk-Joodse eschatologie ‘wishful thinking’ dat geestelijke ondersteuning kan bieden maar natuurlijk niet letterlijk opgevat dient te worden? Kunt u nog iets met de Bergrede van iemand die claimt de Schepper van hemel en aarde te zijn als dat predation als fundamenteel scheppings- en onderhoudingselement insloot vanaf het begin? Moet u ten principale niet zeggen, sorry jongens de oprichting van de GB honderd jaar geleden was een gevolg van een achterhaald wereldbeeld en een ten diepste naïeve Schriftbeschouwing?

Ja, kennelijk is er tussen het begin van de reformatie – Luther en Calvijn en met het schuivend wereldbeeld van de 18de tot 20ste eeuwse westerse mens ook binnen het Nederlands calvinisme toch heel veel veranderd. De exegese van Luther en Calvijn is volstrekt helder. Dierenleed, in ieder geval dieren als voedsel, is een gevolg van de val van de kosmos. Het hoorde er oorspronkelijk niet bij. De vraag is dan ook of wat Slootweg als verschuivingen in de visie op dierenleed op rekening van de reformatie plaatst niet veeleer op conto van Spinoza “het boek uit de hel”, Descartes en de Verlichting geplaatst moeten worden? Als het wereldbeeld van de kerkvaders en de reformatoren achterhaald is en hun exegese niet bij de tijd, is het dan geen tijd om afscheid te nemen van dit erfgoed als iets wat wetenschappelijk en geestelijk uitgediend is?

Hoewel ik de hoofdstelling van Slootweg deel – na Darwin werd dierenleed een reden om God te betwijfelen, besef ik dat hij daarmee meer vragen oproept dan beantwoordt. Deze spanning is ook zichtbaar in het boek. Aan de ene kant worden de kerkvaders, middeleeuwse theologen en reformatoren op een minimalistische manier geïnterpreteerd zodat toch vooral dierenleed voor de zondeval geen duidelijk probleem zou zijn. Aan de andere kant laat de auteur zelf doorschemeren, tot in de samenvatting en conclusies toe, dat het toch wel de algemene opvatting van de Kerk tot aan Calvijn toe was dat er voor de zondeval geen carnivoriteit was in het dierenrijk. Hij noemt dat zelfs “de traditionele visie”.2 Met andere woorden, wat hij zegt aangetoond te hebben in de eerste hoofdstukken, heeft geen eenduidige basis in de bronnen.

Dat klopt. Wat de kerkvaders betreft, worden de noties van verbond en eschatologie en de implicaties die de vroege kerk daaraan verbond nagenoeg niet verrekend. Het doel van het verzoenend werk van de tweede Adam was de wederoprichting van alle dingen, de wereld met zichzelf verzoenende. Het is een beperkte voorstelling van zaken als gedaan wordt of slechts Irenaeus en Theofilus deze opvatting hadden. Papias baseerde zich op de leer der apostelen in zijn verwachting dat de schepping van dood en verderf bevrijd zou worden. Volgens Justinus Martyr gaat de leeuw weer gras eten zoals de os. Als Theophilus en Irenaeus zeggen dat alle dieren weer in harmonie met elkaar zullen leven, bevestigt dit dus een oud en wijd verspreid geloof dat nergens in de vroege kerk tegenspraak oproept. In het Oosten wordt dit bevestigd door Efraïm de Syriër en Johannes Damascenus. Het gaat dus om een onbestreden en in Oost en West bevestigd geloven dat we tegenkomen bij alle kerkvaders die er duidelijk over spreken. Eigenlijk logisch en wat historisch in de lijn der verwachting ligt, want vanuit de profeten en de apocalyptiek was dit een vertrouwd onderdeel van de leer.

Dat we bij de Capadosische vaderen als Basileus zowel het geloof in een vegetarisch dierenrijk bij de schepping aantreffen en de realiteit van een gevallen werkelijkheid die naar Gods raad bestuurd wordt, hoeft geen bevreemding op te roepen. Soms komen schijnbare tegenstellingen voort uit onze bril of gebrek aan verrekening van context. Dat God nu ook carnivoren spijzigt in zijn bestuur van de wereld, is bij deze kerkvaders gevolg van zijn toelating niet van zijn oorspronkelijke bedoeling. Hoewel dit voor Slootweg tegenstrijdig lijkt, levert dit Basilius en andere vaders geen spanning op en staat dit in harmonie naast Genesis 1. In de Schrift zelf ook trouwens. De psalmist onderkent dat God naar zijn raad ook nu alle dingen zo bestuurt dat de wereld niet vergaan is, maar dat zelfs de jonge leeuwen spijze mogen verwachten ter bestemder tijd. Alle ogen wachten op u Heere.

Simeon de nieuwe theoloog is van belang omdat hij het denken van alle kerkvaders heeft samengevat: de aarde was eerst onvergankelijk maar werd door de vloek vergankelijk. Als gevolg van de zonde van Adam deed de dood zijn intrede in de kosmos. Wie dit wil beperken tot een groep primaten met sterfelijke voorgangers, mag zich afvragen of hij niet uiterst vrijzinnig omgaat met de Schrift.

Bezwaarlijk in dit boek is de behandeling van Augustinus.3 Het is belangrijk om een kerkvader in context te lezen. Vooral een gigant als de bisschop van Hippo Regius. Het kan de beste overkomen, zoals St Thomas die zich voor Augustinus baseerde op een compendium van Beda en niet op de kerkvader zelf, en toen tot de conclusie kwam dat Augustinus dacht dat de onveranderlijke natuur van dieren maakte dat zij ook voor de zondeval elkaar gedood en opgegeten zouden hebben. Collega Slootweg bevindt zich dus in goed Aristoteliaans gezelschap.4 Echter, wij hebben de verzameling van MPL en moderne vertalingen van bijna al diens werk. Daarbij moeten we in context lezen. Meningen krijgen daardoor een verschillende zwaarte. Aan het eind van zijn leven loopt Augustinus al zijn eerdere opvattingen nog eens langs en verteld waar hij fout zat. Als juist in dat boek een andere opvatting klinkt, dan moet dit beschouwd worden als zijn uiteindelijke gedachte over een onderwerp: volgens Augustinus waren dieren oorspronkelijk niet geschapen om te doden.5

Waarschijnlijk was het een overreactie op zijn Manichees verleden (vegetarisch) dat Augustinus aanvankelijk dood in het dierenrijk als scheppingsmatig zag. Tegen het eind van zijn leven veranderde hij echter van gedachten. In zijn commentaar op de mededeling van Mozes dat de dieren het gras gegeven was om te eten, trekt Augustinus zijn eerdere figuurlijke opvatting van Genesis 1:29-30 terug en zegt dat er geen bezwaar is om dit letterlijk te nemen:

Nogmaals, op grond van het feit dat er viervoeters en gevleugelde wezens zijn die uitsluitend vleesetend lijken te zijn, volgt niet dat we slechts in allegorische zin kunnen interpreteren wanneer het boek Genesis stelt dat het groene gras en de fruitbomen als voedsel aan wilde dieren van elke soort worden gegeven en aan alle vogels en alle slangen.

Augustinus zegt dat dit ook nu nog het geval was geweest indien de zondeval niet had plaatsgevonden:6

Het kan immers kunnen gebeuren [indien de zondeval niet had plaatsgevonden] dat carnivoren door mensen gevoed zouden zijn met de vruchten van de aarde, als mensen, in ruil voor de gehoorzaamheid waarmee ze God hadden kunnen dienen zonder enig kwaad te doen, het recht hadden verdiend dat alle beesten en vogels die hen op elke denkbare manier zouden hebben gediend. (Retractationes 1.10.2)

Samengevat, de Kerk van alle tijden getuigt dat God de dieren niet heeft geschapen om te doden. De dood is een vloek waaraan zowel de mens als de bijbehorende kosmos onderworpen zijn en smachten naar verlossing. Sola Scriptura betekent niet existentiële individuele zingeving, het spiritueel zinvol maken van een religieuze tekst voor een geheel ander wereldbeeld. Eigenlijk moet ik bij dit thema zeggen: levensbeschouwing. Want het gaat over zaken van leven en dood. Wie Sola Scriptura samen met de Kerk van alle tijden leest, wordt gedreven door dat diepste verlangen dat ook de heiligen verhalen inspireerde. Dat God het weer goed zal maken, ook met de schepping. Wanneer dieren een band opbouwen met waarlijk heilige mensen, dan verliezen zij hun carnivore trekken. De leeuw van Hieronymus is daarvan een van de mooiste voorbeelden. Een leeuw die nog spreekt, nadat hij gestorven is.

Dit artikel is een weergave van de lezing die dr. Zuiddam hield op het symposium rondom het verschijnen van de handelseditie van het proefschrift van prof. dr. Piet Slootweg. Het artikel is met toestemming overgenomen van de auteur. Het origineel is via zijn website te raadplegen.

Voetnoten

Lees boek van natuur met geopende Bijbel

Het boek van de natuur is bedoeld om gelezen te worden met een geopende Bijbel, reageert prof. dr. Benno A. Zuiddam op prof. dr. P. J. Slootweg (RD 30-11-2013).

