Welkom op deze website!

Deze website is de thuisbasis van de organisatie Fundamentum. Fundamentum zet zich in op het gebied van geloof en wetenschap, medische ethiek en apologetiek. Eigenaar van de website is Jan van Meerten. De website is ook de landingswebsite van het jaarlijkse congres ‘Bijbel & Wetenschap‘. Deze website bevat informatie over allerhande onderwerpen zoals seksuele gerichtheid, pro-life, wereldgodsdiensten (zoals Islam, Hindoeïsme etc.) en vooral over scheppingsleer, -geloof en -paradigma. In het laatste geval zijn wij voorstander van het klassieke scheppingsgeloof met een zesdaagse schepping, een historische zondeval en om niet meer te noemen een wereldwijde zondvloed. Verder gebruikt Jan van Meerten deze website om eerder door hem geschreven artikelen te bundelen en het onderwerp waarin hij zichzelf aan het specialiseren is uit te werken. Het gaat dan om paleoecologie, paleoklimatologie en paleontologie, meer specifiek de ecosystemen van de dinosauriërs (het zogenoemde Mesozoïcum), nog meer specifiek de zoogdierachtigen en vogelachtigen in deze ecosystemen. Zijn overige artikelen kunnen gelezen worden als (wetenschap)journalistieke stukken. De website bevat ook gastbijdragen van medechristenen. Als laatste is het ook de landingswebsite van de genealogie van het geslacht Van Meerten en Betuwse streekgeschiedenis. U kunt uzelf hier abonneren op de nieuwsbrief. Deze nieuwsbrief verschijnt maandelijks en zal alle onderwerpen behandelen behalve informatie over het geslacht Van Meerten. De nieuwsbrief bevat altijd de mogelijkheid om uzelf af te melden. Van harte welkom op deze website en veel leesplezier! Feedback kan gegeven worden via de pagina ‘hier mag u uw hart luchten‘. Op deze pagina zullen wij zelf niet veel reageren. Op reacties, vragen of stellingen wordt gereageerd in de rubriek ‘Feedback & vragen‘. De feedback kan ook gegeven worden via info@oorsprong.info.

Megazostrodon, een uitgestorven zoogdierachtige (Mammaliaformes) uit het Trias/Jura.
Megazostrodon, een uitgestorven zoogdierachtige (Mammaliaformes) uit het Trias/Jura. Deze foto is genomen in het Natural History Museum in Londen en afkomstig van de internetencyclopedie Wikipedia.

’t Was anders – Verwarring rond twee echtparen Vonck en Van Eck

Genealogisch onderzoek is als het leggen van een grote puzzel, waarvan de doos met de originele foto ontbreekt.1 Vaak gaat het leggen van de puzzelstukjes goed, zeker als er veel materiaal beschikbaar is. Soms gaat het leggen van de stukjes niet goed of wringt er toch iets. Dat overkwam mij bij het voorlaatste artikel in De Baron. Na verder onderzoek ben ik er achter dat het toch anders ligt.2

Vandaag was ik bezig voor een nieuw artikel in De Baron over een stuk land te Ingen, wat in wisselend bezit is geweest van Van Meerten en Van Eck. In deze bron kwam ene Margriet van Eck voor die getrouwd is geweest met Adrian Vonck. In het in de inleiding genoemde artikel schreef ik dat Margriet de dochter was van Johan van Eck en Aleid van Meeckeren. Wanneer die informatie vergeleken wordt met informatie over het stuk land te Ingen kan dát onmogelijk kloppen. Een nazaat van Johan en Aleid zou dan heel ver over de honderd jaar moeten zijn geworden. In het genoemde artikel stelde ik Adrian Vonck gelijk met Jan Vonck. Nu weet ik echter dat dit niet correct is. Het detail in een getekende kwartierstaat, elders op deze website, moet dan ook anders.3 Met dank aan de website van Gert-Jan Vonk (Genealogie Vonck van Lienden) wordt duidelijk hoe het wél zit. Vooral de Genealogie van Dirck Vonck van Lienden liet zien hoe het is.4 Op die hele website kom ik, als de Heere het geeft, in een later artikel op terug.

Dirck Vonck van Lienden was getrouwd met Johanna Pelgromsdochter de Kemp. Zij kregen, volgens de hierboven genoemde genealogie, ten minste zes kinderen. Eén zoon heette Jan Vonck van Lienden. Hij was getrouwd met Aleid van Eck van Panthaleon. Aleid was de dochter van Johan van Eck en Aleid van Meeckeren. Hier wordt de eerste verwarring opgelost. Maar hoe zit het dan met Margriet? Een andere zoon van Dirk Vonck van Lienden heette Pelgrom Vonck van Lienden. Pelgrom Vonck van Lienden was getrouwd met Alit (Noest). Zij kregen, volgens de genoemde genealogie, ten minste vijf kinderen. Eén van deze kinderen heette Adriaen Pelgromszoon Vonck van Lienden. Hij was getrouwd met Margriet van Eck van Panthaleon. Deze Margriet was een dochter van Johan van Eck en Margriet Bilersdochter. Johan van Eck was de zoon van Bartholomeus van Eck én Katrijn van Meerten. Adriaen en Margriet kregen ten minste zeven kinderen waaronder Johan Vonck van Lienden en Magriet Adriaensdochter Vonck van Lienden, resp. vernoemd naar hun opa en oma.

De puzzel lijkt nu beter opgelost, de stukjes moesten namelijk anders gelegd worden. In het komende artikel dat D.V. volgt hoop ik te laten zien dat het oplossen van deze puzzel leidt tot het oplossen weer andere een ander puzzelstukjes.

Voetnoten

Achtergronden bij de grafsteen Bartholomeus van Eck en Katrijn van Meerten te Ingen

De grafsteen is erg bekend en wordt beschreven in het mooi vormgegeven boek De Betuwe van dr. R.F.P. de Beaufort en drs. Herma M. van den Berg. De geleerden beschrijven de steen als volgt: “4. 238 x 108 cm. In het midden, in een Renaissanceversiering, een wapen. Randschrift in Gotische letters: INT JAER ONS HERN MVC XLI DE XXII SEPTEB. STARF BARTOLOME VAN ECK. INT JAER MVC XXXIV DE XXVI MEERT STARF JOFFR. KATRY VA MERTE SY… Op ieder der vier hoeken een wapentje.1 Een foto van de steen is ook in de collectie van het Arend Datema Instituut te vinden en wordt bij dit artikel afgebeeld.2 Helaas geven de bronnen niet meer informatie over de genealogische en historische achtergrond van deze begraven personen. In tegenstelling tot de vorige grafsteen hebben we nu wel de namen.3 Mogelijk is er een verband met de andere grafstenen.

De zerk van Bartholomeus van Eck (?-1541) en Katrijn van Meerten (?-1534). Bron: Arend Datema Instituut.

Bartholomeus van Eck

De linkerzijde van de grafsteen bevat de twee kwartieren van Bartholomeus van Eck. Linksboven zien we het wapen van Van Eck (Van Panthaleon). Dit wapen wordt ook in kleur weergegeven in de zeventiende eeuwse kwartierstaat van Gertruijdt Dorothe Goltsteijn.4 Linksonder wordt het wapen van Van Meeckeren weergegeven. Deze komt ook voor in de hiervoor genoemde kwartierstaat. Bartholomeus was dus de zoon van een Van Eck en een Van Meeckeren. Het gaat om Johan van Eck en Aleid van Meeckeren. Dit waren ook de ouders van Bertha van Eck, de vrouw van Derick van Meerten.5 De gezinssamenstelling van Van Eck en Van Meeckeren wordt duidelijk uit een lijst van zegels betreffende het geslacht Van Eck die geïnventariseerd zijn door het Nationaal Archief. Daar lezen we over een zegel van Johan van Eck, gedateerd op 27 april 1553. Johan woont op dat moment in Amersfoort en heeft een ‘Geldersch leengoed‘ geërfd van zijn vader Bartholomeus.6 Deze Johan heeft zich, volgens de verklaring van zijn oom Hendrik van Eck, “buijten allen zijnen vrunden danck ende consent in den huijwelijcke gegeven“. Hendrik was een broer van Bartholomeus. Naast twee zoons hadden Van Eck en Van Meeckeren ook nog twee dochters. Een dochter (Aleid) was getrouwd met Johan Vonck7 en de andere dochter (Bertha) was getrouwd met Dijrck van Marte. Vader Johan van Eck, dus de opa van de in Amersfoort wonende Johan, was in 1553 reeds overleden. Dat geldt eveneens voor Bartholomeus van Eck.8 De grafsteen geeft aan dat hij op 22 september 1541 is overleden.