„Wie de dood in het dierenrijk een gevolg van de zondeval noemt, maakt het geloof onaanvaardbaar voor natuurwetenschappers”, aldus prof. dr. P. J. Slootweg in een reactie op mijn artikel over de kerkvaders Irenaeus en Theophilus (RD 25-11-2013). De daarbij gepaard gaande oproep: „Toon respect voor natuurwetenschappen”, suggereert dat Irenaeus, Theophilus en mijn persoon dat niet doen en daarom correctie behoeven.

Vanuit mijn vakgebied roept deze stellingname verschillende vragen op. Hoe aanvaardbaar zijn de kernzaken van het apostolische geloof voor ongelovige natuurwetenschappers? Hoe zit het trouwens theologisch met tot geloof komen? Is dat niet een werk van Gods genade, door Zijn Geest? Is het niet deel van dit proces dat we God vertrouwen als het gaat om dingen die we nu nog niet of niet volledig begrijpen?

Het christelijk geloof belijdt overigens heel veel zaken die onaanvaardbaar zijn voor het evolutionisme als ontstaantheorie. De vroegkerkelijke opvatting over de dood in het dierenrijk als gevolg van de zondeval is er maar eentje van. Zij strookt inderdaad niet met gangbare neodarwinistische opvattingen.

Te denken valt echter ook aan het geloof in een maagdelijke geboorte, Christus als Brood nedergedaald uit de hemel, genezing van blinden en melaatsen, de opstanding uit de doden, hemelvaart, wederkomst, wederopstanding van alle mensen en het laatste oordeel. Allemaal zaken die volgens de gangbare opvattingen in de natuurwetenschap niet kunnen.

Het werkelijke probleem zit dus veel dieper dan de beoordeling en verklaring van al dan niet geprojecteerd dierenleed.

Het is inderdaad een wijze raad van Augustinus om je als wetenschapper bij je eigen vakgebied te houden. Professor Slootweg haalt met instemming Augustinus aan, maar doet dat buiten verband. Hij komt dan ook tot een verkeerde conclusie: namelijk dat volgens Augustinus gelovigen op grond van de Bijbel geen beperkingen aan natuurwetenschappelijke theorievorming zouden mogen opleggen.

Dat zegt de kerkvader echter helemaal niet. Zijn citaat is slechts een oproep om in een debat ter zake kundig te zijn. Al eeuwenlang gelooft de kerk zaken die natuurwetenschappelijke en historische componenten hebben. Het geloof gaat immers over deze wereld.

Het is juist een hobby van Augustinus om op grond van de Bijbel in te gaan tegen natuurwetenschappelijke paradigma’s. Zo verklaart hij onomwonden dat de Griekse wetenschap het volslagen verkeerd had over de ouderdom van de aarde. Waarom? Uit de Bijbel kon iedereen weten dat de aarde slechts enkele duizenden jaren oud was. Voor Augustinus lag openbaring uit de Schrift op hetzelfde waarheidsvlak als dat van het boek der natuur.

Hij leerde om dezelfde reden dat het paradijs bestond, dat Adam een werkelijk en onmiddellijk door God geschapen persoon was en de voorvader van alle mensen. Ook had hij opvattingen over dood in de mensenwereld als gevolg van de zondeval en leerde hij op grond van Gods openbaring een wereldwijde watervloed. Voor Augustinus was het boek van de natuur bedoeld om met een geopende Schrift gelezen te worden.

Als patristicus en theoloog is het mijn taak om weer te geven wat de apostolische kerk en de kerkvaders vonden. Hun mening over de schepping en de zondeval was erg duidelijk. Moraliteit werd toen nog gedefinieerd vanuit de mening van God, onafhankelijk van de mens. ‘Lagere’ zoogdieren mogen dan geen moreel besef hebben, dat doet niets af aan de realiteit van dierenleed. Irenaeus en Theofilus meenden op grond van de Schrift dat dit theologisch een gevolg is van de zondeval en dat we een betere wereld zonder leed tegemoet kunnen zien.

Ook dieren kunnen in theologische zin hun oorspronkelijke doel missen. Dat betekent niet dat ze zondigen in dezelfde morele zin als de mens. Wel dat de goede schepping kwaad geworden is, dat het op iets anders is uitgedraaid dan God oorspronkelijk bedoelde. De kerkvaders meenden dat dit historisch en daadwerkelijk is gebeurd door toedoen van de mens.

De wetenschap van de 21e eeuw stelt voor uitdagingen, juist omdat Gods oorspronkelijke schepping en Zijn plannen voor de toekomst zo ver afstaan van de werkelijkheid en het denken van de mensen om ons heen. Geloven doen we echter niet op ons eentje, maar in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen. Dat de kerkvaders daarbij helpen en stimuleren, blijkt uit deze discussie.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2013, Lees boek van natuur met geopende Bijbel, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 43 (208): 6-7 (artikel).

Creationisme officiële leer van Rooms-Katholieke Kerk

De laatste drie pausen hebben zich positief uitgelaten over de evolutietheorie. Toch is de Rooms-Katholieke Kerk officieel het creationisme toegedaan en dat zal zo blijven, stelt prof. dr. Benno Zuiddam.

Heeft paus Franciscus heimelijk afgerekend met het Bijbelse scheppingsverhaal? Is er een nieuwe officiële leer van de kerk die Genesis beziet door de bril van de evolutietheorie? Hoewel het artikel ”Herschreven schepping” (RD 25-9-2017) een andere indruk kan wekken, is het korte antwoord op deze vragen: nee.

Theïstisch evolutionisme of creationisme in de Sint-Pietersbasiliek in Vaticaanstad? Bron: Pixabay.

Er is regelmatig verwarring over de scheppingsleer van de Rooms-Katholieke Kerk. De media helpen daaraan mee. Zodra de paus iets zegt wat progressief lijkt, wordt het opgeblazen. Toen Franciscus in 2014 zei dat de big bang en evolutie prima samengaan met het Bijbelse scheppingsverhaal, leverde dat allerlei sensationele krantenkoppen op. De paus zou in het kamp van de evolutionisten zijn geland. Toch zei de paus niets anders dan zijn twee voorgangers al eerder hadden gedaan. Eigenlijk paste wat Franciscus inhoudelijk zei niet bij evolutie maar bij intelligent design. Daarover bleven de media echter stil. Men gebruikt deze paus graag voor de eigen agenda.

Nu is het inderdaad zo dat de laatste drie pausen uitspraken hebben gedaan die neigen naar het theïstisch evolutionisme. In een lezing in 1996 sprak Johannes Paulus II positieve woorden over evolutie als wetenschappelijk feit. Wat de media toen verzwegen, was dat de paus het over kosmologische evolutie had (natuurwetenschappelijke ontwikkeling van het universum). Over evolutie in biologische zin was Johannes Paulus II uiterst terughoudend en vooral kritisch. Zijn opvolger Benedictus XVI was gewoonlijk zeer diplomatiek in zijn taalgebruik en benadrukte dat evolutie een hypothese is die zijn functie vooral heeft als pragmatische theorie voor toetsbare verschijnselen.

Deze verschuiving in het persoonlijk spreken van de laatste drie hoofdbewoners van het Vaticaan heeft mede te maken met de druk van uit hun omgeving. Met name de jezuïetenorde, die grotendeels het rooms-katholieke onderwijs beheerst, speelt hierin een grote rol. Uit hun gelederen kwam Georges Lemaître, de briljante Belgische uitvinder van de big bang. Ook Pierre Teilhard de Chardin, die met zijn synthese van het christelijk geloof en de evolutietheorie veel invloed had, was jezuïet.

Verder is het voor buitenstaanders belangrijk om te beseffen dat in de Rooms-Katholieke Kerk een belangrijk onderscheid wordt gemaakt tussen de persoonlijke mening van een paus en officiële uitspraken die hij doet als vertegenwoordiger van Christus, het magisterium. Historisch en dogmatisch gesproken is het magisterium van de Roomse Kerk het creationisme toegedaan.

De meest gedetailleerde leeruitspraak dateert van ruim honderd jaar geleden (1909). Toen sprak de Pauselijke Bijbelcommissie zich uit over de eerste hoofdstukken van Genesis. Samen met relevante gedeelten uit de encycliek Humani Generis vormt dit de laatste gezaghebbende leeruitspraak van de kerk over de evolutietheorie en Genesis. Elke rooms-katholiek die dit openlijk betwijfelt, belaadt zich krachtens een pauselijke ex-cathedra-uitspraak uit 1907 met ”culpa gravi”, ofwel doodzonde.

“Belangrijk is dat de Pauselijke Bijbelcommissie vaststelde dat de kerkvaders nagenoeg unaniem zijn in hun letterlijke interpretatie van Genesis 1-3 als een historisch gebeuren. Allen geloofden in een jonge aarde.” Bron: Pixabay.

Jonge aarde

In navolging van de apostelen, kerkvaders en concilies leert de Rooms-Katholieke Kerk dat de eerste drie hoofdstukken van Genesis een letterlijke en historische betekenis hebben. Specifiek moet elke katholiek aanvaarden als geschiedenis: de onmiddellijke schepping van de mens, de schepping van Eva uit Adam en het letterlijk gebeuren van de zondeval, de rol van de slang ingesloten. Exegeten zijn echter vrij in hun interpretatie van het woord ”dag” in Genesis. Zowel de eigenlijke (sensu proprio) als oneigenlijke betekenis (sensu improprio) is toelaatbaar, mits aan de eerder genoemde voorwaarden voldaan is.

Belangrijk is dat de Pauselijke Bijbelcommissie vaststelde dat de kerkvaders nagenoeg unaniem zijn in hun letterlijke interpretatie van Genesis 1-3 als een historisch gebeuren. Allen geloofden in een jonge aarde. Deze lijn werd voortgezet door het vierde Lateraans Concilie. De grootste geleerde van de middeleeuwen, Thomas van Aquino, leerde specifiek sensu proprio.

Deze opvatting bleef algemeen in de Rooms-Katholieke Kerk tot in de twintigste eeuw. Toen begonnen prominente wetenschappers, zoals De Chardin, mythologie in de Bijbelwetenschappen en darwinisme elders te promoten. Toch bleven de uitspraken van de Bijbelcommissie de officiële leer van de kerk. Dat bleek in 1948, toen de Franse kardinaal Suhard probeerde om de pauselijke uitspraken over Genesis te laten intrekken. Daarvan wilde het Vaticaan geenszins weten.

“Toch bleven de uitspraken van de Bijbelcommissie de officiële leer van de kerk. Dat bleek in 1948, toen de Franse kardinaal Suhard probeerde om de pauselijke uitspraken over Genesis te laten intrekken. Daarvan wilde het Vaticaan geenszins weten.” Bron: Pixabay.

Voorzichtig

De persoonlijke uitspraken van de laatste drie pausen ten gunste van theïstisch evolutionisme geven de indruk dat zij inderdaad niet langer volledig de uitspraken van de Bijbelcommissie geloven. Een goede paus maakt echter onderscheid tussen dat waar hij persoonlijk geloof aan hecht en dat wat de doorgaande en gezaghebbende leer van de apostolische kerk is. De oude leer wordt niet openlijk ontkend –welke paus wil zich trouwens schuldig maken aan doodzonde?– en men hoedt zich ervoor om niet aan voorbijgaande wetenschappelijke theorieën de status van feit of dogma te geven.

Daar zijn goede redenen voor. Als evolutie Gods scheppingsmechanisme was, dan was er voor de erfzonde geen plaats meer. Wie theïstisch evolutiegeloof aanhangt en consequent wil zijn, moet uiteindelijk zijn godsbeeld bijstellen. De god van het theïstisch evolutionisme voltrekt zijn schepping langs de weg van een eindeloze hel van lijden, dood en verderf, waaruit uiteindelijk na biljoenen jaren de mens opstaat. Op zijn best stopt God zielen in ellendige humanoïden die een kansloos begin moeten maken in een wereld die reeds lang onderworpen was aan een kosmische vloek. Dat staat theologisch mijlenver af van Genesis en de liefdevolle Vader, Die sprak dat het zeer goed was.

Het is niet te verwachten dat de officiële rooms-katholieke scheppingsleer wordt herzien. De kerk heeft daar behalve goede theologische argumenten ook kerkrechtelijke redenen voor. De scheppingsleer is niet alleen gekoppeld aan het gezag van de Schrift en de unanimiteit van de kerkvaders, maar ook aan de uitspraken van meerdere concilies en het magisterium van de kerk.

Inderdaad, creationisme is soms roomser dan de paus.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2017, Creationisme officiële leer van Rooms-Katholieke Kerk, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 47 (156): 6-7 (artikel).

God als Schepper: de vraag naar de voorhistorische Jezus – Dr. Benno Zuiddam sprak hierover op een theologisch congres

Vandaag herdenken we de menswording (incarnatie) van Jezus. Jezus was er altijd al, óók voor Zijn vleeswording. Hij was betrokken bij de Schepping en kwam naar de aarde om óók mens te worden. Over deze moeilijke, maar ook mooie, materie sprak prof. dr. Benno Zuiddam onlangs voor de European Association for Biblical Studies in Wuppertal. Hij sprak zijn bijdrage uit voor de onderzoeksgroep Biblical Theological Investigations into the Attributes of God. De presentatie had hij van tevoren opgenomen en deze op zijn YouTube-kanaal geplaatst. De geleerde geeft argumenten vanuit de Bijbel voor een voorhistorische Jezus én geeft aan wat dit leerstuk kan betekenen voor de theodicee: de huidige wereld is niet hetzelfde als de oorspronkelijke schepping. Goede Kerstdagen toegewenst en veel zegen bij het kijken.

Deze video is met toestemming van de spreker/auteur overgenomen van zijn website. Het originele artikel is hier te vinden.

Gods Woord als licht op ons pad, juist als het donker is! – Prof. dr. Benno Zuiddam spreekt voor HeartCry Nederland

Prof. dr. Benno Zuiddam sprak op het bemoedigingsweekend van HeartCry over Gods Openbaring. De lezing werd opgenomen en op het YouTube-kanaal geplaatst. Met dank aan de organisatie voor plaatsing delen we deze video graag op onze website.

Kerkvaders kozen partij voor de dieren

Zijn dood en verderf in de dierenwereld Gods scheppingsmethode geweest of zijn ze zijn een rechtstreeks gevolg van de zondeval van de mens? Het theïstische evolutionisme van tegenwoordig gaat uit van het eerste, vooraanstaande theologen in de Vroege Kerk geloofden het laatste: ook het dierenrijk zal in de nieuwe hemel en aarde in zijn oorspronkelijke staat van vrede worden hersteld. De kerk van tegenwoordig is hierover opvallend stil.

De scheppingsleer was in de Vroege Kerk bepalend voor de manier waarop de eerste christenen tegen hun wereld aankeken, hoe ze God zagen en wat ze van Hem verwachtten voor de toekomst. Dood, kanker en verdrukking door machtigen en rijken waren volgens hen negatieve zaken, rechtstreekse gevolgen van de zondeval. De vroegste kerkvaders zouden daarom nooit geloofd hebben in de Jezus van het theïstisch evolutionisme, die schiep door miljoenen jaren van vreselijke ellende. Met Darwin zouden zij mogelijk grif de realiteit van natuurlijke selectie in haar huidige vorm om ons heen erkend hebben. Ze zouden deze zaken echter als vloek hebben bestempeld. Dat doet trouwens elk mens. Niemand is blij met ziekte, dood of keiharde competitie met concurrenten. Misschien heeft dat te maken met een natuurlijk aanvoelingsvermogen van de mens die toch naar Gods beeld geschapen is, in de zin van de Romeinenbrief.

Als theologen zich in duizend bochten moeten wringen om zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat het proces van evolutie –een fabriek van de dood die tot op heden ‘vrolijk’ door blijft draaien– toch gekarakteriseerd kan worden als een zeer goede schepping, dan getuigt dat meer van zelfhypnose dan van realiteitszin. Ook Darwin geloofde terecht niet dat de huidige schepping goed is. De vroegste kerkvaders konden daarmee ook niet uit de voeten. Met Darwin en vele anderen vandaag de dag, geven ze hun portie liever ‘aan Fikkie’ dan dat ze hun korte leven op aarde zouden wijden aan een onmachtige, wreedaardige god die een slechte schepping ”goed” noemt.

De kerkvaders Irenaeus van Lyon (ca. 180) en Theophilus van Antiochië (ca. 168) geloven dat het begin van de wereld alles te maken heeft met de christelijke toekomstverwachting. Ze zijn ervan overtuigd dat de paradijselijke staat van de dierenwereld door de zonde van Adam en Eva verloren is gegaan. Het lijden en sterven van dieren maakt geen deel uit van Gods goede schepping; dat komt in de wereld wanneer het hoofd van de schepping valt. De mens sleurt in zijn val alles mee wat zich onder zijn gezag bevindt. Beide kerkvaders verwachten dat dierenleed op de nieuwe aarde tot het verleden zal gaan behoren.

Boosdoener

De mens is in hun ogen de boosdoener. De kerk in de tijd na de apostelen windt geen doekjes om en wijst de mens aan als oorzaak van het lijden in de dierenwereld. Tegenwoordig is de kerk hierover opvallend stil. Maar een theoloog als Irenaeus laat er geen enkel misverstand over bestaan. Hij stelt dat dieren oorspronkelijk geen vlees aten. Dieren zoals de leeuw, die nu als carnivoren door het leven gaan, waren volgens hem vegetarisch geschapen.

In zijn boeken ”Tegen de ketterij” beschrijft Irenaeus dat Christus een einde gaat maken aan het dierenleed. Hij zal de oorspronkelijke goede en harmonieuze schepping herstellen. De kerkvader baseert zich daarvoor op de profetieën van Jesaja (11:6-9, 65:25).