Katrijn van Meerten

De rechterzijde van de grafsteen bevat de twee kwartieren van Katrijn van Meerten. Deze puzzel is een stuk ingewikkelder. Rechtsboven zien we het wapen van Van Meerten: de klimmende hazewindhond. Dit wapen wordt eveneens in de juiste kleuren weergegeven in de genoemde kwartierstaat hierboven. Het wapen rechtsonder, konden we met dank aan wapenkenner Ad de Jong, toewijzen aan Van Cuyck. Een leeuw met in het midden een band met twee plussen of kruizen. Het wapen van Van Cuyck van Culemborg. Op deze wijze ook getekend door Aernt van Buchel in zijn Monumenta.9 Het wapen moet niet verward worden met een ander wapen van Van Cuyck (met de merletten).10 Het is hiermee duidelijk dat de moeder van Katrijn van Meerten een Van Cuyck was. Dan moet Katrijn wel een dochter zijn van Gevert van Meerten en Christina van Cuyck. In het archief van de Heeren en Graven van Culemborg wordt deze Gevert in stuk 2493 genoemd in combinatie met Van Cuyck. We lezen daar dat Jan van Kuyck, schepenen van Culemborg, zich, samen met zijn broers Sweder, Goessen, Gijsbert en Antonys en zijn zwagers Gevert van Meerten en Willem Zuermont, schuldig erkent aan het kapittel van Culemborg. Christina had, zoals uit deze akte blijkt, ten minste vijf broers en één zus. Uit andere bronnen weten we dat de vrouw van Willem Zuermont, Aleid (of: Aliid) van Cuyck was.11 Er is ook nog een akte bekend waarbij Jaspar, heer Van Culemborg, belooft zijn zwager Gevert van Meerten schadeloos te zullen houden.12 Katrijn had in ieder geval één broer (Johan) en één zus (Johanna). Johanna was getrouwd met Johan van Wijck. Over Johan is (nog) té weinig informatie te geven. Waarschijnlijk was Hillegonda van Meerten, die getrouwd was met Albert (Hermansz.) van Leeuwen uit Rijswijk, ook een zus van Katrijn. Hiervoor ontbreekt echter vooralsnog definitief bewijsmateriaal. Mogelijk was Katrijn ook via de ‘Van Meerten’-lijn familie van Derick van Meerten. Deze Derick was namelijk als familie aanwezig bij het opstellen van de huwelijkse voorwaarden bij het huwelijk van Johan van Wijck en Johanna van Meerten (de zus van Katrijn).13 Als Derick een neef was van Katrijn, dan was Gevert de zoon van Willem van Meerten en een broer van Derick van Meerten den Oude.14 De grafsteen geeft aan dat zij op 26 maart 1534 is overleden.

Schema familieverhoudingen. Update 28-5-2024: Margriet van Eck en Adrian Vonck in dit schema moet worden Aleid van Eck en Jan Vonck. Het echtpaar Margriet en Adrian zijn wel familie, maar dan kinderen van Johan van Eck (Amersfoort). Bron: De Baron.

Afsluitend

Uit het bovenstaande blijkt dat de personen achter de grafstenen in de Hervormde Kerk te Ingen inderdaad familie van elkaar zijn. Dat geldt in ieder geval voor de grafstenen van Heijmerick van Bemmel en Anna van Meerten, Derick van Meerten en Bertha van Eck en de grafsteen van Bartholomeus van Eck en Katrijn van Meerten. Bij de laatstgenoemde grafsteen zou het zelfs kunnen gaan om dubbele familie. Namelijk Bartholomeus van Eck via de vrouwelijke lijn als zwager van Derick en via de mannelijke lijn als aangetrouwde neef van Derick.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het De Baron. De volledige bronvermelding luidt: Meerten, J.W. van, 2024, Achtergronden bij de Grafsteen Bartholomeus van Eck en Katrijn van Meerten te Ingen, De Baron 7 (2): 27, 30-31. De Baron is het blad van de Historische Kring Kesteren & Omstreken (www.hkko.nl).

Bronnen

Dierenleed bestaat – Een reactie van dr. ir. Erik van Engelen op de discussie over dierenleed

Het stuk tekst van Robert Plomp op zijn website ’Vrome praatjes’ getiteld ‘Reactie op Erik van Engelen: Nadenken over evolutie in het licht van de goedheid van God’, heeft mij verward.

Robert Plomp heeft al een tijd geleden op zijn website een artikeltje geplaatste waarin hij de vraag probeert te beantwoorden of de goedheid van God kan samen gaan met de gedachte dat Hij mensen en dieren zou hebben geschapen middels een proces zoals beschreven door de evolutietheorie.1 Volgens die theorie hebben miljarden dieren gedurende honderden miljoenen jaren geworsteld om te overleven, maar zijn uiteindelijk alleen de best aangepaste dieren en dus ook de mens als de meest geschikte diersoort boven komen drijven. Ontelbare aantallen dieren hebben in dat proces een miserabel leven geleid. Ze werden geteisterd door honger, dorst, infecties, ongelukken, sociale uitsluiting, angst, stress, opsluiting, bevriezing, oververhitting, tumoren, ontstekingen en andere welzijnsaantastingen. De vraag rijst dan, of dit niet geleid heeft tot een onoverzienbare hoeveelheid dierenleed. Als dat namelijk zo zou zijn, dan rijst de vraag, hoe dit samen kan gaan met de goedheid van God.

Robert lost dit probleem op door te stellen dan dieren niet kunnen lijden, omdat ze niet kunnen reflecteren. Het maakt in zijn visie moreel gezien niet uit welke behandelingen olifanten, mensapen, aapmensen en dolfijnen ondergaan, ze lijden nooit, want dat kunnen ze niet. Ik heb in een reactie op zijn stuk uitgelegd, wat de consequenties van deze onjuiste zienswijze zijn.2 Ik hoopte natuurlijk dat hij zou inzien dat zijn redenaties niet alleen technisch argumentatief en wetenschappelijk onjuist zijn, maar ook tot immorele overtuigingen leiden. Ik kan me goed voorstellen dat hij grote behoefte heeft om de evolutietheorie in harmonie te brengen met de goedheid van God, maar had gehoopt dat hij zou inzien dat deze harmonisatiepoging niet werkt.

Helaas, lijkt het er gezien zijn laatste bijdrage op, dat Robert vasthoudt aan zijn onwetenschappelijke overtuigingen zonder dat hij daarvoor een feitelijke onderbouwing geeft.3

Laten we een aantal punten in zijn artikel bekijken.

Robert schrijft: “Mijn artikel is een stuk genuanceerder dan de titel waarmee oorsprong.info het keer op keer voor het voetlicht brengt.

De titel: “Robert Plomp verdedigt theïstische evolutie door te ontkennen dat dieren kunnen lijden” geeft de kern weer van het eerste artikel van Robert Plomp. De opinie van Plomp dat dieren per definitie niet kunnen lijden noemt hij genuanceerd. Ik zie de nuance helaas niet.

Robert schrijft: “Bovendien gaat mijn verhaal niet over de verdediging van theïstische evolutie, maar over de vraag of God nog wel als goed gezien kan worden als Hij evolutie heeft ontworpen als middel om de schepping te ontwikkelen. Het is een gedachten-oefening, en vanzelfsprekend is er dus ook veel tegenin te brengen.

Het verhaal probeert het probleem van het lijden binnen de TE op te lossen. Gegeven een klassiek christelijk godsbeeld is dit probleem ondermijnend voor TE en is de oplossingspoging ervan dus een verdediging van TE. Ik begrijp dat het een gedachtenoefening is, maar een gedachtenoefening is alleen zinnig als de argumentatie geldig is.