„Ik weet dat sommigen deze teksten metaforisch laten verwijzen naar woeste mensen uit allerlei volken en achtergronden die tot geloof komen; en die vervolgens in harmonie met de rechtvaardigen leven. Hoewel dat nu plaatvindt met mensen uit allerlei naties die tot de ene leer van het geloof toetreden, zal dat niettemin in de opstanding van de rechtvaardigen gebeuren met deze dieren zelf, zoals we gezegd hebben. Want God is rijk in alle dingen. Wanneer de wereld hersteld is in zijn oorspronkelijke staat moeten alle dieren gehoorzaam en onderdanig zijn aan de mens en terugkeren naar het oorspronkelijke voedsel dat God hun gaf (Genesis 1:29 en 30; 9:3, BZ); precies zoals ze voor de ongehoorzaamheid onderdanig waren aan Adam en plantaardig voedsel aten” (Adversus Haereses 5.33).

De kerkvader beschrijft ook dat de vijandschap tussen hedendaagse carnivoren en hun prooi tot het verleden zal behoren. Een klein, weerloos jongetje zal veilig zijn tussen grote stieren en leeuwen; ze zullen zelfs doen wat hij zegt. Hoewel Irenaeus aangeeft over dingen te spreken die vanuit onze gevallen werkelijkheid moeilijk te peilen zijn, geeft hij wel aan dat het stro van de nieuwe aarde zo voedzaam zal zijn dat een leeuw er meer dan genoeg aan heeft. Irenaeus is in de tweede eeuw geen buitenbeentje met zijn scheppingsleer en eschatologie. Zijn collega-bisschop Theophilus van Antiochië denkt er hetzelfde over. Beiden zijn vooraanstaande theologen, maar ze wonen ver uit elkaar. Dat laat wel zien hoe wijd verspreid deze gedachtegang is. Uit vroege bronnen weten we dat Theophilus opziener wordt in de gemeente van Antiochië rond 168, in het achtste jaar van de regering van Marcus Aurelius. De tijd van de apostelen is voor hem net zo dichtbij als voor ons de Tweede Wereldoorlog.

Giftig

Theophilus zegt dat dieren niet slecht of giftig door God waren gemaakt. „Het woord voor wilde dieren (in het Grieks, BZ) komt doordat erop gejaagd wordt; niet dat ze in den beginne slecht of giftig zijn gemaakt, want God heeft niets slechts gemaakt, maar alle dingen goed, ja zeer goed. Het is echter de zonde van de mens die het kwade over hen heeft gebracht. Daarom, wanneer de mens zal zijn teruggekeerd tot zijn oorspronkelijke staat, en niet langer kwaad doet, dan zullen ook deze (de dieren, BZ) hersteld worden tot hun oorspronkelijke zachtaardigheid” (Ad Autolycum 2.17).

De hoofdlijn is dezelfde als bij Irenaeus: met de val van de mens valt het dierenrijk. Het ontaardt en komt terecht te midden van dood, verderf, ziekte en overleving van de sterkste. De goede schepping maakt plaats voor de vloek van natuurlijke selectie. Het is de zonde van de mens die deze vloek over de aarde heeft gebracht. Theophilus gelooft dat met de verlossing van de mens in de volheid des tijds ook de negatieve gevolgen van de zondeval voor de dierenwereld ongedaan zullen worden gemaakt.

Juist omdat de vroege christenen Gods boodschap over een goede schepping geloven, kunnen ze Hem vertrouwen voor het heden en de toekomst. Ze geloven dat Hij aan de kant staat van hen die het slachtoffer van ”natuurlijke selectie” geworden zijn: armen, weduwen en wezen. De zachtmoedigen en nederigen van geest zullen Gods zegen en de aarde beërven, niet de macht van het geld en brute kracht.

Katholiciteit

Kan de christenheid nog aanspraak maken op de katholiciteit en apostoliciteit als die zich meer laat leiden door geld, opinies van mensen en getallen dan door het Evangelie? Natuurlijke selectie heerst volop; helaas ook in de kerk. Kijk maar eens hoe het al jaren toegaat in het beroepingswerk.

Onze enige hoop is gelegen in de Heere van Zijn kerk. Hij is eschatologisch de God van armen en verdrukten, de Opener van ogen, Genezer van zieken. Hij is machtiger dan de brute evolutionistische krachten van dood en ziekte. Dat geloofden de vroege kerkvaders. De kerk van onze tijd zou er beter uitzien als de christenen in hun voetspoor zouden gaan.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2013, Kerkvaders kozen partij voor de dieren, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 43 (201): 2-3 (artikel).

Voor kerkvaders is Genesis betrouwbare informatiebron

De Vroege Kerk was van mening dat de Bijbel betrouwbare feiten bevat over de schepping, de zondeval, het verlossingswerk van Christus en het toekomstige herstel van al het geschapene, betoogt prof. dr. Benno A. Zuiddam.

Als christenen van het eerste uur stonden de kerkvaders relatief dicht bij de tijd van de apostelen. Voor velen van hen was de apostolische tijd net zo lang geleden als voor ons het optreden van Abraham Kuyper en de Eerste Wereldoorlog. Hun opa’s hadden het nog meegemaakt.

Het spreken van God in de Schriften was voor hen gezaghebbend en allesbepalend. Dat gaven ze ook aan anderen door. Dit blijkt bij allemaal en overal. Of je nu Irenaeus in Frankrijk, Clemens in Egypte, Theophilus in Syrië of Hippolytus in Rome leest, je ontdekt dat Gods openbaring voor hen gezaghebbende informatie bevatte. Niet slechts voor geloof en geestelijke theorieën, maar evenzeer voor feitelijke kennis.

De Bijbel was er voor theologie en wetenschap, voor geloof en filosofie. God was er en Hij sprak echt. De kerkvader Theophilus zegt van de menselijke auteurs van de Bijbel: „Maar deze mannen van God waren van God geleerd, heilig en rechtvaardig, aangezien ze de Heilige Geest in zich droegen en profeten werden, aangezien ze geïnspireerd en wijs gemaakt waren door God. Daarom ook werden ze waardig geacht om deze beloning te ontvangen dat ze instrumenten van God zouden worden en de wijsheid zouden hebben die van Hem afkomt. Door die wijsheid verkondigden ze zowel over de schepping van de wereld als over andere zaken” (”Ad Autolycus” 2.9).

Voor de kerkvaders was het spreken van God betrouwbaar en doorslaggevend. Augustinus vat dat mooi samen: „Wij daarentegen steunen in de geschiedenis die onze godsdienst ons biedt op goddelijk gezag: al wat daarmee strijdig is, beschouwen we dus zonder te twijfelen als volstrekt onwaar, afgezien van de waarde van wat die wereldse geschriften verder nog inhouden” (”De Civitate Dei” 18.40).

Geschiedenis

Traditioneel wentelde de christelijke geschiedbeschouwing rond de schepping en de incarnatie. Vroeger spraken we daarom van ”anno Domini”, het jaar onzes Heeren. Daarmee werd verwezen naar de incarnatie rond 25 maart, naar de boodschap van de engel Gabriël aan Maria. De geboorte van de Heere Jezus, negen maanden later, was ook een groot moment, maar het eigenlijke wonder was dat Gods Zoon mens werd, de incarnatie. Daarom begon vroeger in de meeste westerse landen het nieuwe jaar in maart.

In de oosterse, Byzantijnse kerk was al vroeg gekozen voor een begin van het jaar op 1 september. Dat kwam omdat de kerk de schepping van de wereld plaatste rond 1 september, ongeveer 5500 jaar voor Christus. In 537 besloot de christelijke keizer Justinianus dat alle staatsdocumenten voortaan met ”anno mundi” (in het jaar van de schepping der wereld) gedateerd moesten worden. Het liturgisch jaar van alle oosterse en westerse kerken begint daarom nog steeds op 1 september.

Het kerkelijk jaar hebben we dus niet omdat dan de zomervakantie voorbij is en het verenigingsseizoen weer begint, maar om te vieren dat God als echte en historisch aanwijsbare Schepper aan het begin van alle dingen staat. De manier waarop we met tijd omgaan, is niet neutraal. Wat is er mooier dan onze jaren te laten wentelen rond God als de Schepper en Verlosser van deze wereld? We zijn niet van onszelf, maar geschapen met een doel: anno mundi. We zijn niet van onszelf, maar Hij heeft ons gekocht: anno Domini. Maart en september hebben een parallel in het Oude Testament. Maart was ook de eerste maand bij de Israëlieten, maar het nieuwe jaar werd gevierd in september. Omdat ook volgens de Joden de schepping een echte, concrete historische gebeurtenis was, die na te rekenen viel.

Van het besef dat de Bijbel historische mededelingen doet die bepalend zijn voor hoe we tijd en geschiedenis beschouwen, waren ook de kerkvaders doortrokken. Zelfs christelijke geleerden die in andere opzichten verdacht waren, zoals Origenes, zagen Genesis als echte geschiedenis.

Jonge schepping

Een belangrijk kenmerk van kerkvaders was dat men op grond van de Bijbel durfde in te gaan tegen heersende ‘wetenschappelijke’ opvattingen. Dat blijkt het duidelijkst uit het feit dat ze op grond van Genesis de ouderdom van de aarde of het begin van de schepping berekenden, en dat gebruikten om de heidense wetenschap te vertellen dat ze het bij het verkeerde eind had. In tegenstelling tot wat Griekse en oosterse filosofen beweerden, was de schepping volgens hen jong. Waarom? Omdat God het zei. Hij was er immers bij geweest. Als God de waarheid is en echt door Mozes sprak, moest het wel zo zijn.