Robert schrijft: “Belangrijker is dat we de vraag over pijn bij dieren dus niet benaderen vanuit een medisch of biologisch perspectief, zoals bioloog en dierenarts Erik van Engelen doet, maar vanuit theologisch perspectief. De vraag die op tafel ligt is of evolutie principieel gebruik maakt van kwaadaardige mechanismen. En omdat het zeker is dat evolutie niet kan bestaan zonder pijn bij dieren, ga ik in op de vraag of deze pijn ook als een kwaad gezien moet worden dat niet past bij de goedheid van God. Daarbij moeten we oppassen dat het geen discussie wordt over de betekenis van woorden. Het woord ‘lijden’ heeft in medisch perspectief niet vanzelfsprekend dezelfde betekenis als in ethisch perspectief.

Robert verdedigt zijn standpunt door te doen alsof ethici over ander lijden spreken, dan dat medici of dierenartsen dat doen. Hij geeft geen onderbouwing voor dit uit-elkaar-trekken van het vraagstuk van het lijden. En die is er ook niet. De vraag of er sprake is van lijden wordt beantwoord door medici, psychologen, psychiaters en met betrekking tot dieren door dierenartsen en niet door ethici. Als er inderdaad sprake is van lijden, dan komt pas een ethicus en theoloog aan het woord om uitspraken te doen over de morele dimensie daarvan. Je kunt geen uitspraak doen over een morele dimensie van iets als die morele dimensie er niet is. Robert doet dus uitspraken op biologisch terrein en niet op theologisch terrein.

Robert schrijft: “Om die vraag vanuit theologisch perspectief te doordenken volg ik een aantal stappen:

  1. Lijden en pijn zijn niet hetzelfde. Je kunt immers lijden zonder pijn te hebben, en niet elke vorm van pijn leidt tot lijden.
  2. Pijn is in zichzelf een goed biologisch mechanisme. Mensen die geen pijn kunnen voelen, lopen vaak verwondingen op en hebben doorgaans een lagere levensverwachting.
  3. Wij lijden omdat we ons bewust zijn dat de dingen die ons overkomen, zoals pijn, eenzaamheid, ruzie of armoede, consequenties hebben voor ons leven, onze toekomst, of onze plaats in de groep.
  4. Dieren hebben geen zelf-reflectieve vermogens, waardoor zij niet lijden onder dit soort geestelijk verdriet of mentaal bewustzijn van gebrokenheid.

Hier is sprake van een schakeling van ongeldige argumentaties.

In de eerste plaats is er niet sprake van een theologisch perspectief.

In de tweede plaats geeft hij in punt 1 en 2 een paar open deuren, namelijk dat pijn niet hetzelfde is als lijden, en dat pijn een goede functie kan hebben. Dit is niet relevant, want pijn kan bij dieren tot leed leiden, maar een dier kan ook lijden door chronische stress, sociale isolatie, angst, verlatenheid en verlies, bijvoorbeeld van een jong. Dit zijn dus niet ter zake doende argumenten.

In punt 3 zegt hij dat een mens lijdt doordat deze zich bewust is van de consequenties van wat hem overkomt. Dit is niet waar. Een mens kan wel degelijk lijden terwijl hij zich niet bewust is van consequenties van de omstandigheden. En het zich bewust zijn van de consequenties kan er ook toe leiden dat een mens niet lijdt, omdat er hoop is voor de toekomst. Je bewust zijn van consequenties is een ander aspect van het menselijk denken, dan lijden onder een bepaalde situatie. Dit is een categoriefout.

In punt 4 plaatst hij een klassieke drogredenering door te stellen dat een dier niet kan lijden op dezelfde manier als een mens en dus helemaal niet kan lijden. Dit is een non-sequitur.

Robert schrijft: “Waar ik mee bezig ben is niet het goedpraten van pijn bij dieren. Volgens Van Engelen zou ik suggereren dat het geen probleem is als we dieren zouden doden. Daar is natuurlijk geen sprake van. De vraag die ik behandel is of de pijn die dieren ondergaan in de evolutie past bij de goedheid van God. En daarop is mijn voorzichtige antwoord: ‘ja’.

Robert praat hier wel degelijk pijn bij dieren goed. Dit is juist de kern van zijn betoog: pijn bij dieren is goed. Daarom alleen past het in zijn visie bij de goedheid van God. Als pijn bij dieren niet goed is, dus kwaad, is er in TE een probleem met de goedheid van God.

Hierna suggereert Robert dat mensen die denken dat dieren kunnen lijden behept zijn met antropomorfisme en dat het een teken van het postmodernisme zou zijn. Ook doet Robert een oproep om als christenen vredig met elkaar om te gaan.

Robert schrijft: “Daarom begrijp ik Erik van Engelen ook niet helemaal. Wat heeft hij te winnen bij het zo keihard tegenspreken van mijn artikel?

Ten diepste komt mijn reactie voort uit de pijn die het me doet dat Robert dit soort stukjes schrijft. Hij en ik hebben een kerkelijke achtergrond die oorspronkelijk dicht bij elkaar ligt, maar hij weeft modern gedachtengoed in zijn belevingswereld. Dat vind ik ontzettend jammer, niet alleen klopt er rationeel gezien weinig van, maar ongemerkt is ook het karakter van de theologie zodanig veranderd, dat vaak nog wel dezelfde woorden gebruikt worden, maar er toch iets anders bedoeld wordt.

Voetnoten

Was Sisera een ‘Italiaan’?

Op een heuveltop in Israël, niet ver van Megiddo, met uitzicht op de berg Karmel en de kust van de Middellandse Zee, hebben archeologen een unieke vesting opgegraven. De muur van deze vesting is niet zo regelmatig mogelijk, zoals bij de steden en vestingen van de Israëlieten en de Kanaänieten het geval was, maar enorm onregelmatig. Het terrein binnen de muur van deze vesting was grotendeels onbebouwd en door binnenmuren verdeeld in vijf kleinere gedeelten. Uit het gevonden aardewerk valt af te leiden dat de vesting alleen tussen ongeveer 1220 en 1170 v. Chr. bewoond is geweest, en later nooit meer. Anders dan vrijwel overal elders is er dus slechts één opgravingslaag. Alles wijst erop dat de bouwers van deze vesting, die tegenwoordig bekend staat als El-Achwat, noch Israëlieten noch Kanaänieten waren. Evenals de Filistijnen behoorden ze tot de zogenoemde Zeevolken, die geen Semieten maar Indo-Europees waren, en die zich via Egypte in de kuststreek van Palestina vestigden rond de tijd waarin ook Israël Kanaän probeerde te veroveren.

Heel opvallend aan de vesting op El-Achwat zijn ronde gebouwen van losse stenen die nog het meest aan iglo’s doen denken. Ze zijn meestal zo’n drie meter in doorsnede en twee meter hoog. Dergelijke bouwwerken vindt men nergens in het Midden-Oosten, maar wel op Sardinië. Zeker 6500 van deze ronde gebouwen zijn bekend. Op Sardinië werden ze als huizen gebouwd door een volk dat nog niet kon lezen en schrijven, de Shardana. Deze Shardana trokken naar het Oosten van de Middellandse Zee kort voordat de Filistijnen hetzelfde deden. Op diverse afbeeldingen in Egypte zijn de Shardana herkenbaar aan hun gehoornde helmen. Egyptische teksten duiden erop dat de Shardana als een soort huursoldaten nu eens vóór, dan weer eens tegen Egypte vochten. Ze worden voor het eerst genoemd in de 14e eeuwse Amarna-brieven. Een eeuw later duiken ze op als lijfwachten van de beroemde farao Ramses II. Rond 1100 v. Chr. reisde de Egyptische priester Amenope door de kustvlakte van Kanaän en trof daar zowel Filistijnen als Shardana aan.

Worden deze Shardana in het Oude Testament genoemd? Ja, waarschijnlijk tweemaal. In Genesis 10:5 is sprake van ‘kustlanden der volken’ (Hebr. iyei ha-goyim). De beroemde archeoloog William F. Albright (1891-1971) meende dat met deze ‘volken’ speciaal de Zeevolken zoals Filistijnen en Shardana bedoeld worden. Het lijkt erop dat de nieuwe ontdekkingen hem gelijk geven.

In Richteren 4:2, 13 wordt de woonplaats van Sisera, een tegenstander van Debora en Barak, ‘Haroset van de Volken’ (Haroset ha-goyim) genoemd. Dit Haroset is nooit gevonden maar alles wijst erop dat het geïdentificeerd kan worden met El-Achwat. De ligging van deze vesting past goed in de verhalen van Richteren 4 en 5. Dat betekent dat de tegenstanders van Debora en Barak vanuit Haroset opereerden. De Shardana hadden zich in die periode blijkbaar verhuurd aan de Kanaänitische vorst Jabin (Richt. 4:2).

Als deze gedachte juist is, verklaart ze waarom de vesting op El-Achwat maar korte tijd in gebruik was: de Shardana moesten na hun verpletterende nederlaag het land weer verlaten. Ook begrijpen we hoe het mogelijk was dat Sisera 900 ijzeren strijdwagens had (Richt. 4:3). De Zeevolken, zowel de Filistijnen als de Shardana, waren in die tijd de enigen die ijzer konden maken (vgl. 1 Samuël 13:19-22). De raadselachtige, niet-Semitische naam Sisera kan nu worden verklaard als afkomstig van Sardinië. Daar komen vergelijkbare namen nog altijd voor.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Ellips. De volledige bronvermelding luidt: Lalleman, P.J., 2004, Was Sisera een ‘Italiaan’?, Ellips 29 (249): 21.

‘De Bijbel leert klip en klaar dat God alles in zes dagen heeft geschapen’ – Wetenschapsjournalist schrijft zijn eerste brief aan bioloog én wetenschapsjournalist

“Als de Schrift stelt dat God het gras doet groeien, hoeft niemand daarom de ‘fotosynthese-hypothese’ te verwerpen. Dat is de manier die God (als eerste Oorzaak) aan het gras heeft gegeven om te groeien (als tweede oorzaak).” Bron: Pixabay.

Beste René,

Ik waardeer het dat je op de uitnodiging van Cvandaag wilt ingaan. We kennen elkaar al wat langer. We weten ook dat we op dit punt met elkaar van mening verschillen. Overtuigen van mijn standpunt kan ik jou niet, en dat is ook niet mijn doel. Het is volgens mij al winst wanneer we van elkaar begrijpen waarom we denken zoals we denken.

Om even wat achtergrond van mezelf te schetsen: ik ben geboren in een gezin dat aangesloten is bij de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGiN). Ik ben dat ook mijn hele leven geweest. Op het vwo, destijds Voetius SG, nu Calvijn College in Goes, heb ik tijdens maatschappijleer en biologie wat mogen snuffelen aan de evolutietheorie. Tijdens mijn opleiding ecotoxicologie aan de Wageningen Universiteit kwam ik voor het eerst in aanraking met de theorie, zoals die mij daar als wetenschap werd aangeboden. Ik kon die niet combineren met mijn gereformeerde achtergrond, maar leerde haar wel als wetenschappelijke theorie en liet de levensbeschouwelijke controverse toen rusten.

Anders werd het toen ik bij het Reformatorisch Dagblad ging werken in 2008. Ik viel toen met mijn neus in de boter: in 2009 was het immers het jaar van de roemruchte wetenschapper Charles Darwin. Ik mocht dat mee helpen voorbereiden. Ik stond daar toen vrij naïef in, en heb in mijn onbezonnenheid stelligheden opgeschreven die ik nu niet meer zo voor mijn rekening zou willen nemen. Maar mijn grondhouding is al die jaren door dezelfde gebleven: Het door God de Heilige Geest geïnspireerde Woord is onveranderlijk waar en staat boven alles, en de evolutietheorie is een product van hersenen van gevallen mensen met een verduisterd verstand (Rom. 1:21; Ef. 4:18). Deze visie heeft zich de afgelopen jaren uiteraard verdiept en genuanceerd.

Zo wijs ik niet alle vormen van evolutie af. Met adaptatie en soortvorming die empirisch-wetenschappelijk zijn aangetoond, heb ik geen enkele moeite. Dat spreekt de Bijbel ook niet tegen. God schiep immers alle dieren naar zijn/haar aard (Gen. 1). Dat er daarna adaptatie en soortvorming heeft plaatsgehad, is zeer aannemelijk. Maar universele gemeenschappelijke afstamming van soorten vindt geen grond in de Bijbel. En ook wetenschappelijk gezien zijn de bewijzen hiervoor zwak en hypothetisch; zie mijn boek. Die moeten we dus afwijzen.

Je schrijft: ”In een schema stel je dat het alleen toegestaan is ‘Schrift met Schrift’ te vergelijken. De ‘Bijbels-gereformeerde theologie’ die hierdoor ontstaat reikt kaders aan voor de natuurwetenschap, terwijl de wetenschap haar hypothesen moet toetsen aan de theologie. Hier zie ik een probleem.

Ik ook. Er loopt in de bovenstaande aanhaling van alles door elkaar. Het schema waar je op doelt, geeft de manier van denken aan in de vroegmoderne wetenschap van de zeventiende eeuw. Veel hedendaagse creationisten gebruiken deze manier van denken nog steeds.

Natuurlijk kun je in zo’n schema niet alles kwijt. Elders in het boek leg ik daarom ook uit dat ook buiten-Bijbelse gegevens een rol kunnen spelen in het verstaan van de Schrift. Maar zoals de Utrechtse theoloog Petrus van Mastricht stelt: ‘Op zo’n manier echter dat wij die elk aan zijn plaats laten, zodat ze dienstbaar zijn aan en niet heersen over de Schrift.’ En daar zit hem wat mij betreft de kern: Welke kenbron is het meest gezaghebbend: de Bijbel of de wetenschap?

Je schrijft verder: ”Want wat zégt de Schrift nu feitelijk over de natuur? Als de Schrift stelt dat God het gras doet groeien, moet ik dan de ‘fotosynthese-hypothese’ verwerpen die volgens de biologie zorgt voor de groei?

Ook hier lopen zaken door elkaar. De natuur moeten we onderscheiden in de natuur zoals die zich aan ons voordoet, en wat de wetenschap daarover zegt. Daar kun je geen isgelijkteken tussen plaatsen. De Bijbel is geen natuurwetenschappelijk boek, de natuurwetenschap verandert doorlopend. Dus, als de Schrift stelt dat God het gras doet groeien, hoeft niemand daarom de ‘fotosynthese-hypothese’ te verwerpen. Dat is de manier die God (als eerste Oorzaak) aan het gras heeft gegeven om te groeien (als tweede oorzaak). En dat heeft de experimentele wetenschap ontdekt. Ik zie daar geen probleem opdoemen.

Bijzonder vond ik jouw opmerking: ”Daarnaast is Genesis geschreven in een andere tijd en een andere cultuur dan waarin wij leven. (…) In jouw omgang met Genesis zie ik de Verlichting terug, de focus op het ‘hoe’ van de dingen in plaats van het ‘waarom’ ervan.

Uiteraard is Genesis geschreven in een andere cultuur, maar dat doet niets af aan wat er staat en wat ermee wordt bedoeld. Ik citeer hierover in mijn boek uitgebreid Johannes Calvijn (1509-1564), die onmogelijk van Verlichtingsideeën kan worden verdacht. Ook hij gaat in op het ‘hoe’ van de schepping zoals Genesis 1 dat weergeeft. Natuurlijk kunnen wij met ons verstand niet bevatten hoe in één ogenblik hemel en aarde tot stand zijn gekomen. Het staat er met een zinnetje in Genesis 1:1. Het moet een machtig gebeuren zijn geweest. Maar dát het zo is gebeurt, lijdt volgens de Bijbel geen enkele twijfel. Zie bijvoorbeeld ook Exodus 20:11.

Ik denk dan ook dat je hier een element aan de orde hebt gesteld waar de natuurwetenschap botst met de klassiek-gereformeerde Bijbeluitleg. Jij kiest voor de verklaring van het ‘hoe’ voor de wetenschap, ik voor de klassiek-gereformeerde Bijbeluitleg.