Zonder uitzondering meenden de kerkvaders God op zijn Woord te kunnen geloven waar het ging om de beschrijving van historische gebeurtenissen. Hippolytus van Rome zet uitgebreid uiteen hoe hij op grond van de Bijbel geloofde in een concreet begin van de schepping rond 5500 voor Christus (”Over Daniël” 2.4-6). Dit soort conclusies zijn geen uitzondering, maar algemeen in de Vroege Kerk. Van vroeg tot laat en van Oost tot West. De berekeningen komen meestal uit rond 5600 voor Christus. Dat is bijvoorbeeld te zien bij Clemens van Alexandrië in Egypte. Eusebius (Chronicon 1) is een uitzondering met 5200 voor Christus, maar dat komt doordat hij niet terugrekent naar de schepping, maar naar de zondeval.

Al met al was het Gods openbaring in de Bijbel die voor alle kerkvaders doorslaggevend was. Augustinus weerspiegelt wat de hele kerk in die tijd vond: „Zij zijn misleid door zeer onbetrouwbare geschriften die menen dat de geschiedenis (van de aarde) al vele duizenden jaren is, hoewel, gerekend vanuit de heilige Schrift, wij menen dat er nog geen zesduizend jaren voorbij zijn gegaan” (”De Civitate Dei” 12.10, cf. 12.12).

De Vroege Kerk geloofde dat de schepping oorspronkelijk goed was. God maakte door Zijn spreken onmiddellijk iets wat werkelijk goed was. Irenaeus stelt dat de dieren in de oorspronkelijke schepping geen vleeseters waren. Hij brengt dat ook in verband met de toekomstverwachting en verwijst naar de visioenen van Jesaja dat de dieren in vrede met elkaar zullen omgaan (Jes. 11:6-9; 65:25). Wanneer de schepping hersteld wordt, zal de vrede terugkeren tot het dierenrijk en zullen de vleeseters weer vegetarisch zijn (”Adversus Haereses” 5.33.4).

Basilius van Caesarea en Gregorius van Nyssa (circa 335-394) beklemtonen evenzeer (”Hexameron” en ”De Hominis Opificio”) dat er oorspronkelijk geen prooi- of aasdieren waren. Ook de mens was niet geschapen om dieren te eten. Chrysostomos zegt eveneens dat er van dieren voor de zondeval geen gevaar uitging. Volgens hem stond de mens oorspronkelijk in een goede en veilige verhouding tot dieren (Chrysostomus, ”Genesis hom.” 9.4).

Man en vrouw

Met de goede schepping hangen de scheppingsordinanties samen. Dat zijn ook voor nu geldige regelingen die voortkomen uit Gods bedoelingen met de schepping. Zo is de vrouw uit de man genomen en gemaakt als hulp. Op die manier stamt de hele mensheid van Adam en Eva af en delen de geslachten in Gods oorspronkelijke doel (Ambrosius, ”Paradijs” 10.48). Het rentmeesterschap, inclusief de daarmee gepaard gaande geestelijke verantwoordelijkheid, is ook een scheppingsordinantie.

De Vroege Kerk maakte zich bijzonder sterk voor de historische oorsprong en blijvende geldigheid van zulke zaken. Bijbelteksten zoals 1 Timotheüs 2:11-15 (het verbod aan vrouwen om te preken in de gemeente) werden door de vroege christenheid als blijvend geldig gezien, omdat het Gods scheppingsinstellingen waren. De aanname dat vrouwen daarom in de Vroege Kerk geen leiding of onderwijs mochten geven, is goed gedocumenteerd. Sterker nog, al het degelijke wetenschappelijke onderzoek leidt tot de conclusie dat de kerk het schandelijk vond als vrouwen in het openbaar onderwijs gaven of toespraken hielden. Vrouwen mochten wel aan andere vrouwen lesgeven (bijvoorbeeld in een kloostersituatie), maar niet in het openbaar aan een gemengd gezelschap van volwassenen. Ook werd het als een ontaarding van het publieke leven gezien wanneer vrouwen overheidsposities bekleedden.

Het is dus niet toevallig dat, waar Genesis niet meer als echte geschiedenis gelezen wordt, men meestal vrij snel ook de scheppingsordinanties loslaat. Bij het lezen van kerkgeschiedenisboeken over de twintigste eeuw en daarna valt op dat in kerken waar “de vrouw in het ambt” kwam, gewoonlijk reeds verschuivingen in het denken over de historiciteit van Genesis hadden plaatsgevonden. De goede schepping en Gods bedoelingen hangen samen.

Zondeval

Ook in de tijd van de Vroege Kerk had men te maken met de opvatting dat de mens en de andere schepselen van het begin af sterfelijk geschapen waren, en dat ziekte en dood dus geen gevolg waren van de zondeval. Dit is dus geen uitvinding van het theïstisch evolutionisme. De Vroege Kerk bestreed die gedachte al in het jaar 419, tijdens het concilie van Carthago: „Wie ook maar zegt dat Adam, de eerste mens, sterfelijk geschapen was, zodat hij gestorven zou zijn wat het lichaam betreft, of hij nu gezondigd had of niet; dat is, uit het lichaam uitgaan niet op grond van de zonde, maar als natuurlijke onvermijdelijkheid, hij zij vervloekt” (”Canon” 109).

De Vroege Kerk zag op grond van de Bijbel de zondeval als een echte gebeurtenis, met kosmische gevolgen. Dood, ziekte en zonde behoorden oorspronkelijk niet tot deze wereld, maar deden hun intrede met de zondeval. Zelfs zij die geneigd zijn de Schrift zinnebeeldig uit te leggen, zien in de beschrijving van de zondeval in Genesis 3 een historisch verslag. Zo vertelt Origenes hoe de ideale staat van de mens in het paradijs verloren ging door de zonde. Hij spreekt in dat verband over „Mozes in zijn verslag van de schepping van de wereld” (”Contra Celsum” 6.39).

Wereldwijde zondvloed

Net als wij had de Vroege Kerk al te maken met de gedachte dat de zondvloed niet meer dan een plaatselijke overstroming zou zijn geweest. Tertullianus stelde dat de Grieken het verkeerd hadden met hun ”lokale overstroming”. Hij verzekerde zijn lezers op grond van Genesis dat de vloed over de gehele aardbol kwam. De aanwezigheid van zeeschelpen op de bergen is voor Tertullianus niet vreemd, maar dit bevestigt voor hem de Bijbelse vermelding dat zelfs de hoge plaatsen met golven overstroomd werden (”De Pallium” 2).

Vergelijkbare opvattingen treffen we aan bij Hippolytus, die erop wees dat ook de Griekse schrijver Xenophanes (vijfde eeuw v.Chr.), op grond van schelpen in de bergen en fossielen in steengroeven, uitging van een grote vloed die de hele aarde bedekt had (”Refutatio omnium Haeresium” 1.12).

Volgens de kerkvaders gaf Mozes weer wat er werkelijk gebeurd was. Theophilus van Antiochië schreef: „Mozes liet zien dat de vloed veertig dagen en veertig nachten duurde, terwijl het water uit de hemel stroomde en de fonteinen van de diepte openbraken, zodat de wateren vijftien el boven de hoogste bergen kwamen. En op deze wijze werd het gehele geslacht der mensheid die toen bestond, vernietigd. Alleen zij die veilig in de ark zaten, werden gered. Dat waren, zoals we al zeiden, acht mensen. En wat de ark betreft, de overblijfsels daarvan kunnen tot vandaag toe gezien worden in de bergen van Arabië. Dat is, samengevat, de geschiedenis van de vloed” (”Ad Autolycus” 3.19)

Toekomst

Het geloof in een werkelijk goede schepping legde voor de Vroege Kerk de basis voor een positieve toekomstverwachting. Het verlossingswerk van Christus bevrijdt van de gevolgen van de zondeval. Ook de door Gods vloek aangetaste schepping wordt bevrijd en gaat toe naar een nieuwe hemel en aarde. Dat wordt onder meer zichtbaar in het herstel van het oorspronkelijke dieet van dieren. De opstanding der rechtvaardigen zal samengaan met een herstel van het dierenrijk naar de oorspronkelijke bedoeling.

Irenaeus zegt daarover: „Hoewel reeds nu het geloof harmonie brengt tussen mensen uit tegenstrijdige volken, zal dat in de opstanding van de rechtvaardigen ook met de dieren die Jesaja noemt gebeuren. Want God is rijk in alle dingen. Het is gepast dat, wanneer de schepping hersteld wordt, alle dieren weer gehoorzaam en onderdanig aan de mens worden (want oorspronkelijk waren ze gemaakt om onderdanig aan Adam te zijn), en dat ze terugkeren naar het voedsel dat God hun oorspronkelijk gaf, dat is plantaardig eten” (”Adversus Haereses” 5.33.4).