Inderdaad heeft Voetius in zijn strijd tegen het cartesianisme in de theologie de vergissing gemaakt om een verouderd wetenschappelijk model in de Bijbel in te lezen, namelijk het geocentrisme van Ptolemeüs (de aarde draait om de zon). Helaas zag hij niet in dat de Bijbel de dingen beschrijft zoals ze zich aan ons voordoen, het zogeheten kijkbeeld. De Bijbel maakt geen keuze tussen geocentrisme en heliocentrisme.

Verder hebben we altijd het genre van de Bijbeltekst in ogenschouw te nemen. Nergens in mijn boek heb ik beweerd dat je de Bijbel altijd en overal letterlijk moet lezen. Ik citeer maar even uit eigen werk, pagina 360: ‘Van woord tot woord heeft de Bijbel autoriteit. De Bijbel moet daarom noodzakelijk ‘historisch-letterlijk’, ‘eenvoudig-historisch’ of ‘grammaticaal-historisch’ worden gelezen: volgens de betekenis die de schrijver bedoelde, terwijl rekening wordt gehouden met alle stijlfiguren en literaire vormen die in de tekst voorkomen’, met de bijbehorende voetnoten met aanhalingen van theologen. Dat betekent dat Job, dat een poëtisch Bijbelboek is, ook zo moet worden gelezen. Ik zie daar evenmin een probleem opdoemen.

Voor wat betreft 1 Korinthe 13:12 ben ik het met je eens dat ons kennen hier altijd onvolkomen is. Ik beweer daarom ook echt niet de waarheid in pacht te hebben. Maar we hoeven niet te verduisteren wat de Bijbel klip en klaar aan ons laat weten; dat is immers de helderheid of duidelijkheid (claritas) van Gods Woord, één van de zogeheten eigenschappen van de Bijbel. Dat heeft niets te maken met hoogmoed: dat is alleen de alleen de Bijbel naspreken, zoals dat de eeuwen voor ons ook is gebeurd.

Ik kan andersom stellen dat het hoogmoed is om te beweren dat de wetenschap de waarheid in pacht heeft. Ik hecht eraan, zoals ik ook in mijn boek heb gedaan, onderscheid te maken tussen nomologische of empirische wetenschap en historische wetenschap. Over de empirische wetenschap gaat onze briefwisseling niet. Daarover zijn we het eens, en is er geen verschil. Wel over de hedendaagse kosmogonie, biogonie en de gemeenschappelijke afstamming van de soorten. Deze gaan over oorsprong, dus over de ontstaansvraag. Het ontstaan van de dingen is in het verleden gebeurd; dat is niet proefondervindelijk te onderzoeken. Het gaat dus om historische wetenschap. En het lastige hiervan is dat deze takken van wetenschap vandaag de dag steunen op een (methodologisch) naturalistische benadering: God speelt geen rol in het ontstaan van de dingen, omdat alles via natuurlijke processen, natuurwetten, tijd en toeval moet zijn gebeurd.

Wanneer je zegt dat God er wel een rol in heeft gespeelt, verlaat je de hedendaagse natuurwetenschap en kom je terecht op het terrein van geloof en levensbeschouwing. Nou, daarin kunnen we elkaar de hand geven.

Maar als je veronderstelt dat gemeenschappelijke afstamming van de soorten een wetenschappelijke waarheid is, moet je ook veronderstellen dat daarin materiële processen (natuurlijke processen, natuurwetten, tijd en toeval) een rol hebben gespeeld. Dan ontkom je er als wetenschapper niet aan om ook (delen van) een evolutionair wereldbeeld over te nemen. Op zijn minst dat alle leven is ontstaan uit een of meer oercellen. De Bijbel leert klip en klaar dat God alles in zes dagen heeft geschapen. Daar zit mijns inziens een fundamenteel verschil, dat zich niet laat wegpoetsen. Dat laat ik in die tabel zien.

Nu kun je het atheïstische evolutiegeloof – de ideologie van het evolutionisme – onderscheiden van de evolutiewetenschap zoals Nancy Murphy en Howard Van Till doen. De evolutiebiologie zou dan ‘de pure wetenschap’ zijn, terwijl de ‘evolutionistische metafysica’ de wetenschappelijke theorie zou gebruiken om een atheïstisch wereldbeeld te verdedigen. Maar dat is mijns inziens geen houdbaar standpunt. Ik citeer maar weer uit eigen werk, pagina 221: ‘Toch is het te gemakkelijk gezegd dat het evolutionistische geloof altijd strikt onderscheiden kan worden van de evolutionaire wetenschap. Theïstisch evolutionisten kunnen niet praktiseren wat ze preken: ze proberen de evolutionaire wetenschap te scheiden van de evolutionistische metafysica, maar refereren daarvoor aan (methodologisch) naturalistische metafysica. Het gezag van de evolutieleer berust immers op het naturalistische geloof in deep time. Daarnaast is er naturalistisch geloof nodig in de universele gemeenschappelijke afstamming van soorten. Het derde dogma is dat leven zich heeft ontwikkeld van eenvoudige naar complexe levensvormen. Dat zijn geen wetenschappelijke feiten, maar naturalistische ‘geloofsartikelen’.’

Daarom kan ik begrijpen dat filosoof J.P. Moreland het theïstisch evolutionisme een moderne vorm van syncretisme noemt: het vermengen van twee wereldbeelden, twee geloven, twee religies. Ik heb dat in mijn boek verder uitgewerkt. Dat betekent niet dat ik beweer dat elke theïstische evolutionist het ontologisch of filosofisch naturalisme van een atheïst onderschrijft. Helemaal niet. Maar ik zie wel een vermenging optreden van naturalistische wetenschap en moderne theologie.

Inderdaad beschrijf ik in hoofdstuk 40 ‘allerlei vitale onderdelen van het christendom die verdwijnen wanneer we Genesis niet langer lezen als historisch’. Je verwijt me dat ik Gijsbert van den Brinks boek ‘En de aarde bracht voort’ niet heb aangehaald. Maar dat is niet terecht. Al die dingen heb ik uitgebreid besproken in de hoofdstukken 24-39. Hoofdstuk 40 is daarvan een samenvatting. Als je deze hoofdstukken doorneemt met hoofdstuk 40 ernaast, begrijp je beter hoe ik tot mijn stellingen kom.

Volgens jou kan ”de wetenschap wel degelijk goed onderbouwde uitspraken doen over het verleden, en is prima in staat de wetmatigheden in de natuurlijke wereld bloot te leggen”. Opnieuw vermeng je twee dingen. Inderdaad is de wetenschap prima in staat de wetmatigheden in de natuurlijke wereld bloot te leggen. We kennen de wetten van Newton, Einstein, enz. Maar evolutionaire wetmatigheden die ten grondslag liggen aan de gemeenschappelijke afstamming van soorten, ben ik nog nooit tegengekomen. Wel beweringen (of noem het hypotheses) over het verleden, die bij nader inzien vaak gestoeld blijken te zijn op onderliggende naturalistische geloofsartikelen, zoals de veronderstelling dat leven zich heeft ontwikkeld van eenvoudig naar complex.

Ik ben blij te lezen dat je de wetenschappelijke kennis niet wilt verabsoluteren, maar dan wil ik je toch een scherpe vraag stellen: welke kenbron bepaalt voor jou vooral hoe ons universum, het leven en de biodiversiteit tot stand zijn gekomen: is dat de wetenschap of is dat de Bijbel?

Ik hoop dat deze briefwisseling ons beiden opscherpt in onze standpunten. Enerzijds: waar liggen voor ons de grenzen van de wetenschap? En anderzijds: hoe gezaghebbend is Gods Woord voor ons?

Ik ben benieuwd naar jouw reactie!

Gode bevolen,

Bart van den Dikkenberg

Noot van de redactie: De eerste brief van dr. René Fransen is op de website van CVandaag (hier) te vinden. Het overzicht van deze briefwisseling is hier te vinden.

Dit artikel is met toestemming overgenomen van de website CVandaag. Het originele artikel is hier te vinden.