De schepping van het Oude Testament en herschepping van het Nieuwe vertonen eenzelfde patroon: God spreekt door Zijn Geest en schept door Zijn Woord. De goedheid van de eerste schepping is de basis voor de goedheid van de nieuwe hemel en aarde, waarop vrede en gerechtigheid zullen heersen. Chrysostomos (”Romeinen, hom.” 14) benadrukt dat in een bespreking van Romeinen 8:20-21. Door de redding van de mens is er daarom ook weer hoop voor de schepping. De vloek die tot een aangetaste werkelijkheid voor de hele kosmos leidde, zal weggenomen worden met het herstel van de mens in Christus. Uiteindelijk zal God ook de schepping bevrijden.

Gregorius van Nyssa verwoordt het als volgt: „Zo was het met de eerste schepping en zo zal het zijn met het toekomstige herstel. De mensheid zal weer terugkeren tot zijn oude staat: een leven zonder kwaad en niet meer terneergedrukt door verantwoordelijkheden of slavernij van de ziel aan dagelijkse zorgen. Ontslagen van al deze dingen zal hij terugkeren tot het paradijselijk leven; niet langer in de macht van de lusten van het vlees, maar vrij om dicht bij God te leven als deelgenoot van het leven van de engelen” (”De Hominis Opificio” 2:6-7).

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2018, Voor kerkvaders is Genesis betrouwbare informatiebron, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 48 (18): 6-7 (artikel). Benno Zuiddam heeft ook een eigen website. Deze is hier te vinden.

Kerk geloofde niet in platte aarde – Christelijke wetenschappers door eeuwen heen nagenoeg unaniem dat de wereld rond is

Het is een misvatting dat de kerk eeuwenlang geloofd heeft dat de aarde plat is, betoogt prof. Benno Zuiddam. De mythe van het geloof in een platte aarde is in de 19e eeuw bedacht door antichristelijke wetenschappers.

Onlangs was het weer zo ver. Zowel een emeritus hoogleraar en oud-rector als een in opspraak geraakte christelijke tv-presentator vertelde de RD-lezers tijdens het paasweekeinde dat de kerk, de Bijbel, of allebei ten onrechte eeuwenlang geleerd hebben dat de aarde plat is. Gelukkig weten we na de verlichting nu beter.

De gedachte dat de middeleeuwse en de Vroege Kerk algemeen geloofden in een platte aarde is echter even onjuist als onwetenschappelijk. Het is een theorie van 19e-eeuwse wetenschappers die het christendom slecht gezind waren. In het buitenland weet men dit allang, maar kennelijk loopt Nederland in dit opzicht achter. De Lage Landen zijn altijd al ‘platter’ geweest dan de rest van de wereld. Het is een moderne misvatting dat de kosmologie van de Vroege Kerk en de middeleeuwen de aarde zag als plat. Dwars door haar geschiedenis hebben leraars en doctors van de kerk vrij algemeen de gedachte aangehangen dat de aarde rond is. Bij de meeste vroege kerkvaders speelt het onderwerp geen rol, maar zij die het wel bespreken, beschouwden de aarde gewoonlijk als rond of sferisch. Een citaat uit onverdachte bron, de evolutionistische professor Stephen J. Gould: „Er was nog nooit een periode van ”platteaardeduisternis” onder geleerden (onafhankelijk van hoe het algemene publiek onze planeet toen en nu beschouwd mag hebben). De Griekse kennis van sferiteit is nooit vervaagd en alle belangrijke middeleeuwse wetenschappers aanvaardden de ronde aarde als een bewezen feit van de kosmologie.

Pannenkoek

Eigenlijk is er maar een handjevol bekende vroege schrijvers te vinden dat de gedachte van een platte aarde bevordert. De eerste was Lactantius (245-325). Na zijn bekering verwierp hij de Griekse filosofen en derhalve ook de reeds in de oudheid aangehangen gedachte dat de aarde rond is. Deze visie was algemeen verbreid. Men had gezien hoe schepen onder de horizon verdwijnen. Derhalve had Eratosthenes 250 jaar voor Christus reeds de omtrek van de aarde wiskundig uitgewerkt. Hij was bepaald geen uitzondering in de overtuiging dat de aarde bolvormig was en geen platte pannenkoek. Lactantius, in tegenstelling tot de meeste kerkvaders, verwierp echter alle Griekse filosofie na zijn bekering en daarmee ook de ronde aarde. Zijn werk werd door de kerk echter als ketters beschouwd en hij bleef derhalve vrij onbekend tot aan de renaissance, toen men zijn Latijn leuk begon te vinden. Toen werd ook zijn geloof in een platte aarde weer nieuw leven ingeblazen. In het Oosten was er in de zesde eeuw nog Indicopleustes die geloofde in een platte aarde onder een hemelboog. Zijn werk werd evenmin positief ontvangen in de kerk.

De mythe van een kerk die geloofde in een platte aarde is bedacht in de 19e eeuw. Dat was in een tijd van grote vijandigheid tussen wetenschap en godsdienst. Het begon al vóór Darwin, die niet uit de lucht is komen vallen. In 1834 verspreidde de Franse archeoloog Jean Antoine Letronne de leugen dat de kerkvaders (Augustinus, Ambrosius en Basilius ingesloten!) zouden hebben geloofd in een platte aarde. De Engelsman John William Draper (”History of the Conflict between Religion and Science”, 1874) en de Amerikaan Andrew Dickson White (”History of the Warfare of Science with Theology in Christendom”, 1896) deden later hetzelfde.

Belachelijk

Historisch is veel van de mythe terug te voeren op de publicatie van Washington Irvings boek over Columbus (1828) dat door sommigen voor wetenschappelijk aangezien is. Kerkelijke vertegenwoordigers waarschuwen Columbus daarin dat zijn expeditie van de aarde af gaat vallen omdat de Bijbel zou zeggen dat de aarde plat is. Wat Irving schrijft, is grote onzin. Zowel Columbus als zijn tegenstanders wisten dat je via het Westen naar Indië kon zeilen. De vraag was alleen of de schepen van die tijd zo’n lange reis konden doorstaan. Professor Jeffrey Russell (University of California) heeft er een boek over geschreven (”Inventing the flat Earth”). Zijn conclusie: van de oudheid tot aan de tijd van Columbus waren Christelijke wetenschappers nagenoeg unaniem van mening dat de wereld rond was.

Het wereldbeeld van een kerk die geloofde in een platte aarde is dus een misvatting. De hoogtijdagen van de mythe waren tussen 1870 en 1920, toen darwinisten deze leugen gebruikten in hun strijd tegen de kerk over de evolutietheorie. Scheppingsgeloof moest vereenzelvigd worden met een platte aarde en belachelijk gemaakt worden. De atheïstische professor Dawkins in Oxford doet het nog steeds zo. Van hem kun je dat verwachten. Het is echter jammer dat deze mythe ook in Bijbelgetrouw Nederland als waarheid verspreid wordt.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De bronvermelding luidt: Zuiddam, B.A., 2009, Kerk geloofde niet in platte aarde. Christelijke wetenschappers door eeuwen heen nagenoeg unaniem dat de wereld rond is, Reformatorisch Dagblad 39 (12): 13 (artikel). Benno Zuiddam heeft ook een eigen website. Deze is hier te vinden.

Samen sterk voor gezond genderklimaat

Laten we samen werken aan een gezond genderklimaat in Nederland, waarbij Gods openbaring in de schepping en de Schrift normatief is.

Prof. dr. M. den Heijer (RD 8-10) reageert kritisch op mijn opinieartikel over genderdysforie. De stijl van de hoogleraar, met beschuldigingen als „insinuatie” en „met een bepaalde bedoeling de waarheid verdraaiend” en „hoe haalt iemand het in zijn hoofd”, stelt uitdagingen aan de inhoudelijke conversatie, maar ik ga het toch proberen.

Als theoloog spreek ik vanuit de traditionele kenbronnen van Gods wil (artikel 2 NGB). De door mij gebruikte termen komen zonder enige nare bijbedoeling uit de traditie van de kerk van alle tijden. Vrijwillige castratie wordt door de moraaltheologie als zondig bestempeld. Dit werd geformaliseerd in de vierde eeuw, door de canones van het Concilie van Nicea en in de Apostolische Constituties (AC).

De kerk vond inderdaad toen al dat bij het afsnijden van biologisch gezonde geslachtsorganen iets belangrijks kapotgemaakt wordt. Het door mij gebruikte woord ”verminking” is eigenlijk te zwak uitgedrukt. Vanuit Gods algemene openbaring redenerend, zag de kerk zelfgekozen castratie als een aanslag op de van God gegeven biologische identiteit. Het kerkelijk recht bestempelt zo iemand als „zelfmoordenaar en vijand van de schepping van God” (AC 8.22) Dat was volledig in lijn met preken van kerkvaders als Athenagoras en Chrysostomos. Ook in hun tijd was er dysforie met de seksuele identiteit en vond de ”aanpassing” plaats ter verlichting van psychische nood. Volgens de kerk ging het echter in tegen Gods bedoeling met de mens. Dat wordt in de traditionele christelijke ethiek nog steeds zo gezien. De Rooms-Katholieke Kerk bijvoorbeeld beschouwt transitie en het meewerken daaraan als een tuchtwaardige zonde.

Amerikaanse context

Bedenk ook, mijn artikel reflecteerde op de boycot van een boek in Amerika als maatschappelijk-cultureel verschijnsel in de westerse samenleving waarvan wij deel uitmaken. Het betrekken van wetenschappelijke cijfers over de Amerikaanse context, onder andere het buitengewoon hoge percentage hiv en onverantwoord seksueel gedrag (geen evaluatie van mij maar van wetenschappelijke publicaties en overheidsinstanties), is niet tendentieus maar juist een blijk van zorgvuldigheid.

Bovendien, niet ik, maar Amerikaanse collega’s van Den Heijer zoals dr. Marci Bowers (chirurg vaginoplastiek) en Erica Anderson, als klinisch psycholoog verbonden aan de genderkliniek van de University of California San Francisco, luiden momenteel de noodklok over de Amerikaanse beroepspraktijk. Ze spreken zich uit tegen het voorkomen van puberteit met blokkerende medicijnen en Anderson verwacht dat veel jongeren transitie zullen betreuren (Daily Mail 5-10). Kennelijk heeft zij redenen om aan te nemen dat het met de tevredenheid en psychische nood na aanpassende chirurgie niet meevalt.

Den Heijer stelt zijn persoonlijke onderzoek over de Nederlandse situatie tegenover de verontrustende conclusies van zijn collega’s in het buitenland, waar Nederlandse protocollen een belangrijke basis vormen van behandeling. Mijn artikel citeert cijfers uit officiële overheidspublicaties en wetenschappelijke vaktijdschriften. De hoogleraar zegt terecht dat die cijfers slechts een deel van het verhaal vertellen. Toch zijn zowel die cijfers als de verontrustende conclusies die zijn collega’s daaraan verbinden het peerreview gepasseerd.

Risicofactor

Wie dit, zoals ik, op afstand vanuit een andere wetenschappelijke discipline beschouwt, stelt vast dat het vakgebied weliswaar verdeeld is, maar toch een probleem signaleert. Er zijn Zweedse wetenschappers die waarschuwden voor een wel 1900 procent groter zelfmoord­risico na transitie, en Nederlands onderzoek dat meevalt omdat het ‘slechts’ 300 procent signaleert. Natuurlijk zijn er graden van betrouwbaarheid, representativiteit en verschillen per land en situatie. Maar het feit dat al die onderzoeken het peerreview haalden, baart zorg. Laten we daarbij vogelvluchtperspectief betrachten en bijvoorbeeld meewegen dat alcoholisme ook een hoog zelfmoordrisico met zich meebrengt. Over dat onderwerp lopen de percentages in de vaktijdschriften nog veel verder uiteen, maar dat het een risicofactor is, staat wel vast.

Natuurlijk stelt mijn artikel niet dat er een causale relatie is tussen transgendergevoelens als zodanig (of een keuze voor transitie) en seksueel misbruik. Enkele feiten op een rij. Het Journal of Transgender heeft een buitengewoon sterk verband vastgesteld tussen transgendergevoelens en ongewenste seksuele ervaringen als minderjarige. Het Britse Journal of Psychiatry heeft de cyclus van seksueel misbruik onder kinderen onderzocht. Het stelt daarbij een link vast tussen slachtoffer zijn en dader worden. Uit de samenvatting: „Het gemiddeld slachtofferpercentage was 35 procent onder daders en 11 procent onder niet-daders.” Daarmee vallen transvrouwen potentieel in een maatschappelijke risicocategorie. Volgens de beschikbare data en verklaringen is dat niet omdat ze transgender zijn, maar omdat onevenredig veel transvrouwen als kind slachtoffer werden van seksueel geweld.

Samenwerking

Laten we daarom vooral streven naar een veilige leefomgeving, in het bijzonder voor kinderen met genderdysforie. Werkelijke bescherming kan alleen bestaan als die rekening houdt met de bedoeling van de schepping en Bijbels genormeerd is. Jongeren hebben bij het opgroeien juist identiteitsbevestigende ankers nodig. Uit de reactie van Den Heijer krijg ik de indruk dat hij dit ook wil. De vraag naar de wenselijkheid van transitie is voor hem geen gepasseerd station. De genderideologie van Amazon en anderen keurt hij af. Ook hij wenst geen samenleving waar transgenderpolitiek wordt afgedwongen als nieuw normaal en iedereen die er anders over denkt aan zelfcensuur gaat doen.

Dat geeft een basis voor gesprek. Het uitgangspunt van de traditionele christelijke ethiek is duidelijk. Dat deze inbreng ook bij de genderkliniek welkom is, stemt tot dankbaarheid.

Het vorige artikel dat prof. dr. Benno Zuiddam schreef over het transgenderdebat, en aanleiding vormt voor bovenstaande discussie, is hier te lezen.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Zuiddam, B.A., 2021, Samen sterk voor gezond genderklimaat, Reformatorisch Dagblad 51 (168): 30-31 (artikel).

Boycot van boek over genderdebat normaliseert het abnormale

Soms zeggen reacties op een cultuurkritische publicatie meer over het soort samenleving waarin we leven, dan over het boek zelf. Dat gaat op voor de boycot door Amazon van een bestseller over het verschijnsel transgender.

Het boek ”When Harry Became Sally” (Toen Harry veranderde in Sally) vertaalt subtiel de titel van een romantische komedie naar het genderdebat. Hoewel het een bestseller werd bij de verschijning ervan in 2018, had dit boek februari dit jaar de twijfelachtige eer om geboycot te worden door Amazon, de grootste boekenverkoper in de wereld. De auteur, dr. Ryan Anderson, had vol bewogenheid en feitelijk correct geschreven over het verschijnsel transgender. Waarom moest dit boek geboycot worden?

Amazon was duidelijk bang voor het effect dat dit boek had op de publieke opinie over transgender. Nog voor het boek verscheen, was uit de intekeningen vooraf duidelijk dat het boek een megabestseller zou worden. De directie van Amazon deed aanvankelijk niets. Mogelijk moet dat in verband gebracht worden met het presidentschap van Trump die negatief stond ten opzichte van Obama’s genderbeleid. Pas toen het boek als bestseller een doorn in het oog was geworden en Biden aan de macht was gekomen, nam het bedrijf de ongekende censuurmaatregel om ”When Harry Became Sally” te boycotten. Wie 50 procent van de gedrukte boekenmarkt van Amerika in handen heeft, kan inderdaad het publieke debat sturen, alleen al door angst te veroorzaken waardoor auteurs zelfcensuur gaan toepassen. Vooral in een klimaat waar de meeste andere uitgevers links-liberaal zijn.

Verklaring

Het gecensureerde boek via Amazon: ‘When Harry Became Sally’ van de politicoloog dr. Ryan T. Anderson.

Los van inhoudelijke vragen rond de Bijbelse moraal, hoe rechtvaardig was dit optreden van Amazon praktisch gesproken? Het ”Handboek voor anarchisten”, ”Lesbian vampire killers”, pornografische seksverhalen en zelfs ”Mein Kampf” van Hitler; je kunt anno 2021 voor al die boeken terecht bij Amazon. ”When Harry Became Sally” was volgens Amazon echter zo verwerpelijk dat het vroeg om de uitzonderlijke maatregel van een boycot.

Gedwongen door de Republikeinse senatoren Rubio, Hawley, Braun en Lee, die Amazon beschuldigden van overtreding van de wet, doorbrak het bedrijf het stilzwijgen over de boycot. In maart kwam die met een gedwongen en juridisch zorgvuldig afgewogen verklaring. Ik citeer uit de brief van Amazon: „Wat betreft uw specifieke vraag over ”When Harry Became Sally”, we hebben ervoor gekozen geen boeken te verkopen waarin de lgbtq+-identiteit als een psychische aandoening wordt beschouwd.”

Anderson reageerde op deze verklaring in een interview met The National Catholic Register (12-3): „Iedereen is het erover eens dat genderdysforie een ernstige aandoening is die veel leed veroorzaakt. Er is echter een debat gaande over de vraag over hoe patiënten die genderdysforie ervaren, het beste kunnen worden behandeld. Amazon wil dat de mond snoeren.” Anderson wees vervolgens op tegenstrijdigheden in het beleid van Amazon. Waarom werd zijn boek verwijderd, terwijl professionele boeken die de diagnose en behandeling van genderdysforie als geestesziekte behandelen, beschikbaar blijven voor verkoop op het platform?

Ideologie

Dat brengt ons bij de kern van de zaak. Het gaat niet slechts om het commerciële verbod op een boek. De boycot van ”When Harry Became Sally” in de context van de genderideologie, die in alle aspecten van de westerse samenleving haar intrede heeft gedaan, is een symptoom. Waarvan? Van de normalisering van het abnormale in onze samenleving. Wij moeten wat tot voor kort medisch wetenschappelijk werd beschouwd als een geestelijke afwijking als normaal gaan zien. Wie dat niet wil, kan het etiket transfobie opgeplakt krijgen.

Medisch gesproken is genderdysforie een afwijking van de normale psychische gesteldheid die met een zodanig lijden gepaard gaat dat de betreffende persoon medische behandeling zoekt. Dat blijkt al uit het begrip zelf: ”dysforie” is het tegenovergestelde van ”euforie” en betekent angst, somberheid, prikkelbaarheid. Anders dan bij (hoogst uitzonderlijke) biologische verschijnselen als interseks werd geslachtsdysforie in de psychiatrische wetenschap tot voor kort altijd beschouwd als een ”mental disorder”, een mentale stoornis.