Briefwisseling tussen dr. René Fransen en ir. Bart van den Dikkenberg over theïstische evolutie – Een overzicht

Dit jaar verscheen het boek ‘De werken van Zijn handen’ van de wetenschapsjournalist ir. Bart van den Dikkenberg.1 Het boek is een kritische beschouwing van het theïstische evolutionisme. Er zijn al enkele positieve recensies verschenen. Deze week werd er op CVandaag een briefwisseling gestart tussen ir. Bart van den Dikkenberg, die het klassieke scheppingsgeloof voorstaat, en dr. René Fransen, die voorstander is van een vorm van theïstische evolutie. De brieven van ir. Van den Dikkenberg nemen we, vanwege dezelfde doelstelling, ook over op deze website. Om niet het verwijt van eenzijdigheid te krijgen, hebben we in het onderstaande overzicht een tabel aangemaakt. In deze tabel wordt ook verwezen naar de brieven van dr. Fransen.

Overzicht van de briefwisseling

Brieven van dr. Fransen Brieven van ir. Van den Dikkenberg
‘Zijn schepping en evolutie onverenigbaar?’ ‘Bijbel leert dat God alles in zes dagen heeft geschapen’
‘Bewijzen voor jonge aarde zijn slecht onderbouwd’ Brief 2
Brief 3 Brief 3

Voetnoten

Moet de evolutietheorie onderwezen worden op scholen? – Enkele gedachten om dat, naast ID-onderwijs, wel te doen

Moet de evolutietheorie onderwezen worden op scholen? Dat is voor sommige gelovigen de vraag. Zelf meen ik dat scholen er verstandig aan doen de leerlingen wél onderwijs te geven over de evolutietheorie, zelfs over de natuurfilosofie van Universele Gemeenschappelijke Afstamming. Het is goed als de leerlingen in een beschermde omgeving een begeleide confrontatie aangaan met de naturalistische wetenschapsbeoefening.

Driestar Educatief

Vanmorgen las ik het gesponsorde artikel op CVandaag met als titel ‘Waarom Driestar onderwijsadvies van grote toegevoegde waarde is voor christelijk Nederland’.1 Daarin ging het ook over onderwijs rond het onderwerp evolutie. Kerkhistoricus Jacob Jan van Rijs wordt aan het woord gelaten over dit onderwerp. Van Rijs is tevens onderwijsadviseur bij Driestar Educatief. Een citaat uit het artikel:

“Dat zorgt soms ook voor dilemma’s. Hoe doet men dat bijvoorbeeld bij het ontwikkelen van lesmethodes waarin schepping en evolutie ter sprake (moeten) komen? ‘We geven gewoon aandacht aan de evolutietheorie’, vertelt Van Rijs. ‘We proberen zo feitelijk mogelijk weer te geven wat die theorie inhoudt. Dat is ook belangrijk. Het zijn in de meeste gevallen natuurlijk kinderen die zijn opgegroeid met het scheppingsverhaal en het is goed dat ze ook kennisnemen van hoe anderen ernaar kijken. Je blijft niet altijd in je veilige christelijke bubbel zitten namelijk.’”

Tweemodellenonderwijs

Volgens Van Rijs is er dus een eerlijke weergave van de gegevens nodig. Dat lijkt mij nodig voor zowel de ene als de andere kant. Met een dergelijk tweemodellenonderwijs ben ik het van harte eens. Al eerder heb ik betoogd dat we de lesboeken niet moeten censureren als het gaat om Universele Gemeenschappelijke Afstamming. Liever zou ik willen pleiten voor een begeleide confrontatie.2 Hierbij wordt allereerst op een zo objectief mogelijke wijze kennis gemaakt met de evolutietheorie, maar ook alternatieven vanuit bijvoorbeeld de Intelligent Design-beweging besproken.3 Laatst genoemde argumenten natuurlijk belicht vanuit het klassieke scheppingsgeloof. Zo heeft de ID-beweging diverse natuuriconen ontwikkeld.4 Het zou mogelijk moeten zijn om de werking van deze iconen eenvoudig aan onze jongeren uit te leggen. Veel creationisten zijn niet tegen de evolutietheorie als zodanig, maar eerder tegen de natuurfilosofie van Universele Gemeenschappelijke Afstamming. Evolutie in een bepaalde periode (change over time) is namelijk een waarneembaar feit. De vraag is dus niet of dier- en plantensoorten kunnen veranderen en variëren. Dat staat buiten discussie, je hoeft alleen maar de talloze verschillende grassoorten aan te halen.5 De vraag (en de discussie) is of al deze evolutie leidt tot Universele Gemeenschappelijke Afstamming.

Hoe zal dat in de praktijk te werk moeten gaan? In de eerste vijf groepen van de basisschool geef je de kinderen onderwijs over het klassieke scheppingsgeloof. Dit zal gebeuren door het vertellen van de Bijbelse Geschiedenis aan onze kinderen en door bij biologie kinderen te laten verwonderen over Gods schepping. Deze scheppingswereld kan ook ontsloten worden in de klas. Door bijvoorbeeld een natuurdocumentaire te bekijken en daarover door te spreken. Op de kleuterschool wordt de kinderen bijvoorbeeld de seizoenen aangeleerd en dat bij elk seizoen weer andere natuurpatronen horen. In groep 6 geef je tijdens de lessen kort aan dat er ook mensen zijn anders denken over het ontstaan van de aarde en het leven op onze planeet. Maar ook dat de leerlingen met respect met die mensen en meningen om moeten gaan. Dit zal ook voor de meester of juf een leerschool blijven: practice what you preach. Vanaf groep 7 zal dit onderwijs meer inhoudelijke zaken bevatten. In groep 8 moet er, in mijn ogen, minstens één module of hoofdstuk gaan over de evolutietheorie. De leerkracht kan daar vanzelfsprekend dan nog niet zo heel diep op ingaan. Wat snuffelen aan deze zaken is in mijn ogen voldoende. In het Voortgezet Onderwijs wordt de opbouw hiervan verstevigd tijdens de biologielessen (zowel vanuit evolutionair perspectief als vanuit ID-perspectief). Het is ook geboden dit vakoverstijgend uit te werken, in samenwerking met verschillende schoolvakken. Om zo het klassieke scheppingsgeloof niet alleen bij godsdienst te laten doorklinken, maar ook bij de andere vakken.

Waarom?

Waarom is het nodig om de evolutietheorie een plaats te geven in het onderwijs? Allereerst omdat grote onderdelen van de evolutietheorie feitelijk correct zijn en zeker niet strijden met het klassieke scheppingsgeloof. Te denken valt aan bijvoorbeeld de begrippen allopatrische soortvorming en sympatrische soortvorming. Veel voorbeelden die gegeven worden vóór de evolutietheorie vallen onder, wat sommige creationisten, micro-evolutie, noemen.6 Ten tweede omdat de evolutietheorie examenstof is en geleerd dient te worden om een goed resultaat op het examen te behalen. Ten derde omdat de evolutietheorie als ‘universeel zuur’ wordt aangemerkt, waarmee je vroeg of laat te maken krijgt. Wanneer leerlingen op het middelbaar onderwijs en onjuist beeld van deze theorie hebben meegekregen, of zelfs geen beeld, dan bestaat de kans dat zij op de hogeschool of universiteit met spreekwoordelijke een mond vol tanden staan of zelfs zo in vertwijfeling raken dat zij (uiteindelijk) de kerk vaarwel zullen zeggen. Begeleide confrontatie zal hen echter helpen om de evolutietheorie meer te begrijpen en, als het gaat om Universele Gemeenschappelijke Afstamming, ook gewapend te worden met solide tegenargumenten die met de spreekwoordelijke voeten in de klei geformuleerd zijn. Dit zou openbare scholen zelfs kunnen stimuleren, om hetzelfde te doen met creationistische wetenschapsbeoefening en Intelligent Design. De gedachte van de voormalig onderwijsminister Maria van der Hoeven om Intelligent Design een volwaarde plaats te geven op alle scholen is niet eens zo heel bijzonder of bekrompen religieus.7 Heeft men in het openbare onderwijs wel een goed beeld van het klassieke scheppingsgeloof en Intelligent Design? Of wordt er vaak een karikatuur gemaakt en lachwekkend over gedaan? Soli Deo Gloria!

Voetnoten

Vogelwereld en mensenwereld

Op 29 april was ik in de Gouverneurspolder en zag zeven paar Kluten, 3 nesten met eieren en enkele lege nesten. Hoopvol keerde ik huiswaarts. Van 3 op 4 mei regende het langdurig. Zouden er nesten verloren zijn gegaan? Op 4 mei even wezen kijken. De op de grond broedende vogels bleken niet door water maar door een natuurlijke vijand te zijn verstoord! Zes Kluten werden gezien, 1 nest met 4 eieren en een doodgebeten (gepredeerde) oudervogel. De aanblik van de dode vogel raakte me: de broedzorg kostte de oudervogel het leven.

Begin mei las ik dat Nederlandse vrouwen in 2023 gemiddeld 1,43 kinderen hadden (de Neder-Betuwe kent een relatief hoog gemiddeld kindertal: 2,30). Mij raakte dat vooral bij jonge vrouwen zonder startkwalificatie (= het minimale onderwijsniveau dat nodig is om serieus kans te maken op duurzaam geschoold werk) de kinderloosheid het hoogst is! Hoe triest dat deze groep vrouwen het krijgen van een kind moet uitstellen om praktische redenen en levensomstandigheden.

Op 4 mei hoorde ik een gesprek op de radio. Een Joodse man vertelde dat hij als kind van 1 jaar in de oorlog door zijn moeder was afgestaan aan pleegouders om hem te redden. Hij was dankbaar, en dat raakte mij, dat hij een gezin had mogen stichten en kinderen had gekregen.

In de vogelwereld draait nu veel om eieren leggen en jongen grootbrengen. Sinds de Tweede Wereldoorlog kreeg de Nederlandse vrouw gemiddeld niet zo weinig kinderen. Wat is er mis in onze mensenwereld?

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit Het GemeenteNieuws. De volledige bronvermelding luidt: Kooij, H. van der, 2024, Vogelwereld en mensenwereld, Het GemeenteNieuws 23 (20): 3.

Grootste deel DNA is functioneel

Het grootste deel van het DNA wordt vertaald naar RNA en meer dan 80 procent van het DNA is functioneel, reageert dr. Peter Borger op René Fransen (RD 23-5).

In zijn reactie in het RD van 23-5 op mijn artikel ”Bouwen van levende cel op voorhand mislukt” (RD 22-5) maakt opponent René Fransen een aantal ernstige fouten en misinterpretaties, waardoor er een verkeerd beeld van de huidige stand van de biologie ontstaat.

Ten eerste is het niet waar dat er chemische systemen zijn ontworpen die als levend kunnen worden gezien. Verre van dat. Zulke ontworpen chemische systemen veranderen inderdaad, maar ze evolueren niet tot complexere systemen. Ze verliezen overbodige complexiteit en worden juist simpeler – zoals ik al in mijn boek voorspelde. Ze kunnen ook niet evolueren, want het zijn niet reproducerende systemen. Fransen stelt zo de realiteit anders voor dan de feiten werkelijk zijn.

Daarna stelt hij dat het bij „biologische informatie“ om een metafoor zou gaan. Maar feit is dat DNA zelf, als sequentie, wel degelijk volgeladen is met informatie: genen, regulators, mutators, stabilisators, et cetera. Het is code, geprogrammeerd om een levende cel mee te bouwen, om te adapteren en om nieuwe soorten te vormen.

Fransen ontkent dat het DNA werkelijk een informatieopslag en verwerkingssysteem is, vergelijkbaar met een computer. Dat er geen informatie in het DNA zit, is de opvatting die met name door de atheïstische gemeenschap wordt gehuldigd, omdat informatie een Schepper impliceert. Maar we hebben echt te maken met gecodeerde informatie, en niet met metafoor als we over informatie in het DNA praten. Wat we observeren aan en om het DNA heeft alle kenmerken van programmeertaal, inclusief syntax (symbolenvolgorde), semantiek (betekenis), pragmatiek (actie-uitlokkend) and apobetiek (doelgerichtheid). Informatie dus.

Ik ben dagelijks met deze informatie bezig: miRNA, piRNA, lincRNA, regulatie van genexpressie en RNA editing. De meest simpele levende cel, die zichzelf autonoom kan reproduceren, heeft daarvoor naar schatting 2000 genen nodig… Dat is heel veel informatie. Ik trek dus niet te snel conclusies over de cel. Dat doen Fransen en Dekker, want ze gaan voorbij aan deze informatie.

Vervolgens schrijft Fransen dat ik niet op de hoogte zou zijn met genetische mechanismen die tot een informatietoename leiden. Het tegendeel is waar, ik ben daar volledig van op de hoogte en beschreef ze uitvoerig in mijn boek. Ze nemen een belangrijke plaats in binnen het scheppings-model om adaptaties en soortenvorming te begrijpen.

Wat Fransen niet inziet, is dat een duplicaat geen nieuwe informatie oplevert. Of wou Fransen beweren dat hij een nieuw boek kan schrijven (Sterrenstof, deel 2) door een volgeschreven A4 tweehonderd keer te vermenigvuldigen met een kopieerapparaat? Een kopie is geen nieuwe informatie.

Fransen volgt de Darwinistische opinie dat er uit zulke duplicaten nieuwe genen ontstonden, maar ook dat is zeer twijfelachtig. Met name omdat er geen associatie bestaat tussen gedupliceerde genen en genetische redundantie (zoals ik in mijn boek betoogde).

In mijn kritiek op Dekkers cel, schreef ik overigens “werkelijk nieuwe informatie”, zoals bijvoorbeeld de miRNA genen die ik in mijn boek noemde. De verschillende schepselen verschillen door zulke unieke nieuwe informatie.

Darwinisten, zoals Fransen en Dekker, hebben voor “werkelijk nieuwe informatie” geen enkele verklaring, want er zijn geen vooroudergenen. Zulke unieke informatie valt als het ware uit de lucht en zet de vermeende universele gemeenschappelijke afstamming van organismen op losse schroeven.

Verlies van informatie

Fransen stelt dat de theorie die ik in mijn boek opstelde, onbewezen is. Mijn theorie is net zo onbewezen als die van Darwin. Mijn theorie is echter plausibel en biologisch onderbouwd omdat het uitgaat van informatie. Dit in tegenstelling tot het Darwinisme, waarbij deze informatie geleidelijk zou moeten ontstaan door een opstapeling van foutjes. Hoe ontstond het eerste gen? En het tweede? Het derde? Er is geen theorie die een toename van informatie behandelt. Biologische systemen hebben juist de neiging informatie te verliezen.

Als we verschillende schepselen vergelijken, zien we dat ze gekenmerkt worden door nieuwe genetische informatie. Zo zien we bijvoorbeeld nieuwe miRNA genen in de mens, die we niet in de chimpansee aantreffen. Er bestaat dus werkelijk nieuwe unieke soortspecifieke informatie. Fransen zit hier dus fout.

Fransen schrijft dat de functieloosheid van het overgrote deel van het DNA op observatie baseert. Ook hier zit hij fout. Het klopt dat slechts van een klein gedeelte van het DNA voor eiwitten codeert. Wat de rest doet, wisten we lange tijd niet. Maar het is niet op waarnemingen gebaseerd om te spreken van functieloosheid. Op basis van waarnemingen kun je sowieso nooit een non-existentie aantonen, omdat iets dat niet bestaat (hier: functieloosheid) niet waarneembaar is.

Het grootste deel van het DNA was dus tot voor kort onbekende code, maar het Encode projects (de opvolger van het „human genome project“ (HUGO)) toonde dat het overgrote deel van het genoom functioneel is en als RNA wordt afgeschreven.

Encode laat zien dat het genoom werkt als een computer. Waar de computer een hard-drive, een rewritable memory (RAM) en een beeldscherm heeft, daar heeft de cel DNA (voor data opslag), RNA (voor informatie processing) en eiwit als read-out. Het overgrote deel van het genoom wordt gebruikt voor informatieverwerkende RNAs (miRNAs, piRNAs, lncRNA, etcetera). Het verhaal dat het grootste deel van het genoom geen functie zou hebben is een theoretisch evolutionistisch bedenksel uit de vorige eeuw en baseert op het feit dat mutaties vrijwel altijd schadelijk zijn.