Volgens de oude consensus was interseks, waarbij zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen zich in een persoon ontwikkelen, een ”condition”, een biologische realiteit. Uit die optiek, die ook voorgestaan wordt door Anderson, is er een groot verschil met genderdysforie. Het laatste is geen biologisch gegeven maar een ”mental state” die niet overeenkomt met de biologische werkelijkheid van de patiënt. Op dat punt heeft het overeenkomst met geheel andere aandoeningen, zoals koning Charles VI, die dacht dat hij van glas gemaakt was. Voor hem was het echt, maar biologisch was het echt onwaar. De gedachten die de patiënt heeft, komen dus niet overeen met de werkelijkheid. Bij een transgender gaat dit heel diep en raakt het ook de seksuele identiteit van de persoon (het geslacht waarmee hij zich wil identificeren) en hoe hij of zij in het leven staat en zich verhoudt tot anderen. Het gevolg daarvan is een benauwend gevoel van dysforie, van ongemak, omdat je voor je ervaring in het verkeerde lichaam opgesloten zit.

Verschuiving

In 2013 veranderde de Amerikaanse organisatie voor psychiatrie de medische aanduiding voor transgender in dysforie. Niet omdat het inhoudelijk geen stoornis meer was die niet meer om een medische behandeling zou vragen, maar om een politiek correcte reden: „DSM-5 heeft tot doel stigmatisering te voorkomen en klinische zorg te bieden aan personen die zichzelf zien en voelen als van een ander geslacht dan het hun toegewezen geslacht. Het vervangt de diagnostische naam ”genderidentiteitsstoornis” door ”genderdysforie” en maakt andere belangrijke verduidelijkingen in de criteria.”

Behalve het voorkomen van stigmatisering was er ook een economisch motief. De verandering van de definitie beoogde om vergoeding bij ziekenfondsen te vergemakkelijken voor een veel grotere groep mensen dan die volgens de oude regels geacht werden aan ”gender disorder” te lijden.

Helemaal doen alsof transgender normaal was geworden, ging niet. De verklaring van de psychiaters maakte daar geen geheim van: „Als het gaat om toegang tot zorg, omvatten veel van de behandelingsopties voor deze aandoening counseling, geslachtshormonen, geslachtsaanpassende chirurgie en sociale en juridische overgang naar het gewenste gender. Om verzekeringsdekking voor de medische behandelingen te krijgen, hebben individuen een diagnose nodig. De Seksual and Gender Identity Disorders Work Group was bezorgd dat het verwijderen van de aandoening als een psychiatrische diagnose –zoals sommigen hadden gesuggereerd– de toegang tot zorg in gevaar zou brengen.” De veranderde definitie beoogde te verzekeren dat de behandeling en medische ingrepen daaraan verbonden vergoed zouden blijven worden door de verzekering.

De nieuwe therapeutische definitie neemt zijn uitgangspunt in het gevoelen van de patiënt, in dysforie; niet meer in een objectieve vaststelling van ”disorder”, afwijking. Dat brengt risico’s met zich mee, niet het minst voor jongeren. De overgrote meerderheid, statistisch meer dan 85 procent, van kinderen en tieners die zich in het verleden meldden bij psychologen voor je het gevoel tot het andere geslacht te behoren, of te willen zijn, groeide er op natuurlijke wijze overheen. Vanuit de oude situatie gezien, kan de herdefinitie dus leiden tot onnodig medisch ingrijpen.

Risicofactoren

Daarbij komt dat er sociale factoren zijn die bijdragen aan het ontstaan van dysforie of die veroorzaken. Anderson wijst in zijn boek op voorbeelden. Wie een dominante moeder heeft, die doorlopend laat merken dat ze eigenlijk een meisje had willen hebben, loopt een grotere kans als jongen om genderdysforie te ontwikkelen. Een andere risicofactor is seksueel misbruik. Bij volwassen transgenderpersonen is er een onevenredig groot percentage (ten opzichte van de gemiddelde bevolking) dat als kind werd misbruikt. Het vaktijdschrift Journal for Transgender geeft aan dat waarschijnlijk 55 procent van alle volwassenen die als kind lijden aan genderdysforie, voor de leeftijd van 18 jaar een ongewenste seksuele ervaring heeft opgedaan. Hoewel de onderzoeksgroep mijns inziens niet groot genoeg was voor definitieve resultaten, is dit een indicatie uit een onverdachte bron.

Dat stemt tot nadenken, ook wat betreft het politieke beleid ten aanzien van transgender. Immers, zelfs onderzoek uit progressieve hoek laat zien dat van mannen die als kind misbruikt zijn ten minste 35 procent ook zelf misbruiker wordt. Die kans is meer dan driemaal groter dan bij de gemiddelde man.

Soms worden de resultaten van dergelijke onderzoeken gepresenteerd over mannen en vrouwen gezamenlijk. Dat is misleidend. In tegenstelling tot mannelijke slachtoffers van seksueel misbruik, worden misbruikte vrouwen zelden, in de regel nooit, zelf misbruikers. Wie dan het resultaat van vrouwen en mannen gezamenlijk presenteert, kan doen of het wel meevalt. Misbruikte mannen zijn echter gemiddeld (voor de meesten geldt het gelukkig niet) statistisch aantoonbaar een risicogroep ten opzichte van de rest van de bevolking. Die trend is ook te zien bij de medische analyse van het gedrag van biologische mannen die zich als transvrouwen identificeren, vergeleken met die van transmannen (biologisch vrouw maar zich identificerend als man). Een analyse van de metadata wijst erop dat bijna 30 procent van de transvrouwen in Amerika hiv heeft en bijna 50 procent vertoont gevaarlijk seksueel gedrag. Dit gedrag belast de gezondheidszorg, beïnvloedt de levensverwachting en levert een sociaal-economisch kostenplaatje op voor de samenleving.

Geen verlichting

Daarbij komt dat hormoontherapie en kosmetische genderchirurgie op de lange termijn (twintig jaar) niet tot verlichting van de psychische nood van transgenderpatiënten blijkt te leiden. In dat opzicht lijkt er een parallel te zijn met de behandeling van interseksepatiënten. Zelfs uit het onderzoek van de zeer progressieve dr. Money van Harvard, die veel bijdroeg aan de genderideologie is, bleek dat intersekse patiënten psychisch beter af zijn op de lange termijn als er geen chirurgische correctie plaatsvindt. Bij transgenderpersonen die hormoonbehandeling en chirurgie ondergaan, treedt gewoonlijk in eerste instantie verbetering op, maar op langere termijn ontreddering en een buitengewoon hoog zelfmoordrisico. Dat blijkt uit een grootscheeps langetermijnonderzoek in het transvriendelijke Zweden tussen 1973 en 2003.

Feit van de zaak blijft dat ook in de nieuwe edities van het ”Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen” (DSM-5) transgender is opgenomen als verschijnsel. Maar het wordt alleen nog maar als probleem gezien als de patiënt er dusdanig last van heeft dat het klinisch als dysforie betiteld kan worden.

Waar de vereniging van Amerikaanse psychiaters genderdysforie als een probleem blijft beschouwen dat nog steeds om speciale psychiatrische of andere medische behandeling kan vragen, gaan Amazon en de transgenderideologie een stap verder. We moeten met zijn allen het biologisch geslacht als keuze gaan beschouwen en andere afwijkingen van de traditionele christelijke moraal normaal gaan vinden. Dat niet alleen. De samenleving moet ook zomaar bereid zijn om de schade hiervan te betalen, niet alleen sociaal en economisch, maar ook de geestelijke en psychische rekening voor komende generaties. Geen discussie. Geen vrijheid van meningsuiting. Wie wel een rationele discussie over de voors en tegens wil, en een onwelkom standpunt heeft zoals Anderson, wordt geboycot.

Naastenliefde

Het abnormale moeten we normaal gaan vinden. Het is een symptoom van een doorgeslagen geïndividualiseerde samenleving, waar eenieder leeft bij zijn eigen waarheden die morgen weer anders mogen zijn. Zolang Amazon het ook goed vindt.

Dat iemand psychisch zozeer ongemakkelijk raakt in zijn eigen lichaam dat hij zich laat verminken om zich beter te kunnen voelen, en soms ook op interpersoonlijke terreinen het zicht verliest op waarheid, zou in een gezonde samenleving medelijden moeten oproepen, en geen normalisering. Als het normaal raakt om als behandeling voor psychische nood gezonde organen bij biologisch normale mensen te verwijderen, dan mogen we ons als samenleving afvragen in hoeverre we nog zicht hebben op waarheid en naastenliefde.

Amazon’s reactie op ”When Harry Became Sally” is veelzeggend over onze tijd en cultuur. Toch blijven we vertrouwen dat de waarheid het langst duurt. Die is soms wel confronterend, maar maakt uiteindelijk waarlijk vrij.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. Bronvermelding: Zuiddam, B.A., 2021, Boycot van boek over genderdebat normaliseert het abnormale, Reformatorisch Dagblad 51 (155): 26-27 (artikel).