Het idee was dat een grotendeels functieloos genoom veel meer mutaties kan tolereren. Dit theoretische concept werd in 2012 weerlegd door Encode, een consortium van honderden wetenschappers, die het genoom op een geheel nieuwe wijze benaderen. Zij toonden dat het grootste deel van het genoom (meer dan 80%) wel degelijk functioneel is. Het hoeft geen betoog dat de Encode biologen het Darwinistische establishment daarmee geen plezier hebben gedaan.

Met name de atheïsten onder hen willen de Encode bevindingen niet waar hebben, omdat een genoom dat voor het grootste deel functioneel is, evolutie weerlegt. Of zoals Dan Graur (atheïst en Encode scepticus) zei: „if Encode is right then evolution is wrong”.

Tegen beter weten in blijft Fransen de onhoudbare theorieën van de Darwinisten verdedigen. Dat is jammer, want er zijn wel degelijk wetenschappelijke alternatieven, die niet alleen de biologische evolutie includeren, maar ook Genesis en God als Schepper in ere houden. Een van die benaderingen is lezen in mijn boek ”Terug naar de Oorsprong”.

Op de bijdrage van hierboven heeft dr. René Fransen, via de website van het Reformatorisch Dagblad, opnieuw gereageerd.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen van de website van het Reformatorisch Dagblad. Het originele artikel is hier te vinden.

Bouwen van levende cel op voorhand mislukt

In het Reformatorisch Dagblad van 13 mei 2015 stond een uitvoerig interview met hoogleraar nanobiologie Cees Dekker, nadat hij 1 miljoen euro had gekregen voor zijn onderzoek. Hij zegt daarin dat hij graag een levende cel zou willen bouwen. Dekker volgt daarmee in principe het pad van de negentiende-eeuwse evolutionisten. Zij dachten dat een levende cel een eenvoudig apparaatje is dat vanzelf is ontstaan en dus eenvoudig na te maken is. De realiteit is verre van dat. Leven is gebaseerd op gedetailleerde informatieopslag en informatieverwerkende systemen. Deze zijn normaal gesproken vastgelegd in het DNA.

Om een levende cel te maken, moet Dekker alle informatie die een cel nodig heeft om te leven (gecodeerd door genen), lenen van reeds bestaande, levende organismen. Hij pleegt dus plagiaat. In zekere zin speelt de hoogleraar de voertuigontwerper van de film ”Mad Max”. Die koopt een carrosserie bij een autofabriek, haalt de motor uit een tractor, allerlei onderdelen van de sloop en wielen en banden van andere voertuigen en maakt vervolgens van deze onderdelen een rijdend vehikel, een Mad Max Mobiel. Opgetogen beweert die beste man dat hij een auto heeft gebouwd. Maar dat is onzin. Hij heeft een bewegend voertuig in elkaar gezet met bestaande onderdelen. Zijn onkunde over het fabriceren van deze onderdelen is zo groot dat het hem nooit zou lukken om een echte auto vanaf een blanco vel te ontwerpen en te bouwen.

Lachlust

Dat Dekker met het prijzengeld –dat hem van harte is gegund– een levende cel wil bouwen, wekt bij mij de lachlust op. Ik vind het grappig: geef een lab 1 miljoen en ze bouwen een levende cel. Dekker weet toch ook dat het DNA-RNA-eiwitsysteem in de meest simpele organismen al een uitermate geavanceerd, dynamisch informatieopslag- en -verwerkingssysteem is. De meest simpele organismen zijn daarmee vele malen complexer dan de meest geavanceerde computers die ooit aan het menselijk brein zijn ontsproten.
Wie denkt dat hij een levende cel kan nabouwen, heeft fundamenteel foute ideeën over de cel. Die miskent de rol van informatie. Informatie is naast materie en energie een van de drie voorwaarden om leven mogelijk te maken. Informatie is de immateriële component van het leven, waar Dekker en vele van zijn collega’s aan voorbij lijken te gaan.

De ontdekking dat informatie aan leven ten grondslag ligt, is de doodssteek voor elke materialistische voorstelling van leven. Om de evolutie van bacterie naar mens –waarin Dekker gelooft– mogelijk te maken, is werkelijk nieuwe informatie nodig, dus niet slechts mutaties in reeds bestaande genen. De evolutie die we hebben bestudeerd in laboratoria is echter van een totaal andere orde; daarbij verdwijnt informatie juist. Er kunnen wel nieuwe soorten ontstaan, maar dat is gevolg van veranderingen in de bestaande informatie. Nieuwe informatie is daarvoor niet nodig. Evolutie waarbij microben in mensen zouden veranderen, is echter een hypothetisch proces van een heel andere categorie, omdat daarvoor wel nieuwe genetische informatie nodig is.

Ik heb in 2009 een boek (”Terug naar de oorsprong”) geschreven waarin ik uitleg wat er met evolutie wordt bedoeld, wat er wordt waargenomen en hoe evolutie verloopt. Het is als het schudden van een pak speelkaarten. De bijna oneindige combinaties van kaarten bepalen de eigenschappen van een organisme. Die ‘kaarten’ zelf –onder meer de genen in het DNA– vormen de informatie waaraan Dekker en andere wetenschappers voorbijgaan. Nieuwe combinaties van deze informatie ontstaan door een genetisch mechanisme, en dit nemen we waar als het ontstaan van nieuwe variatie en nieuwe soorten.

Als er evolutie wordt waargenomen, is dat dus niets anders dan een voorgeprogrammeerd proces dat door de informatie-inhoud van het DNA wordt bepaald en tevens ingeperkt. We weten zo langzaamaan hoe het werkt en er is geen toename van informatie voor nodig. Onbegrijpelijk dat Dekker en andere wetenschappers dit blijven negeren.

Junk-DNA

Waarom hij God en de oerknal betrekt in zijn betoog is mij eveneens een raadsel. Hij volgt blijkbaar gewoon de mainstreamopinie; de weg van de minste weerstand. Maar een kosmologische theorie die beweert dat 96 procent van het universum niet waarneembaar is, is geen theorie. Een theorie die zegt dat 95 procent van het DNA geen functie heeft (zogeheten ”junk-DNA”), is ook geen theorie. Onlangs werd het concept ”junk-DNA” voor onhoudbaar verklaard, mede dankzij het zogeheten Encode-project. En nu doen we in dit onbegrepen deel van onze erfelijke informatie de ene ontdekking na de andere.

Vanuit het mainstream-paradigma –dat leven gewoon ontstond en dus simpel moet zijn– wordt de complexiteit van het leven ernstig onderschat. Het is wellicht hierdoor dat Dekker zijn kennis over de biologie in zo’n mate overschat dat hij gelooft in staat te zijn een kunstmatige, zichzelf delende cel te bouwen.

Delende cellen zijn echter niet te vergelijken met zeepbellen, zoals Dekker het voorstelt. Het zijn eiwitmembraancomplexen, die bijeengehouden worden door ”eiwitkabels” die op commando kunnen insnoeren. Als hij ervan uitgaat dat hij met zeepbellen te maken heeft, is zijn onderzoek bij voorbaat gedoemd te mislukken. Het systeem dat hij voor ogen heeft, en waarbinnen geen continue aanmaak is van werktuigen om de celdeling te laten verlopen, loopt binnen enkele uren vast door beschadigingen – dat weten we van zogeheten ”cell free systems” binnen de biologie.

Postdocs

Wat hij zich niet realiseert, is de continue informatiestroom vanuit het DNA die ervoor zorgt dat delingsprocessen plaatshebben en worden gereguleerd. Vanuit zijn huidige denkkader –dat volledig aan deze informatiestroom voorbijgaat– zal hij dan ook niet bereiken wat hij van plan is. Met 1 miljoen euro begint Dekker niks: daarvoor zet hij slechts één of twee postdocs vijf jaar lang aan het werk. Mislukking verzekerd.

Dit artikel is met toestemming van de auteur overgenomen uit het Reformatorisch Dagblad. De volledige bronvermelding luidt: Borger, P., 2015, Bouwen van levende cel op voorhand mislukt, Reformatorisch Dagblad Puntkomma 45 (41): 6-7 (artikel).